Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:4856
2026-07-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/4152
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBOBR:2026:4856 → ECLI:NL:RBOBR:2025:7912
Inhoudsindicatie
WIA. Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekken beroep. UWV komt n.a.v. de tussenuitspraak met een nieuwe beslissing op bezwaar die tegemoetkomt aan het beroep van verzoeker (werknemer). Derde-partij (ex-werkgever) kan zich ook in die beslissing vinden en geeft niet aan het beroep over te willen nemen. Vergoeding kosten rechtsbijstand in beroep. Geen vergoeding voor kosten van het opvragen van medische informatie en voor rechtsbijstand in bezwaar.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBOBR:2025:7912 Rechtbank Oost-Brabant 04-12-2025
- ECLI:NL:CRVB:2026:794 Centrale Raad van Beroep 10-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.515 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4152
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] B.V. uit [vestigingsplaats], de ex-werkgever
(gemachtigde: mr. K. Gomes).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om het UWV te veroordelen in zijn proceskosten. Dit verzoek is gedaan bij de intrekking van het beroep over verzoekers WGA loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA.
1.1.
Met het besluit van 28 februari 2022 heeft het UWV aan verzoeker vanaf 1 mei 2022 een loonaanvullingsuitkering toegekend, omdat verzoeker per die datum 49,85% arbeidsongeschikt was.
1.2.
Met het besluit van 3 december 2024 heeft het UWV het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en verzoekers loonaanvullingsuitkering per 15 januari 2025 beëindigd.
1.3.
Eiser heeft tegen het besluit van 3 december 2024 beroep ingesteld.
1.4.
Met de tussenuitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 3 december 2024 aan een gebrek lijdt en het UWV in de gelegenheid gesteld om dat gebrek te herstellen (bestuurlijke lus).
1.5.
Met het besluit van 23 maart 2026 heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het UWV heeft het bezwaar van de ex-werkgever alsnog ongegrond verklaard en besloten dat verzoeker met ingang van 15 januari 2025 recht houdt op een loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 48,98%.
1.6.
Verzoeker en de ex-werkgever hebben aan de rechtbank laten weten dat zij zich in het besluit van 23 maart 2026 kunnen vinden.
1.7.
Naar aanleiding van het besluit van 23 maart 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.8.
De rechtbank heeft de ex-werkgever in de gelegenheid gesteld om het beroep (als eisende partij) over te nemen. De ex-werkgever heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt binnen de daarvoor door de rechtbank gestelde termijn.
1.9.
De rechtbank heeft het UWV en de ex-werkgever in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het UWV heeft gereageerd met een brief van 15 juni 2026.
1.10.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het UWV aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Dat is het geval. Met het besluit van 23 maart 2026 heeft verzoeker de loonaanvullingsuitkering behouden die in eerste instantie was beëindigd vanwege het bezwaar van de ex-werkgever.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet die vergoeding betalen.
5.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het UWV te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.401 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
5.2.
Verzoeker heeft nog verzocht om een vergoeding van kosten voor het opvragen van medische informatie tot een bedrag van (€ 27,23 + € 132,12 =) € 159,35. De rechtbank wijst het verzoek in zoverre af. In artikel 1 van het Bpb zijn de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen limitatief opgesomd. Dit betekent dat kosten die niet in deze opsomming staan niet kunnen worden vergoed. Het opvragen van medische informatie staat niet in deze opsomming en de kosten die verzoeker in dat verband heeft gemaakt kunnen daarom niet worden vergoed.
5.3.
Er is geen grond voor een vergoeding van de kosten in bezwaar. Met het besluit van 23 maart 2026 is het bezwaar van de ex-werkgever (alsnog) ongegrond verklaard. In een dergelijk geval biedt de wet geen mogelijkheid om het UWV te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in deze fase van de procedure heeft gemaakt.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor tot het UWV wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.401.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 10 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Rechtbank Oost-Brabant 4 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7912.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Centrale Raad van Beroep 10 juni 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:794, overweging 6.
Dit volgt uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4152
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] B.V. uit [vestigingsplaats], de ex-werkgever
(gemachtigde: mr. K. Gomes).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om het UWV te veroordelen in zijn proceskosten. Dit verzoek is gedaan bij de intrekking van het beroep over verzoekers WGA loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA.
1.1.
Met het besluit van 28 februari 2022 heeft het UWV aan verzoeker vanaf 1 mei 2022 een loonaanvullingsuitkering toegekend, omdat verzoeker per die datum 49,85% arbeidsongeschikt was.
1.2.
Met het besluit van 3 december 2024 heeft het UWV het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en verzoekers loonaanvullingsuitkering per 15 januari 2025 beëindigd.
1.3.
Eiser heeft tegen het besluit van 3 december 2024 beroep ingesteld.
1.4.
Met de tussenuitspraak van 4 december 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 3 december 2024 aan een gebrek lijdt en het UWV in de gelegenheid gesteld om dat gebrek te herstellen (bestuurlijke lus).
1.5.
Met het besluit van 23 maart 2026 heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het UWV heeft het bezwaar van de ex-werkgever alsnog ongegrond verklaard en besloten dat verzoeker met ingang van 15 januari 2025 recht houdt op een loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 48,98%.
1.6.
Verzoeker en de ex-werkgever hebben aan de rechtbank laten weten dat zij zich in het besluit van 23 maart 2026 kunnen vinden.
1.7.
Naar aanleiding van het besluit van 23 maart 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.8.
De rechtbank heeft de ex-werkgever in de gelegenheid gesteld om het beroep (als eisende partij) over te nemen. De ex-werkgever heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt binnen de daarvoor door de rechtbank gestelde termijn.
1.9.
De rechtbank heeft het UWV en de ex-werkgever in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het UWV heeft gereageerd met een brief van 15 juni 2026.
1.10.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het UWV aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Dat is het geval. Met het besluit van 23 maart 2026 heeft verzoeker de loonaanvullingsuitkering behouden die in eerste instantie was beëindigd vanwege het bezwaar van de ex-werkgever.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet die vergoeding betalen.
5.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het UWV te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.401 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
5.2.
Verzoeker heeft nog verzocht om een vergoeding van kosten voor het opvragen van medische informatie tot een bedrag van (€ 27,23 + € 132,12 =) € 159,35. De rechtbank wijst het verzoek in zoverre af. In artikel 1 van het Bpb zijn de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen limitatief opgesomd. Dit betekent dat kosten die niet in deze opsomming staan niet kunnen worden vergoed. Het opvragen van medische informatie staat niet in deze opsomming en de kosten die verzoeker in dat verband heeft gemaakt kunnen daarom niet worden vergoed.
5.3.
Er is geen grond voor een vergoeding van de kosten in bezwaar. Met het besluit van 23 maart 2026 is het bezwaar van de ex-werkgever (alsnog) ongegrond verklaard. In een dergelijk geval biedt de wet geen mogelijkheid om het UWV te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in deze fase van de procedure heeft gemaakt.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor tot het UWV wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.401.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 10 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Rechtbank Oost-Brabant 4 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7912.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Centrale Raad van Beroep 10 juni 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:794, overweging 6.
Dit volgt uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.