Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5622
Inhoudsindicatie
Vrijspraak artikel 6 WVW, veroordeling artikel 5 WVW. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg. Hij is met zijn bestelauto een kruispunt overgestoken zonder voldoende na te gaan of het kruispunt vrij was van verkeer. Doordat verdachte geen voorrang heeft verleend aan de hem van rechts tegemoetkomende motorfiets, heeft er een ongeval plaatsgevonden, als gevolg waarvan de 32-jarige bestuurster van de motorfiets is overleden. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam is geweest en acht dus niet bewezen dat hij schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan het verkeersongeval. De rechtbank acht overtreding van artikel 5 WVW wel bewezen en legt een geldboete van 500,00 euro op.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2004:AO5822 Hoge Raad 01-06-2004
- ECLI:NL:HR:2008:BE9800 Hoge Raad 28-10-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.430 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.231983.25
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1992] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 mei 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1 primair:
hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Sint-Oedenrode, althans in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, merk Mercedes-Benz), daarmede rijdende over de weg, de Boxtelseweg,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te handelen als volgt:
verdachte is rijdende over de Boxtelseweg en gekomen bij het kruispunt met de N618,
dat kruispunt opgereden zonder voorrang te verlenen aan een voor hem, verdachte, van rechts komende motorfiets,
en/of was niet in staat om zijn bestelauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor verdachte op dat kruispunt met zijn bestelauto tegen die voor hem, verdachte, van rechts komende motorfiets is gebotst/gereden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zijnde de bestuurster van die motorfiets, werd gedood;
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Sint-Oedenrode, althans in Nederland,
als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Mercedes-Benz),
daarmee rijdende op de weg, de Boxtelseweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
immers is verdachte rijdende over de Boxtelseweg en gekomen bij het kruispunt met de N618,
dat kruispunt opgereden zonder voorrang te verlenen aan een voor hem, verdachte, van rechts komende motorfiets,
en/of was niet in staat om zijn bestelauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor verdachte op dat kruispunt met zijn bestelauto tegen die voor hem, verdachte, van rechts komende motorfiets is gebotst/gereden;
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag
Inleiding
Op 23 februari 2025 heeft er op het kruispunt van de N618 met de Gemondsedijk in Sint Oedenrode/Gemond een ernstig verkeersongeval met dodelijke afloop plaatsgevonden. Verdachte heeft als bestuurder van een bestelauto bij het oversteken van de N618 geen voorrang verleend aan de motorfiets die op die voorrangsweg van rechts kwam. Verdachte is in aanrijding gekomen met mevrouw [slachtoffer] , de bestuurster van die motorfiets. Als gevolg van de aanrijding is de bestuurster ter plaatse aan haar verwondingen overleden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier heeft verdachte langere tijd niet opgelet en heeft hij zijn snelheid onvoldoende geminderd en zich er onvoldoende van vergewist dat er geen verkeer van rechts kwam, waardoor hij zijn voertuig niet op tijd tot stilstand heeft kunnen brengen. Daardoor is het ongeval aan zijn schuld te wijten. De officier stelt daarbij dat het rijgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. Volgens de raadsman heeft verdachte het slachtoffer niet gezien en ook niet kunnen zien. Daarom kan niet bewezen worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest en dat verdachte daarmee schuld heeft gehad aan het verkeersongeval.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
De raadsman heeft verzocht verdachte eveneens vrij te spreken van het subsidiair ten laste gelegde. Volgens de raadsman kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte gevaarzettend heeft gereden, omdat verdachte, ondanks oplettend kijken, het slachtoffer niet heeft gezien en niet heeft kunnen zien.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis.
Juridisch kader artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW)
Voor een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is. Daarvan is sprake bij een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of onoplettendheid. Daarbij moet de rechtbank volgens vaste jurisprudentie kijken naar het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Dit brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Daarnaast geldt dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de enkele omstandigheid dat verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig’ heeft gedragen. De achtergrond hiervan is dat van iedere verkeersdeelnemer verwacht mag worden dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Als bijvoorbeeld in een voorrangssituatie aannemelijk is geworden dat verdachte daadwerkelijk heeft gekeken of sprake was van zo’n andere verkeersdeelnemer maar hij desondanks een andere verkeersdeelnemer niet heeft opgemerkt, kan niet zonder meer worden gezegd dat hij in vergelijking met de verkeersdeelnemer in het algemeen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond. Dat betekent echter niet dat bij een enkel moment van onoplettendheid, als gevolg waarvan een verkeersongeval ontstaat, nooit sprake zal kunnen zijn van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Er kunnen omstandigheden bestaan – zoals de aard van de verkeerssituatie – die maken dat zodanige aandacht van de verkeersdeelnemers wordt gevergd, dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
Vrijspraak overtreding artikel 6 WVW
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam is geweest en acht dus niet bewezen dat hij schuld heeft gehad aan het verkeersongeval, hoe tragisch en ernstig de gevolgen daarvan ook zijn.
Toen verdachte de voorrangsweg wilde oversteken zag hij een motorfiets rijden (de partner van het overleden slachtoffer) aan wie hij voorrang heeft verleend. Verdachte heeft de daarachter rijdende, tweede motorfiets niet gezien en was in de veronderstelling dat hij kon oversteken. Waarom verdachte die motorfiets niet gezien heeft, is niet duidelijk geworden. Verdachte heeft verklaard dat hij eerst naar links heeft gekeken en dat hij geen verkeer vanuit die richting zag aankomen. Vervolgens heeft verdachte naar rechts gekeken. Vanuit die kant zag hij een motorfietser naderen. Deze heeft hij voor laten gaan. De tweede motorfiets heeft hij niet gezien, hij is opgetrokken, heeft niet geremd en kwam met haar in aanrijding.
Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt dat hij geen handelingen op zijn telefoon heeft verricht kort voor en tijdens het ongeval. Verder had verdachte geen alcohol gedronken of drugs gebruikt. Er zijn ook geen andere onderzoeksbevindingen waaruit blijkt dat verdachte zou zijn afgeleid of dat hij, naast het geen voorrang verlenen aan de tweede motorfiets, andere verkeersregels zou hebben overtreden, bijvoorbeeld door te hard te rijden.
De verkeerssituatie betrof een overzichtelijk kruispunt en er waren geen belemmeringen in het zicht van verdachte. Niet is gebleken dat de verkeerssituatie of de weersomstandigheden zodanig waren dat verdachte daarom zijn rijgedrag moest aanpassen of anderszins extra oplettend had moeten zijn. Op basis van het dossier zijn geen vaststellingen te doen (bijvoorbeeld door een zogenoemde ‘zichtreconstructie’) over op welk moment en hoe lang de verdachte de tweede motorfiets had kunnen waarnemen alvorens hij de kruising opreed.
Dat alles maakt dat de rechtbank het aannemelijk vindt dat sprake is geweest van een enkel moment van onoplettendheid, waarbij de verdachte weliswaar heeft gekeken maar desondanks de motorfiets niet heeft opgemerkt. Van omstandigheden die maken dat van verdachte meer of bijzondere aandacht mocht worden gevergd, zodanig dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig geldt, is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Schuldig aan overtreding artikel 5 WVW
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt zoals bedoeld in artikel 5 WVW, zoals subsidiair aan verdachte ten laste is gelegd. Uit het ongeval dat heeft plaatsgevonden blijkt dat daarvan zonder meer sprake is.
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
op 23 februari 2025 in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Mercedes-Benz), daarmee rijdende op de weg, de Boxtelseweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers is verdachte rijdende over de Boxtelseweg en gekomen bij het kruispunt met de N618, dat kruispunt opgereden zonder voorrang te verlenen aan een voor hem, verdachte, van rechts komende motorfiets en was hij niet in staat om zijn bestelauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor verdachte op dat kruispunt met zijn bestelauto tegen die voor hem, verdachte, van rechts komende motorfiets is gereden.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
De eis van de officier van justitie
De officier heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een rijontzegging van 12 maanden geëist.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om, in het geval van een veroordeling, rekening te houden met de gevolgen die het ongeval op verdachte heeft gehad. Verdachte reed op het moment van het ongeval als maaltijdbezorger in een bestelbus. Verdachte heeft door de mentale impact van het ongeval zes maanden niet meer autogereden en daardoor is zijn dienstverband bij zijn toenmalige werkgever ten einde gekomen. Tot op de dag van vandaag rijdt verdachte het liefst zo min mogelijk auto. Verdachte heeft met ingang van 1 januari 2026 het landbouw- en veeteeltbedrijf van zijn ouders overgenomen, waar hij nu zeven dagen per week werkzaam is als zzp’er. Het uitvoeren van een taakstraf is hiermee eigenlijk niet te combineren. Bovendien heeft verdachte zijn rijbewijs nodig om zich met zijn tractor naar de landerijen van het bedrijf te kunnen verplaatsen. Daarnaast is verdachte niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.
Bij een bewezenverklaring heeft de raadsman primair verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht geen (onvoorwaardelijke) taakstraf en/of rijontzetting op te leggen. Verdachte is in staat een geldboete te betalen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn draagkracht. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg. Hij is met zijn bestelauto een kruispunt overgestoken zonder voldoende na te gaan of het kruispunt vrij was van verkeer. Doordat verdachte geen voorrang heeft verleend aan de hem van rechts tegemoetkomende motorfiets, heeft er een ongeval plaatsgevonden, als gevolg waarvan de 32-jarige mevrouw [slachtoffer] , bestuurster van de motorfiets is overleden. Aan de nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht en zij zullen moeten leven met dit grote gemis.
De persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte het noodlottige gevolg van zijn handelen vanzelfsprekend nooit heeft gewild. Ter terechtzitting heeft de rechtbank een zeer schuldbewuste verdachte gezien die er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer en de nabestaanden aangedane leed inziet. Verdachte heeft oprecht berouw getoond en hij heeft volledige medewerking aan het onderzoek verleend. Daarnaast is verdachte zelf getroffen door de gevolgen van het ongeval. Hij is zijn baan verloren, durft nauwelijks nog auto te rijden en gaat zichtbaar gebukt onder het door hem aan de nabestaanden toegebrachte leed. De rechtbank weegt deze omstandigheden mee bij de strafoplegging.
Daarnaast blijkt uit de Nederlandse en Belgische uittreksels justitiële documentatie dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Verder heeft verdachte zijn rijbewijs nodig voor zijn werk.
De op te leggen straf
De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, overtreding van artikel 6 WVW, een misdrijf. De rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij. De rechtbank houdt verdachte wel verantwoordelijk voor het maken van een verkeersfout in de vorm van een overtreding. De strafbedreiging van artikel 5 WVW wijkt substantieel af van de strafbedreiging van artikel 6 WVW. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan is geëist.
Voor de overtreding van artikel 5 WVW wordt doorgaans een geldboete en/of een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank niet alleen rekening met de, in dit geval desastreuze, gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar ook moet de op te leggen straf in verhouding zijn met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen en zal de rechtbank, hoezeer zij het verdriet van de nabestaanden ook onderkent, volstaan met de oplegging van een geldboete van € 500,00.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring:
- verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Kwalificatie en strafbaarheid:
Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging:
- legt op de volgende straf:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
een geldboete ter hoogte van 500,00 euro subsidiair 5 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Kleijn Hesselink, voorzitter,
mr. H.M. Hettinga en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 10 augustus 2026.
HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.
Zie o.m. HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800.
HR 15 oktober 2024, HR ECLI:NL:2024:1398.