Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:2212

2026-04-09 Civiel recht 11414613 CV EXPL 24-8360
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-09
Publicatiedatum
2026-04-07
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11414613 CV EXPL 24-8360
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Luchtvaart. Tussenvonnis. Voor een deel van de passagiers kan niet worden vastgesteld dat er een toereikende procesvolmacht is. Voornemen om gemachtigde in plaats van die passagier te veroordelen in een deel van de proceskosten. Toepasselijkheid van Verordening EG 261/2004. De overdracht van de vorderingen van de minderjarigen is rechtsgeldig. Buitengewone omstandigheden: vertraging als gevolg van vogelaanvaring (birdstrike) op een voorgaande vlucht en als gevolg van door luchtverkeersleiding opgelegd tijdslots aan de vlucht direct voorafgaand aan de vlucht van passagiers. Voldoende causaal verband. Vervoerder heeft redelijke maatregelen getroffen om vertraging te voorkomen dan wel te beperken. Afwijzing van gevorderde compensatie.

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.338 tekens)
RECHTBANK
OOST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Eindhoven



Zaaknummer / rekestnummer: 11414613 \ CV EXPL 24-8360




Beschikking van 9 april 2026




in de zaak van





1 [eiser 1] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ,
2. [eiser 2],

procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ,
allen wonend in [woonplaats] ,3. [eiser 3],
wonend in [woonplaats] ,4. [eiser 4],

5. [eiser 5],

beiden wonend in [woonplaats] ,
verzoekers,
gemachtigde: ProBe-ASP B.V. handelend onder de naam Aviclaim B.V.,



tegen



de rechtspersoon naar buitenlands recht

TUI AIRLINES BELGIUM N.V.,
gevestigd te Zaventem, België,
verweerster,
gemachtigden: mr. M. Lustenhouwer en mr. D.H.A. Delger.



Verzoekers worden hierna gezamenlijk aangeduid als Passagiers en ieder voor zich als verzoeker sub 1 tot en met 5. Verweerster wordt hierna aangeduid als TUI.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het vorderingsformulier A van de verordening (EG) nr. 861/2007 met 6 producties;


het verweerschrift met 5 producties;


de conclusie van repliek;


e conclusie van dupliek.





1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.
Passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan TUI hen op 12 augustus 2023 moest vervoeren van Eindhoven Airport naar Nador, Marokko met vlucht TB7002 (hierna: de vlucht).



2.2.
De vlucht is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de luchthaven van bestemming. De vlucht stond gepland voor 12 augustus 2023 en zou om 22.35 uur (lokale tijd) aankomen. De vlucht is vertrokken op 13 augustus 2023 en dezelfde dag om 13.14 uur (lokale tijd) aangekomen op Nador Airport.





3Het geschil


3.1.
Passagiers vorderen – samengevat en na wijziging van de grondslag – veroordeling van TUI tot betaling van (8x € 400,00 =) € 3.200,- aan compensatie zoals is bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de Verordening EG 261/2004 (hierna: de Verordening), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover. Daarnaast vorderen Passagiers een bedrag van € 445,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van TUI in de kosten van deze procedure.



3.2.
Passagiers leggen het volgende ten grondslag aan hun vorderingen. Passagiers hebben een bevestigde boeking voor de vlucht van Eindhoven Airport naar Nador Airport, Marokko. Passagiers stellen, na wijziging van de grondslag, dat deze vlucht met een vertraging van meer dan drie uur is uitgevoerd, zodat de acht Passagiers op grond van de Verordening ieder recht hebben op een compensatie van € 400,00. TUI heeft aan Passagiers kenbaar gemaakt dat de vertraging het gevolg is van een vogelaanvaring (birdstrike) die zich heeft voorgedaan op een vlucht in de planning van het toestel anderhalve dag eerder. Volgens Passagiers is dat zodanig ver weg van vlucht TB7002 dat TUI andere maatregelen had kunnen nemen om de vertraging van de vlucht van Passagiers te beperken of te voorkomen. Van een buitengewone omstandigheid op deze vlucht was volgens Passagiers geen sprake, omdat TUI geen geslaagd beroep kan doen op doorwerking van buitengewone omstandigheden (vogelaanvaring op een eerdere vlucht) op de vlucht van Passagiers. Verder geldt voor Verzoekers sub 1 en sub 2 dat zij wettelijk vertegenwoordiger (ouder) zijn van hun drie minderjarige kinderen en dat de vorderingen van deze drie kinderen aan hen zijn gecedeerd.



3.3.

TUI betwist vorderingen en voert – samengevat – het volgende verweer.
Van verzoekers sub 1 en sub 5 zijn geen identificatiegegevens of machtigingen overgelegd, zodat Passagiers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover het gaat om de vorderingen van verzoekers sub 1 en sub 5. TUI betwist verder de geldigheid van de cessie van de vorderingen van de drie minderjarigen, omdat onduidelijk is aan wie de vorderingen zijn overgedragen en wat de vordering is. Bij het gebrek aan rechtsgeldige cessie moeten Passagiers niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het gaat om de vorderingen van de drie minderjarigen.
Verder stelt TUI dat de vorderingen van Passagiers moeten worden afgewezen, omdat zij niet aan de stelplicht hebben voldaan. Passagiers hebben niet gesteld dat zij een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hadden, dat de Verordening op hen van toepassing is, dat de vlucht is geannuleerd en dat zij niet tijdig zijn geïnformeerd over de annulering of zijn omgeboekt. Volgens TUI is de vlucht met vertraging uitgevoerd. Die vertraging is het gevolg van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening, namelijk een vogelaanvaring (birdstrike) en daarna door de luchtverkeersleiding opgelegde (vertrek)slot-maatregelen op de voorgaande vluchten in het vluchtschema. Vertraging kon ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen worden. Verder voert TUI aan dat de vorderingen voor het overige moeten worden afgewezen, omdat Passagiers hiervoor geen grondslag hebben gesteld en deze vorderingen ook niet hebben onderbouwd.






4De beoordeling


4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de Europese procedure voor geringe vorderingen valt.



4.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van het geschil. Meer specifiek is, gelet op het Rehder-arrestde kantonrechter te Eindhoven bevoegd, omdat de overeengekomen plaats van vertrek van de vlucht Eindhoven is.



Niet-ontvankelijkheid





4.3.
Het niet-ontvankelijkheidsverweer van TUI gericht tegen verzoeker sub 1 slaagt niet. Aviclaim (voornoemd) heeft zich in de procedure gesteld als gemachtigde voor verzoeker sub 1. De stelplicht en de bewijslast van het bestaan van een toereikende procesvolmacht rust op (de gemachtigde van) degene die zich op het bestaan daarvan beroept, hier dus op (de gemachtigde van) verzoeker sub 1. Als productie 1 bij het vorderingsformulier A hebben Passagiers twee ondertekende procesvolmachten (‘VOLMACHT-AKTE VAN CESSIE’) overgelegd. Daaruit valt af te leiden dat verzoeker sub 1, evenals verzoeker sub 2, Probe-ASP B.V. (hierna: Aviclaim) heeft gemachtigd om namens hem een compensatievordering te incasseren en hem bij te staan in deze procedure. Ook zijn als productie 1 vijf kopieën van identiteitsbewijzen overgelegd. Het gaat om de identiteitsbewijzen van verzoekers sub 1 en 2 en van hun drie minderjarige kinderen. Verzoeker sub 1 kan daarom worden ontvangen in zijn vordering. Dat de bij conclusie van repliek aangeduide producties 7 en 9 (evenals producties 8, 10 en 11) niet zijn overgelegd, maakt dit niet anders.



4.4.
Het niet-ontvankelijkheidsverweer van TUI gericht tegen verzoeker sub 5 slaagt wel. Aviclaim (voornoemd) heeft zich in de procedure gesteld als gemachtigde voor verzoeker sub 5. De stelplicht en de bewijslast van het bestaan van een toereikende procesvolmacht rust op (de gemachtigde van) degene die zich op het bestaan daarvan beroept, hier dus op (de gemachtigde van) verzoeker sub 5. Als productie 2 bij het vorderingsformulier A hebben Passagiers onder meer een door verzoeker sub 5 ondertekende procesvolmacht (‘VOLMACHT-AKTE VAN CESSIE’) overgelegd. Daaruit volgt dat verzoeker sub 5 Aviclaim heeft gemachtigd om namens hem een compensatievordering te incasseren en hem bij te staan in deze procedure. Onder de volmacht staat de naam van verzoeker sub 5 met daarbij een digitale handtekening.



4.5.
De kantonrechter kan niet vaststellen dat Aviclaim, die geen advocaat of gerechtsdeurwaarder is, een toereikende procesvolmacht ten behoeve van verzoeker sub 5 heeft. Het enkel overleggen van de ondertekende procesvolmacht is daarvoor niet voldoende, omdat de (digitale) handtekening op die procesvolmacht zonder kopie van het identiteitsbewijs niet te controleren is. Om te kunnen vaststellen dat de procesvolmacht is ondertekend door verzoeker sub 5 heeft de kantonrechter nodig een kopie van het identiteitsbewijs van verzoeker sub 5 met daarop zijn handtekening. De kantonrechter constateert dat geen kopie van het identiteitsbewijs van verzoeker sub 5 is overgelegd. Ook anderszins is niet gebleken dat verzoeker sub 5 op de hoogte is van deze procedure en dat hij aan Aviclaim opdracht heeft gegeven om hem in deze procedure te vertegenwoordigen.



4.6.
Mede gelet op het verloop van de procedure (waaronder het feit dat Aviclaim een conclusie van repliek heeft genomen zonder de daarin genoemde producties te overleggen) ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan verzoeker sub 5, althans aan zijn gemachtigde, gelegenheid te geven om alsnog een kopie van het identiteitsbewijs in het geding te brengen. Het gevolg van het ontbreken van een toereikende procesvolmacht is dat verzoeker sub 5 niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.



De Verordening is van toepassing, omdat is voldaan aan artikel 3 lid 1 en 2





4.7.
Het verweer van TUI dat de vorderingen moeten worden afgewezen, omdat Passagiers niet onderbouwd hebben gesteld dat zij een bevestigde boeking hadden zoals artikel 3 lid 2 van de Verordening voorschrijft, wordt verworpen. Uit de bij het vorderingsformulier A overgelegde stukken (producties 1 en 2) blijkt dat de vijf verzoekers en de drie minderjarige kinderen van verzoekers sub 1 en 2 een bevestigde boeking hadden voor vlucht TB7002 op 12 augustus 2023. Daar komt bij dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2019 (C‑756/18, ECLI:EU:C:2019:902) volgt dat een vordering tot compensatie niet mag worden geweigerd aan passagiers die over een bevestigde boeking voor een vlucht beschikken om de enkele reden dat zij niet aan de hand van een instapkaart voor die vlucht hebben aangetoond dat zij zich bij de incheckbalie hebben gemeld. Dit is alleen anders als de luchtvaartmaatschappij aantoont dat de passagiers niet met de vertraagde vlucht zijn vervoerd. TUI heeft niet aangetoond dat Passagiers niet zijn meegevlogen met vlucht TB7002. Daarom is de Verordening van toepassing op Passagiers. Het verweer van TUI kan op dit punt niet leiden tot afwijzing van de vordering.



De overdracht van de vorderingen van de minderjarigen is rechtsgeldig





4.8.
Het verweer van TUI dat de vorderingen van de drie minderjarige kinderen van verzoekers sub 1 en sub 2 niet geldig zijn overgedragen, wordt verworpen. Zoals hiervoor is overwogen hebben ook de drie minderjarige kinderen van verzoekers sub 1 en 2 een geldige boeking voor de vlucht en heeft TUI niet aangetoond dat zij daarmee niet zijn meegevlogen. Passagiers stellen dat ook de drie minderjarigen een vordering hebben op TUI en dat ieder van hen de vordering op TUI heeft overgedragen aan zijn of haar ouders als wettelijk vertegenwoordiger.



4.9.
TUI betwist dat de verzoekers sub 1 en sub 2 de eventuele vorderingen van hun drie minderjarige kinderen aan zichzelf hebben overgedragen. Hiertoe voert TUI aan dat onduidelijk is wat de vordering is en aan wie de vorderingen zijn overgedragen. TUI wijst in dat kader op de door Passagiers overgelegde stukken. Daarin zijn zowel vermeende akten van cessie van verzoekers sub 1 en sub 2 als ook vermeende akten van cessie van de minderjarigen zelf, opgenomen.



4.10.
Voor een geldige overdracht van een vordering (cessie) is vereist: een daartoe bestemde akte en een mededeling daarvan aan de schuldenaar, dat is TUI in dit geval. Verzoekers sub 1 en sub 2 hebben bij het vorderingsformulier A beiden een akte van cessie overgelegd. Deze akten vermelden dat verzoekers sub 1 en sub 2 de vorderingen van hun minderjarigen kinderen aan zichzelf overdragen. De akten zijn ondertekend door de ouder van de minderjarigen, verzoeker sub 1 respectievelijk verzoeker sub 2.



4.11.

Volgens vaste rechtspraak is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand van die akte kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. In de akten wordt niet alleen de naam van verzoeker sub 1 respectievelijk verzoeker sub 2 genoemd, maar ook een ‘claimnummer’. Dit claimnummer komt overeen met het referentienummer in de correspondentie tussen de gemachtigde van verzoekers sub 1 en sub 2 en TUI. In die correspondentie is een specificatie van de vordering gegeven en daarbij zijn ook kopieën van de identiteitsbewijzen van verzoekers sub 1 en sub 2 en hun drie minderjarige kinderen overgelegd (productie 2 aan de kant van Passagiers). Die omstandigheden bij elkaar maken dat de beide akten als akten van cessie kunnen worden aangemerkt, omdat daaruit kan worden opgemaakt om welke minderjarige kinderen en welke vorderingen het gaat. Verder valt niet in te zien dat een vordering van een minderjarige niet aan beide ouders kan worden overgedragen, zoals TUI kennelijk betoogt, maar niet nader toelicht.
Aan het mededelingsvereiste is voldaan doordat de cessie in deze procedure aan TUI is medegedeeld. Daarmee hebben verzoekers sub 1 en sub 2 voldoende onderbouwd dat zij de vorderingen van hun minderjarige kinderen (op TUI) rechtsgeldig aan zichzelf hebben overgedragen. De omstandigheid dat ook de door de drie minderjarige kinderen zelf ondertekende akten van volmacht-cessie zijn overgelegd doet daar niet aan af. Verzoekers sub 1 en sub 2 zijn daarom ook ontvankelijk ten aanzien van de vorderingen van de drie minderjarigen.




Vertraging van vlucht TB7002





4.12.
Bij aanvang van de procedure verschilden partijen van mening over de vraag of vlucht TB7002 is geannuleerd of met vertraging is uitgevoerd. In het Sturgeon-arrest is bepaald dat een vertraagde vlucht, ongeacht de duur van de vertraging, ook al is deze lang, niet als geannuleerd kan worden beschouwd wanneer zij overeenkomstig de oorspronkelijke planning van de luchtvaartmaatschappij wordt uitgevoerd. Van annulering is pas sprake als de oorspronkelijk geplande en vertraagde vlucht wordt vervangen door een andere vlucht. Daarvan is sprake als de planning van de oorspronkelijke vlucht wordt opgegeven en de passagiers van deze vlucht zich aansluiten bij de passagiers van een vlucht die eveneens is gepland.



4.13.
Uit de gemotiveerde stellingen van TUI begrijpt de kantonrechter dat vlucht TB7002 vanwege de avondklok van Eindhoven Airport niet meer mocht vertrekken op 12 augustus 2023 en vervolgens direct in de ochtend van 13 augustus 2023 is uitgevoerd. Passagiers hebben dat niet bestreden. Passagiers hebben niet onderbouwd dat sprake is van een annulering. Bij conclusie van repliek hebben Passagiers de grondslag van de vorderingen gewijzigd en in dit kader naar voren gebracht dat vlucht TB7002 een vertraging van meer dan drie uur heeft gehad en dat zij daardoor op grond van de Verordening recht hebben op compensatie. Op grond van het voorgaande neemt de kantonrechter aan dat de vlucht is vertraagd.



4.14.
Het recht op compensatie overeenkomstig artikel 7 van de Verordening heeft tot doel een tijdsverlies van ten minste drie uur te compenseren. Passagiers hebben onweersproken gesteld dat zij met een totale vertraging van ruim 14 uur zijn aangekomen op hun eindbestemming, Nador Airport.



Is sprake van buitengewone omstandigheden?





4.15.
Vooropgesteld wordt dat Passagiers in het onderhavige geval, op grond van artikel 6 lid 1 sub b in combinatie met artikel 5 lid 1 sub c van de Verordening, in beginsel recht hebben op de in artikel 7 van de Verordening genoemde compensatie van (in dit geval) € 400,- per persoon. Passagiers hebben onweersproken gesteld dat de vlucht 1.932 kilometer betrof.



4.16.
De luchtvervoerder is niet verplicht de compensatie te betalen als sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Beoordeeld moet worden of TUI terecht een beroep doet op artikel 5 lid 3 van de Verordening.



4.17.

TUI heeft onderbouwd gesteld dat zich op een voorafgaande vlucht in het vluchtschema van Eindhoven naar Hurghada, Egypte, een vogelaanvaring (birdstrike) heeft voorgedaan, met als gevolg dat het toestel moest worden geïnspecteerd conform de daarvoor geldende protocollen. Dit heeft ertoe geleid dat het toestel het vluchtschema niet kon afmaken. Passagiers hebben dat niet bestreden.
Wel stellen Passagiers zich op het standpunt dat TUI geen geslaagd beroep kan doen op doorwerking van buitengewone omstandigheden, die zich hebben voorgedaan op de vlucht van Eindhoven naar Hurghada, naar de vlucht van Eindhoven naar Nador.




4.18.
TUI heeft verder gesteld dat zij vanaf Brussel, België, een vervangend toestel heeft ingezet om de vluchten in het vluchtschema uit te voeren, maar dat zij door daarna door de luchtverkeersleiding opgelegde (vertrek)slot-maatregelen vlucht TB7002 niet meer voor het ingaan van de avondklok van Eindhoven Airport heeft kunnen uitvoeren. Passagiers hebben ook dat niet bestreden.



4.19.
Het verweer van Passagiers over het niet-doorwerken van de buitengewone omstandigheden slaagt niet. TUI heeft voldoende onderbouwd dat de omstandigheden die voor vertraging van het vluchtschema hebben gezorgd, kwalificeren als buitengewone omstandigheden en dat deze omstandigheden hebben doorgewerkt op de uitvoering van vlucht TB7002. Daarbij is van belang dat de vogelaanvaring zich weliswaar heeft voorgedaan op 11 augustus 2023, maar dat vlucht TB7002 mede is vertraagd als gevolg van de daarna, door de luchtverkeersleiding te Sharm el Sheik opgelegde (vertrek)slot-maatregelen. Deze maatregelen, opgelegd door de luchtverkeersleiding van de plaats van vertrek van de vlucht direct voorafgaand aan vlucht TB7002, te weten: Sharm el Sheik, hebben betrekking op de uitvoering van het vluchtschema op 12 augustus 2023 en zijn opgelegd kort voorafgaand aan het initiële tijdstip van vertrek van vlucht TB7002 op 12 augustus 2023. Daarmee bestaat voldoende causaal verband tussen de vluchten van het vluchtschema en de oplopende vertraging bij de uitvoering daarvan. Dat de rotatie in dit geval en bijgevolg op opeenvolgende dagen is uitgevoerd maakt het oordeel niet anders.



4.20.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of TUI alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de vlucht als gevolg van de buitengewone omstandigheid te voorkomen dan wel te beperken. In het verweerschrift, nader toegelicht bij conclusie van dupliek, heeft TUI gesteld dat zij geen andere opties had om de vertraging te beperken anders dan het inzetten van het vervangende toestel dat vanaf Brussel is ingevlogen. Passagiers hebben die stelling als zodanig niet betwist. In het vorderingsformulier en bij conclusie van repliek hebben zij slechts in algemene zin gesteld dat TUI andere maatregelen had kunnen nemen, maar daarbij hebben zij nagelaten toe te lichten welke maatregelen dat dan zouden kunnen zijn. Bij deze stand van zaken ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten dat TUI andere, betere opties had om de ontstane vertraging te beperken. Verder kan de kantonrechter, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, en in het licht van de gemotiveerde betwisting door TUI, niet volgen waarom de bij repliek door Passagiers ingenomen stelling dat TUI ervoor heeft gekozen zich te richten op (het afronden van) de vluchtrotatie van 11 augustus 2023 zou betekenen dat TUI niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar mochten worden verwacht. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het afronden van de vluchtrotatie van 11 augustus 2023, mede gelet op de geplande tijd tussen de afzonderlijke vluchtrotaties op 11 en 12 augustus 2023, op zichzelf.



4.21.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat TUI alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de vlucht als gevolg van de buitengewone omstandigheid te voorkomen dan wel te beperken. Het beroep van TUI op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening slaagt. De gevorderde compensatie zal daarom worden afgewezen.



De overige vorderingen





4.22.
De nevengevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat de hoofdsom niet toewijsbaar is.



De proceskosten





4.23.
Passagiers krijgen ongelijk. Het uitgangspunt is dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De kosten van de procedure aan de kant van TUI worden tot vandaag vastgesteld op:










- salaris gemachtigde


€


576,00


(2 punten × € 288,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


720,00











4.24.
Voor verzoeker sub 5 geldt echter dat zonder deugdelijke procesvolmacht en mogelijk zelfs buiten zijn medeweten is geprocedeerd. Tegen die achtergrond is het naar het oordeel van de kantonrechter onredelijk om hem (hoofdelijk) in de proceskosten te veroordelen. De kantonrechter is voornemens om niet verzoeker sub 5, maar Aviclaim die zich in deze procedure heeft gepresenteerd als gemachtigde van verzoeker sub 5, voor 1/5 deel (20%) in de proceskosten te veroordelen, op de voet van artikel 245 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Aviclaim heeft het recht om op dit voornemen te reageren. Zij zal daartoe op de hierna omschreven manier in de gelegenheid worden gesteld.



4.25.
Voor de overige vier verzoekers geldt dat zij rechtsgeldig zijn vertegenwoordigd in deze procedure, maar ongelijk hebben gekregen. Zij zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten voor het resterende, 4/5 deel (80%).



4.26.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.



4.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 7 mei 2026 om 9.00 uur teneinde Aviclaim als gemachtigde van verzoeker sub 5 in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over dat wat onder rechtsoverweging 4.24 is overwogen;



5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.






Hof van Justitie EG/EU 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439.


Artikel 3:94 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.


HR 16 juni 1995, NJ 1996, 508.


Hof van Justitie EG/EU 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, ECLI:EU:C:2009:716.


Vgl. Hof van Justitie EU, 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771 (Wallentin-Hermann).


Hof van Justitie EU, 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460 (LE/TAP).


Artikel 245 lid 2 Rv.