Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5553
2026-08-03
Strafrecht
01-261219-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling verdachte voor overtreding van artt. 6 en 7 WVW. De verdachte heeft op zeer onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn auto bestuurd, waardoor een verkeersongeval met letsel is ontstaan. Vervolgens heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Oplegging van een taakstraf voor de duur van 200 uren/100 dagen hechtenis en een OBM voor de duur van 1 jaar. Vordering benadeelde partij toegewezen. Op basis van jurisprudentie i.h.k.v. de schadevergoedingsmaatregel ook ambtshalve een bedrag aan immateriële schadevergoeding toegewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2026:147 Hoge Raad 03-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.603 tekens)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.261219.25
Datum uitspraak: 03 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Ford), daarmede rijdende over de weg, de Julianasingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, de kruising van die Julianasingel met de Hescheweg op te rijden terwijl het voor hem, verdachte, bestemde stoplicht op dat moment (gedurende ongeveer 14 seconden) rood licht uitstraalde en/of hij, verdachte, niet in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij, verdachte, op voornoemde kruising met zijn personenauto tegen een voor hem van links komende overstekende fietser is gebotst/gereden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] (zijnde die fietser) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen, en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Oss als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Ford), daarmee rijdende op de weg, de Julianasingel, de kruising van die Julianasingel met de Hescheweg is opgereden terwijl het voor hem, verdachte, bestemde stoplicht op dat moment (gedurende ongeveer 14 seconden) rood licht uitstraalde en/of hij, verdachte, niet in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij, verdachte, op voornoemde kruising met zijn personenauto tegen een voor hem van links komende overstekende fietser is gebotst/gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
t.a.v. feit 2:
dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op de kruising van de Julianasingel met de Hescheweg, op of omstreeks 3 oktober 2025
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding.
Op vrijdag 3 oktober 2025 komt bij de politie een melding binnen dat op de kruising van de Julianasingel met de Hescheweg in Oss een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Een personenauto is in aanrijding gekomen met een fietser en de bestuurder van de personenauto is direct na het ongeval doorgereden. De getuige heeft het kenteken van de personenauto genoteerd en uiteindelijk komt de politie bij de verdachte terecht.
De fietser (hierna te noemen: aangever) heeft letsel opgelopen als gevolg van de aanrijding.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hetgeen onder feit 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het gedrag van verdachte moet als zeer onoplettend en onvoorzichtig worden aangemerkt. Het letsel van het slachtoffer kan worden gekwalificeerd als zodanig letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Ook feit 2 kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, nu verdachte wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat hij een ongeval had veroorzaakt waarbij aan aangever letsel was toegebracht en hij aangever desalniettemin in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 primair ten laste is gelegd. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat uit dient te worden gegaan van de lichtste vorm van schuld. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 subsidiair.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, nu verdachte niets heeft gemerkt van het ongeval en dus niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
Overweging ten aanzien van feit 1.
De feitelijke situatie.
Op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Niet staat ter discussie dat de verdachte op 3 oktober 2025 als bestuurder van de personenauto van het merk Ford, met kenteken [kenteken] op de kruising met de Julianasingel en de Hescheweg in Oss door rood licht is gereden. Als gevolg daarvan is de verdachte in aanrijding gekomen met aangever. Aangever is ten val gekomen en heeft daarbij onder andere zijn sleutelbeen gebroken. De verdachte is na de aanrijding niet gestopt, maar is met zijn personenauto doorgereden en heeft de plaats van het ongeval verlaten.
Mate van schuld.
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW) moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Of er sprake is van dergelijke schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte niet kan worden aangemerkt als roekeloosheid.
Anders dan namens de verdachte is bepleit, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte wel is aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend. De verdachte is door rood licht gereden. De verdachte reed met enige regelmaat over het kruispunt en wist aldus van de aanwezigheid van verkeerslichten op die plek. Uit het onderzoek is gebleken dat het verkeerslicht al 14 seconden rood licht uitstraalde, alvorens de verdachte het verkeerslicht passeerde. Dat betekent dat de verdachte langere tijd niet oplettend is geweest.
Daarmee is sprake van schuld in de vorm van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW.
De aard van het letsel.
Het letsel van aangever, bestaande uit onder meer een gebroken sleutelbeen, kwalificeert de rechtbank op basis van de beschikbare bewijsmiddelen als letsel, waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Er zijn onvoldoende medische gegevens beschikbaar om tot de vaststelling van zwaar lichamelijk letsel te komen. Uit het dossier blijkt wel dat de politie aangever 12 dagen na het ongeval heeft bezocht en dat hij toen niet goed voor zichzelf kon zorgen en intensieve thuiszorg nodig had.
Conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, voor zover hierna bewezen is verklaard, heeft begaan.
Overweging ten aanzien van feit 2.
Nu de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte in aanrijding is gekomen met aangever en tevens vast staat dat verdachte na het ongeval is doorgereden, dient voor het onder feit 2 ten laste gelegde de vraag te worden beantwoord of de verdachte op het moment van doorrijden wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat door het ongeval aan een ander letsel was toegebracht en dat deze persoon in hulpeloze toestand verkeerde.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de schade aan de linker voorzijde van de personenauto aanzienlijk was (een grote kras/streep op de ruit aan de bestuurderskant en aanzienlijke lakschade op diezelfde deur). Daaruit leidt de rechtbank af dat aangever bij de aanrijding aan de bestuurderszijde en daarmee in het zicht van de verdachte tegen de personenauto terecht is gekomen en dat dit een behoorlijke klap moet hebben gegeven, hetgeen aangever ook verklaart. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de verdachte dit heeft bemerkt. Nu de aanrijding plaats vond op een oversteekplaats voor fietsers en daarbij ook een fietser was betrokken, zijnde bij uitstek een kwetsbare verkeersdeelnemer, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte op zijn minst redelijkerwijs moest vermoeden dat sprake was van letsel bij en van een hulpeloze toestand van het slachtoffer. Desalniettemin is verdachte niet gestopt, maar heeft hij aangever in hulpeloze toestand achtergelaten.
De rechtbank acht hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen – eventueel in onderling verband en samenhang bezien – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
op 3 oktober 2025 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Ford), daarmede rijdende over de weg, de Julianasingel,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en/of onoplettend de kruising van die Julianasingel met de Hescheweg op te rijden, terwijl het voor hem, verdachte, bestemde stoplicht op dat moment gedurende ongeveer 14 seconden rood licht uitstraalde en hij, verdachte, niet in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij, verdachte, op voornoemde kruising met zijn personenauto tegen een voor hem van links komende overstekende fietser is gebotst/gereden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
t.a.v. feit 2:
als degene door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op de kruising van de Julianasingel met de Hescheweg, op 3 oktober 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander, te weten [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie vordert dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair vrijspraak ten aanzien van het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde bepleit. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zeer onwenselijk is en daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In de visie van de verdediging is een taakstraf passender dan een geldboete gelet op de financiële situatie van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft zeer onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn auto bestuurd, waardoor een verkeersongeval met letsel bij de aangever is ontstaan. Hij heeft zich vervolgens niet om aangever bekommerd en hem aan zijn lot overgelaten.
Met zijn handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, ernstig in gevaar gebracht en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op dat moment én na het ongeval grovelijk veronachtzaamd. De aangever, een oudere man, heeft langere tijd last gehouden van de klachten – met name door de breuk in het sleutelbeen – die door het ongeval zijn veroorzaakt. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangever daardoor afhankelijker werd van anderen en eenzaamheid voelde nu hij aan huis gekluisterd was. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden vaker in contact is gekomen met politie en justitie voor het overtreden van de WVW. Echter, dit werkt niet strafverzwarend mee, nu niet kan worden gesproken van strafrechtelijk relevante recidive.
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. De verdachte houdt vol dat hij zich niets kan herinneren van het ongeval en dat hij er niets van heeft gemerkt.
De op te leggen straffen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1 primair aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en ten aanzien van feit 2 bij uitspraken die in vergelijkbare zaken zijn gedaan. De oriëntatiepunten en jurisprudentie dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden is.
Daarnaast legt de rechtbank op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van 1.603,95 euro aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij heeft daarnaast aangegeven dat hij immateriële schade heeft geleden, maar hij heeft nagelaten een concreet bedrag aan schadevergoeding te vorderen en een vraagteken ingevuld bij de omvang van die schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraken.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering tot vergoeding van materiële schade in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
Blijkens het voorgaande heeft de benadeelde partij kenbaar gemaakt een bedrag aan immateriële schade te willen vorderen. Een concreet bedrag heeft hij – mogelijk gelet op het ontbreken van juridische bijstand – niet gevorderd.
Gelet op vaste jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2026:147) kan de strafrechter ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, een schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De rechtbank is dan ook niet gehouden het bedrag van de betalingsverplichting in het kader van de schadevergoedingsmaatregel op hetzelfde bedrag vast te stellen als het bedrag waarvoor zij de daarmee verband houdende vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toewijst.
De rechtbank overweegt dat vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk is als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten onder meer een gebroken sleutelbeen.
De rechtbank komt – gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal – een bedrag van € 1.000,-- billijk voor en zal dit bedrag opleggen ten behoeve van de immateriële schadevergoeding in het kader van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag – in totaal 2.603,95 euro – de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde materiële schadevergoeding worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht; en
6, 7, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
t.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen en maatregel.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.
en
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 1.603,95 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.603,95 euro.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële en immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht in het kader van de materiële schadevergoeding jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,
mr. E.C.L. Pechaczek en mr. J.C. Gribling, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 03 augustus 2026.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.261219.25
Datum uitspraak: 03 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Ford), daarmede rijdende over de weg, de Julianasingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, de kruising van die Julianasingel met de Hescheweg op te rijden terwijl het voor hem, verdachte, bestemde stoplicht op dat moment (gedurende ongeveer 14 seconden) rood licht uitstraalde en/of hij, verdachte, niet in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij, verdachte, op voornoemde kruising met zijn personenauto tegen een voor hem van links komende overstekende fietser is gebotst/gereden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] (zijnde die fietser) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen, en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 3 oktober 2025 te Oss als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Ford), daarmee rijdende op de weg, de Julianasingel, de kruising van die Julianasingel met de Hescheweg is opgereden terwijl het voor hem, verdachte, bestemde stoplicht op dat moment (gedurende ongeveer 14 seconden) rood licht uitstraalde en/of hij, verdachte, niet in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij, verdachte, op voornoemde kruising met zijn personenauto tegen een voor hem van links komende overstekende fietser is gebotst/gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
t.a.v. feit 2:
dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op de kruising van de Julianasingel met de Hescheweg, op of omstreeks 3 oktober 2025
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding.
Op vrijdag 3 oktober 2025 komt bij de politie een melding binnen dat op de kruising van de Julianasingel met de Hescheweg in Oss een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Een personenauto is in aanrijding gekomen met een fietser en de bestuurder van de personenauto is direct na het ongeval doorgereden. De getuige heeft het kenteken van de personenauto genoteerd en uiteindelijk komt de politie bij de verdachte terecht.
De fietser (hierna te noemen: aangever) heeft letsel opgelopen als gevolg van de aanrijding.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hetgeen onder feit 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Het gedrag van verdachte moet als zeer onoplettend en onvoorzichtig worden aangemerkt. Het letsel van het slachtoffer kan worden gekwalificeerd als zodanig letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Ook feit 2 kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, nu verdachte wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat hij een ongeval had veroorzaakt waarbij aan aangever letsel was toegebracht en hij aangever desalniettemin in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen onder feit 1 primair ten laste is gelegd. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat uit dient te worden gegaan van de lichtste vorm van schuld. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 subsidiair.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, nu verdachte niets heeft gemerkt van het ongeval en dus niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
Overweging ten aanzien van feit 1.
De feitelijke situatie.
Op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Niet staat ter discussie dat de verdachte op 3 oktober 2025 als bestuurder van de personenauto van het merk Ford, met kenteken [kenteken] op de kruising met de Julianasingel en de Hescheweg in Oss door rood licht is gereden. Als gevolg daarvan is de verdachte in aanrijding gekomen met aangever. Aangever is ten val gekomen en heeft daarbij onder andere zijn sleutelbeen gebroken. De verdachte is na de aanrijding niet gestopt, maar is met zijn personenauto doorgereden en heeft de plaats van het ongeval verlaten.
Mate van schuld.
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW) moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Of er sprake is van dergelijke schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte niet kan worden aangemerkt als roekeloosheid.
Anders dan namens de verdachte is bepleit, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte wel is aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend. De verdachte is door rood licht gereden. De verdachte reed met enige regelmaat over het kruispunt en wist aldus van de aanwezigheid van verkeerslichten op die plek. Uit het onderzoek is gebleken dat het verkeerslicht al 14 seconden rood licht uitstraalde, alvorens de verdachte het verkeerslicht passeerde. Dat betekent dat de verdachte langere tijd niet oplettend is geweest.
Daarmee is sprake van schuld in de vorm van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW.
De aard van het letsel.
Het letsel van aangever, bestaande uit onder meer een gebroken sleutelbeen, kwalificeert de rechtbank op basis van de beschikbare bewijsmiddelen als letsel, waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Er zijn onvoldoende medische gegevens beschikbaar om tot de vaststelling van zwaar lichamelijk letsel te komen. Uit het dossier blijkt wel dat de politie aangever 12 dagen na het ongeval heeft bezocht en dat hij toen niet goed voor zichzelf kon zorgen en intensieve thuiszorg nodig had.
Conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, voor zover hierna bewezen is verklaard, heeft begaan.
Overweging ten aanzien van feit 2.
Nu de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte in aanrijding is gekomen met aangever en tevens vast staat dat verdachte na het ongeval is doorgereden, dient voor het onder feit 2 ten laste gelegde de vraag te worden beantwoord of de verdachte op het moment van doorrijden wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat door het ongeval aan een ander letsel was toegebracht en dat deze persoon in hulpeloze toestand verkeerde.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de schade aan de linker voorzijde van de personenauto aanzienlijk was (een grote kras/streep op de ruit aan de bestuurderskant en aanzienlijke lakschade op diezelfde deur). Daaruit leidt de rechtbank af dat aangever bij de aanrijding aan de bestuurderszijde en daarmee in het zicht van de verdachte tegen de personenauto terecht is gekomen en dat dit een behoorlijke klap moet hebben gegeven, hetgeen aangever ook verklaart. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de verdachte dit heeft bemerkt. Nu de aanrijding plaats vond op een oversteekplaats voor fietsers en daarbij ook een fietser was betrokken, zijnde bij uitstek een kwetsbare verkeersdeelnemer, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte op zijn minst redelijkerwijs moest vermoeden dat sprake was van letsel bij en van een hulpeloze toestand van het slachtoffer. Desalniettemin is verdachte niet gestopt, maar heeft hij aangever in hulpeloze toestand achtergelaten.
De rechtbank acht hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen – eventueel in onderling verband en samenhang bezien – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
op 3 oktober 2025 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Ford), daarmede rijdende over de weg, de Julianasingel,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en/of onoplettend de kruising van die Julianasingel met de Hescheweg op te rijden, terwijl het voor hem, verdachte, bestemde stoplicht op dat moment gedurende ongeveer 14 seconden rood licht uitstraalde en hij, verdachte, niet in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij, verdachte, op voornoemde kruising met zijn personenauto tegen een voor hem van links komende overstekende fietser is gebotst/gereden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
t.a.v. feit 2:
als degene door wiens gedraging als bestuurder van een motorrijtuig een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op de kruising van de Julianasingel met de Hescheweg, op 3 oktober 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander, te weten [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie vordert dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair vrijspraak ten aanzien van het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde bepleit. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zeer onwenselijk is en daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In de visie van de verdediging is een taakstraf passender dan een geldboete gelet op de financiële situatie van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft zeer onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn auto bestuurd, waardoor een verkeersongeval met letsel bij de aangever is ontstaan. Hij heeft zich vervolgens niet om aangever bekommerd en hem aan zijn lot overgelaten.
Met zijn handelen heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, ernstig in gevaar gebracht en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op dat moment én na het ongeval grovelijk veronachtzaamd. De aangever, een oudere man, heeft langere tijd last gehouden van de klachten – met name door de breuk in het sleutelbeen – die door het ongeval zijn veroorzaakt. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangever daardoor afhankelijker werd van anderen en eenzaamheid voelde nu hij aan huis gekluisterd was. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden vaker in contact is gekomen met politie en justitie voor het overtreden van de WVW. Echter, dit werkt niet strafverzwarend mee, nu niet kan worden gesproken van strafrechtelijk relevante recidive.
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. De verdachte houdt vol dat hij zich niets kan herinneren van het ongeval en dat hij er niets van heeft gemerkt.
De op te leggen straffen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1 primair aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en ten aanzien van feit 2 bij uitspraken die in vergelijkbare zaken zijn gedaan. De oriëntatiepunten en jurisprudentie dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden is.
Daarnaast legt de rechtbank op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van 1.603,95 euro aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij heeft daarnaast aangegeven dat hij immateriële schade heeft geleden, maar hij heeft nagelaten een concreet bedrag aan schadevergoeding te vorderen en een vraagteken ingevuld bij de omvang van die schade.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraken.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering tot vergoeding van materiële schade in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
Blijkens het voorgaande heeft de benadeelde partij kenbaar gemaakt een bedrag aan immateriële schade te willen vorderen. Een concreet bedrag heeft hij – mogelijk gelet op het ontbreken van juridische bijstand – niet gevorderd.
Gelet op vaste jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2026:147) kan de strafrechter ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, een schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De rechtbank is dan ook niet gehouden het bedrag van de betalingsverplichting in het kader van de schadevergoedingsmaatregel op hetzelfde bedrag vast te stellen als het bedrag waarvoor zij de daarmee verband houdende vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toewijst.
De rechtbank overweegt dat vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk is als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten onder meer een gebroken sleutelbeen.
De rechtbank komt – gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal – een bedrag van € 1.000,-- billijk voor en zal dit bedrag opleggen ten behoeve van de immateriële schadevergoeding in het kader van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag – in totaal 2.603,95 euro – de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde materiële schadevergoeding worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling van de materiële schadevergoeding aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht; en
6, 7, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
t.a.v. feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen en maatregel.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.
en
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 1.603,95 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.603,95 euro.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële en immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht in het kader van de materiële schadevergoeding jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,
mr. E.C.L. Pechaczek en mr. J.C. Gribling, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 03 augustus 2026.