Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5991
2026-08-21
Strafrecht
01/283710-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Taakstraf 120 uren, voorwaardelijke gevangenisstraf 3 maanden met proeftijd 3 jaren en rijontzegging 12 maanden aan 79-jarige vanwege veroorzaken verkeersongeval en rijden zonder geldig rijbewijs. Geen intrinsiek inzicht in rijongeschiktheid.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.296 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.283710.25
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1947],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
zij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de kruising van de Heezerweg met de Jaguarstraat (komende uit de richting Floralaan Oost),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-de kruising van die Heezerweg met de Jaguarstraat te naderen en/of de Heezerweg over te
steken en/of (daarbij)
-niet, althans in onvoldoende mate te letten op het voor haar gelegen gedeelte van die weg
en/of op het parallel aan de Heezerweg gelegen fietspad en/of
-zonder te stoppen en/of af te remmen genoemde kruising en/of fietspad (geheel of
gedeeltelijk) op te rijden/te passeren en/of
-(daarbij) geen voorrang te verlenen aan een over dat parallel aan die Heezerweg gelegen fietspad, voor verdachte (gezien haar rijrichting) van rechts komende fietser,
waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding/botsing is ontstaan met/tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en laatstgenoemde fietser,
waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) gebroken nekwervel(s) en/of (een) scheur(en) in (een) ruggenwervel(s) en/of een hoofwond heeft opgelopen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Heezerweg,
-de kruising van die Heezerweg met de Jaguarstraat is genaderd en/of de Heezerweg over is
gestoken, althans doende is geweest over te steken en/of (daarbij)
-niet, althans in onvoldoende mate, heeft gelet op het voor haar gelegen gedeelte van die
weg en/of op het parallel aan de Heezerweg gelegen fietspad en/of
-zonder te stoppen en/of af te remmen genoemde kruising en/of fietspad (geheel of
gedeeltelijk) op is gereden en/of gepasseerd, en/of
-(daarbij) geen voorrang heeft verleend aan een over dat parallel aan die Heezerweg
gelegen fietspad, voor verdachte (gezien haar rijrichting) van rechts komende fietser,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
t.a.v. feit 2:
zij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan haar daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Heezerweg en/of Jaguarstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Vaststelling van de feiten.
Op 29 november 2024 omstreeks 09.00 uur reed verdachte in een personenauto (Citroën Cactus) op het kruispunt van de Floralaan Oost met de Heezerweg en de Jaguarstraat in Eindhoven. Toen verdachte de Heezerweg overstak richting de Jaguarstraat heeft zij geen voorrang verleend aan de – voor haar van rechts komende – fietser die reed op het fietspad op de Heezerweg. Als gevolg hiervan heeft verdachte deze fietser, te weten de heer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) aangereden. Het slachtoffer heeft hierdoor een gebroken nekwervel, gescheurde ruggenwervels en een hoofdwond opgelopen.
Dit incident is onder primair als misdrijf ex artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) tenlastegelegd en subsidiair als overtreding ex artikel 5 WVW.
Verdachte was ten tijde van het ongeval niet bevoegd om een personenauto te besturen. Haar rijbewijs was met ingang van 30 april 2024 vanwege ongeschikt gebleken rijvaardigheid ongeldig verklaard. Deze ongeldigheidsverklaring was haar op 7 mei
2024 in persoon uitgereikt.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft tot bewezenverklaringen van feit 1 primair en feit 2 gerekwireerd. Volgens de officier van justitie is (feit 1 primair) sprake van een aanmerkelijke mate van onoplettendheid en niet van momentane onoplettendheid.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 primair bepleit. In zijn visie is sprake van momentane onoplettendheid en dat is onvoldoende om schuld in de zin van artikel
6 WVW aan te nemen. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 in
bewijstechnische zin gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 1 primair.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het ongeluk te wijten is aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 van de WVW. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij wordt opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Bij de beoordeling of van verwijtbaar handelen sprake is, is voor de rechtbank het volgende van belang. Verdachte reed op een voor haar bekende weg. Verdachte heeft ook verklaard dat zij bekend was met de voorrangsregels die gelden op het betreffende kruispunt en dat zij wist dat er een fietspad liep parallel aan de Heezerweg. Deze omstandigheden vergen op zichtzelf al extra oplettendheid.
Op de camerabeelden die zijn gemaakt ten tijde van het ongeval is te zien dat het zicht van verdachte niet belemmerd werd door objecten toen zij het kruispunt de Heezerweg overstak. Het was licht buiten en het was droog weer. Ook is te zien dat er geen sprake was van verkeersdrukte. Er bevond zich geen verkeer tussen de auto van verdachte en de fietser. Verder is te zien dat verdachte stilstond voordat zij de Heezerweg overstak, dat zij vervolgens toen ze overstak naar de Jaguarstraat tijdens het oversteken plots versnelde en vervolgens tegen de van rechts komende fietser aanreed. Het slachtoffer kwam over de motorkap op de grond links van de auto op de grond terecht en bleef stil liggen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij het slachtoffer niet had gezien. Op basis van de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat zij de fietser had kunnen en moeten zien en dat verdachte dus onvoldoende oplettend is geweest en daardoor de fietser over het hoofd heeft gezien. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat verdachte flink optrok toen zij de Heezerweg overstak en haar snelheid niet naar beneden bijstelde toen zij het fietspad naderde, hetgeen wel van haar verwacht had mogen worden. Verdachte wist immers dat fietsers daar voorrang hebben. Verdachte heeft haar rijgedrag onvoldoende aangepast aan het rijgedrag dat verwacht mag worden van iemand die een kruispunt oversteekt en daarbij voorrang moet verlenen. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat het onvoldoende kijken een rode draad lijkt te zijn in het rijgedrag van verdachte. Verdachte heeft naar aanleiding van meerdere politieregistraties over onveilig rijgedrag twee rijvaardigheidsonderzoeken gedaan, waarbij verdachte met name het onderdeel kijkgedrag telkens onvoldoende beheerste. Beide rijvaardigheidsonderzoeken heeft zij met name om die reden niet gehaald. Dit heeft ook geleid tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte. Desondanks is verdachte toch weer gaan rijden, met het onderhavige ongeval ten gevolg hebbend.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte onvoldoende oplettend is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij verdachte geen sprake geweest van slechts ‘een kort moment van onoplettendheid’, zoals door de raadsman is betoogd. Ten gevolge van die onoplettendheid is het verkeersongeval ontstaan.
De rechtbank kwalificeert het bovengenoemde gedrag van de verdachte dan ook als aanmerkelijk onoplettend rijgedrag waardoor het verkeersongeval aan haar schuld als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten.
Zwaar lichamelijk letsel.
Het slachtoffer heeft door het ongeval een gebroken nekwervel, gescheurde ruggenwervels en een hoofdwond opgelopen. Het slachtoffer heeft op de intensive care gelegen en moest bijna twee maanden in een revalidatiecentrum verblijven. De herstelduur werd op de dag van het incident geschat op zes maanden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer op dit moment nog steeds beperkt is in zijn dagelijkse bezigheden als gevolg
van het ongeval. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van feit 2.
Verdachte heeft dit feit bekend in die zin dat zij wist dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard en zij op 29 november 2024 geen personenauto mocht besturen. Nu uit de bewijsmiddelen verder volgt dat haar rijbewijs op 30 april 2024 ongeldig is verklaard en deze ongeldigheidsverklaring haar op 7 mei 2024 in persoon is uitgereikt, acht de rechtbank feit 2 bewezen zoals hierna uitgeschreven.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 29 november 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de kruising van de Heezerweg met de Jaguarstraat (komende uit de richting Floralaan Oost), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend
- de kruising van die Heezerweg met de Jaguarstraat te naderen en de Heezerweg over te steken en daarbij
-niet te letten op het parallel aan de Heezerweg gelegen fietspad en
-zonder te stoppen en af te remmen genoemde fietspad gedeeltelijk op te rijden
en
-daarbij geen voorrang te verlenen aan een over dat parallel aan die Heezerweg gelegen fietspad, voor verdachte (gezien haar rijrichting) van rechts komende fietser,
waardoor een aanrijding is ontstaan tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en laatstgenoemde fietser,
waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel en scheuren in ruggenwervels en een hoofwond heeft opgelopen.
t.a.v. feit 2:
op 29 november 2024 te Eindhoven terwijl zij wist dat een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan haar daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Heezerweg en Jaguarstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in
een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld
(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn
geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie. (bijlage)
De officier van justitie heeft de volgende strafeis geformuleerd:
-een taakstraf van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis;
-een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren;
-een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft de oplegging van een taakstraf bepleit. De raadsman heeft zich, uitgaande van de lichtste schuldgradatie in feit 1 primair, tegen de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf verzet. Over een op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsman zich niet uitdrukkelijk uitgelaten.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
ernst feiten
Verdachte, destijds 77 jaar, heeft in een overzichtelijke verkeerssituatie bij het kruisen van een fietspad een vanuit haar rijrichting bezien van rechts komende fietser geen voorrang gegeven en is met haar personenauto tegen het fietsende slachtoffer aangereden.
Het slachtoffer, destijds 74 jaar, heeft door de aanrijding een gebroken nekwervel, twee gescheurde ruggenwervels en een hoofwond opgelopen. Dit lichamelijk letsel heeft zijn leven drastisch veranderd: van vitaal en mobiel naar afhankelijk en zorgbehoevend. Uit de indringende verklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgelezen, volgt dat hij zich voor de rest van zijn leven met een beperkte mobiliteit van zijn nek en een stijve rug, met alle fysieke beperkingen van dien, ziet geconfronteerd en dat hij sinds het ongeval allerlei andere klachten heeft opgelopen die zijn leven negatief beïnvloeden (duizeligheid, verwardheid, slecht geheugen, snel vermoeid zowel fysiek als mentaal). Het slachtoffer heeft op alle leefgebieden moeten inleveren, waarbij de meest ingrijpende verandering was dat hij noodgedwongen moest verhuizen naar een gelijkvloerse woning in een andere stad.
Dit ongeval had voorkomen kunnen worden als verdachte gevolg had gegeven aan de ongeldigheidsverklaring van haar rijbewijs, vanwege onvoldoende rijgeschiktheid. Hieraan lagen acht meldingen van – kort gezegd – onveilig verkeersgedrag in de periode van oktober 2018 tot en met augustus 2023 ten grondslag. Daarna zijn twee rijvaardigheidsonderzoeken gevolgd waaruit steeds volgde dat verdachte niet op verantwoorde wijze als automobilist aan het verkeer kan deelnemen. Zo bleek met name dat het kijkgedrag van verdachte ernstig tekortschoot. Een ongeldigheidsverklaring van het rijbewijs wordt niet voor niets opgelegd en dient de verkeersveiligheid in de ruimste zin des woords. Desondanks heeft verdachte er die bewuste dag voor gekozen om met haar auto te gaan rijden waarbij haar tijdens de rijvaardigheidstests ondermaats gebleken kijkgedrag direct tot het onderhavige verkeersongeval heeft geleid. Verdachte heeft haar capaciteiten als autobestuurder overschat, heeft zich niets aangetrokken van het feit dat zij niet mocht autorijden en heeft zo willens en wetens de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ondergeschikt gemaakt aan haar eigen belang om auto te rijden. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
ten nadele van verdachte
De rechtbank tilt er ook zwaar aan dat verdachte geen moeite heeft gedaan om persoonlijk te informeren naar het welzijn van het slachtoffer dan wel anderszins haar medeleven naar hem heeft getoond.
De rechtbank heeft in het strafblad van verdachte gezien dat aan haar in 2022 een strafbeschikking is uitgevaardigd (geldboete van 360 euro) vanwege een verkeersovertreding en dat zij in februari 2023 tot een geldboete (van 250 euro) en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden is veroordeeld vanwege wederom een verkeersovertreding. Verdachte heeft de onderhavige bewezenverklaarde feiten gepleegd
in de proeftijd van laatstgenoemde veroordeling.
De rechtbank houdt met deze feiten en omstandigheden in het nadeel van verdachte rekening bij de strafoplegging.
persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van een rapport van de reclassering van 16 juli 2026 dat over de persoon van verdachte is opgesteld. Hierin worden geen problemen
op leefgebieden geconstateerd. De reclassering adviseert dan ook om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit het verhandelde ter terechtzitting is verder gebleken dat de echtgenoot van verdachte twee maanden geleden is overleden
en dat zij sindsdien haar werkzaamheden als verpleegkundige nog niet heeft kunnen hervatten. Door het gemis van haar echtgenoot, haar werk en haar rijbewijs is de sociale leven van verdachte beperkt geworden. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het verdriet om het verlies van haar echtgenoot op verdachte en de beperking die het gemis van een auto oplevert, ziet zij geen aanleiding om daarmee in matigende zin bij de strafoplegging rekening te houden.
oriëntatiepunten
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met een aanmerkelijke mate van schuld en met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg is het uitgangspunt de oplegging van een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. Voor, kort gezegd, het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs is het uitgangspunt de oplegging van een gevangenisstraf van 2 weken.
de strafoplegging
Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte enorm gehecht is aan
haar rijbewijs en de bewegingsvrijheid die het rijden in een auto met zich brengt.
Zoals hiervoor reeds vermeld lagen aan de ongeldigheidsverklaring meerdere meldingen
van onveilig rijgedrag ten grondslag. Het is de rechtbank opgevallen dat verdachte de aanleiding van het onveilige rijgedrag vooral buiten zichzelf zoekt. Zij lijkt niet aan haar eigen rijvaardigheid te twijfelen en acht zichzelf nog altijd in staat om te rijden. De in 2022 uitgevaardigde strafbeschikking en veroordeling in 2023 vanwege verkeersovertredingen hebben haar kennelijk ook geen inzicht in haar eigen rijgedrag verschaft.
Nu verdachte ter terechtzitting ook nog eens heeft aangegeven dat zij mogelijk weer in de (mantel)zorg wil gaan werken en als het mogelijk is weer over een rijbewijs zou willen beschikken, acht de rechtbank een zeer krachtig signaal op zijn plaats.
De rechtbank heeft er niet zonder meer vertrouwen in dat verdachte zich niet wederom actief in het gemotoriseerde verkeer zal begeven. Een eerdere, voorwaardelijk opgelegde, ontzegging van de rijbevoegdheid, als stok achter de deur, heeft haar er immers ook niet van weerhouden toch de auto in te stappen.
Dat betekent dat de rechtbank een zwaardere straf zal opleggen dan de door de officier
van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie bij
de strafeis met name onvoldoende oog heeft gehad voor het gebrek aan intrinsiek inzicht
bij verdachte voor wat betreft haar rijongeschiktheid en het gevaar dat zij wederom aan het
gemotoriseerde verkeer gaat deelnemen.
Alles overziende acht rechtbank een taakstaf van 120 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden passend en geboden. De langer durende voorwaardelijke gevangenisstraf moet verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank
Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
feit 2:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
t.a.v. feit 1 primair en feit 2:
-een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis;
-een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd
van 3 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd
niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
-een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
12 maanden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J. Heuft, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,
en is uitgesproken op 21 augustus 2026.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.283710.25
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1947],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
zij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de kruising van de Heezerweg met de Jaguarstraat (komende uit de richting Floralaan Oost),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-de kruising van die Heezerweg met de Jaguarstraat te naderen en/of de Heezerweg over te
steken en/of (daarbij)
-niet, althans in onvoldoende mate te letten op het voor haar gelegen gedeelte van die weg
en/of op het parallel aan de Heezerweg gelegen fietspad en/of
-zonder te stoppen en/of af te remmen genoemde kruising en/of fietspad (geheel of
gedeeltelijk) op te rijden/te passeren en/of
-(daarbij) geen voorrang te verlenen aan een over dat parallel aan die Heezerweg gelegen fietspad, voor verdachte (gezien haar rijrichting) van rechts komende fietser,
waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding/botsing is ontstaan met/tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en laatstgenoemde fietser,
waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) gebroken nekwervel(s) en/of (een) scheur(en) in (een) ruggenwervel(s) en/of een hoofwond heeft opgelopen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Heezerweg,
-de kruising van die Heezerweg met de Jaguarstraat is genaderd en/of de Heezerweg over is
gestoken, althans doende is geweest over te steken en/of (daarbij)
-niet, althans in onvoldoende mate, heeft gelet op het voor haar gelegen gedeelte van die
weg en/of op het parallel aan de Heezerweg gelegen fietspad en/of
-zonder te stoppen en/of af te remmen genoemde kruising en/of fietspad (geheel of
gedeeltelijk) op is gereden en/of gepasseerd, en/of
-(daarbij) geen voorrang heeft verleend aan een over dat parallel aan die Heezerweg
gelegen fietspad, voor verdachte (gezien haar rijrichting) van rechts komende fietser,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
t.a.v. feit 2:
zij op of omstreeks 29 november 2024 te Eindhoven terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan haar daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Heezerweg en/of Jaguarstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Vaststelling van de feiten.
Op 29 november 2024 omstreeks 09.00 uur reed verdachte in een personenauto (Citroën Cactus) op het kruispunt van de Floralaan Oost met de Heezerweg en de Jaguarstraat in Eindhoven. Toen verdachte de Heezerweg overstak richting de Jaguarstraat heeft zij geen voorrang verleend aan de – voor haar van rechts komende – fietser die reed op het fietspad op de Heezerweg. Als gevolg hiervan heeft verdachte deze fietser, te weten de heer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) aangereden. Het slachtoffer heeft hierdoor een gebroken nekwervel, gescheurde ruggenwervels en een hoofdwond opgelopen.
Dit incident is onder primair als misdrijf ex artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) tenlastegelegd en subsidiair als overtreding ex artikel 5 WVW.
Verdachte was ten tijde van het ongeval niet bevoegd om een personenauto te besturen. Haar rijbewijs was met ingang van 30 april 2024 vanwege ongeschikt gebleken rijvaardigheid ongeldig verklaard. Deze ongeldigheidsverklaring was haar op 7 mei
2024 in persoon uitgereikt.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft tot bewezenverklaringen van feit 1 primair en feit 2 gerekwireerd. Volgens de officier van justitie is (feit 1 primair) sprake van een aanmerkelijke mate van onoplettendheid en niet van momentane onoplettendheid.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 primair bepleit. In zijn visie is sprake van momentane onoplettendheid en dat is onvoldoende om schuld in de zin van artikel
6 WVW aan te nemen. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 in
bewijstechnische zin gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 1 primair.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het ongeluk te wijten is aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 van de WVW. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij wordt opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Bij de beoordeling of van verwijtbaar handelen sprake is, is voor de rechtbank het volgende van belang. Verdachte reed op een voor haar bekende weg. Verdachte heeft ook verklaard dat zij bekend was met de voorrangsregels die gelden op het betreffende kruispunt en dat zij wist dat er een fietspad liep parallel aan de Heezerweg. Deze omstandigheden vergen op zichtzelf al extra oplettendheid.
Op de camerabeelden die zijn gemaakt ten tijde van het ongeval is te zien dat het zicht van verdachte niet belemmerd werd door objecten toen zij het kruispunt de Heezerweg overstak. Het was licht buiten en het was droog weer. Ook is te zien dat er geen sprake was van verkeersdrukte. Er bevond zich geen verkeer tussen de auto van verdachte en de fietser. Verder is te zien dat verdachte stilstond voordat zij de Heezerweg overstak, dat zij vervolgens toen ze overstak naar de Jaguarstraat tijdens het oversteken plots versnelde en vervolgens tegen de van rechts komende fietser aanreed. Het slachtoffer kwam over de motorkap op de grond links van de auto op de grond terecht en bleef stil liggen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij het slachtoffer niet had gezien. Op basis van de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat zij de fietser had kunnen en moeten zien en dat verdachte dus onvoldoende oplettend is geweest en daardoor de fietser over het hoofd heeft gezien. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat verdachte flink optrok toen zij de Heezerweg overstak en haar snelheid niet naar beneden bijstelde toen zij het fietspad naderde, hetgeen wel van haar verwacht had mogen worden. Verdachte wist immers dat fietsers daar voorrang hebben. Verdachte heeft haar rijgedrag onvoldoende aangepast aan het rijgedrag dat verwacht mag worden van iemand die een kruispunt oversteekt en daarbij voorrang moet verlenen. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat het onvoldoende kijken een rode draad lijkt te zijn in het rijgedrag van verdachte. Verdachte heeft naar aanleiding van meerdere politieregistraties over onveilig rijgedrag twee rijvaardigheidsonderzoeken gedaan, waarbij verdachte met name het onderdeel kijkgedrag telkens onvoldoende beheerste. Beide rijvaardigheidsonderzoeken heeft zij met name om die reden niet gehaald. Dit heeft ook geleid tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte. Desondanks is verdachte toch weer gaan rijden, met het onderhavige ongeval ten gevolg hebbend.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte onvoldoende oplettend is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij verdachte geen sprake geweest van slechts ‘een kort moment van onoplettendheid’, zoals door de raadsman is betoogd. Ten gevolge van die onoplettendheid is het verkeersongeval ontstaan.
De rechtbank kwalificeert het bovengenoemde gedrag van de verdachte dan ook als aanmerkelijk onoplettend rijgedrag waardoor het verkeersongeval aan haar schuld als bedoeld in artikel 6 WVW is te wijten.
Zwaar lichamelijk letsel.
Het slachtoffer heeft door het ongeval een gebroken nekwervel, gescheurde ruggenwervels en een hoofdwond opgelopen. Het slachtoffer heeft op de intensive care gelegen en moest bijna twee maanden in een revalidatiecentrum verblijven. De herstelduur werd op de dag van het incident geschat op zes maanden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer op dit moment nog steeds beperkt is in zijn dagelijkse bezigheden als gevolg
van het ongeval. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van feit 2.
Verdachte heeft dit feit bekend in die zin dat zij wist dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard en zij op 29 november 2024 geen personenauto mocht besturen. Nu uit de bewijsmiddelen verder volgt dat haar rijbewijs op 30 april 2024 ongeldig is verklaard en deze ongeldigheidsverklaring haar op 7 mei 2024 in persoon is uitgereikt, acht de rechtbank feit 2 bewezen zoals hierna uitgeschreven.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
t.a.v. feit 1 primair:
op 29 november 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de kruising van de Heezerweg met de Jaguarstraat (komende uit de richting Floralaan Oost), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend
- de kruising van die Heezerweg met de Jaguarstraat te naderen en de Heezerweg over te steken en daarbij
-niet te letten op het parallel aan de Heezerweg gelegen fietspad en
-zonder te stoppen en af te remmen genoemde fietspad gedeeltelijk op te rijden
en
-daarbij geen voorrang te verlenen aan een over dat parallel aan die Heezerweg gelegen fietspad, voor verdachte (gezien haar rijrichting) van rechts komende fietser,
waardoor een aanrijding is ontstaan tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en laatstgenoemde fietser,
waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel en scheuren in ruggenwervels en een hoofwond heeft opgelopen.
t.a.v. feit 2:
op 29 november 2024 te Eindhoven terwijl zij wist dat een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan haar daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Heezerweg en Jaguarstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in
een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld
(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn
geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie. (bijlage)
De officier van justitie heeft de volgende strafeis geformuleerd:
-een taakstraf van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis;
-een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren;
-een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft de oplegging van een taakstraf bepleit. De raadsman heeft zich, uitgaande van de lichtste schuldgradatie in feit 1 primair, tegen de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf verzet. Over een op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsman zich niet uitdrukkelijk uitgelaten.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
ernst feiten
Verdachte, destijds 77 jaar, heeft in een overzichtelijke verkeerssituatie bij het kruisen van een fietspad een vanuit haar rijrichting bezien van rechts komende fietser geen voorrang gegeven en is met haar personenauto tegen het fietsende slachtoffer aangereden.
Het slachtoffer, destijds 74 jaar, heeft door de aanrijding een gebroken nekwervel, twee gescheurde ruggenwervels en een hoofwond opgelopen. Dit lichamelijk letsel heeft zijn leven drastisch veranderd: van vitaal en mobiel naar afhankelijk en zorgbehoevend. Uit de indringende verklaring die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgelezen, volgt dat hij zich voor de rest van zijn leven met een beperkte mobiliteit van zijn nek en een stijve rug, met alle fysieke beperkingen van dien, ziet geconfronteerd en dat hij sinds het ongeval allerlei andere klachten heeft opgelopen die zijn leven negatief beïnvloeden (duizeligheid, verwardheid, slecht geheugen, snel vermoeid zowel fysiek als mentaal). Het slachtoffer heeft op alle leefgebieden moeten inleveren, waarbij de meest ingrijpende verandering was dat hij noodgedwongen moest verhuizen naar een gelijkvloerse woning in een andere stad.
Dit ongeval had voorkomen kunnen worden als verdachte gevolg had gegeven aan de ongeldigheidsverklaring van haar rijbewijs, vanwege onvoldoende rijgeschiktheid. Hieraan lagen acht meldingen van – kort gezegd – onveilig verkeersgedrag in de periode van oktober 2018 tot en met augustus 2023 ten grondslag. Daarna zijn twee rijvaardigheidsonderzoeken gevolgd waaruit steeds volgde dat verdachte niet op verantwoorde wijze als automobilist aan het verkeer kan deelnemen. Zo bleek met name dat het kijkgedrag van verdachte ernstig tekortschoot. Een ongeldigheidsverklaring van het rijbewijs wordt niet voor niets opgelegd en dient de verkeersveiligheid in de ruimste zin des woords. Desondanks heeft verdachte er die bewuste dag voor gekozen om met haar auto te gaan rijden waarbij haar tijdens de rijvaardigheidstests ondermaats gebleken kijkgedrag direct tot het onderhavige verkeersongeval heeft geleid. Verdachte heeft haar capaciteiten als autobestuurder overschat, heeft zich niets aangetrokken van het feit dat zij niet mocht autorijden en heeft zo willens en wetens de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ondergeschikt gemaakt aan haar eigen belang om auto te rijden. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
ten nadele van verdachte
De rechtbank tilt er ook zwaar aan dat verdachte geen moeite heeft gedaan om persoonlijk te informeren naar het welzijn van het slachtoffer dan wel anderszins haar medeleven naar hem heeft getoond.
De rechtbank heeft in het strafblad van verdachte gezien dat aan haar in 2022 een strafbeschikking is uitgevaardigd (geldboete van 360 euro) vanwege een verkeersovertreding en dat zij in februari 2023 tot een geldboete (van 250 euro) en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden is veroordeeld vanwege wederom een verkeersovertreding. Verdachte heeft de onderhavige bewezenverklaarde feiten gepleegd
in de proeftijd van laatstgenoemde veroordeling.
De rechtbank houdt met deze feiten en omstandigheden in het nadeel van verdachte rekening bij de strafoplegging.
persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van een rapport van de reclassering van 16 juli 2026 dat over de persoon van verdachte is opgesteld. Hierin worden geen problemen
op leefgebieden geconstateerd. De reclassering adviseert dan ook om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit het verhandelde ter terechtzitting is verder gebleken dat de echtgenoot van verdachte twee maanden geleden is overleden
en dat zij sindsdien haar werkzaamheden als verpleegkundige nog niet heeft kunnen hervatten. Door het gemis van haar echtgenoot, haar werk en haar rijbewijs is de sociale leven van verdachte beperkt geworden. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het verdriet om het verlies van haar echtgenoot op verdachte en de beperking die het gemis van een auto oplevert, ziet zij geen aanleiding om daarmee in matigende zin bij de strafoplegging rekening te houden.
oriëntatiepunten
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met een aanmerkelijke mate van schuld en met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg is het uitgangspunt de oplegging van een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. Voor, kort gezegd, het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs is het uitgangspunt de oplegging van een gevangenisstraf van 2 weken.
de strafoplegging
Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte enorm gehecht is aan
haar rijbewijs en de bewegingsvrijheid die het rijden in een auto met zich brengt.
Zoals hiervoor reeds vermeld lagen aan de ongeldigheidsverklaring meerdere meldingen
van onveilig rijgedrag ten grondslag. Het is de rechtbank opgevallen dat verdachte de aanleiding van het onveilige rijgedrag vooral buiten zichzelf zoekt. Zij lijkt niet aan haar eigen rijvaardigheid te twijfelen en acht zichzelf nog altijd in staat om te rijden. De in 2022 uitgevaardigde strafbeschikking en veroordeling in 2023 vanwege verkeersovertredingen hebben haar kennelijk ook geen inzicht in haar eigen rijgedrag verschaft.
Nu verdachte ter terechtzitting ook nog eens heeft aangegeven dat zij mogelijk weer in de (mantel)zorg wil gaan werken en als het mogelijk is weer over een rijbewijs zou willen beschikken, acht de rechtbank een zeer krachtig signaal op zijn plaats.
De rechtbank heeft er niet zonder meer vertrouwen in dat verdachte zich niet wederom actief in het gemotoriseerde verkeer zal begeven. Een eerdere, voorwaardelijk opgelegde, ontzegging van de rijbevoegdheid, als stok achter de deur, heeft haar er immers ook niet van weerhouden toch de auto in te stappen.
Dat betekent dat de rechtbank een zwaardere straf zal opleggen dan de door de officier
van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie bij
de strafeis met name onvoldoende oog heeft gehad voor het gebrek aan intrinsiek inzicht
bij verdachte voor wat betreft haar rijongeschiktheid en het gevaar dat zij wederom aan het
gemotoriseerde verkeer gaat deelnemen.
Alles overziende acht rechtbank een taakstaf van 120 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden passend en geboden. De langer durende voorwaardelijke gevangenisstraf moet verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank
Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
feit 2:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
t.a.v. feit 1 primair en feit 2:
-een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis;
-een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd
van 3 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd
niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
-een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
12 maanden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J. Heuft, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,
en is uitgesproken op 21 augustus 2026.