Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5567
2026-08-04
Strafrecht
01.206140.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde overtreden van artikel 6 WVW 1994 omdat er geen sprake is van aanmerkelijke schuld. Wel wordt hij veroordeeld voor gevaarlijk verkeersgedrag (artikel 5 WVW 1994) en het rijden onder invloed van drugs (THC) artikel 8 WVW 1994. Een fietster kwam bij de aanrijding om het leven. Voor de overtreding van artikel 5 WVW 1994 legt de rechtbank een taakstraf op van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Voor het rijden onder invloed krijgt verdachte een geldboete van € 450,00, subsidiair 4 dagen hechtenis.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.599 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.206140.25
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [1993] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 juli 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Oss, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, Lisztgaarde, gekomen op of ter hoogte met de weg, Joannes Zwijsenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden na gebruik van en/of onder invloed van cannabis en/of in strijd met in zijn rijrichting op het wegdek geplaatste haaientanden en/of bord B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 geen voorrang te verlenen aan een op de kruisende weg, Joannes Zwijsenlaan, rijdende bestuurster van een fiets en/of tegen die fietsster aan te rijden, waardoor een ander (te weten die fietsster, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Oss als bestuurder van een voertuig (Bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, Lisztgaarde, gekomen op of ter hoogte van de kruising met de weg, Joannes Zwijsenlaan, in strijd met in zijn rijrichting op het wegdek geplaatste haaientanden en/of bord B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 geen voorrang heeft verleend aan een op de kruisende weg, Joannes Zwijsenlaan, rijdende bestuurster van een fiets en/of tegen die fietsster is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Oss een voertuig, te weten een bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,1 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) bewezen kan worden. Gelet op de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, heeft verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gereden. Daarbij is ook van belang dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van cannabis. Ook feit 2 kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft gepleit voor een partiële vrijspraak van artikel 6 WVW 1994 voor wat betreft de tenlastegelegde roekeloosheid en het zeer onvoorzichtig rijden. Met betrekking tot het gehalte tetrahydrocannabinol (hierna: THC) in het bloed van verdachte is sprake van een minimale overschrijding en kan niet worden vastgesteld welke invloed het gebruik van cannabis op het rijgedrag van verdachte heeft gehad. Voor feit 2 is geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat verdachte als bestuurder van een bedrijfsauto met aanhanger op 24 juli 2024 reed over de Lisztgaarde in Oss. Op de kruising van de Lisztgaarde met de Joannes Zwijsenlaan bevindt zich ook een fietssuggestiestrook waar fietsers voorrang hebben op het verkeer komende vanaf de Lisztgaarde. Mevrouw [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), voor verdachte van links komend op de Joannes Zwijsenlaan, is op deze fietssuggestiestrook door verdachte met zijn bedrijfsauto aangereden. Als gevolg van deze aanrijding is het slachtoffer komen te overlijden.
Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994
Voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit is nodig dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW 1994. Of dat het geval is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd. Ook is de schuldvraag afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen alleen kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Er moet minimaal sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
THC in het bloed
In het bloed van verdachte is na het ongeval een waarde van 3,1 microgram THC per liter aangetroffen. Het bloed van een bestuurder van een voertuig mag maximaal 3,0 microgram THC per liter bevatten bij enkelvoudig gebruik. De toegestane grenswaarde is door verdachte dus minimaal overschreden. Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van het ongeval regelmatig blowde. De avond voorafgaand aan het ongeval zou verdachte voor het laatst hebben geblowd. Het ging om twee joints die hij met een vriend had gedeeld. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring.
De rechtbank kan in dit geval niet vaststellen dat, en zo ja, in hoeverre de aangetroffen concentratie THC invloed heeft gehad op het rijgedrag van verdachte. De overschrijding ligt zéér dicht aan tegen de toegestane grenswaarde. Het ongeval heeft bovendien bijna een volledige dag na het gebruik van cannabis plaatsgevonden. Verdachte was een regelmatige gebruiker van cannabis, waardoor verondersteld wordt dat het gebruik minder invloed op hem, en dus ook op zijn rijvaardigheid, heeft dan bij een niet-gewende gebruiker. Uit de inhoud van het dossier blijkt ook niet dat sprake is geweest van rijgedrag dat duidt op rijden onder invloed van drugs. Gelet hierop zal de rechtbank de omstandigheid dat in het bloed van verdachte THC is gemeten, niet meewegen in de verdere beoordeling of het ongeval is te wijten aan de tenminste aanmerkelijke schuld van verdachte.
Overige gedragingen
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de overige gedragingen van verdachte leiden tot een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het ongeval heeft plaatsgevonden vlak bij de locatie waar verdachte die dag zijn werkzaamheden verricht had. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte voorzichtig en bewust heeft gereden. Verdachte reed in een 30-kilometer zone en reed niet te hard. Verdachte heeft vlak voor het ongeval een voetganger met kinderwagen gesignaleerd, die na de aanrijding ook op de camerabeelden te zien is. Verdachte heeft verklaard dat hij om zich heen heeft gekeken en op het moment dat hij dacht dat de weg vrij was de kruising is opgereden om af te slaan. Enkele meters voor de kruising van het ongeval remde verdachte af voor een drempel. Het rempedaal werd losgelaten op het moment dat verdachte dacht dat de Joannes Zwijsenlaan vrij was om op te rijden. Verdachte heeft zijn voertuig weliswaar niet helemaal tot stilstand gebracht voor de kruising, maar dat was hij op deze kruising ook niet verplicht. Het was bovendien een heldere droge dag, er was daglicht en de verkeerssituatie ter plaatse was overzichtelijk. Er was voor verdachte daarom geen reden om extra voorzichtig te zijn. Uit het politieonderzoek volgt dat de constructie van het voertuig, de linker A-stijl, mogelijk deels het zicht heeft ontnomen van verdachte. Dat heeft verdachte ook direct na het ongeval verklaard bij de politie. Verdachte heeft het slachtoffer niet gezien.
Het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt is dat hij bij het kruisen van de fietssuggestiestrook onvoldoende actief om de linker A-stijl heeft gekeken. Daardoor heeft hij het slachtoffer niet gezien en – als gevolg daarvan – heeft hij het slachtoffer geen voorrang verleend. De rechtbank is van oordeel dat deze handeling als één verkeersfout kan worden aangemerkt. Het handelen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak onder de gegeven omstandigheden niet aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Verdachte zal om die reden van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2.
Artikel 5 WVW 1994
Voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde verwijt is niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vereist. De vaststelling dat een verkeersdeelnemer zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt, is voldoende voor een overtreding van artikel 5 WVW 1994.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Hij heeft niet voldoende actief om de A-stijl van zijn voertuig gekeken waardoor hij het slachtoffer niet heeft gezien en aan haar geen voorrang heeft verleend. Hij is vervolgens tegen het slachtoffer aangereden als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Het gevaar voor andere weggebruikers heeft zich dus ook verwezenlijkt. Feit 1 subsidiair kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Feit 2
In het bloed van verdachte is een waarde van 3,1 microgram THC per liter aangetroffen, waarmee de toegestane grenswaarde (van 3,0 microgram THC per liter) is overschreden. Feit 2 kan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
Bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld (artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
1 (subsidiair):
op 24 juli 2024 te Oss als bestuurder van een voertuig (bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, Lisztgaarde, ter hoogte van de kruising met de weg, Joannes Zwijsenlaan, in strijd met in zijn rijrichting op het wegdek geplaatste haaientanden en bord B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 geen voorrang heeft verleend aan een op de kruisende weg, Joannes Zwijsenlaan, rijdende bestuurster van een fiets en tegen die fietsster is aangereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;
2.
op 24 juli 2024 te Oss een voertuig, te weten een bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,1 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed bedroeg.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot:
- een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en
- een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, en
- een ontzegging van de rijbevoegd voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou nodeloos veel druk leggen op verdachten.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde. Omdat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding (feit 1) en een misdrijf (feit 2), zullen twee afzonderlijke straffen worden opgelegd. Voor feit 1 legt de rechtbank verdachte een taakstraf op voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis. Ook vindt de rechtbank een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden passend en geboden. Daarvoor geldt een proeftijd van 2 jaar.
Voor feit 2 legt de rechtbank een geldboete op van € 450,-, te vervangen door 4 dagen hechtenis.
De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.
De bewezen verklaarde feiten
Verdachte heeft op 24 juli 2024 als bestuurder van een bedrijfsauto een ongeval veroorzaakt. Op een kruising heeft hij het slachtoffer op haar elektrische fiets niet gezien en haar daardoor geen voorrang verleend. Verdachte heeft het slachtoffer aangereden, waarna zij ten val is gekomen. Als gevolg van dit ongeval is het slachtoffer op 25 juli 2024 overleden. Door zijn rijgedrag heeft verdachte gevaar veroorzaakt op de weg en dat kan hem strafrechtelijk worden verweten. Ook heeft verdachte met meer dan de toegestane hoeveelheid THC in zijn bloed aan het verkeer deelgenomen, waarbij opgemerkt moet worden dat het een minimale overschrijding van de grenswaarde betrof.
Verdachte heeft geen aanrijding willen veroorzaken. Uit de verklaring van verdachte bij de politie en ter zitting blijkt dat hij veel spijt heeft van het ongeval. Hij heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven heel goed te beseffen dat door de dood van het slachtoffer een immens verdriet bestaat bij de nabestaanden. Verdachte zal moeten leven met het besef dat hij het slachtoffer heeft doodgereden.
De nabestaanden van het slachtoffer hebben weliswaar geen slachtofferverklaring voorgedragen, maar zij waren wel aanwezig tijdens de terechtzitting. De rechtbank is zich ervan bewust dat het ongeval zeer ingrijpend is geweest en het verlies van het slachtoffer voor veel verdriet zorgt. Een straf zal nooit in verhouding kunnen staan tot het verlies van een dierbare.
Zoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken
Een verkeersfout kan helaas een fatale afloop hebben. Hoewel er bij dit ongeluk sprake is van een dodelijk slachtoffer, heeft verdachte op geen enkele manier het ongeluk gewild en kan geen schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 worden aangenomen. Verdachte heeft immers niet aanmerkelijk onvoorzichtig gereden.
Het rijgedrag van verdachte bij het ongeval levert geen misdrijf op, maar een overtreding. Voor overtredingen in de zin van artikel 5 WVW 1994 worden geldboetes of (korte) taakstraffen opgelegd. Als bijkomende straf kan eventueel een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd. Met deze strafsoorten heeft de rechtbank rekening gehouden. In deze zaak vindt de rechtbank het passend om een taakstraf met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor feit 1.
Het tweede feit, rijden onder invloed, is wel een misdrijf. De rechtbank heeft voor de strafbepaling gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen. Verdachte is niet eerder veroordeeld en het gaat om enkelvoudig gebruik. In dergelijke gevallen gaan de oriëntatiepunten uit van een geldboete van € 450,-. De rechtbank heeft geen reden om hiervan af te wijken.
De verdachte
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Verdachte heeft direct spijt betuigd van het ongeval. Sinds begin 2026 is verdachte gestopt met het gebruik van cannabis. Ook heeft verdachte hulpverlening op vrijwillige basis gezocht, onder meer om de het ongeluk te verwerken.
Over verdachte is op 9 juli 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De reclassering schat de kans op recidive in als laag. De reclassering adviseert bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Oplegging straf
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor omschreven taakstraf met de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en de geldboete passend en geboden is. De voorwaardelijke rijontzegging zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van artikel 6 WVW 1994 en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De uitspraak.
De rechtbank:
spreekt de verdachte vrij van feit 1 primair;
verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
ten aanzien van feit 1 subsidiair (overtreding):
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van feit 2 (misdrijf):
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt ten aanzien van feit 1 subsidiair op de volgende straf:
* een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;
* een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
legt ten aanzien van feit 2 op de volgende straf:
* een geldboete van € 450,- (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 4 augustus 2026.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.206140.25
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [1993] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 juli 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Oss, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, Lisztgaarde, gekomen op of ter hoogte met de weg, Joannes Zwijsenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden na gebruik van en/of onder invloed van cannabis en/of in strijd met in zijn rijrichting op het wegdek geplaatste haaientanden en/of bord B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 geen voorrang te verlenen aan een op de kruisende weg, Joannes Zwijsenlaan, rijdende bestuurster van een fiets en/of tegen die fietsster aan te rijden, waardoor een ander (te weten die fietsster, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Oss als bestuurder van een voertuig (Bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, Lisztgaarde, gekomen op of ter hoogte van de kruising met de weg, Joannes Zwijsenlaan, in strijd met in zijn rijrichting op het wegdek geplaatste haaientanden en/of bord B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 geen voorrang heeft verleend aan een op de kruisende weg, Joannes Zwijsenlaan, rijdende bestuurster van een fiets en/of tegen die fietsster is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 24 juli 2024 te Oss een voertuig, te weten een bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,1 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) bewezen kan worden. Gelet op de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, heeft verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gereden. Daarbij is ook van belang dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van cannabis. Ook feit 2 kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft gepleit voor een partiële vrijspraak van artikel 6 WVW 1994 voor wat betreft de tenlastegelegde roekeloosheid en het zeer onvoorzichtig rijden. Met betrekking tot het gehalte tetrahydrocannabinol (hierna: THC) in het bloed van verdachte is sprake van een minimale overschrijding en kan niet worden vastgesteld welke invloed het gebruik van cannabis op het rijgedrag van verdachte heeft gehad. Voor feit 2 is geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat verdachte als bestuurder van een bedrijfsauto met aanhanger op 24 juli 2024 reed over de Lisztgaarde in Oss. Op de kruising van de Lisztgaarde met de Joannes Zwijsenlaan bevindt zich ook een fietssuggestiestrook waar fietsers voorrang hebben op het verkeer komende vanaf de Lisztgaarde. Mevrouw [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), voor verdachte van links komend op de Joannes Zwijsenlaan, is op deze fietssuggestiestrook door verdachte met zijn bedrijfsauto aangereden. Als gevolg van deze aanrijding is het slachtoffer komen te overlijden.
Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994
Voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit is nodig dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW 1994. Of dat het geval is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd. Ook is de schuldvraag afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen alleen kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Er moet minimaal sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
THC in het bloed
In het bloed van verdachte is na het ongeval een waarde van 3,1 microgram THC per liter aangetroffen. Het bloed van een bestuurder van een voertuig mag maximaal 3,0 microgram THC per liter bevatten bij enkelvoudig gebruik. De toegestane grenswaarde is door verdachte dus minimaal overschreden. Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van het ongeval regelmatig blowde. De avond voorafgaand aan het ongeval zou verdachte voor het laatst hebben geblowd. Het ging om twee joints die hij met een vriend had gedeeld. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring.
De rechtbank kan in dit geval niet vaststellen dat, en zo ja, in hoeverre de aangetroffen concentratie THC invloed heeft gehad op het rijgedrag van verdachte. De overschrijding ligt zéér dicht aan tegen de toegestane grenswaarde. Het ongeval heeft bovendien bijna een volledige dag na het gebruik van cannabis plaatsgevonden. Verdachte was een regelmatige gebruiker van cannabis, waardoor verondersteld wordt dat het gebruik minder invloed op hem, en dus ook op zijn rijvaardigheid, heeft dan bij een niet-gewende gebruiker. Uit de inhoud van het dossier blijkt ook niet dat sprake is geweest van rijgedrag dat duidt op rijden onder invloed van drugs. Gelet hierop zal de rechtbank de omstandigheid dat in het bloed van verdachte THC is gemeten, niet meewegen in de verdere beoordeling of het ongeval is te wijten aan de tenminste aanmerkelijke schuld van verdachte.
Overige gedragingen
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de overige gedragingen van verdachte leiden tot een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het ongeval heeft plaatsgevonden vlak bij de locatie waar verdachte die dag zijn werkzaamheden verricht had. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte voorzichtig en bewust heeft gereden. Verdachte reed in een 30-kilometer zone en reed niet te hard. Verdachte heeft vlak voor het ongeval een voetganger met kinderwagen gesignaleerd, die na de aanrijding ook op de camerabeelden te zien is. Verdachte heeft verklaard dat hij om zich heen heeft gekeken en op het moment dat hij dacht dat de weg vrij was de kruising is opgereden om af te slaan. Enkele meters voor de kruising van het ongeval remde verdachte af voor een drempel. Het rempedaal werd losgelaten op het moment dat verdachte dacht dat de Joannes Zwijsenlaan vrij was om op te rijden. Verdachte heeft zijn voertuig weliswaar niet helemaal tot stilstand gebracht voor de kruising, maar dat was hij op deze kruising ook niet verplicht. Het was bovendien een heldere droge dag, er was daglicht en de verkeerssituatie ter plaatse was overzichtelijk. Er was voor verdachte daarom geen reden om extra voorzichtig te zijn. Uit het politieonderzoek volgt dat de constructie van het voertuig, de linker A-stijl, mogelijk deels het zicht heeft ontnomen van verdachte. Dat heeft verdachte ook direct na het ongeval verklaard bij de politie. Verdachte heeft het slachtoffer niet gezien.
Het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt is dat hij bij het kruisen van de fietssuggestiestrook onvoldoende actief om de linker A-stijl heeft gekeken. Daardoor heeft hij het slachtoffer niet gezien en – als gevolg daarvan – heeft hij het slachtoffer geen voorrang verleend. De rechtbank is van oordeel dat deze handeling als één verkeersfout kan worden aangemerkt. Het handelen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak onder de gegeven omstandigheden niet aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Verdachte zal om die reden van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2.
Artikel 5 WVW 1994
Voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde verwijt is niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vereist. De vaststelling dat een verkeersdeelnemer zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt, is voldoende voor een overtreding van artikel 5 WVW 1994.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Hij heeft niet voldoende actief om de A-stijl van zijn voertuig gekeken waardoor hij het slachtoffer niet heeft gezien en aan haar geen voorrang heeft verleend. Hij is vervolgens tegen het slachtoffer aangereden als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Het gevaar voor andere weggebruikers heeft zich dus ook verwezenlijkt. Feit 1 subsidiair kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Feit 2
In het bloed van verdachte is een waarde van 3,1 microgram THC per liter aangetroffen, waarmee de toegestane grenswaarde (van 3,0 microgram THC per liter) is overschreden. Feit 2 kan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
Bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld (artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
1 (subsidiair):
op 24 juli 2024 te Oss als bestuurder van een voertuig (bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, Lisztgaarde, ter hoogte van de kruising met de weg, Joannes Zwijsenlaan, in strijd met in zijn rijrichting op het wegdek geplaatste haaientanden en bord B6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 geen voorrang heeft verleend aan een op de kruisende weg, Joannes Zwijsenlaan, rijdende bestuurster van een fiets en tegen die fietsster is aangereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;
2.
op 24 juli 2024 te Oss een voertuig, te weten een bedrijfsvoertuig (merk Nissan Patrol) met aanhangwagen, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,1 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed bedroeg.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot:
- een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en
- een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, en
- een ontzegging van de rijbevoegd voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar een taakstraf. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou nodeloos veel druk leggen op verdachten.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde. Omdat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding (feit 1) en een misdrijf (feit 2), zullen twee afzonderlijke straffen worden opgelegd. Voor feit 1 legt de rechtbank verdachte een taakstraf op voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis. Ook vindt de rechtbank een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden passend en geboden. Daarvoor geldt een proeftijd van 2 jaar.
Voor feit 2 legt de rechtbank een geldboete op van € 450,-, te vervangen door 4 dagen hechtenis.
De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.
De bewezen verklaarde feiten
Verdachte heeft op 24 juli 2024 als bestuurder van een bedrijfsauto een ongeval veroorzaakt. Op een kruising heeft hij het slachtoffer op haar elektrische fiets niet gezien en haar daardoor geen voorrang verleend. Verdachte heeft het slachtoffer aangereden, waarna zij ten val is gekomen. Als gevolg van dit ongeval is het slachtoffer op 25 juli 2024 overleden. Door zijn rijgedrag heeft verdachte gevaar veroorzaakt op de weg en dat kan hem strafrechtelijk worden verweten. Ook heeft verdachte met meer dan de toegestane hoeveelheid THC in zijn bloed aan het verkeer deelgenomen, waarbij opgemerkt moet worden dat het een minimale overschrijding van de grenswaarde betrof.
Verdachte heeft geen aanrijding willen veroorzaken. Uit de verklaring van verdachte bij de politie en ter zitting blijkt dat hij veel spijt heeft van het ongeval. Hij heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven heel goed te beseffen dat door de dood van het slachtoffer een immens verdriet bestaat bij de nabestaanden. Verdachte zal moeten leven met het besef dat hij het slachtoffer heeft doodgereden.
De nabestaanden van het slachtoffer hebben weliswaar geen slachtofferverklaring voorgedragen, maar zij waren wel aanwezig tijdens de terechtzitting. De rechtbank is zich ervan bewust dat het ongeval zeer ingrijpend is geweest en het verlies van het slachtoffer voor veel verdriet zorgt. Een straf zal nooit in verhouding kunnen staan tot het verlies van een dierbare.
Zoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken
Een verkeersfout kan helaas een fatale afloop hebben. Hoewel er bij dit ongeluk sprake is van een dodelijk slachtoffer, heeft verdachte op geen enkele manier het ongeluk gewild en kan geen schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 worden aangenomen. Verdachte heeft immers niet aanmerkelijk onvoorzichtig gereden.
Het rijgedrag van verdachte bij het ongeval levert geen misdrijf op, maar een overtreding. Voor overtredingen in de zin van artikel 5 WVW 1994 worden geldboetes of (korte) taakstraffen opgelegd. Als bijkomende straf kan eventueel een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd. Met deze strafsoorten heeft de rechtbank rekening gehouden. In deze zaak vindt de rechtbank het passend om een taakstraf met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor feit 1.
Het tweede feit, rijden onder invloed, is wel een misdrijf. De rechtbank heeft voor de strafbepaling gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen. Verdachte is niet eerder veroordeeld en het gaat om enkelvoudig gebruik. In dergelijke gevallen gaan de oriëntatiepunten uit van een geldboete van € 450,-. De rechtbank heeft geen reden om hiervan af te wijken.
De verdachte
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
Verdachte heeft direct spijt betuigd van het ongeval. Sinds begin 2026 is verdachte gestopt met het gebruik van cannabis. Ook heeft verdachte hulpverlening op vrijwillige basis gezocht, onder meer om de het ongeluk te verwerken.
Over verdachte is op 9 juli 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De reclassering schat de kans op recidive in als laag. De reclassering adviseert bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Oplegging straf
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor omschreven taakstraf met de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en de geldboete passend en geboden is. De voorwaardelijke rijontzegging zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van artikel 6 WVW 1994 en van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De uitspraak.
De rechtbank:
spreekt de verdachte vrij van feit 1 primair;
verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
ten aanzien van feit 1 subsidiair (overtreding):
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van feit 2 (misdrijf):
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt ten aanzien van feit 1 subsidiair op de volgende straf:
* een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;
* een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
legt ten aanzien van feit 2 op de volgende straf:
* een geldboete van € 450,- (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 4 augustus 2026.