Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2026:2077

2026-03-23 Civiel recht 11944947 \ EJ VERZ 25-502
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-23
Publicatiedatum
2026-03-31
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
11944947 \ EJ VERZ 25-502
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1356; AR-Updates.nl 2026-1356

Inhoudsindicatie

Verzoek billijke vergoeding afgewezen. Onvoldoende (vaststaande) feiten gesteld die tot een vermoeden van een verboden onderscheid zoals bedoeld in art. 7:646 BW kunnen leiden. Loonvordering deels toegewezen.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.835 tekens)
RECHTBANK
OOST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats 's-Hertogenbosch



Zaaknummer / rekestnummer: 11944947 \ EJ VERZ 25-502




Beschikking van 23 maart 2026




in de zaak van





[verzoekster]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. L. Biemond,



tegen




D&F COMMODITY TRADE B.V.,
te Culemborg,
verwerende partij,
hierna te noemen: SoLow,
gemachtigde: mr. S. Wouters.





1De procedure


1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om onder meer een billijke vergoeding toe te kennen en SoLow te veroordelen tot betaling van achterstallig loon. SoLow heeft een verweerschrift ingediend.



1.2.
Op 30 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoekster] heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.





2De feiten


2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1997, was van 2 januari 2023 tot 1 september 2025 in dienst bij SoLow op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. De functie van [verzoekster] was winkelmedewerker met een loon van € 2.380,32 bruto per maand. Zij werkte in het filiaal aan de [straat] in [plaats] .



2.2.
Met ingang van 1 januari 2023 heeft D&F Commodity Trade de SoLow vestigingen in [plaats] aan de [straat] en de [naam passage] overgenomen van (onder andere) de familie [A] . Diverse familieleden van de voormalig franchisenemer bleven na de overname werkzaam voor SoLow en staan daarnaast ook in familierechtelijke betrekking tot [verzoekster] . Zo is de echtgenote van de voormalig franchisenemer, [B] , na de overname tot 1 juni 2025 bij SoLow in dienst geweest als bedrijfsleider van de vestigingen aan de [straat] en aan de [naam passage] . Zij is tevens de schoonmoeder van [verzoekster] . Ook de partner van [verzoekster] , [C] , is werkzaam bij SoLow. Tot slot is de schoonzus van [verzoekster] , [D] , ten tijde van de procedure de filiaalmanager voor het filiaal aan de [naam passage] .



2.3.

[E] is rayonmanager bij SoLow. De filialen aan zowel de [straat] als de [naam passage] vallen onder haar verantwoordelijkheid. De bedrijfsleiders van de vestigingen rapporteren direct aan [E] .



2.4.
Op 10 juni 2025 heeft [verzoekster] aan haar filiaalmanager [F] medegedeeld dat zij in verwachting is. [F] heeft desgevraagd verklaard dat de zwangerschap geen invloed heeft op de beslissing over een verlenging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] .



2.5.
Op 3 juli 2025 heeft SoLow een rayonmeeting belegd vanwege de slechte financiële situatie van een aantal vestigingen, waaronder de vestiging aan de [straat] . In de rayonmeeting is een nieuwe koers gepresenteerd, samen met concreet per direct te nemen maatregelen, waaronder het terugdringen van personeelskosten.



2.6.
Op 14 juli 2025 heeft SoLow de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] aangezegd met ingang van 1 september 2025.





3Het verzoek en het verweer


3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat SoLow verboden onderscheid heeft gemaakt jegens [verzoekster] vanwege haar zwangerschap, een billijke vergoeding toe te kennen en SoLow te veroordelen om een bedrag van € 3.359,95 bruto exclusief vakantiebijslag aan [verzoekster] te betalen vanwege ingehouden min-uren, te vermeerderen met de kosten van de procedure. Volgens [verzoekster] is de aanzegging niet rechtsgeldig omdat haar arbeidsovereenkomst niet is verlengd vanwege haar zwangerschap, wat een verboden onderscheid oplevert. Daarnaast zijn ten onrechte min-uren geregistreerd.



3.2.
SoLow voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. SoLow voert ‑ samengevat ‑ aan dat er geen verboden onderscheid is gemaakt en dat de uren die zij heeft ingehouden ook terecht zijn ingehouden.





4De beoordeling


4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de beslissing van SoLow om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet te verlengen is gebaseerd op een verboden onderscheid en zo ja, op welke vergoeding [verzoekster] recht heeft. Daarnaast ligt de vraag voor of SoLow ten onrechte min-uren heeft geregistreerd en verrekend en of SoLow deze uren alsnog aan [verzoekster] uit moet betalen.



Einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd





4.2.
SoLow heeft ervoor gekozen om de tijdelijke arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet te verlengen. Een dergelijke arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, zodat een opzegging niet nodig is, tenzij partijen dit schriftelijk zijn overeengekomen. Een werkgever dient op grond van artikel 7:668 BW de werknemer te informeren over het al dan niet voortzetten van de tijdelijke arbeidsovereenkomst. Een werkgever is niet verplicht een reden hiertoe op te geven. Partijen zijn niet overeengekomen dat een opzegging nodig was en SoLow heeft [verzoekster] op 14 juli 2025 aangezegd dat SoLow de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van [verzoekster] niet zal verlengen. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en SoLow rechtsgeldig is geëindigd, tenzij komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet is verlengd vanwege een verboden onderscheid.



Toetsingskader bij een verboden onderscheid





4.3.
In artikel 7:673 lid 9 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat de kantonrechter aan een werknemer een billijke vergoeding kan toekennen als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Van ernstig verwijtbaar handelen is zonder meer sprake bij het maken van verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen.



4.4.
Op grond van artikel 7:646 lid 1 BW mag een werkgever geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij, onder meer, het aangaan van de arbeidsovereenkomst en de opzegging daarvan. De beslissing om een arbeidsovereenkomst al dan niet te verlengen is een beslissing over het al dan niet aangaan van een arbeidsovereenkomst. Het maken van onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is een vorm van direct onderscheid op grond van geslacht (artikel 7:646 lid 5 BW). Uit lid 12 van artikel 7:646 BW volgt dat als de werknemer in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, de werkgever dient te bewijzen dat niet in strijd met dit artikel is gehandeld. Als de door [verzoekster] gestelde feiten door SoLow worden betwist, moet [verzoekster] die betwiste feiten echter wel bewijzen.



De weging van het gesprek tussen [D] en [E]





4.5.

[verzoekster] heeft een aantal van de door haar gestelde feiten onderbouwd onder verwijzing naar het op 15 juli 2025 gevoerde gesprek tussen [D] en [E] . [D] heeft dit drie uur durende gesprek opgenomen en [verzoekster] heeft deze opname in het geding gebracht. Voor de weging van dat gesprek is relevant dat [E] niet wist dat het gesprek door [D] werd opgenomen. Omdat op dat aspect de positie van de gespreksdeelnemers ongelijkwaardig is geweest, weegt de kantonrechter hetgeen tijdens dit gesprek is gezegd door [E] met enige voorzichtigheid. Door de ongelijkwaardigheid tussen de gesprekspartijen is gestuurde beïnvloeding op onderwerpen en op uitspraken door de onwetende gespreksdeelnemer niet uit te sluiten. Voor de weging van het gesprek is ook relevant dat het gesprek plaatsvond nádat [F] al aan [verzoekster] had laten weten dat haar arbeidsovereenkomst niet werd verlengd. De door [D] en [E] gedane uitspraken moeten dan ook in die context worden gezien.







[verzoekster] heeft onvoldoende (vaststaande) feiten gesteld die tot een vermoeden van een verboden onderscheid kunnen leiden





4.6.

[verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen aangedragen dat zij goed functioneerde en constant positieve feedback van SoLow ontving. Ook waren er concrete plannen dat [verzoekster] binnen afzienbare tijd zou worden overgeplaatst naar het filiaal aan de [naam passage] . [F] mocht volgens [verzoekster] als filiaalmanager zelfstandig beslissen over het verlengen van contracten en heeft toen [verzoekster] haar zwangerschap op 10 juni 2025 bekend maakte aan haar desgevraagd medegedeeld dat de zwangerschap geen invloed heeft op de beslissing over een verlenging van de arbeidsovereenkomst. Vervolgens heeft SoLow op 14 juli 2025 het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd. Volgens SoLow vanwege kostenoverwegingen. Dit terwijl er nog altijd vacatures bij SoLow open staan en er ook mensen worden aangenomen. Daarbij is van belang dat het contract van collega [G] , werkzaam bij het filiaal aan de [naam passage] , na voornoemde aanzegging is verlengd voor onbepaalde tijd. Dat het contract van [G] wél is verlengd voor onbepaalde tijd, staat haaks op het door SoLow aangevoerde beleid dat er geen enkele arbeidsovereenkomst meer verlengd mocht worden naar een contract voor onbepaalde tijd. [verzoekster] stelt dat [G] 21 is en (net als [verzoekster] ) het minimumloon verdient. De situaties van [verzoekster] en [G] zijn dus ook vergelijkbaar. Tot slot heeft [D] , schoonzus van [verzoekster] en tevens filiaalmanager bij het filiaal aan de [naam passage] , een drie uur durend gesprek met [E] opgenomen en is de opname daarvan door [verzoekster] in het geding gebracht. Uit dat gesprek blijkt volgens [verzoekster] dat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] vanwege haar zwangerschap niet is verlengd.



4.7.
SoLow heeft gemotiveerd betwist dat de reden voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] de zwangerschap van [verzoekster] was. Ook heeft SoLow de door [verzoekster] aangedragen feiten die tot een vermoeden van een verboden onderscheid kunnen leiden gemotiveerd betwist. SoLow erkent dat [verzoekster] goed functioneerde. De reden voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst was volgens SoLow dat [verzoekster] te zwaar drukte op de loonkosten zoals ook op het ontslagformulier is opgenomen. SoLow heeft ter onderbouwing daarvan aangevoerd dat op 3 juli 2025 een rayonmeeting heeft plaatsgevonden waar onder andere is gesproken over 17 filialen van SoLow die onvoldoende omzet behaalden. Het filiaal waar [verzoekster] werkzaam was, was één van deze filialen. De omzet van dit filiaal daalde terwijl de loonkosten stegen. Om de loonkosten te verlagen is afgesproken dat er geen contracten van bepaalde tijd naar onbepaalde tijd werden omgezet. Ook moest er zo veel mogelijk worden ingezet op flexibele contracten met bij voorkeur scholieren vanwege het lagere minimumjeugdloon. Het functioneren van [verzoekster] speelde dus geen rol bij de beslissing om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen. De opmerking van [F] dat de zwangerschap geen gevolgen had voor een verlenging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] kan niet worden opgevat als een toezegging dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. Die beslissing was nog niet genomen. [F] had op dat moment daarover nog niet met [E] gesproken, die over de verlengingen van arbeidsovereenkomsten gaat, en hij wist evenmin welke maatregelen er aan kwamen om kosten te besparen. Dat werd pas duidelijk tijdens de rayonmeeting. Het waren de kostenbesparende maatregelen die ervoor hebben gezorgd dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet werd verlengd, aldus SoLow.



4.8.
Een overplaatsing van [verzoekster] naar het filiaal aan de [naam passage] stond volgens SoLow allerminst vast. Er is weliswaar over gesproken dat [D] [verzoekster] graag naar het filiaal aan de [naam passage] wilde halen, maar deze plannen waren volgens SoLow niet concreet. SoLow ging er namelijk vanuit dat het filiaal aan de [naam passage] per 31 december 2025 zou sluiten. De huurovereenkomst voor de winkelruimte liep per 31 december 2025 af en SoLow had tot geen overstemming kunnen bereiken met de verhuurder over (de voorwaarden van) een eventuele verlenging van de huurovereenkomst. Pas in september 2025, dus ruim nadat aan [verzoekster] het einde van de arbeidsovereenkomst was aangezegd, heeft SoLow daarover alsnog overeenstemming met de verhuurder bereikt. SoLow heeft daarnaast betwist dat het ter vrije beschikking stond aan [F] om te beslissen over verlenging van arbeidsovereenkomsten. Het aangaan dan wel verlengen van een arbeidsovereenkomst moet altijd met [E] als rayonmanager worden overlegd, dus ook in het geval van [verzoekster] waar het bovendien ging om een verlenging van een tijdelijke arbeidsovereenkomst naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.



4.9.
SoLow erkent dat er vacatures open staan en dat er mensen worden aangenomen. Daarbij is relevant dat SoLow inzet op het aantrekken van minderjarige werknemers met een flexibel contract zonder vaste uren. Zo kan SoLow flexibel inspelen op drukkere periodes zonder vast te zitten aan een werknemer met een vast aantal uren (zoals [verzoekster] ). Ook drukken minderjarige werknemers minder zwaar op de loonkosten vanwege het lagere minimumjeugdloon. Het is volgens SoLow onjuist dat [G] vergelijkbare arbeidsvoorwaarden heeft als [verzoekster] . [G] is niet 21, zoals [verzoekster] stelt, maar 17 jaar oud. [G] verdient daarom het minimumjeugdloon, dat lager ligt dan het reguliere minimumloon. Daarnaast is [G] werkzaam bij het filiaal in de [naam passage] . Voor dat filiaal is het contract met [G] buiten medeweten en zonder toestemming van [E] verlengd. Sterker nog: [D] (filiaalmanager) heeft in strijd met de expliciete instructie van [E] om het contract van [G] niet te verlengen gehandeld. Het feit dat de arbeidsovereenkomst van [G] is verlengd kan daarom geen steun bieden voor de stelling dat sprake is van verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen, aldus SoLow.



4.10.

De kantonrechter gaat hierna in op de door [verzoekster] gestelde en door SoLow betwiste feiten en oordeelt als volgt.

[verzoekster] heeft na de gemotiveerde betwisting van SoLow niet nader toegelicht of onderbouwd dat de situatie van [G] vergelijkbaar is met [verzoekster] (ten aanzien van zowel haar leeftijd, standplaats als reden voor de verlenging van haar arbeidsovereenkomst). Dat had wel op de weg van [verzoekster] gelegen omdat op haar, zoals in randnummer 4.4 overwogen, de bewijslast rust om de door haar gestelde feiten die een vermoeden van een verboden onderscheid kunnen rechtvaardigen te bewijzen. Dat de positie van [G] vergelijkbaar was met die van [verzoekster] is niet komen vast te staan.




4.11.
Evenmin is komen vast te staan dat er concrete plannen waren voor een overplaatsing van [verzoekster] naar de [naam passage] . Dit is door SoLow gemotiveerd betwist en blijkt ook niet uit het transcript van het gesprek op 15 juli 2025 tussen [D] en [E] . Daaruit blijkt dat [D] [E] voorhoudt voor dat [verzoekster] in de beleving van [D] naar de [naam passage] zou worden overgeplaatst. [E] reageert daar op dat “het nooit heel concreet is gemaakt (03:03:16)” en “daar is natuurlijk nooit heel concreet over gesproken, wat precies het plan ging zijn (03:15:41)”. Meer of andere feiten heeft [verzoekster] in dit verband niet gesteld. Voor zover [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij uit een aanstaande overplaatsing heeft mogen afleiden dat een verlenging van haar arbeidsovereenkomst min of meer een gegeven was faalt dat betoog.



4.12.

Dan resteert nog het standpunt van [verzoekster] dat [E] in het gesprek op 15 juli 2023 uitspraken heeft gedaan waaruit [verzoekster] afleidt dat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst was gelegen in haar zwangerschap. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] ten onrechte die conclusie trekt. Uit de transcripten blijkt dat door [E] meerdere uitspraken zijn gedaan die veeleer op het tegendeel wijzen en het standpunt van SoLow bevestigen, namelijk dat de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet is verlengd vanwege kostenoverwegingen en de slechte financiële positie van het filiaal aan de [straat] . Zo zegt [E] onder andere:
-“Ik snap wel [F] [ [F] , toevoeging advocaat [verzoekster] ] zijn keuze in centrum, want hij kan gewoon niet. Hij kan zich gewoon niet permitteren daar." (geluidsfragment: 02:58:30 - 02:58:40)

-"Ik had ook niet verwacht dat we zo aan de urenknoppen en aan de kostenknoppen


moesten draaien. Ik had ook niet verwacht dat de omzet zo zou kelderen landelijk en ook


in de [naam passage] " (geluidsfragment: 03:14:49 - 03:14:59)
-"We hebben ook nog nooit op kosten gestuurd zoals we nu doen." (geluidsfragment:
03:11:14-03:11:17)
-"In het centrum paste ze gewoon echt niet. En je ziet, eigenlijk bij jou ook niet."
(geluidsfragment: 03:15:51 - 03:15:55)




4.13.

Dat [E] in het gesprek meedenkt met [D] over mogelijkheden om haar planning passend te maken, mede vanwege het zwangerschapsverlof van een andere medewerker, en dat daarbij de zwangerschap van [verzoekster] ter sprake komt kan niet als een feit worden gezien op basis waarvan een verboden onderscheid kan worden vermoed.

[E] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat deze uitlatingen puur een reactie waren op het door [D] opgeworpen idee om [verzoekster] opnieuw aan te nemen om het verlof van een andere medewerker aan de [naam passage] op te vangen. Omdat het verlof van [verzoekster] samen zou vallen met het verlof van deze medewerker, was dat feitelijk geen optie.




4.14.
Volgens vaste jurisprudentie is het enkele tijdsverloop tussen de bekendmaking van een zwangerschap en het niet verlengen van een arbeidsovereenkomst onvoldoende om een vermoeden van een verboden onderscheid aan te nemen. Daar zijn aanvullende feiten voor nodig. De door [verzoekster] gestelde aanvullende feiten zijn, zoals hiervoor overwogen, grotendeels niet vast komen te staan. Het enkele feit dat er na het einde van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] nog altijd vacatures open staan bij SoLow en er mensen worden aangenomen is in combinatie met het tijdsverloop en de verklaring van [F] dat de zwangerschap niet van invloed is op de beslissing over een verlenging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] , gelet op wat daarover hiervoor is overwogen, onvoldoende om een vermoeden te rechtvaardigen dat de beslissing van SoLow om de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet te verlengen samenhangt met haar zwangerschap.






Tussenconclusie





4.15.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verzoekster] onvoldoende (vaststaande) feiten heeft gesteld die tot een vermoeden van een verboden onderscheid kunnen leiden. De kantonrechter komt daarom niet toe aan toepassing van lid 12 van artikel 7:646 BW, zoals in 4.4 omschreven. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] rechtsgeldig is geëindigd. Omdat de ernstige verwijtbaarheid alleen is gestoeld op het gestelde verboden onderscheid, is de conclusie dat SoLow niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet te verlengen. [verzoekster] heeft geen recht op een billijke vergoeding. Ook de gevorderde verklaring voor recht kan gelet op het voorgaande niet tot toewijzing leidden.



De loonvordering





4.16.

[verzoekster] heeft een loonvordering ingesteld. [verzoekster] stelt dat zij 233,33 uren ten onrechte niet uitbetaald heeft gekregen. Het gaat daarbij volgens [verzoekster] om de volgende posten die ten onrechte als min-uren of vakantie-uren zijn geregistreerd: wijziging van de openingstijden, afspraken bij de verloskundige, eerdere sluiting winkel door de feestdagen, foutief als vakantie afgeboekte uren, het verschuiven van het rooster, de voorraadtelling en het verplicht eerder aanwezig zijn op werk voor start van de dienst.



Urenverlies door wijziging openingstijden en eerdere sluiting door feestdagen





4.17.

[verzoekster] vordert betaling van 183 uur aan urenverlies door gewijzigde openingstijden en 2 uur door eerdere sluiting van de winkel op feestdagen. Zij voert daartoe aan dat zij een arbeidsovereenkomst had voor 38 uur per week en standaard van maandag tot en met vrijdag werkte. Voordat de openingstijden werden gewijzigd kon [verzoekster] haar contracturen maken door te werken van maandag tot en met vrijdag. Na de wijziging van de openingstijden kon [verzoekster] per definitie niet langer haar contracturen werken van maandag tot en met vrijdag. Zij kwam daardoor steevast uren te kort per week. [verzoekster] stelt dat zij door SoLow nooit is geïnformeerd dat dit gevolgen zou hebben voor haar contracturen of loon en dat SoLow ook nooit met haar in overleg is getreden hierover.



4.18.
SoLow legt de gevolgen van de gewijzigde openingstijden bij [verzoekster] neer. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de werktijden overeenkomen met de openingstijden van de winkel en in principe liggen tussen 8.00 en 22.00 uur. [verzoekster] wilde alleen werken op doordeweekse dagen waardoor zij na de wijziging minder uren dan haar arbeidsomvang werkte. De oorzaak voor het werken van de minder uren dan haar arbeidsomvang ligt volgens SoLow daarom bij [verzoekster] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [E] verklaard dat de min-uren hoofdzakelijk zijn ontstaan tijdens de periode dat [B] filiaalmanager was, dat [F] in de korte tijd dat hij de opvolgend filiaalmanager was geen gesprek met [verzoekster] heeft gevoerd over de opgebouwde min-uren omdat hem dit waarschijnlijk niet bekend was. Het overzicht van min- en plusuren zijn voor SoLow namelijk lastig op te halen uit het systeem, aldus [E] .



4.19.
De kantonrechter volgt SoLow niet in haar verweer. Het is aan SoLow als werkgever om er op toe te zien dat geen stuwmeer aan min-uren ontstaat wanneer een werknemer door gewijzigde openingstijden niet langer de overeengekomen arbeidsomvang kan werken. Het is aan werkgever om daarover in gesprek te gaan en ofwel werknemer extra dagen in te plannen dan wel de contracturen in overleg op de gewijzigde situatie aan te passen. [verzoekster] heeft betwist dat zij niet bereid was om de weekenden te werken, dat is haar ook nooit gevraagd. Tussen partijen staat vast dat [F] na zijn aanstelling als filiaalmanager in april 2025 hierover in ieder geval geen gesprek(ken) heeft gevoerd met [verzoekster] . Dat het overzicht van de min- en plusuren voor SoLow lastig op te halen is uit het systeem, doet niets af aan de verplichtingen van SoLow als werkgever en betekent niet dat de verantwoordelijkheid om een stuwmeer aan min-uren te voorkomen volledig op [verzoekster] als werknemer kan worden afgewenteld.



4.20.
Hetzelfde geldt voor de gemiste uren door eerdere sluiting tijdens feestdagen. Dat SoLow de winkel eerder sluit en [verzoekster] dus minder uren heeft ingepland op de desbetreffende dagen is een omstandigheid die binnen de risicosfeer van SoLow als werkgever valt. Ook daar had het op de weg van SoLow gelegen om hierover in gesprek te treden met [verzoekster] en [verzoekster] er actief op te wijzen dat zij hierdoor niet haar volledige arbeidsomvang werkte en daar in overleg een passende oplossing voor te vinden.



4.21.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [verzoekster] tot uitbetaling van deze uren (183 uur + 2 uur) worden toegewezen.



Afspraken verloskundige





4.22.

[verzoekster] stelt dat er 6,25 uren ten onrechte als min-uren zijn geregistreerd vanwege bezoeken van [verzoekster] aan de verloskundige. SoLow heeft gemotiveerd betwist dat de door [verzoekster] gestelde uren niet zijn gewerkt in verband met een (noodzakelijk) bezoek aan de verloskundige. [verzoekster] is daar niet nader op ingegaan. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om overzichten van het rooster ten opzichte van de daadwerkelijk door haar gewerkte uren in het geding te brengen waaruit blijkt dat er op de door haar gestelde dagen en tijdstippen min-uren zijn geregistreerd. [verzoekster] heeft immers voor de overige posten wel overzichten van het urensysteem in het geding kunnen inbrengen zodat niet valt in te zien waarom dit voor deze post niet mogelijk zou zijn. Dat leidt tot de conclusie dat [verzoekster] onvoldoende heeft gesteld dat zij deze uren niet heeft gewerkt in verband met een (noodzakelijk) bezoek aan de verloskundige. Dit onderdeel van de vordering van [verzoekster] wordt afgewezen.



Uren foutief als vakantie afgeboekt





4.23.

[verzoekster] stelt dat er op 8 augustus 2025 onterecht 6 uren als vakantie zijn geboekt. SoLow heeft betwist dat er uren (onterecht) als vakantie zijn afgeboekt. [verzoekster] voert aan dat zij op 8 augustus 2025 beschikbaar was maar dat SoLow haar die dag niet heeft ingeroosterd, zodat zij haar contracturen niet heeft kunnen maken. SoLow betwist dat er uren als vakantie zijn geboekt. SoLow heeft onweersproken aangevoerd dat [verzoekster] 4 weken vakantie heeft opgenomen in de zomerperiode en dat zij slechts naar rato over 8 maanden verlof heeft opgebouwd omdat zij geen volledig jaar in dienst was. [verzoekster] heeft meer vakantiedagen opgenomen dan waar zij recht op had. [verzoekster] heeft dit niet nader weersproken en zij heeft ook geen afschriften van het rooster ingediend, zodat deze uren eveneens niet kunnen worden toegewezen.





Verschuiving rooster





4.24.

[verzoekster] stelt dat er één uur ten onrechte als min-uur is aangemerkt omdat zij die week in plaats van woensdag op zaterdag heeft gewerkt, omdat zij op verzoek van een collega die dag voor haar inviel. De winkel is op zaterdag één uur minder open. SoLow heeft betwist dat het verschuiven van het rooster onterecht heeft geleid tot opbouw van min-uren. De kantonrechter oordeelt dat het in een geval als dit, waar het betreft een onderlinge ruil van de reeds door SoLow geplande uren, op de weg van [verzoekster] ligt om afspraken te maken over haar uren. Het is verantwoordelijkheid van [verzoekster] om wanneer zij op eigen initiatief dagen ruilt met een collega, acht te slaan op haar arbeidsomvang. Dat zij dat kennelijk niet heeft gedaan, kan daarom niet aan SoLow worden toegerekend. De vordering van [verzoekster] wordt in zoverre afgewezen.



Voorraadtelling





4.25.

[verzoekster] vordert uitbetaling van 26,58 uren aan ten onrechte geregistreerde min-uren door de voorraadtelling. Volgens [verzoekster] werd in deze week de voorraad van de winkel geteld. De winkels waren open maar er werd extra personeel ingehuurd om de voorraad te tellen. Vanwege het urenbudget zou de filiaalmanager de gewerkte uren apart registreren, maar dit is nooit gebeurd. Daardoor staat er ten onrechte geregistreerd dat zij slechts 1 uur dan wel 25 minuten heeft gewerkt op haar werkdagen, terwijl zij die week 4 dagen van 10.00 uur – 18.00 uur heeft gewerkt. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar standpunt overzichten van de geplande uren versus de uitbetaalde uren in het geding gebracht. Daartegenover staat de blote betwisting van SoLow dat [verzoekster] meer dan maximaal één uur op deze dagen heeft gewerkt. SoLow heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist dat [verzoekster] de door haar gestelde uren heeft gewerkt. De vordering van [verzoekster] wordt voor dit onderdeel toegewezen.



Verplicht eerder aanwezig zijn op werk





4.26.

[verzoekster] stelt dat [F] het verplicht heeft gesteld om 10 minuten eerder op het werk aanwezig te zijn en vordert uitbetaling van het daardoor opgebouwde saldo van 8,5 uur. Ter onderbouwing van haar stelling brengt [verzoekster] een Whatsapp-gesprek in het geding. [C] (toevoeging kantonrechter: [C] ) vraagt in een groepsapp genaamd “Team [plaats] centrum”: “Wat is de regel die we aanhouden betreft inlooptijd dan? Want ons rooster is daar niet op aangepast. Moeten we uitgaan van 15min eerder beginnen bijvoorbeeld?”. [F] (toevoeging kantonrechter: [F] ) reageert daar op: “Inloop tijd is er niet [C] , bij elk bedrijf is het normaal dat je bij aanvang van de dienst op de werkvloer staat”. Waarop [C] reageert: “Begrijp ik, maar hoeveel minuten moeten wij verplicht aanwezig zijn voor de winkel opent?” en [F] tot slot reageert: “5 a 10 minuten is voldoende, dan weet je ook precies wat de planning van de dag is”.



4.27.
Uit de rechtspraak komt naar voren dat wanneer 1) de werkgever de werknemer verplicht om ten behoeve van inlogtijd, opstarttijd of uitwerktijd een bepaalde tijd eerder (of langer) op het werk aanwezig te zijn én (2) er gedurende die tijd werkzaamheden en/of handelingen worden verricht ten behoeve van het werk of de werkgever, die tijd al snel kwalificeert als arbeidstijd. Het is daarbij aan de werknemer om te stellen en te bewijzen dat is opgedragen om die bepaalde tijd voor aanvang van de dienst (of na afloop van de dienst) aanwezig te zijn.



4.28.
Het enkele Whatsapp bericht dat [verzoekster] in het geding heeft gebracht, is, zeker tegenover de gemotiveerde betwisting door SoLow, onvoldoende om vast te stellen dat [verzoekster] door SoLow is opgedragen om een bepaalde tijd voor aanvang van de dienst aanwezig te zijn. Uit het Whatsapp bericht volgt dat SoLow enkel verlangt dat medewerkers bij de aanvang van hun dienst op de werkvloer staan. Met andere woorden: dat medewerkers niet om 10.00 uur binnen komen en dan nog hun spullen moeten wegleggen met de jas nog aan op het moment dat hun dienst om 10.00 uur begint, zoals door SoLow ook nog eens ter zitting nader is toegelicht. De vordering wordt afgewezen



Conclusie





4.29.
Het voorgaande betekent dat [verzoekster] recht heeft op uitbetaling van de min-uren door de openingstijden (183 uur), de min-uren door de feestdagensluiting (2 uur) en de min-uren door de voorraadtelling (26,58 uur). In totaal gaat het om 211,58 uur. De vordering van [verzoekster] ziet alleen op de door SoLow verrekende uren. Dat de eindafrekening op een negatief saldo uitkwam wat [verzoekster] niet aan SoLow heeft hoeven betalen is voor die vordering van [verzoekster] verder niet relevant omdat [verzoekster] deze vordering verder niet baseert op het resterende salaris en het saldo van de vakantietoeslag. De eindafrekening blijft daarom verder buiten beschouwing. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat SoLow het netto equivalent van 211,58 arbeidsuren aan [verzoekster] moet uitbetalen.



Proceskosten





4.30.

[verzoekster] wordt in de proceskosten veroordeeld, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van SoLow worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt SoLow om aan [verzoekster] te betalen het netto equivalent van 211,58 arbeidsuren,



5.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,






5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.




Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:102, r.o. 4.7.


ECLI:NL:HR:2024:1161, ECLI:NL:PHR:2024:607 en ECLI:NL:GHDHA:2023:738


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.