Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:4322
Inhoudsindicatie
Op verzoek van de raad voor de kinderbescherming belast de rechtbank een moeder van 18 jaar met het gezag over haar kind. De rechtbank overweegt dat de raad bevoegd is om een dergelijk verzoek te doen op grond van artikel 1:241 BW. Uit artikel 1:253b BW, tweede lid, volgt niet dat een daartoe bevoegde ouder van rechtswege het ouderlijk gezag verkrijgt op het moment dat het gezag door een voogd eindigt. Deze bepaling ziet uitsluitend op het feitelijke tijdstip dat een ouder bevoegd wordt tot het gezag. Als het gezag door een voogd op een later moment eindigt, ligt voor een ouder de weg open van 1:253d BW. De rechtbank wijst verder het verzoek om het kind onder toezicht te stellen af, omdat de rechtbank er vertrouwen in heeft dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillige kader kan plaatsvinden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.323 tekens)
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/422235 / JE RK 25-1769
Datum uitspraak: 11 februari 2026
beschikking over gezag, ondertoezichtstelling en voogdij
in de zaak van
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie Eindhoven ,
hierna te noemen: de raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
de Stichting Jeugdbescherming Brabant,
statutair gevestigd in ’s-Hertogenbosch, locatie Helmond, hierna te noemen: JBB.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader]
,
wonend in [woonplaats] ,hierna te noemen: de vader,
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
statutair gevestigd in Amsterdam,hierna te noemen: WSS.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de raad, ontvangen op 31 december 2025;
een brief van JBB van 22 januari 2026;
een aanvullend subsidiair verzoek van de raad, ontvangen op 2 februari 2026.
1.2.
Op 11 februari 2026 heeft de kinderrechter het verzoek en het aanvullend subsidiaire verzoek op de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
de moeder;
de vader;
[vertegenwoordiger van de raad] ;
[vertegenwoordiger JBB 1] , [vertegenwoordiger JBB 2] en [vertegenwoordiger JBB 3] namens JBB;
[vertegenwoordiger WSS]
1.3.
De kinderrechter heeft [opa aan moederszijde] en [oma aan vaderszijde] bijzondere toegang tot de zitting verleend. Tijdens de zitting zijn zij door de kinderrechter aangemerkt als informanten en hebben zij vragen beantwoord.
1.4.
De kinderrechter heeft aansluitend aan de zitting mondeling uitspraak gedaan op grond van artikel 29a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] is op [geboortedatum] geboren uit de moeder. De moeder was destijds minderjarig en heeft daarom niet het gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
De vader heeft [minderjarige 1] erkend, maar heeft ook geen gezag.
2.3.
[minderjarige 1] woont met haar moeder in een (soort) moeder-kindhuis van de Combinatie Jeugdzorg. De vader woont ergens anders.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025 is JBB belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] .
3De verzoeken
3.1.
De raad verzoekt om de inmiddels meerderjarige moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
3.2.
De raad verzoekt ook om [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar.
3.3.
Subsidiair verzoekt de raad, als de moeder niet met het gezag wordt belast, om WSS als voogd te benoemen over [minderjarige 1] , omdat zij dan niet onder ouderlijk gezag staat en niet op een wettelijke wijze in het gezag over haar is voorzien.
3.4.
De raad vraagt ook om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het verweer van JBB
4.1
JBB stelt ten eerste dat de raad geen rechtsingang heeft om de rechtbank te verzoeken om de moeder te belasten met het gezag. JBB gaat er daarom van uit dat de raad niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek.
4.2.
Verder merkt JBB op dat bij een beslissing van de rechtbank de voorlopige voogdijmaatregel van rechtswege eindigt. De moeder was ten tijde van de geboorte onbevoegd om het gezag uit te oefenen, maar is inmiddels wel hiertoe bevoegd omdat zij op 17 december 2025 meerderjarig is geworden. JBB is van mening dat op grond van artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van de moeder van rechtswege zal herleven wanneer de voorlopige voogdij afloopt.
4.3.
JBB verzoekt de rechtbank om zich in ieder geval over het gezag over [minderjarige 1] uit te laten en ondersteunt het advies van de raad dat de moeder het gezag zou moeten uitoefenen. JBB ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling omdat de benodigde hulpverlening in een vrijwillig kader kan plaatsvinden.
5De beoordeling
Is de raad ontvankelijk in het verzoek?
5.1.
Op 14 oktober 2025 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] bij JBB belegd. Hierbij is artikel 1:241 BW van belang, dat de bevoegdheid van de raad regelt om dergelijke verzoeken te doen (1e en 2e lid). Het 4e lid van dit artikel bepaalt dat de voorlopige voogdij na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking vervalt, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.
5.2.
De raad heeft de rechtbank op 31 december 2025 verzocht om de moeder met het gezag over [minderjarige 1] te belasten. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet dit verzoek aan de eisen van artikel 1:241 BW, nu dit verzoek tijdig is gedaan en het de gezagsuitoefening over een minderjarige betreft. Anders dan JBB naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat artikel 1:241 BW de raad deze rechtsingang verleent. Dit artikel geeft de raad namelijk de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken het gezag over een minderjarige aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon op te dragen, inbegrepen de moeder van de betreffende minderjarige.
5.3.
De rechtbank verklaart de raad daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
5.4.
De rechtbank ziet in het verzoek van JBB aanleiding om zich ook uit te laten over de reikwijdte van artikel 1:253b BW in dit kader. Uit het 2e lid van dit artikel volgt dat een moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, dit gezag van rechtswege verkrijgt op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. Anders dan JBB lijkt te betogen, beperkt deze bepaling zich naar het oordeel van de rechtbank tot het specifieke moment waarop de moeder bevoegd wordt, in dit geval de dag van haar 18e verjaardag. De moeder verkrijgt van rechtswege het gezag als op dat specifieke moment geen ander daarmee is belast. Artikel 1:253b BW regelt niet wat er gebeurt als op een later moment het gezag over een minderjarige openvalt, wat daar dan ook de reden van is. Voor een dergelijke situatie voorziet namelijk artikel 1:253d BW in een regeling: een tot het gezag bevoegde ouder kan de rechtbank dan om het ouderlijk gezag verzoeken. Nu de raad wel om een voorziening in het gezag heeft verzocht, blijven deze artikelen in dit concrete geval buiten beschouwing.
Kan de moeder met het gezag worden belast?
5.5.
De rechtbank moet hiervoor beoordelen of er ernstige zorgen zijn dat de belangen van [minderjarige 1] in gevaar komen als de moeder het gezag zou krijgen. Zowel de raad als JBB vinden het een goed idee dat de moeder het ouderlijk gezag krijgt. De moeder en de vader hebben de rechtbank duidelijk uitgelegd dat zij samen de verantwoordelijkheid voor [minderjarige 1] willen en kunnen dragen. Ook de aanwezige grootouders hebben het vertrouwen uitgesproken dat [minderjarige 1] bij de ouders in goede handen is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor ernstige zorgen over de belangen van [minderjarige 1] wanneer de moeder (en zoals zij aangeeft: met de vader) het gezag over [minderjarige 1] heeft. Daarom zal de rechtbank dit verzoek van de raad toewijzen.
Is een ondertoezichtstelling noodzakelijk?
5.6.
De raad verzoekt daarnaast ook om [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van WSS. Hoewel de moeder het gezag over haar kind moet kunnen dragen, heeft de raad nog wel zorgen over het welzijn van [minderjarige 1] . Vast staat dat [minderjarige 1] haar armpje heeft gebroken onder de verantwoordelijkheid van de ouders en dat daarvoor nog geen afdoende verklaring is gevonden. De raad is bezorgd dat de ouders wanneer zij weerstand ervaren onvoldoende in contact zullen blijven met de benodigde hulpverlening, ook omdat zij beiden een belast verleden hebben. Dit vindt de raad een te groot risico voor een kwetsbare baby als [minderjarige 1] en daarom moet er een jeugdbeschermer betrokken blijven.
5.7.
De rechtbank begrijpt de zorgen van de raad en is het met de raad eens dat er hulpverlening betrokken moet blijven bij het gezin, om [minderjarige 1] en de ouders samen de best mogelijke start te kunnen geven. Anders dan de raad is de rechtbank van oordeel dat deze hulpverlening in het vrijwillige kader voldoende is geborgd. Hierin volgt de rechtbank ook de ter zitting aanwezige jeugdbeschermers van JBB en WSS, die eveneens onvoldoende gronden voor een ondertoezichtstelling zien. Er is een steunend netwerk bij dit gezin betrokken, net als diverse professionals die zo nodig een regiefunctie kunnen vervullen. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende oog voor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] om op het vrijwillige kader te kunnen vertrouwen. Dit betekent dat niet aan de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. De rechtbank zal dit verzoek van de raad dan ook afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De rechtbank verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil
zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
belast de moeder met het gezag over [minderjarige 1];
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister;
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.S. Badri, kinderrechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026, waarna de beschikking op 25 februari 2026 op schrift is gesteld.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 1:255 BW