Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:4321

2026-01-22 Civiel recht; Personen- en familierecht 396059__fa_rk_23-3432
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-01-22
Publicatiedatum
2026-06-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
396059__fa_rk_23-3432
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag en vaststellen omgangsregeling. Veroordeling van de moeder tot medewerking aan eerder door de rechtbank bevolen DNA-onderzoek op straffe van een dwangsom. Veroordeling van de moeder tot nakoming van eerder vastgestelde omgangsregeling op straffe van een dwangsom.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.971 tekens)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht




Zaaknummer : C/01/396059 / FA RK 23-3432
Uitspraak : 22 januari 2026



Beschikking betreffende afstamming, gezag en omgang in de zaak van





[de man 1]
,
(blijkens de BRP: [de man 1] )
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. O. Sarac.



tegen





[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat voorheen: mr. J.J.M. van Asten (onttrokken).



De rechtbank merkt ten aanzien van de afstamming aan als belanghebbende:




mr. I. van Meeteren,

advocaat, kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch,
in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen:

- [minderjarige 1] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
als zodanig benoemd bij beschikking van deze rechtbank van 21 september 2023.


De rechtbank merkt ten aanzien van de omgang aan als belanghebbende:



de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
statutair gevestigd te [woonplaats] , vestiging [woonplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).



In het kader van zijn wettelijke taak is in de procedure betrokken:



de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie ’s-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de raad.




Deze beschikking volgt op de beschikking van de rechtbank van 6 februari 2025.





1De verdere procedure


1.1.
Bij de hiervoor genoemde beschikking van 6 februari 2025 heeft de rechtbank een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen vastgesteld, een deskundigenonderzoek bevolen omtrent de vraag of de man de biologische vader is van de minderjarigen en iedere verdere beslissing over de erkenning en het gezag pro forma aangehouden.



1.2.
Daarna heeft de rechtbank kennisgenomen van:


een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Sarac van 8 mei 2025;


een brief van de raad van 26 mei 2025;


een F9-formulier (met bijlagen) van mr. Sarac van 2 juni 2025;


een e-mail (met bijlagen) van de GI van 4 juni 2025;


een brief van de bijzondere curator van 17 juni 2025;


een brief (met bijlagen) van mr. Sarac van 18 september 2025;


een F9-formulier van mr. Sarac van 26 november 2025;


een F9-formulier van de bijzondere curator van 4 december 2025.





1.3.
Op 9 december 2025 heeft vervolgens een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:


mr. S. Atceken-Ata als waarnemer voor mr. Sarac;



[vertegenwoordiger van de raad] ;



[vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.





1.4.
De man is niet in persoon verschenen. De vrouw is niet verschenen ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen. De bijzondere curator is niet verschenen met bericht van afwezigheid.





2De aanvullende feiten


2.1.
Bij beschikking van 28 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de bij voornoemde beschikking van 6 februari 2025 vastgestelde omgangsregeling gewijzigd. De kinderrechter heeft een begeleide omgangsregeling vastgesteld van één keer in de twee weken van 90 minuten op de woensdagmiddag. De GI heeft de regie over het uitbreiden van de omgang in zowel duur als frequentie tot de eerder vastgestelde omgang van iedere zondag van 12.00 tot 17.00 uur onbegeleid.



2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 september 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar verlengd, met ingang van 30 september 2025 tot 30 september 2026.





3De (aanvullende) verzoeken


3.1.
De man heeft eerder verzocht om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en om hem mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten. De rechtbank heeft nog niet op deze verzoeken beslist.



3.2.
De man heeft zijn verzoeken aangevuld bij brieven van 8 mei 2025 en 18 september 2025, in die zin dat hij daarnaast verzoekt om:
1. een dwangsom op te leggen aan de moeder om haar te bewegen alsnog mee te werken aan de bij beschikking van 6 februari 2025 vastgestelde omgangsregeling;
2. het inschakelen van de raad om de moeder te overtuigen mee te werken of om een kinderbeschermingsmaatregel te overwegen;
3. een beschikking af te geven waarbij het omgangsmoment van ‘zondag tussen 12.00 en 17.00 uur’ wordt gewijzigd naar ‘een doordeweekse dag’;
4. te bevelen dat de vrouw gehouden is haar volledige medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek bij Verilabs Nederland B.V., zoals gelast bij beschikking van 6 februari 2025;
5. de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 450,- per dag, met een maximum van € 15.000,- zolang zij weigert hieraan mee te werken;
6. te bepalen dat de dwangsom ingaat drie weken na dagtekening van de door de rechtbank af te geven beschikking;
7. subsidiair, indien medewerking uitblijft, de gevolgtrekking te verbinden dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .





4De verdere beoordeling



Vervangende toestemming erkenning en medewerking aan DNA-onderzoek




4.1.
De rechtbank bespreekt het aangehouden verzoek over de erkenning en de hiervoor onder 4 tot en met 7 genoemde aanvullende verzoeken die verband houden met de medewerking van de vrouw aan het DNA-onderzoek hierna gezamenlijk.



4.2.
De rechtbank heeft in de beschikking van 6 februari 2025 al geoordeeld dat aanvullend bewijs van het verwekkerschap van de man nodig is alvorens te kunnen beslissen op het verzoek over de erkenning. Uit de daarna overgelegde stukken blijkt dat de vrouw weigert mee te werken aan het door de rechtbank bevolen DNA-onderzoek. Dat betekent dat er nog altijd geen bewijs is van het verwekkerschap van de man.



4.3.
De rechtbank vindt het wel van belang dat er duidelijkheid komt over het eventuele verwekkerschap van de man. De kinderen hebben immers recht op informatie over hun afstamming, onder andere op grond van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook de man heeft recht op en belang bij duidelijkheid omtrent zijn verwekkerschap. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw moet meewerken aan het eerder bevolen DNA-onderzoek door Verilabs. De vrouw weigert dit tot op heden echter. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw niet reageert op berichten van (de advocaat van) de man en evenmin op contactpogingen vanuit Verilabs. De rechtbank is daarom van oordeel dat de man voldoende belang heeft bij de door hem verzochte veroordeling tot medewerking aan het DNA-onderzoek op straffe van een dwangsom. De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot medewerking binnen drie weken na de betekening van deze beschikking aan haar. De vrouw dient binnen deze termijn contact op te nemen met Verilabs voor het maken van een afspraak, vervolgens te verschijnen op die afspraak en haar medewerking te verlenen aan alle volgens Verilabs noodzakelijke stappen om het onderzoek te kunnen uitvoeren. De rechtbank zal de hoogte van de dwangsom beperken tot € 250,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00. Een hogere dwangsom acht de rechtbank niet noodzakelijk om de vrouw tot medewerking te bewegen en niet redelijk, gelet op de beperkte financiële middelen aan de zijde van de vrouw.



4.4.
Indien de vrouw opnieuw haar medewerking aan het DNA-onderzoek weigert, zal de rechtbank daaraan de gevolgtrekking verbinden die zij geraden acht.



4.5.
De rechtbank zal de beslissing over de erkenning nogmaals aanhouden in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek.



Gezag





4.6.
Zoals al is overwogen in de beschikkingen van 20 maart 2024 en 6 februari 2025 is de man op dit moment niet bevoegd tot het gezag. De rechtbank zal de beslissing over het gezag daarom nogmaals aanhouden totdat een beslissing is genomen op het verzoek van de man over de erkenning.



Nakoming omgangsregeling





4.7.
De rechtbank begrijpt, mede gelet op de toelichting tijdens de zitting, het aanvullende verzoek onder 1 aldus dat de man verzoekt om de vrouw op straffe van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van de bij beschikking van 28 mei 2025 vastgestelde omgangsregeling. De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken en de verklaringen van de GI ter zitting vast dat de vrouw deze omgangsregeling niet nakomt.



4.8.
De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen. De rechtbank stelt voorop dat door de (kinder)rechter vastgestelde omgangsregelingen moeten worden nakomen. Hierop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als daarvoor een gegronde reden bestaat. Daarvan is niet gebleken. In de beschikking van 28 mei 2025 is door de kinderrechter overwogen dat het in het belang van de kinderen is dat zij (onbelast) contact kunnen hebben met de man en dat niet is gebleken van contra-indicaties die dat contact in de weg staan. Door of namens de vrouw zijn geen omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat dit inmiddels anders is. De vrouw is ook niet ter zitting verschenen om haar standpunt kenbaar te maken. De GI heeft bovendien ter zitting verklaard dat de vastgestelde omgangsregeling, waarbij het contact tussen de man en de kinderen onder begeleiding en regie van de GI wordt opgebouwd, nog steeds passend is. Nu niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat nakoming van de zorgregeling niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, bestaat er geen gegronde reden om af te wijken van het uitgangspunt dat een door de rechter vastgestelde omgangsregeling moet worden nagekomen. Zowel de vader als de GI bepleiten oplegging van een dwangsom als middel om de moeder tot nakoming te bewegen. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen. De man heeft niet om een bepaald bedrag verzocht voor de dwangsom, zodat de rechtbank deze in redelijkheid zal bepalen op € 250,00 per dag dat de vrouw nakoming weigert, met een maximum van € 5.000,00.



Wijzigen omgangsregeling





4.9.
In de beschikking van 28 mei 2025 is bepaald dat de GI de regie krijgt over het uitbreiden van de omgang naar de eerder vastgestelde omgang van iedere zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur onbegeleid. De rechtbank begrijpt het aanvullende verzoek onder 3 aldus dat de man verzoekt de zinsnede ‘de eerder vastgestelde omgang van iedere zondag 12.00 uur tot 17.00 uur’ te wijzigen naar ‘omgang op een doordeweekse dag’. De rechtbank zal de beslissing op dit verzoek aanhouden, omdat er op dit moment nog geen omgang tussen de man en de kinderen tot stand is gekomen. De rechtbank kan daarom nu nog niet beoordelen of de door de man verzochte wijziging in het belang van de kinderen is.



Inschakelen van de raad





4.10.
De rechtbank zal het aanvullend verzoek onder 2, betreffende het inschakelen van de raad om de vrouw te overtuigen mee te werken of een kinderbeschermingsmaatregel te overwegen afwijzen. De man heeft geen belang bij deze verzoeken, omdat voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al een kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling) geldt.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
veroordeelt de vrouw tot medewerking aan het bij beschikking van 6 februari 2025 bevolen deskundigenonderzoek (DNA-onderzoek), binnen drie weken na betekening van deze beschikking aan haar, door binnen deze termijn contact op te nemen met Verilabs voor het maken van een afspraak (telefoonnummer 085-1051415, e-mail [email protected]), vervolgens te verschijnen op die afspraak en haar medewerking te verlenen aan alle volgens Verilabs noodzakelijke stappen om het onderzoek te kunnen uitvoeren;



5.2.
veroordeelt de vrouw tot betaling van een dwangsom van € 250,00 aan de man voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan de onder 5.1 genoemde veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;



5.3.
bepaalt de termijn waarbinnen de deskundige het schriftelijk en ondertekend deskundigenbericht ter griffie van de rechtbank moet indienen nader op 20 april 2026;



5.4.
veroordeelt de vrouw tot nakoming van de bij beschikking van 28 mei 2025 vastgestelde omgangsregeling;



5.5.
veroordeelt de vrouw tot betaling van een dwangsom van € 250,00 aan de man voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan de onder 5.4 genoemde veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;



5.6.
verklaart de beslissingen onder 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;



5.7.
wijst het meer of anders door de man verzochte onder de in 3.2 genoemde punten 1, 2 en 4 tot en met 7 af;



5.8.
houdt de beslissing op de verzoeken over de erkenning, het gezag en het verzochte onder het in 3.2 genoemde punt 3 pro forma aan tot 4 mei 2026;



5.9.
verzoekt (de advocaten van) partijen en de GI om de rechtbank vóór deze pro formadatum schriftelijk te berichten over de stand van zaken, de betekenis daarvan voor de gedane verzoeken en de wijze waarop de procedure volgens hen moet worden voortgezet.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.A. Roodenburg, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 22 januari 2026.























Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.