Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5772
2026-07-16
Civiel recht
11972309 \ CV EXPL 25-6674
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot terugbetaling onterecht ingehouden kosten op de eindafrekening toegewezen. Werkgever en werknemer hebben een berijdersovereenkomst gesloten met betrekking tot een leaseauto. Daar is een kostenbeding in opgenomen wat naar het oordeel van de kantonrechter onduidelijk is. Deze onduidelijkheid komt voor risico van werkgever omdat werkgever dit beding heeft opgesteld. Werknemer had in de gegeven situatie niet hoeven begrijpen dat er ook kosten verschuldigd waren als de auto na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst door werknemer niet werd ingeleverd bij de leasemaatschappij maar binnen het bedrijf zelf werd ingezet.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.206 tekens)
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11972309 \ CV EXPL 25-6674
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.A. Noordam,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend bij monde van haar statutair directeur [naam directeur] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025 met 17 producties,- de conclusie van antwoord met 4 producties,
- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] is op 1 september 2020 bij [gedaagde] in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Calculator/Kostendeskundige tegen een bruto maandloon van € 5.730,00 exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
2.2.
Op 22 maart 2024 is tussen partijen een berijdersovereenkomst gesloten voor de lease van een SEAT Arona (hierna: de leaseauto). In artikel 17 van deze overeenkomst is het volgende opgenomen:
“Indien een werknemer binnen 2 jaar na in gebruikneming van de auto uit eigen beweging weggaat dient de nieuwe werkgever de leaseverplichtingen over te nemen. Indien de leaseauto niet overgenomen wordt door de nieuwe werkgever, zal door de leasemaatschappij een afkoop bedrag bepaald worden voor inname van de lease auto. Bij werknemer zal een gedeelte van deze inname kosten in rekening worden gebracht, te
weten:
- Op het moment dat er een leaseauto besteld is tot het moment dat de lease auto
afgeleverd wordt bedraagt de bijdrage voor de inname kosten van de leaseauto van de
werknemer 24% van de fiscale waarde, of
-Vanaf het moment dat de auto is afgeleverd tot het moment dat de werknemer uit dienst
gaat wordt bovengenoemde bijdrage voor de inname kosten van de leaseauto van 24%
maandelijks met 1%-punt verlaagd.
[gedaagde] zal een maximale inspanning verrichten om de auto ergens anders in te zetten binnen
de ASVB pool, zodat de overname kosten zoveel mogelijk beperkt worden. Mocht de werknemer een beschikbare leaseauto uit de ASVB pool gaan rijden dan wordt de
tijd dat de auto reeds is gebruikt op de bovengenoemde 2 jaar in mindering gebracht.”
2.3.
De arbeidsovereenkomst is na opzegging door [eiser] per 1 mei 2025 geëindigd. De leaseauto is niet overgenomen door de nieuwe werkgever van [eiser] .
2.4.
[gedaagde] heeft bij de eindafrekening een bedrag van € 3.911,05 ingehouden vanwege de voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.911,05, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 7:625 BW, rente en kosten en overlegging van een deugdelijke en correcte bruto/netto specificatie op straffe van een dwangsom.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is geen innamekosten verschuldigd omdat de leaseauto na zijn vertrek bij [gedaagde] , niet is ingeleverd bij de leasemaatschappij maar aan een andere medewerker ter beschikking is gesteld. [gedaagde] heeft daarom ten onrechte € 3.911,05 ingehouden op de eindafrekening. Omdat dit loon niet op tijd is betaald is [gedaagde] daarover de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] terecht een bedrag van € 3.911,05 op het loon van [eiser] heeft ingehouden vanwege het voortijdig beëindigen van de berijdersovereenkomst ten behoeve van de leaseauto. Partijen zijn elk een andere mening toegedaan over de reikwijdte van artikel 17 van de berijderovereenkomst (hierna: artikel 17).
Het beoordelingskader
4.2.
Uitgangspunt in deze situatie is dat [eiser] alleen de kosten verschuldigd is die partijen onderling zijn overeengekomen. Voor beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen, staat de uitleg (en reikwijdte) van artikel 17 van de berijdersovereenkomst centraal. Bij de uitleg van een beding in een overeenkomst is in beginsel de Haviltex-norm van toepassing en gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet alleen om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat ze redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de vraag wat partijen dan precies van elkaar mochten verwachten is de maatschappelijke positie, rechtskennis en totstandkoming van het beding van belang.
4.3.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat bij het sluiten van de berijdersovereenkomst tussen partijen niet is gesproken en/of onderhandeld over artikel 17. Dit staat dus vast en brengt met zich mee dat de nadruk ligt op de grammaticale uitleg van het beding. Dit leidt vaak tot een minder ruime uitleg.
[eiser] had niet hoeven begrijpen dat deze situatie onder artikel 17 valt
4.4.
Volgens [eiser] is er geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 17. In artikel 17 is volgens hem alleen afgesproken dat er een vergoeding verschuldigd is als de leaseauto door de leasemaatschappij wordt ingenomen. Over andere kosten dan innamekosten zijn geen afspraken gemaakt tussen [eiser] en [gedaagde] en deze mogen dus ook niet in rekening worden gebracht. Omdat de leaseauto niet is ingenomen door de leasemaatschappij, is [eiser] geen kosten aan [gedaagde] verschuldigd. [gedaagde] voert aan dat zij haar schade heeft proberen te beperken door de leaseauto niet in te laten nemen door de leasemaatschappij maar deze opnieuw in te zetten binnen haar bedrijf. De kosten voor [gedaagde] zouden bij inlevering van de auto namelijk vele malen hoger zijn dan bij het ter beschikking stellen van de leaseauto aan een andere werknemer. Desondanks is [eiser] de in artikel 17 opgenomen vergoeding verschuldigd volgens [gedaagde] . De vergoeding wordt forfaitair berekend als een percentage van de fiscale kosten en nergens staat dat er een inleververplichting geldt. De vergoeding is dus verschuldigd ongeacht of [gedaagde] ervoor kiest om de leaseauto in te leveren bij de leasemaatschappij of niet.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op initiatief van [eiser] en dat zijn nieuwe werkgever de leaseauto niet heeft overgenomen. Daarmee is voldaan aan de eerste twee vereisten uit artikel 17. Verder is tussen partijen ook niet in geschil dat de leaseauto na einde van het dienstverband van [eiser] niet door de leasemaatschappij is ingenomen maar aan een andere werknemer van [gedaagde] ter beschikking is gesteld.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de tekst van artikel 17 op onderdelen onduidelijk en voor meerdere lezingen vatbaar. Allereerst wordt in artikel 17 over diverse soorten kosten gesproken: afkoop bedrag, innamekosten en overnamekosten. Deze begrippen worden niet nader gedefinieerd en de onderlinge verhouding tussen die begrippen wordt in de berijdersovereenkomst niet uitgewerkt. Dat leidt tot onduidelijkheid over wanneer artikel 17 van toepassing is. Uit de zin 'dat er een afkoopbedrag bepaald zal worden voor inname van de leaseauto' had [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter niet hoeven te begrijpen dat dit afkoopbedrag ook verschuldigd is als er geen sprake is van inname van de leaseauto door de leasemaatschappij. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat de berijdersovereenkomst is opgesteld door [gedaagde] en door [gedaagde] aan [eiser] is aangeboden. [gedaagde] had het in haar macht om precies te verwoorden wat ze ten aanzien van een kostenvergoeding bij voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst met [eiser] wilde afspreken. Als [gedaagde] had willen afspreken dat [eiser] , ongeacht of de leaseauto wordt ingeleverd bij de leasemaatschappij, kosten verschuldigd zou zijn bij het voortijdig eindigen van het leasecontract, dan had het op de weg van [gedaagde] gelegen om dat ondubbelzinnig in de berijdersovereenkomst op te nemen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan en de onduidelijkheid die daarvan het gevolg is, valt in beginsel binnen haar risicosfeer.
4.7.
Door [gedaagde] zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, met toepassing van de Haviltex-norm, ervoor zorgen dat [eiser] had moeten begrijpen dat ook andere kosten dan innamekosten voor zijn rekening zouden komen, berekend op basis van de in artikel 17 opgenomen formule. De kantonrechter tekent in dit verband aan dat zij van [gedaagde] wil aannemen dat er ook aan de her-inzet van de leaseauto binnen haar bedrijf kosten zijn verbonden. In dit geval bijvoorbeeld doordat de auto in een hogere prijsklasse valt dan waarop de werknemer, die de beschikking over de auto heeft gekregen, recht heeft en/of doordat [gedaagde] de betreffende werknemer een compensatie biedt voor een hogere bijtelling. Dit zijn echter gevolgen van keuzes die [gedaagde] heeft gemaakt. [eiser] heeft daarop geen enkele invloed gehad of kunnen hebben. Deze keuzes leveren om die reden al geen feiten en omstandigheden op die van invloed zijn op dat wat hiervoor is vermeld over de uitlegvraag.
4.8.
Omdat vast staat dat [gedaagde] geen innamekosten heeft gemaakt en niet is gebleken dat er met [eiser] afspraken zijn gemaakt over vergoeding van andere kosten, heeft [gedaagde] ten onrechte € 3.911,05 in mindering gebracht op de eindafrekening. De vordering tot betaling daarvan wordt toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt eveneens toegewezen.
De vordering tot afgifte van een bruto-netto specificatie wordt toegewezen
4.9.
[eiser] vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis een deugdelijke en correcte bruto/netto-specificatie te verstrekken van alle nog door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00. [gedaagde] heeft daar geen afzonderlijk verweer tegen gevoerd en [eiser] heeft op grond van artikel 7:626 BW recht op een dergelijke specificatie. De vordering zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie volstaat naar het oordeel van de kantonrechter. De toevoeging van ‘correct’ voegt naast ‘deugdelijk’ inhoudelijk niets toe en zet de deur open voor nieuwe geschillen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd om te concluderen dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Op grond van het besluit is een bedrag van maar € 624,49 toewijsbaar, zodat dat bedrag zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.270,02
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.911,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata, tot de dag van betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de verhoging, vanaf de respectieve vervaldata, tot de dag van betaling.
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 624,49 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00.
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.270,02, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11972309 \ CV EXPL 25-6674
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.A. Noordam,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend bij monde van haar statutair directeur [naam directeur] .
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025 met 17 producties,- de conclusie van antwoord met 4 producties,
- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] is op 1 september 2020 bij [gedaagde] in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Calculator/Kostendeskundige tegen een bruto maandloon van € 5.730,00 exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
2.2.
Op 22 maart 2024 is tussen partijen een berijdersovereenkomst gesloten voor de lease van een SEAT Arona (hierna: de leaseauto). In artikel 17 van deze overeenkomst is het volgende opgenomen:
“Indien een werknemer binnen 2 jaar na in gebruikneming van de auto uit eigen beweging weggaat dient de nieuwe werkgever de leaseverplichtingen over te nemen. Indien de leaseauto niet overgenomen wordt door de nieuwe werkgever, zal door de leasemaatschappij een afkoop bedrag bepaald worden voor inname van de lease auto. Bij werknemer zal een gedeelte van deze inname kosten in rekening worden gebracht, te
weten:
- Op het moment dat er een leaseauto besteld is tot het moment dat de lease auto
afgeleverd wordt bedraagt de bijdrage voor de inname kosten van de leaseauto van de
werknemer 24% van de fiscale waarde, of
-Vanaf het moment dat de auto is afgeleverd tot het moment dat de werknemer uit dienst
gaat wordt bovengenoemde bijdrage voor de inname kosten van de leaseauto van 24%
maandelijks met 1%-punt verlaagd.
[gedaagde] zal een maximale inspanning verrichten om de auto ergens anders in te zetten binnen
de ASVB pool, zodat de overname kosten zoveel mogelijk beperkt worden. Mocht de werknemer een beschikbare leaseauto uit de ASVB pool gaan rijden dan wordt de
tijd dat de auto reeds is gebruikt op de bovengenoemde 2 jaar in mindering gebracht.”
2.3.
De arbeidsovereenkomst is na opzegging door [eiser] per 1 mei 2025 geëindigd. De leaseauto is niet overgenomen door de nieuwe werkgever van [eiser] .
2.4.
[gedaagde] heeft bij de eindafrekening een bedrag van € 3.911,05 ingehouden vanwege de voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.911,05, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 7:625 BW, rente en kosten en overlegging van een deugdelijke en correcte bruto/netto specificatie op straffe van een dwangsom.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is geen innamekosten verschuldigd omdat de leaseauto na zijn vertrek bij [gedaagde] , niet is ingeleverd bij de leasemaatschappij maar aan een andere medewerker ter beschikking is gesteld. [gedaagde] heeft daarom ten onrechte € 3.911,05 ingehouden op de eindafrekening. Omdat dit loon niet op tijd is betaald is [gedaagde] daarover de wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] terecht een bedrag van € 3.911,05 op het loon van [eiser] heeft ingehouden vanwege het voortijdig beëindigen van de berijdersovereenkomst ten behoeve van de leaseauto. Partijen zijn elk een andere mening toegedaan over de reikwijdte van artikel 17 van de berijderovereenkomst (hierna: artikel 17).
Het beoordelingskader
4.2.
Uitgangspunt in deze situatie is dat [eiser] alleen de kosten verschuldigd is die partijen onderling zijn overeengekomen. Voor beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen, staat de uitleg (en reikwijdte) van artikel 17 van de berijdersovereenkomst centraal. Bij de uitleg van een beding in een overeenkomst is in beginsel de Haviltex-norm van toepassing en gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet alleen om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat ze redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de vraag wat partijen dan precies van elkaar mochten verwachten is de maatschappelijke positie, rechtskennis en totstandkoming van het beding van belang.
4.3.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat bij het sluiten van de berijdersovereenkomst tussen partijen niet is gesproken en/of onderhandeld over artikel 17. Dit staat dus vast en brengt met zich mee dat de nadruk ligt op de grammaticale uitleg van het beding. Dit leidt vaak tot een minder ruime uitleg.
[eiser] had niet hoeven begrijpen dat deze situatie onder artikel 17 valt
4.4.
Volgens [eiser] is er geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 17. In artikel 17 is volgens hem alleen afgesproken dat er een vergoeding verschuldigd is als de leaseauto door de leasemaatschappij wordt ingenomen. Over andere kosten dan innamekosten zijn geen afspraken gemaakt tussen [eiser] en [gedaagde] en deze mogen dus ook niet in rekening worden gebracht. Omdat de leaseauto niet is ingenomen door de leasemaatschappij, is [eiser] geen kosten aan [gedaagde] verschuldigd. [gedaagde] voert aan dat zij haar schade heeft proberen te beperken door de leaseauto niet in te laten nemen door de leasemaatschappij maar deze opnieuw in te zetten binnen haar bedrijf. De kosten voor [gedaagde] zouden bij inlevering van de auto namelijk vele malen hoger zijn dan bij het ter beschikking stellen van de leaseauto aan een andere werknemer. Desondanks is [eiser] de in artikel 17 opgenomen vergoeding verschuldigd volgens [gedaagde] . De vergoeding wordt forfaitair berekend als een percentage van de fiscale kosten en nergens staat dat er een inleververplichting geldt. De vergoeding is dus verschuldigd ongeacht of [gedaagde] ervoor kiest om de leaseauto in te leveren bij de leasemaatschappij of niet.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op initiatief van [eiser] en dat zijn nieuwe werkgever de leaseauto niet heeft overgenomen. Daarmee is voldaan aan de eerste twee vereisten uit artikel 17. Verder is tussen partijen ook niet in geschil dat de leaseauto na einde van het dienstverband van [eiser] niet door de leasemaatschappij is ingenomen maar aan een andere werknemer van [gedaagde] ter beschikking is gesteld.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de tekst van artikel 17 op onderdelen onduidelijk en voor meerdere lezingen vatbaar. Allereerst wordt in artikel 17 over diverse soorten kosten gesproken: afkoop bedrag, innamekosten en overnamekosten. Deze begrippen worden niet nader gedefinieerd en de onderlinge verhouding tussen die begrippen wordt in de berijdersovereenkomst niet uitgewerkt. Dat leidt tot onduidelijkheid over wanneer artikel 17 van toepassing is. Uit de zin 'dat er een afkoopbedrag bepaald zal worden voor inname van de leaseauto' had [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter niet hoeven te begrijpen dat dit afkoopbedrag ook verschuldigd is als er geen sprake is van inname van de leaseauto door de leasemaatschappij. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat de berijdersovereenkomst is opgesteld door [gedaagde] en door [gedaagde] aan [eiser] is aangeboden. [gedaagde] had het in haar macht om precies te verwoorden wat ze ten aanzien van een kostenvergoeding bij voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomst met [eiser] wilde afspreken. Als [gedaagde] had willen afspreken dat [eiser] , ongeacht of de leaseauto wordt ingeleverd bij de leasemaatschappij, kosten verschuldigd zou zijn bij het voortijdig eindigen van het leasecontract, dan had het op de weg van [gedaagde] gelegen om dat ondubbelzinnig in de berijdersovereenkomst op te nemen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan en de onduidelijkheid die daarvan het gevolg is, valt in beginsel binnen haar risicosfeer.
4.7.
Door [gedaagde] zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, met toepassing van de Haviltex-norm, ervoor zorgen dat [eiser] had moeten begrijpen dat ook andere kosten dan innamekosten voor zijn rekening zouden komen, berekend op basis van de in artikel 17 opgenomen formule. De kantonrechter tekent in dit verband aan dat zij van [gedaagde] wil aannemen dat er ook aan de her-inzet van de leaseauto binnen haar bedrijf kosten zijn verbonden. In dit geval bijvoorbeeld doordat de auto in een hogere prijsklasse valt dan waarop de werknemer, die de beschikking over de auto heeft gekregen, recht heeft en/of doordat [gedaagde] de betreffende werknemer een compensatie biedt voor een hogere bijtelling. Dit zijn echter gevolgen van keuzes die [gedaagde] heeft gemaakt. [eiser] heeft daarop geen enkele invloed gehad of kunnen hebben. Deze keuzes leveren om die reden al geen feiten en omstandigheden op die van invloed zijn op dat wat hiervoor is vermeld over de uitlegvraag.
4.8.
Omdat vast staat dat [gedaagde] geen innamekosten heeft gemaakt en niet is gebleken dat er met [eiser] afspraken zijn gemaakt over vergoeding van andere kosten, heeft [gedaagde] ten onrechte € 3.911,05 in mindering gebracht op de eindafrekening. De vordering tot betaling daarvan wordt toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt eveneens toegewezen.
De vordering tot afgifte van een bruto-netto specificatie wordt toegewezen
4.9.
[eiser] vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis een deugdelijke en correcte bruto/netto-specificatie te verstrekken van alle nog door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00. [gedaagde] heeft daar geen afzonderlijk verweer tegen gevoerd en [eiser] heeft op grond van artikel 7:626 BW recht op een dergelijke specificatie. De vordering zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie volstaat naar het oordeel van de kantonrechter. De toevoeging van ‘correct’ voegt naast ‘deugdelijk’ inhoudelijk niets toe en zet de deur open voor nieuwe geschillen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd om te concluderen dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Op grond van het besluit is een bedrag van maar € 624,49 toewijsbaar, zodat dat bedrag zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.270,02
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.911,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata, tot de dag van betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de verhoging, vanaf de respectieve vervaldata, tot de dag van betaling.
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 624,49 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis een deugdelijke bruto/netto-specificatie aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00.
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.270,02, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.