Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:4343
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft in 2019, toen hij werkzaam was als agogisch medewerker op de afdeling High Intensive Care van GGZ Oost-Brabant in Helmond, gedurende een periode van (bijna) twee maanden, ontucht gepleegd met aangeefster, terwijl zij op dat moment op die afdeling was opgenomen. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen nagelaten de noodzakelijke professionele grenzen in acht te nemen die van hem mochten worden verlangd. Verdachte heeft ook onvoldoende rekening gehouden met de kwetsbaarheid van aangeefster en de afhankelijkheidsrelatie die aangeefster met verdachte had. De omstandigheid dat verdachte en aangeefster op enig moment een liefdesrelatie hadden en dat die nog langere tijd heeft standgehouden, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank spreekt verdachte vrij van mishandeling en bedreiging. De verdachte is niet meer werkzaam in de zorg. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 176 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en daarnaast een taakstraf van 180 uren.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.377 tekens)
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.189602.24 en 01.396503.24 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juni 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 30 april 2026.
Nadat de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 01-189602-24 op de terechtzitting van 1 juni 2026 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:
t.a.v. 01-189602-24:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 mei 2019 tot en met 26 september 2019 te De Mortel, gemeente Gemert-Bakel, en/of Helmond en/of Best, in elk geval in Nederland, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, te weten als agogisch medewerker bij de [instantie] , (telkens) ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door
- het meermalen, althans eenmaal, brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [slachtoffer] en/of
- het meermalen, althans eenmaal, (tong)zoenen van [slachtoffer] ;
t.a.v. 01-396503-24 feit 1:
hij op of omstreeks 30 september 2023 te De Mortel, gemeente Gemert-Bakel [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] in/tegen haar gezicht te slaan;
t.a.v. 01-396503-24 feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2024 tot en met 4 november 2024 te Best en/of te De Mortel, gemeente Bakel Gemert, in elk geval in Nederland, (middels "Telegram" berichten) [slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [slachtoffer] (telkens) dreigend de woorden toe te voegen
"Mijn leven maak je kapot, ik jouwe ook. Binnen nou en een uur is jou leven klaar. Jij heb gespeeld met vuur. Je hebt toch alles opgenomen. Luister ze again en je hoort daarin wat er gebeurt als je aangiften zou doen. Vaarwel meisje, kun je eindelijk rusten bij [naam] " en/of
"Gisteren weer lopen janken bij politie, zieligert. En je naar huis laten brengen door die twee mongolen. Jij maakt mij kapot, ik maak jou kapot. Jij gaat bloeden" en/of
"Vuile bitch, ik weet waar jij bent. Ik laat jou branden. Ga politie maar vast bellen, ze geloven je toch niet meer",
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding
Aangeefster was in 2019 opgenomen op een acute opnameafdeling van een psychiatrische kliniek. De verdachte werkte op deze afdeling als agogisch medewerker en hij vervulde met betrekking tot aangeefster een zorg-coördinerende rol, waaronder het maken van een signaleringsplan en het voeren van gesprekken. Op enig moment is een affectieve relatie ontstaan tussen de verdachte en aangeefster.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder parketnummer 01-396503-24 feit 1 (mishandeling) en 2 (bedreigingen) ten laste gelegde wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft zich voor de bewezenverklaring van het onder parketnummer 01-189602-24 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met daarbij wel de conclusie dat het feit in een beperkte periode heeft plaatsgevonden dan ten laste is gelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van het onder parketnummer 01-396503-24 feit 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Hierna zal de rechtbank motiveren hoe zij tot dit oordeel komt.
Op 15 november 2024 heeft aangeefster verklaard dat zij op 30 september 2023 is geduwd door de verdachte in de richting van de keuken. In het dossier bevindt zich voorts een verklaring van [getuige] van 4 januari 2025 waarin zij heeft verklaard dat zij een keer op een verjaardag bij het slachtoffer was en dat de verdachte het slachtoffer toen met platte hand tegen het gezicht had geslagen. Dit gebeurde buiten. De rechtbank stelt vast dat [getuige] niet heeft verklaard wanneer deze klap in het gezicht heeft plaatsgevonden. Voorts constateert de rechtbank dat aangeefster heeft verklaard over een duw en [getuige] over een klap. Aangeefster heeft verklaard dat zij richting de keuken is geduwd, waaruit de rechtbank concludeert dat deze duw in het huis heeft plaatsgevonden, terwijl [getuige] heeft verklaard dat de klap buiten heeft plaatsgevonden. Aangeefster heeft op 25 februari 2025, dus nadat [getuige] is gehoord, een aanvullende verklaring afgelegd en toen heeft zij verklaard dat zij buiten met vlakke hand in het gezicht is geslagen door de verdachte. Op 13 maart 2025 heeft aangeefster verklaard dat dit op 30 september 2023 is geweest. Daar valt op dat aangeefster benoemt dat de ruzie te maken zou hebben gehad met onenigheid over het gedrag van de zoon van [getuige] , terwijl [getuige] zelf daarover niet heeft verklaard.
Mocht de verklaring van [getuige] betrekking hebben op 30 september 2023, dan stelt de rechtbank vast dat deze verklaring op diverse onderdelen niet overeenkomt met wat op die dag volgens aangeefster in haar eerste verklaring is gebeurd. Gelet op het tijdsverloop tussen de aangifte, de verklaring van [getuige] en de aanvullende verklaringen van aangeefster is de rechtbank van oordeel dat behoedzaam omgegaan dient te worden met de aanvullende verklaringen van aangeefster. Objectief bewijs voor de ten laste gelegde mishandeling ontbreekt. Het gevolg is dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte op 30 september 2023 aangeefster in of tegen haar gezicht heeft geslagen, waardoor de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Vrijspraak ten aanzien van het onder parketnummer 01-396503-24 feit 2 ten laste gelegde
De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreigingen niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Aangeefster heeft via Telegram de ten laste gelegde berichten ontvangen. In één van de tenlastegelegde berichten staat dat aangeefster zal ‘gaan bloeden’. In het dossier bevindt zich echter geen bewijsmiddel waaruit volgt dat de verdachte die berichten heeft verstuurd.
De enkele omstandigheid dat de verdachte in 2023 het bericht: “Ik ga hier niet alleen voor bloeden dat weet ik zeker.” heeft gestuurd naar aangeefster, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, hieruit volgt niet dat het dus de verdachte is geweest die de tenlastegelegde berichten in 2024 heeft gestuurd. Daarvoor is de woordkeuze niet specifiek genoeg.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder parketnummer 01-189602-24 ten laste gelegde
Verdachte heeft het ten laste gelegde onder dit parketnummer bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat wat dit feit betreft, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, Sv, met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Een proces-verbaal van aangifte van 18 oktober 2023 door [slachtoffer] , pagina 18-25.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 30 april 2024, pagina 77-81.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 1 mei 2024, pagina 82-90.
Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en jeugd van augustus 2021, pagina 27-45.
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2026.
Naar het oordeel van de rechtbank is het einde van de pleegperiode 3 juli 2019, zijnde de datum waarop verdachte door zijn werkgever op non-actief is gesteld. Vanaf dat moment was aangeefster niet langer als patiënt aan verdachtes zorg toevertrouwd.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
in de periode van 13 mei 2019 tot en met 3 juli 2019 te De Mortel, gemeente Gemert-Bakel, en/of Helmond en/of Best,
terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, te weten als agogisch medewerker bij de [instantie] ,
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die zich als patiënt aan verdachtes zorg had toevertrouwd,
door
- het meermalen duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [slachtoffer] en
- het meermalen (tong)zoenen van [slachtoffer] ;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:
een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten;
een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de gehele gemeente Gemert voor de duur van vijf jaar, te vervangen door 14 dagen hechtenis per overtreding tot een maximum van zes maanden, dadelijk uitvoerbaar;
een vordering tot ontzetting van rechten als bedoeld in artikel 28 Sr, inhoudende een beroepsverbod voor de duur van vijf jaar, dadelijk uitvoerbaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de oplegging van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om aan hem een taakstraf op te leggen met daaraan gekoppeld een eventuele voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Algemene overweging
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
Verdachte heeft toen hij werkzaam was als agogisch medewerker op de [afdeling] van [instantie] , gedurende een periode van (bijna) twee maanden, ontucht gepleegd met aangeefster, terwijl zij op dat moment op die afdeling was opgenomen vanwege suïcidaliteit, agressieregulatieproblematiek, ernstige trauma’s en persoonlijkheidsproblematiek. Zij was bovendien (mede) aan de zorg van verdachte toevertrouwd. Verdachte heeft meermalen geslachtsgemeenschap met aangeefster gehad en hij heeft ook meermalen met haar ge(tong)zoend. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen nagelaten de noodzakelijke professionele grenzen in acht te nemen die van hem mochten worden verlangd. Verdachte heeft ook onvoldoende rekening gehouden met de kwetsbaarheid van aangeefster en de afhankelijkheidsrelatie die aangeefster met verdachte had. De omstandigheid dat verdachte en aangeefster op enig moment een liefdesrelatie hadden en dat die nog langere tijd heeft standgehouden, maakt dat niet anders. Verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van aangeefster. Dat aangeefster hier tot op de dag van vandaag gevolgen van ondervindt, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die zij ter terechtzitting heeft voorgelezen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van
28 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Er is dus geen sprake van strafrechtelijke antecedenten die de rechtbank in strafverzwarende zin zal meewegen.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 3 februari 2025 en 14 april 2026. In het advies van 3 februari 2025 staat beschreven dat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan ontucht met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd als laag wordt ingeschat. In het advies van 14 april 2026 staat beschreven dat verdachte gesprekstherapie heeft gevolgd bij een psycholoog en dat er een signaleringsplan is opgesteld.
Verder volgt uit dit reclasseringsadvies dat de reclassering een detentieperiode als sanctie minder passend acht dan overige strafmodaliteiten vanwege de algemeen geldende nadelen zoals verlies van werk, inkomen en stabiliteit. Een financiële straf ziet de reclassering ook niet als meest passend. Verdachte werkt op dit moment parttime in de horeca, omdat hij niet langer over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) beschikt. Verdachte heeft minder inkomen. Ook heeft de verdachte een schuld bij de Belastingdienst. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en acht de verdachte in staat tot het verrichten van een taakstraf.
De rechtbank houdt er verder rekening mee dat de verdachte zijn werk is kwijtgeraakt, als gevolg van zijn handelen niet langer over een VOG beschikt en niet meer werkzaam kan zijn in de gezondheidszorg.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in dit geval niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is berecht. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 30 april 2024, de dag waarop verdachte is verhoord bij de politie. Verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 15 juni 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen verdachte had moeten worden berecht met bijna twee maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de redelijke termijn niet is toe te rekenen aan verdachte, acht de rechtbank matiging van straf op zijn plaats.
Straftoemeting
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde ontucht en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.
De rechtbank stelt echter ook vast dat, zoals hierboven staat beschreven, de redelijke termijn in onderhavige zaak is overschreden. Bovendien zijn zeven jaren verstreken sinds het feit is gepleegd, heeft de verdachte nadien geen (soortgelijke) misdrijven gepleegd en heeft de verdachte aan zichzelf gewerkt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een fors voorwaardelijk deel, gecombineerd met een taakstraf, een passende straf is.
Gelet op het voorgaande legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 176 dagen voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr en met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis.
Gelet op de adviezen van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze maatregel nodig is ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. De verdachte heeft verklaard dat hij geen contact wil met aangeefster en onvoldoende is gebleken dat de verdachte contact zoekt met aangeefster. Van de zijde van het slachtoffer en het Openbaar Minister zijn weliswaar screenshots van berichten overgelegd, maar niet vastgesteld is dat deze afkomstig zijn van de verdachte.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor ontzetting van verdachte uit het recht om zijn beroep uit te oefenen, omdat hij op dit moment niet meer werkzaam is in de zorg en ook niet langer over een VOG beschikt. Bovendien heeft de reclassering het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan ontucht met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd als laag ingeschat.
Met het voorgaande legt de rechtbank een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist. Dit komt ten eerste doordat de rechtbank van oordeel is dat de tenlastegelegde mishandeling en bedreigingen niet bewezen kunnen worden verklaard. De rechtbank is voor wat betreft het ontucht van oordeel dat met de straf die aan verdachte wordt opgelegd enerzijds rekening wordt gehouden met aard en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, de hiervoor genoemde overschrijding van de redelijke termijn en de tijd die is verstreken sinds het feit is gepleegd. Anderzijds komt daarin de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer voldoende tot uitdrukking. Ook bevat de straf een stevige stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan enig strafbaar feit.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer] . Zij heeft expliciet te kennen gegeven enkel schade te vorderen die zij heeft geleden als gevolg van het onder parketnummer 01-396503-24 feit 1 (mishandeling) en feit 2 (bedreigingen) ten laste gelegde.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van de feiten waarop deze vordering betrekking heeft.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten van de verdachte. Deze kosten worden begroot op nihil.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij ten aanzien van het onder parketnummer 01.396503.24 feit 1 en feit 2 ten laste gelegde;
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
t.a.v. 01.189602.24:
werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straffen:
* een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;
beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 176 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een proeftijd van 2 jaar de hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
* een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis;
Beslissing ten aanzien van de vordering de benadeelde partij [slachtoffer]:
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten van verdachte en stelt deze op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. Kooijman, voorzitter,
mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 15 juni 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie, eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2023218430, afgesloten op 1 mei 2024, aantal digitaal doorgenummerde bladzijden: 91.