Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2022:5834

2022-11-30 Civiel recht C-01-345278 - HA ZA 19-257
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Uitspraakdatum
2022-11-30
Publicatiedatum
2023-01-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C-01-345278 - HA ZA 19-257
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gecombineerde schadestaatprocedures. Schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming koopovereenkomst met betrekking tot onroerend goed. Abstracte schadeberekening. Geen schade als gevolg van het niet hebben van toereikende volmacht.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (63.551 tekens)
RECHTBANK Oost-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats Eindhoven



Zaaknummer: C/01/345278 / HA ZA 19-257




Vonnis van 30 november 2022




in de zaak van





[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.M.H.C. Coppens te Deurne,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [plaats] , gemeente [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [plaats] , gemeente [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3] B.V.,
gevestigd te [plaats] , gemeente [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,4. [gedaagde 4],
wonende te [plaats] , gemeente [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,5. [gedaagde 5],
wonende te [plaats] , gemeente [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 5] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg.






1Inleiding


In deze zaak worden twee schadestaatprocedures behandeld. Daarnaast worden schadevorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4 en 5] wegens bestuurdersaansprakelijkheid behandeld.





2De procedure


2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 juli 2019 met de daarin genoemde eerdere processtukken, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 juli 2022 met aangehechte spreeknotities van de advocaten en de schriftelijke opmerkingen op het proces-verbaal van mr. Van Boekel.




2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is een datum voor uitspraak bepaald.





3De feiten


3.1.


[eiseres] exploiteert een onderneming in grondverzetmachines. Die onderneming was tot medio 2009 gevestigd aan de [straat] in [plaats] , gemeente [plaats] . In verband met de overlast die door de onderneming werd veroorzaakt heeft [eiseres] op last van de gemeente [plaats] haar bedrijfsactiviteiten moeten verplaatsen.
In 2005 heeft de gemeente [plaats] aan [eiseres] een intentieovereenkomst voorgelegd. Deze intentieovereenkomst hield kort gezegd in dat [eiseres] haar bedrijfsactiviteiten zou verplaatsen en dat de gemeente [plaats] planologische medewerking zou verlenen aan woningbouwontwikkeling op de locatie van [eiseres] aan de [straat] te [plaats] . [eiseres] heeft deze intentieovereenkomst nooit ondertekend vanwege een verschil van inzicht met de gemeente [plaats] over de opgelegde parkeernorm. [eiseres] wenste de onderhandelingen over de parkeernorm over te laten aan potentiële kopers.




3.2.

Op 21 maart 2007 is met betrekking tot de bedrijfsruimte en het woonhuis aan de [straat] in [plaats] een koopovereenkomst ondertekend tussen [eiseres] als verkoper en [gedaagde 1] als koper. De koopovereenkomst is namens [gedaagde 1] ondertekend door [gedaagde 4 en 5] . De koopsom bedroeg € 1.350.000,--.
Overeengekomen werd dat de akte van levering gepasseerd zou worden op afroep van de verkoper, [eiseres] , en niet eerder zou plaatsvinden dan op 1 september 2008 of zoveel later als [eiseres] haar bedrijfsactiviteiten had verplaatst naar de nieuwe locatie.
Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van de koper moest uiterlijk op 1 juni 2007 een waarborgsom van € 270.000,-- in handen van [A] Notarissen worden gestort, dan wel voor voornoemd bedrag een bankgarantie door koper worden gesteld.




3.3.
Bij notariële akte van 23 november 2007 is [gedaagde 1] opgericht. Oprichters van [gedaagde 1] zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] is [gedaagde 4] . Zijn broer, [gedaagde 5] , is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 3] . In de oprichtingsakte van 23 november 2007 is onder meer vastgelegd:



"Bekrachtiging


Alle door de oprichters namens de in oprichting zijnde vennootschap verrichte rechtshandelingen worden door de vennootschap bekrachtigd onder de opschortende voorwaarde dat de vennootschap is ingeschreven in het handelsregister, zodat daaruit met ingang van de bedoelde inschrijving voor de vennootschap rechten en plichten ontstaan.”





3.4.

Bij brief van 27 februari 2009 heeft [eiseres] [gedaagde 1] opgeroepen tot het passeren van de akte van levering op 1 mei 2009. [gedaagde 1] heeft op 1 mei 2009 verstek laten gaan en heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek van [eiseres] om mee te werken aan het passeren van de akte van levering. Bij brieven van 1 en 14 mei 2009 heeft [eiseres] [gedaagde 1] in gebreke gesteld en gesommeerd alsnog mee te werken aan levering.

[eiseres] heeft bij brieven van 15 juni 2009 ook [gedaagde 5] en [gedaagde 4] in gebreke gesteld en gesommeerd. Levering heeft echter niet plaatsgevonden.




De procedure bij de rechtbank Oost-Brabant tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 4 en 5] anderzijds





3.5.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 25 juni 2009 tegen zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 4 en 5] (hierna: [gedaagde 4 en 5] ) een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank 's-Hertogenbosch. Hierin heeft [eiseres] primair gevorderd [gedaagde 4 en 5] hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. Subsidiair werd gevorderd [gedaagde 1] daartoe te veroordelen. Meer subsidiair werd een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst met veroordeling van [gedaagde 1] en tot vergoeding van de als gevolg hiervan door [eiseres] geleden schade.



3.6.

[gedaagde 1] en [gedaagde 4 en 5] hebben de vorderingen van [eiseres] bestreden. Verder werd door [gedaagde 1] in reconventie primair vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling gevorderd. Subsidiair werd ontbinding gevorderd op grond van wanprestatie.



3.7.
In het tussenvonnis van 2 maart 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vorderingen van [eiseres] in conventie jegens [gedaagde 4 en 5] niet toewijsbaar zijn. Door de rechtbank werd overwogen dat [gedaagde 1] de overeenkomst met [eiseres] stilzwijgend heeft bekrachtigd. [gedaagde 1] was bij het aangaan van de overeenkomst nog niet opgericht en de overeenkomst werd namens [gedaagde 1] ondertekend door de beide heren [gedaagde 4 en 5] . [gedaagde 4 en 5] waren hierdoor volgens de rechtbank hoofdelijk verbonden voor de nakoming (artikel 2:203 lid 1 BW) totdat [gedaagde 1] de overeenkomst na haar oprichting bekrachtigde. Die bekrachtiging vond niet plaats door middel van de oprichtingsakte. Daarin zijn alleen de namens de B.V. i.o. verrichte rechtshandelingen bekrachtigd, voor zover verricht door haar oprichters [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , en niet de rechtshandelingen verricht door [gedaagde 4 en 5] [gedaagde 1] heeft de overeenkomst volgens de rechtbank wel bekrachtigd door haar processuele houding in eerste aanleg. Daartoe werd overwogen: “4.5. Artikel 2:203 lid 1 BW bepaalt echter dat bekrachtiging ook stilzwijgend kan plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de proceshouding van [gedaagde 1] B.V. dat zij het aangaan van de rechtshandeling door [gedaagde 4 en 5] stilzwijgend heeft bekrachtigd. [gedaagde 1] B.V. voert namelijk aan dat zij als contractspartij van [eiseres] dient te worden aangemerkt maar dat zij de verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet hoeft na te komen aangezien zij bij het ondertekenen van de koopovereenkomst heeft gedwaald. Die stellingname impliceert een bekrachtiging van de rechtshandeling. (...)". Met betrekking tot het door [gedaagde 1] in reconventie gedane beroep op dwaling heeft de rechtbank aan [gedaagde 1] een bewijsopdracht verstrekt.



3.8.
Na het horen van getuigen heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 24 oktober 2012 geoordeeld dat [gedaagde 1] niet in het haar opgedragen bewijs was geslaagd en de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling ongegrond is. Door de rechtbank werd de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte waarin [gedaagde 1] en [gedaagde 4 en 5] zouden kunnen ingaan op de vermeerdering van eis door [eiseres] waarbij [eiseres] haar vordering tegen [gedaagde 4 en 5] baseerde op artikel 3:70 BW. Door [eiseres] werd aangevoerd dat [gedaagde 4 en 5] bij het sluiten van de overeenkomst hebben gehandeld namens [gedaagde 1] . Omdat [gedaagde 1] op dat moment nog niet was opgericht kon van een toereikende volmacht geen sprake zijn geweest.



3.9.
Bij eindvonnis van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank in conventie de meer subsidiaire vordering van [eiseres] toegewezen en voor recht verklaard dat [gedaagde 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en [gedaagde 1] veroordeeld tot vergoeding van de door [eiseres] te lijden schade zoals omschreven in de rechtsoverwegingen 2.4.3 en 2.4.4, nader op te maken bij staat. Het in reconventie gevorderde werd door de rechtbank afgewezen.



3.10.

In de rechtsoverwegingen 2.4.3. en 2.4.4. werd door de rechtbank als volgt overwogen:
“ 2.4.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] ten aanzien van de eerst genoemde schadepost aan deze verplichting voldaan. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat er vanaf medio 2008 een crisis in de vastgoedmarkt is ingezet. Nu de koopovereenkomst met [gedaagde 1] dateert van maart 2007, dus ruim voor die tijd, is het redelijkerwijs te verwachten dat een verkoop van de betreffende panden thans langer zal duren en dat de verkoopprijs mogelijk (veel) lager zal ( uitvallen, dan destijds het geval was. Nu pas thans in onderhavige procedure is komen vast te staan dat [gedaagde 1] niet zal nakomen, is het redelijk dat een verkoop pas nu aan de orde is en dat de schade thans nog niet kan worden vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat deze schadepost ziet op het verschil tussen de verkoopprijs die partijen destijds overeen zijn gekomen en de waarde van de onroerende zaken vanaf het moment dat vaststond dat [gedaagde 1] niet zou nakomen, te weten ten tijde van het tussenvonnis van 27 maart 2013 en dat de precieze omvang daarvan in schadestaat zal dienen te worden vastgesteld.



2.4.4.

Wat betreft de gestelde schadepost die ziet op de aankoop van vervangende grond en realisatie van een nieuw pand, zonder dat over middelen kon worden beschikt, wordt als volgt overwogen. Hoewel [gedaagde 1] terecht aanvoert dat [eiseres] hoe dan ook zou zijn vertrokken, omdat de gemeente handhavend zou gaan optreden, neemt dat niet weg dat de vervangende grond moest worden gekocht en het nieuwe pand moest worden gerealiseerd, zonder dat [eiseres] de beschikking had over de overeengekomen verkoopprijs. Het wordt aannemelijk geacht dat [eiseres] daardoor zwaardere financiële lasten heeft moeten dragen en daardoor schade heeft geleden.”





3.11.


[eiseres] heeft bij dagvaarding van 27 november 2013 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 28 augustus 2013 en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen voor zover gewezen tussen [eiseres] en [gedaagde 4 en 5]
Nadat bij dagvaarding van 28 november 2013 ook door [gedaagde 1] hoger beroep werd ingesteld tegen het door de rechtbank op 28 augustus 2013 gewezen vonnis zijn beide zaken gevoegd.
In het door [eiseres] ingestelde hoger beroep zijn [gedaagde 4 en 5] niet verschenen en is tegen hen verstek verleend.




3.12.
In de gevoegde zaken werd door het hof op 4 augustus 2015 arrest gewezen. Het hof heeft [gedaagde 1] daarin niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het eindvonnis van de rechtbank van 28 augustus 2013. Tussen [eiseres] en [gedaagde 1] is het vonnis van 28 augustus 2013 daardoor in kracht van gewijsde gegaan. In dat vonnis van 28 augustus 2013 werd [gedaagde 1] aldus veroordeeld tot vergoeding van de door [eiseres] te lijden schade zoals omschreven in de rechtsoverwegingen 2.4.3 en 2.4.4, nader op te maken en te vereffenen bij staat.



3.13.
De schadestaatprocedure tegen [gedaagde 1] in deze zaak heeft betrekking op deze schade.



De procedure bij het hof ’s-Hertogenbosch tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 4 en 5] anderzijds.





3.14.
In het door [eiseres] ingestelde hoger beroep tegen [gedaagde 4 en 5] heeft het hof bij arrest van 4 augustus 2015 de tussenvonnissen van 2 maart 2011, 24 oktober 2012 en 27 maart 2013 en het eindvonnis van 28 augustus 2013 bekrachtigd. Door het hof werd onder meer overwogen dat [eiseres] er ten onrechte aan voorbij gaat dat [gedaagde 1] door de onbevoegd in haar naam gesloten overeenkomst te bekrachtigen, deze met terugwerkende kracht geldigheid verschafte en dat de overeenkomst hierdoor van meet af aan als geldig met haar gesloten moet worden beschouwd.



De procedure bij de Hoge Raad tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 4 en 5] anderzijds





3.15.
Tegen het op 4 augustus 2015 in de gevoegde zaken tussen haar en [gedaagde 4 en 5] gewezen arrest heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Volgens [eiseres] werd door het hof in het arrest van 4 augustus 2015 ten onrechte overwogen dat een bekrachtiging van koopovereenkomst door [gedaagde 1] had plaatsgevonden.



3.16.
Bij arrest van 3 februari 2017 heeft de Hoge Raad beslist dat het door [eiseres] opgeworpen middel terecht er over klaagt dat het hof met zijn overweging, dat [gedaagde 1] de overeenkomst door haar oprichtingsakte heeft bekrachtigd, heeft miskend dat voor bekrachtiging is vereist dat de verklaring houdende bekrachtiging tot de wederpartij is gericht en die wederpartij heeft bereikt. Door het hof werd niet vastgesteld dat de bekrachtigingsverklaring, die naar zijn oordeel in de oprichtingsakte lag besloten, tot [eiseres] was gericht en [eiseres] heeft bereikt. Het arrest van het hof van 4 augustus 2015 werd zodoende door de Hoge Raad vernietigd. De zaak werd ter verdere beslissing en behandeling verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden.



De procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 4 en 5] anderzijds na verwijzing





3.17.
In het op 23 januari 2018 door het hof Arnhem-Leeuwarden gewezen tussenarrest werd overwogen dat niet van een bekrachtiging kan worden uitgegaan. Verder werd door het hof in rechtsoverweging 6.9 van het vernietigde arrest van 4 augustus 2015 onderschreven dat [gedaagde 4 en 5] moet instaan voor het bestaan en de omvang van de volmacht en dat de schending van zijn garantieverbintenis hem verplicht tot vergoeding van de schade die [eiseres] daardoor lijdt. Door het hof werd de zaak naar de rol verwezen opdat [eiseres] zich zou kunnen uitlaten over de vraag of de mogelijkheid van schade als gevolg van de normschending wel aannemelijk is, zoals vereist voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Door het hof werd hierbij overwogen dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat het vonnis van de rechtbank van 28 augustus 2013 in kracht van gewijsde is gegaan en de rechtbank [gedaagde 1] in dat vonnis heeft aangemerkt als partij bij de koopovereenkomst, voor recht heeft verklaard dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en aansprakelijk is voor de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden schade. En tenslotte is [gedaagde 1] veroordeeld tot vergoeding van de schade zoals omschreven in rov. 2.4.3 en 2.4.4, nader op te maken en te vereffenen bij staat.



3.18.
Bij het op 12 juni 2018 door het hof Arnhem-Leeuwarden gewezen eindarrest heeft het hof de tussen [eiseres] en [gedaagde 4 en 5] in conventie gewezen vonnissen van de rechtbank 's-Hertogenbosch, later Oost-Brabant van 2 maart 2011, 27 maart 2013 en 28 augustus 2013 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat [gedaagde 4 en 5] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade aan de zijde van [eiseres] als gevolg van het niet kunnen instaan door hen van de door hen gepretendeerde volmacht van de ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bestaande rechtspersoon [gedaagde 1] . [gedaagde 4 en 5] zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de door [eiseres] geleden schade op te maken bij staat, als gevolg van het niet kunnen instaan door hen van de door hen gepretendeerde volmacht van de ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bestaande rechtspersoon [gedaagde 1] .



3.19.
De schadestaatprocedure tegen [gedaagde 4 en 5] in deze zaak heeft betrekking op deze schade.



De procedures tussen [eiseres] en [A] Notarissen





3.20.

Nadat [gedaagde 1] in 2009 door [eiseres] werd opgeroepen om mee te werken aan het passeren van de akte van levering heeft [eiseres] bij [A] Notarissen geïnformeerd naar de door [gedaagde 1] gestelde bankgarantie.
Bij brief van 17 april 2009 heeft [A] Notarissen aan [eiseres] bericht dat aanvankelijk een bankgarantie werd gesteld, maar dat de geldigheid hiervan inmiddels was verstreken.




3.21.
Over de handelwijze van het notariskantoor heeft [eiseres] een tweetal klachtprocedures gevoerd bij de Kamer van Toezicht en in hoger beroep bij het hof in Amsterdam. Beide klachten zijn gegrond bevonden. In de tweede klachtprocedure werd het notariskantoor opgedragen het bestaan van de bankgarantie te bewijzen. Bij uitspraak van 19 augustus 2013 heeft de Kamer voor het Notariaat in het ressort 's-Hertogenbosch ook de tweede klacht tegen de notaris gegrond verklaard en overwogen dat de notaris niet was geslaagd in het leveren van het bewijs.



3.22.


[eiseres] heeft [A] Notarissen bij brief van 10 juli 2009 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van het niet bewaken door de notaris van de naleving van de zekerheidsbepaling door [gedaagde 1] .
Bij gebreke van een reactie heeft [eiseres] op 18 december 2009 zowel de maatschap als de beide maten gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch tegen de zitting van 13 januari 2010.
Op 19 december 2012 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen. Door de rechtbank werd overwogen dat [eiseres] pas in april 2009 was gebleken dat er geen bankgarantie bestond. Door [eiseres] eerst na zo lange tijd en na het verlopen van de bankgarantie daarvan op de hoogte te stellen had het notariskantoor volgens de rechtbank niet de zorgvuldigheid in acht genomen die in een geval als dit van het notariskantoor verwacht had mogen worden. Door de rechtbank werd voor recht verklaard dat [A] Notarissen niet heeft gehandeld als van redelijke en vakbekwame notarissen verwacht mag worden en dat de maatschap en beide maten van het notariskantoor zodoende hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor door [eiseres] geleden schade.




3.23.
Omdat bij [eiseres] de overtuiging was ontstaan dat er van het stellen van een bankgarantie van aanvang af geen sprake was geweest en zij hierover door het notariskantoor onjuist was geïnformeerd, heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld tegen het door de rechtbank op 19 december 2012 gewezen vonnis. In het hoger beroep heeft een pleidooi plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft [A] Notarissen naar voren gebracht dat het hof er bij de beoordeling van de zaak vanuit mocht gaan dat er van een bankgarantie nooit sprake is geweest. Bij eindarrest van 11 februari 2014 heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 19 december 2012 vernietigd, voor recht verklaard dat [A] Notarissen niet heeft gehandeld zoals van redelijke en vakbekwame notarissen verwacht mag worden, dat [A] Notarissen daarom aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade en [A] Notarissen veroordeeld tot betaling van die schade, nader op te maken bij staat.



3.24.

[eiseres] en [A] Notarissen hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij een schikkingsbedrag werd overeengekomen van € 320.000,--. Het schikkingsbedrag is op 22 december 2015 door [eiseres] ontvangen.



3.25.
Volgens [eiseres] heeft zij het onroerend goed voor een verkoopprijs van € 520.000,--.verkocht en op 31 oktober 2018 geleverd aan derden. [gedaagden] betwist de verkoopprijs van € 520.000,--.





4Het geschil


4.1.

[eiseres] vordert, kort weergegeven, dat de rechtbank:



met betrekking tot de schadestaatprocedure tegen [gedaagde 1]:



primair: [gedaagde 1] veroordeelt om aan [eiseres] een bedrag te voldoen van € 973.005,15 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.



subsidiair: [gedaagde 1] veroordeelt om aan [eiseres] een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2013, althans vanaf 22 december 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;



zowel primair als subsidiair: met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente,




met betrekking tot de vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] :




primair: [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 973.005,15 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,



subsidiair: [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2013, althans vanaf 22 december 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;



zowel primair als subsidiair: met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente,




met betrekking tot de vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid jegens [gedaagde 4] en [gedaagde 5]




primair: [gedaagde 4 en 5] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 973.005,15 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,



subsidiair: [gedaagde 4 en 5] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2013, althans vanaf 22 december 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,



zowel primair als subsidiair: [gedaagde 4 en 5] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente,




met betrekking tot de schadestaatprocedure tegen [gedaagde 4] en [gedaagde 5]




primair: [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 1.244.815,03 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,



subsidiair: [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 1.149.265,24 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,



meer subsidiair: [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 995.018,07 aan schadevergoeding te vermeerderen met een door de rechtbank te bepalen aandeel in de procedurekosten tegen [gedaagde 1] en [A] Notarissen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,



nog meer subsidiair: [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres] te voldoen een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2013, althans vanaf 22 december 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,



zowel primair, subsidiair, meer subsidiair als nog meer subsidiair: [gedaagde 4 en 5] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.




4.2.

[gedaagden] voeren verweer.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling



Ontvankelijkheid [eiseres] in haar vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid




5.1.
In deze zaak heeft [eiseres] bij dagvaarding van 2 april 2019 twee schadestaatprocedures aanhangig gemaakt. Tegelijkertijd heeft zij schadevorderingen ingesteld op grond van bestuurdersaansprakelijkheid jegens [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4 en 5] . Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2022 heeft [eiseres] nog als nieuwe grondslag voor haar schadevorderingen jegens [gedaagde 4 en 5] aangevoerd dat het niet kunnen instaan voor een gepretendeerde volmacht ook als een onrechtmatige daad (6:162 BW) kan worden aangemerkt.



5.2.

[gedaagden] voeren als preliminair verweer aan dat in deze schadestaatprocedures enkel de vaststelling van de schade voor de in de hoofdprocedure vastgestelde grondslag kan plaatsvinden. De vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid of onrechtmatige daad passen niet binnen een schadestaatprocedure en moeten worden afgewezen, aldus [gedaagden]



5.3.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De schadestaat is blijkens artikel 613 lid 1 Rv een staat waarin het beloop van de schade waarvan de vereffening wordt gevorderd, gespecificeerd wordt opgegeven. De schadestaatprocedure is in zeker opzicht te beschouwen als een voortzetting van de procedure in hoofdzaak waarin de aansprakelijkheid is vastgesteld en in ander opzicht als een zelfstandige procedure. De eiser in de schadestaatprocedure die schadevergoeding verlangt is in beginsel de eiser in de hoofdzaak. Gedaagde die aansprakelijk is en schadevergoeding dient te betalen is in de hoofdzaak veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat.



5.4.
Omdat de schadestaatprocedure is beperkt tot vaststelling van schade, is het niet mogelijk om nevenvorderingen in te stellen, behalve als deze horen bij de gevorderde schadevergoeding en deze ondersteunen, zoals een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, een verzoek om een deskundigenbericht, proceskosten etc. Het is niet toegestaan in de schadestaatprocedure te oordelen over kwesties die de grondslag van de aansprakelijkheid betreffen. Het is naar het oordeel van de rechtbank daarom ook niet mogelijk in eenzelfde procedure tevens schadevorderingen in te stellen op nieuwe, in de hoofdzaak niet beoordeelde grondslagen zoals in dit geval aansprakelijkheid (van bestuurders) op grond van 6:162 BW.



5.5.
Dit betekent dat het preliminaire verweer van [gedaagden] slaagt. [eiseres] wordt in haar vorderingen jegens [gedaagde 4 en 5] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid c.q. onrechtmatige daad in deze procedure niet-ontvankelijk verklaard.



De schadestaatprocedure tegen [gedaagde 1]





5.6.

[eiseres] maakt bij [gedaagde 1] primair aanspraak op € 973.005,15 aan schadevergoeding, bestaande uit de waardedaling van de onroerende zaak, extra financieringslasten en extra eigenaarslasten minus de huuropbrengsten. De berekening van haar schadevordering is door [eiseres] weergegeven in onderstaand schema:






De optelling van alle kosten minus de opbrengsten resulteert volgens [eiseres] in een schadepost per 27 maart 2013 van € 1.201.020,86. Dit bedrag dient vanaf 27 maart 2013 te worden vermeerderd met de wettelijke rente en per 22 december 2015 te worden verminderd met een bedrag van € 320.000,-- , zijnde het van [A] Notarissen ontvangen schikkingsbedrag. Dat resulteert in een schadebedrag van € 973.005,15.




5.7.

[gedaagde 1] voert het volgende verweer.


5.7.1.

[eiseres] is de schadestaatprocedure te laat gestart. Uit EHRM 23 maart 1994, NJ 1994, 506 volgt dat de redelijke termijn uit artikel 6 EVRM ook de schadestaatprocedure omvat. In dit geval is die redelijke termijn volgens [gedaagde 1] overschreden. Daarnaast is de vordering van [eiseres] verjaard op grond van artikel 3:310 lid 1 BW. Sinds de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2013 staat vast dat [gedaagde 1] gehouden is tot het vergoeden van de door [eiseres] gestelde schadeposten en sindsdien zijn meer dan vijf jaar verstreken. Na de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2013 is er geen enkele eis jegens [gedaagde 1] meer toegewezen zodat de nadien gevoerde gedingen ex artikel 3:316 lid 2 BW geen stuiting tot gevolg hebben gehad.



5.7.2.
Uit het rapport van de heer [B] dat door [eiseres] aan de berekening ten grondslag is gelegd blijkt dat van de vijf kadastrale percelen er vier van [eiseres] (de vennootschap) zouden zijn en één van de heer [C] . De schade geleden ten aanzien van dat laatste perceel kan geen schade zijn van de vennootschap. [eiseres] maakt niet inzichtelijk hoe zij dit in de schadeposten heeft opgenomen en hoe de schade voor dit perceel uit de berekeningen is gehouden.



5.7.3.

De stelling dat in 2013 een schade is geleden van € 1.015.000,-- aan waardedaling is volgens [gedaagde 1] niet juist. De daarop gebaseerde verdere (rente)berekeningen kunnen daarom evenmin juist zijn. Het bedrag van € 1.015.000,-- uit het rapport van [B] strookt niet met het door [eiseres] zelf genoemde bedrag van € 830.000,-- aan waardedaling in de dagvaarding.
De gestelde verkoopprijs is erg laag en kan niet uitsluitend uit een akte van levering worden afgeleid. In een koopovereenkomst staan vaak aanvullende bepalingen over een nabetaling of winstdeling. Aanvullende bepalingen kunnen ook in een intentieovereenkomst of andere (al dan niet naast de koopakte opgemaakte) overeenkomsten zijn vermeld. [eiseres] dient hier openheid van zaken over te geven aangezien de gestelde verkoopprijs erg laag is. Dit geldt eens te meer omdat de kopende partij voornemens is 35 appartementen en een aantal eengezinswoningen ter plaatse te gaan ontwikkelen.




5.7.4.

[gedaagde 1] betwist dat de daadwerkelijke verkoopprijs € 520.000,-- bedraagt en dat sprake is geweest van een marktconforme verkoopwaarde gelet op vergelijkbare objecten en de waardeontwikkeling in de loop der jaren. [gedaagde 1] is van mening dat dat de waardedaling niet is aangetoond onder meer omdat door [eiseres] een onjuiste leveringsakte in het geding is gebracht en verder omdat de gestelde waarde ver onder de marktwaarde is gelegen en er dus sprake is van het niet naleven van de schadebeperkingsplicht door [eiseres] . Er is momenteel weer sprake van herontwikkelingsmogelijkheden, die er ten tijde van het opstellen van het rapport van de heer [B] niet zouden zijn geweest. Het ontbreken van herontwikkelingsmogelijkheden heeft zijn weerslag gehad op de waardering door de heer [B] . Verder meent [gedaagde 1] dat het rapport van de heer [B] überhaupt niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat zij daar geen invloed op heeft kunnen uitoefenen omdat het is opgesteld ten behoeve van een andere procedure. Het handelen van de notaris heeft volgens de heer [B] het causaal verband tussen de gehele schade en het handelen van [gedaagde 1] doorbroken. Indien de notaris tijdig had gemeld dat er door [gedaagde 1] geen zekerheid was gesteld, had [eiseres] nog met een andere koper in zee kunnen gaan. Door te schikken voor een bedrag van slechts € 320.000,-- en niet voor haar gehele schade, heeft [eiseres] haar schadebeperkingsplicht geschonden.




5.8.
De rechtbank oordeelt als volgt.



Ontvankelijkheid [eiseres]




5.8.1.

De rechtbank verwerpt het verweer dat [eiseres] de schadestaatprocedure te laat is gestart, nu [gedaagde 1] niet heeft onderbouwd waarom volgens haar in dit geval een redelijke termijn is overschreden en in welk belang zij daardoor is geschaad.
Ook het beroep op verjaring wordt verworpen. Omdat sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in het hoofdgeding waarin de schadevordering van [eiseres] is toegewezen, is de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:310 lid 1 BW waar [gedaagde 1] zich op beroept niet van toepassing, maar de termijn van 20 jaar van 3:324 lid 1 BW.




Waardedaling onroerend goed





5.8.2.
Bij het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden en die ziet op het verschil tussen de verkoopprijs die partijen destijds overeen zijn gekomen en de waarde van de onroerende zaken vanaf het moment dat vaststond dat [gedaagde 1] niet zou nakomen, te weten op 27 maart 2013. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de schade bestaat uit de zwaardere financiële lasten die [eiseres] heeft gehad omdat zij bij de aankoop van vervangende grond en realisatie van het nieuwe pand niet heeft kunnen beschikken over de koopprijs. Bij de schadebegroting in deze procedure vormen deze elementen daarom ook voor de rechtbank het uitgangspunt. Dat betekent dat na de peildatum opgekomen omstandigheden, zoals nieuwe herontwikkelingsmogelijkheden, bij de waardebepaling niet worden meegewogen.



5.8.3.
De rechtbank is van oordeel dat voor de begroting van de schade die bestaat uit de waardedaling van het onroerend goed een taxatie van het onroerend goed op de peildatum van 27 maart 2013 noodzakelijk is. [gedaagde 1] heeft de inhoud van rapport van de heer [B] immers inhoudelijk betwist. Daarnaast heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat zij op de totstandkoming van het rapport en de vraagstelling aan de deskundige geen invloed heeft kunnen uitoefenen omdat het rapport is opgesteld ten behoeve van de procedure tegen [A] Notarissen waarin [gedaagde 1] geen partij was. De rechtbank is met name gelet op deze laatste stelling van [gedaagde 1] van oordeel dat het rapport van de heer [B] in deze zaak tussen [eiseres] en [gedaagde 1] moet worden aangemerkt als een rapport van een partijdeskundige dat niet zonder meer als uitgangspunt kan worden genomen bij de begroting van de schade. De opdracht aan de deskundige betrof ook niet de waardebepaling van het onroerend goed op de peildatum.



5.8.4.
De rechtbank is derhalve voornemens een deskundige te benoemen, die de waarde van het onroerend goed op de peildatum zal dienen te bepalen. Nu de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de schade van [eiseres] vaststaat, ziet de rechtbank daarin aanleiding het voorschot op de kosten van een deskundige voor rekening van [gedaagde 1] te laten komen. Voor het geval [gedaagde 1] om deze reden de benoeming van een deskundige niet wenst, zal de rechtbank voor de schadebepaling als uitgangspunt gebruik maken van het rapport van de heer [B] . In dat rapport zijn uitgangspunten opgenomen voor de bepaling van de waarde van het onroerend goed op de peildatum. In het geval [gedaagde 1] de benoeming van een deskundige niet wenst, zal de rechtbank aan de bezwaren van [gedaagde 1] tegen het rapport van de heer [B] voorbij gaan. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen zich kunnen uitlaten over de wenselijkheid van het deskundigenbericht, het aantal en de persoon van de deskundige(n) en de te stellen vragen.



5.8.5.

Voor de begroting van de schade als gevolg van de waardedaling van het onroerend goed wenst de rechtbank ook nadere inlichtingen van [eiseres] . [gedaagde 1] heeft immers aangevoerd dat één van de vijf verkochte kadastrale percelen niet aan [eiseres] (de vennootschap) in eigendom toebehoorde, maar aan de heer [C] in persoon en dat [eiseres] niet heeft toegelicht waarom zij, de vennootschap, met betrekking tot dat perceel schade heeft geleden als gevolg van de niet-nakoming door [gedaagde 1] .
Uit bijlage 1 bij het rapport van de heer [B] leidt de rechtbank af dat het gaat om (voormalig) perceel ‘Gemeente [plaats] sectie [kadastrale aanduiding] ’ (hierna: perceel [kadastrale aanduiding] ) op naam van [C] . De stelling van [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling dat zij partij is bij de koopovereenkomst en dat zij het perceel aan [gedaagde 1] had kunnen leveren omdat de heer [C] het aan de vennootschap ter beschikking zou hebben gesteld, oordeelt de rechtbank in het kader van de schadebegroting onvoldoende concreet.

[eiseres] zal zich gemotiveerd en bij voorkeur onderbouwd met stukken dienen uit te laten over de wijze waarop de heer [C] perceel [kadastrale aanduiding] aan de vennootschap ter beschikking heeft gesteld en welke tegenprestatie de vennootschap daarvoor heeft moeten leveren.
Ook zal [eiseres] alsnog stukken in het geding moeten brengen waaruit de door haar gestelde verkoopprijs van € 520.000,-- blijkt nu deze door [gedaagde 1] is betwist en door [eiseres] vooralsnog niet is aangetoond. Deze verkoopprijs is een omstandigheid die de eventueel te benoemen deskundige in zijn onderzoek naar de waarde op de peildatum kan betrekken. De zaak zal voor het nemen van een akte door [eiseres] op deze punten naar de rol worden verwezen.




5.8.6.
De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde 1] dat de waardedaling van het onroerend goed volgens [eiseres] zelf € 830.000,-- zou bedragen en dat haar daarmee niet corresponderende vordering daarom voor afwijzing gereed ligt. [eiseres] ging bij die stelling in de dagvaarding immers uit van de waardedaling op 31 oktober 2018 en niet op de peildatum.



Eigenaarslasten, extra financieringslasten en huuropbrengsten.





5.8.7.


[eiseres] maakt jegens [gedaagde 1] aanspraak op vergoeding van schade wegens de extra lasten die verband houden met de tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde 1] . Het gaat om extra financieringslasten, bestaande uit
€ 106.482,14 aan betaalde premies en € 39.375,-- aan betaalde renteopslag. Daarnaast vordert [eiseres] extra eigenaarslasten, bestaande uit € 6.657,77 aan verzekeringspremie, € 4.436,24 aan onroerende zaakbelasting en € 6.291,27 aan nutsvoorzieningen.




5.8.8.

[gedaagde 1] betwist de juistheid van de door [eiseres] in de dagvaarding opgevoerde bedragen en wijst er op dat deze bedragen door het ontbreken van de onderliggende stukken niet verifieerbaar zijn. Bijlage 16 bij dagvaarding, waar [eiseres] naar verwijst in het kader van de onderbouwing van de door haar opgevoerde bedragen, ondersteunt niet de door haar gevorderde bedragen. Er blijkt ook niet uit dat de daarin genoemde bedragen door [eiseres] zijn betaald en dat dus door [eiseres] tot het beloop van die bedragen schade is geleden. Dat het om door [eiseres] betaalde bedragen zou gaan die in causaal verband staan met de tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst is volgens [gedaagde 1] dan ook niet aangetoond. Verder wijst [gedaagde 1] onder meer op discrepanties tussen de bedragen opgenomen in het rapport van de heer [B] en de bedragen zoals die genoemd staan in de dagvaarding.



5.8.9.
Tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2022 heeft [eiseres] erkend dat het in de dagvaarding genoemde bedrag van € 106.482,14 aan betaalde premies niet wordt ondersteund door bijlage 16 bij de dagvaarding en heeft zij haar eis op dit punt verminderd tot een bedrag van € 103.482,14. Met betrekking tot het verweer van [gedaagde 1] dat de nota’s voor verzekeringspremies zijn gericht aan Handelsonderneming [handelsonderneming eiseres] B.V. en dus niet aan [eiseres] voert [eiseres] aan dat er sprake is van een fiscale eenheid, dat [eiseres] eigenaar van de gebouwen was en de verzekeringskosten die hierop betrekking ook ten laste van haar zijn gekomen. [eiseres] biedt van die stelling nader bewijs aan. Op het verweer van [gedaagde 1] dat de door [eiseres] in de dagvaarding opgevoerde bedragen niet corresponderen met de bedragen in het rapport van de heer [B] voert [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling verder aan dat de in haar staten opgevoerde bedragen kloppen omdat deze aan de hand van alle onderliggende stukken zijn gecontroleerd.



5.8.10.
De rechtbank kan bij deze stand van zaken de juistheid van de vordering van [eiseres] met betrekking tot de extra financierings- en eigenaarslasten niet beoordelen bij gebreke van voldoende onderliggende stukken. [gedaagde 1] voert terecht aan dat uitsluitend als schade kan worden aangemerkt de bedragen die in dit verband daadwerkelijk door [eiseres] zijn betaald. Door andere vennootschappen betaalde lasten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als schade van [eiseres] worden aangemerkt die in causaal verband staat met de tekortkoming door [gedaagde 1] . Ook niet als deze vennootschappen onderdeel zouden uitmaken van dezelfde fiscale eenheid. De rechtbank zal [eiseres] daarom in de gelegenheid stellen haar vordering op dit punt opnieuw te becijferen en te onderbouwen met stukken waaruit blijkt dat [eiseres] de extra financierings- en eigenaarslasten heeft voldaan. De zaak wordt daarvoor ook naar de rol verwezen.



De schadestaatprocedure tegen [gedaagde 4 en 5]






5.9.
Bij eindarrest van 12 juni 2018 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de tussen [eiseres] en [gedaagde 4 en 5] in conventie gewezen vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 2 maart 2011, 27 maart 2013 en 28 augustus 2013 vernietigd en, opnieuw rechtdoende:


“Voor recht verklaard dat [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk, aldus dat door de betaling van de een de ander in zoverre zal zijn bevrijd, aansprakelijk zijn voor de schade aan de zijde van [eiseres] als gevolg van het niet kunnen instaan door hen van de door hen gepretendeerde volmacht van de ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bestaande rechtspersoon [gedaagde 1] B.V.





[gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk aldus dat door de betaling van de een de ander in zoverre zal zijn bevrijd, veroordeeld tot betaling van de door [eiseres] geleden schade als gevolg van het niet kunnen instaan door hen van de door hen gepretendeerde volmacht van de ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bestaande rechtspersoon [gedaagde 1] B.V., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.”





5.10.

Verder heeft het hof in zijn arrest van 12 juni 2018 overwogen:

“ (…)





2.2.


De schending van zijn garantieverbintenis verplicht [gedaagde 4 en 5] tot vergoeding van


de schade die [eiseres] daardoor lijdt. De hier bedoelde schade betreft in beginsel de


schade die voor [eiseres] als wederpartij voortvloeit uit de omstandigheid dat de


rechtshandeling niet tot stand is gekomen. Deze schade, indien geleden, omvat mede het


voordeel dat de niet tot stand gekomen overeenkomst voor [eiseres] zou hebben


meegebracht (het zogeheten positief contractsbelang), aldus HR28 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2324,NJ 1997,454.





2.3.


In het onderhavige geval kan echter niet zonder meer worden gesproken van een


situatie van niet-totstandkoming van een rechtshandeling waarop de onbevoegde vertegenwoordiging zag. Van gebondenheid van [gedaagde 1] aan de rechtshandeling moet immers


wel degelijk worden uitgegaan nu, naar [eiseres] erkent, het vonnis van 28 augustus2013 tussen [eiseres] en [gedaagde 1] in kracht van gewijsde is gegaan. [eiseres] heeft in zijn akte na tussenarrest aangevoerd dat [gedaagde 1] weliswaar in dit vonnis als contractspartij bij de rechtshandeling is aangemerkt, maar volgens [eiseres] is dat alleen het gevolg van processuele omstandigheden. Naar het oordeel van het hof is echter de oorzaak van gebondenheid van [gedaagde 1] als contractspartij niet relevant voor de vraag of [eiseres] (al dan niet) wegens het niet-totstandkomen van de rechtshandeling schade heeft geleden. Evenmin is hiervoor van belang dat aan een vonnis in een procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 1] in de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 4 en 5] geen gezag van gewijsde toekomt.


Het ligt op de weg van [eiseres] om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die, ondanks de - onherroepelijk vaststaande - gebondenheid van [gedaagde 1] aan de rechtshandeling, het oordeel rechtvaardigen dat zij desalniettemin schade heeft geleden doordat [gedaagde 4 en 5] zich bij het aangaan van de overeenkomst ten onrechte als gevolmachtigde van [gedaagde 1] heeft gepresenteerd.





2.4.

In dit verband is van belang dat [eiseres] bij akte niet uitsluitend schadeposten heeft gesteld die het gevolg zijn van de omstandigheid dat de pseudo-vertegenwoordigde aan de betreffende rechtshandeling niet gebonden is geraakt (welk geval zich hier niet voordoet). Zo heeft [eiseres] bijvoorbeeld daarnaast gesteld ook schade te hebben geleden ter zake van procedurekosten die zij -ook jegens [gedaagde 4 en 5] - heeft moeten maken wegens het ontbreken van een toereikende volmacht. Daarnaast heeft dit volgens [eiseres] extra advieskosten en eigen inkomstenverlies meegebracht. Daarmee acht het hof de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk voor toewijzing van de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure.




(…)”





5.11.
De beslissing van het hof omtrent de aansprakelijkheid van [gedaagde 4 en 5] en de hiervoor weergegeven overwegingen, die de rechtbank onderschrijft, vormen voor de rechtbank in de schadestaatprocedure het uitgangspunt bij de beoordeling.



5.12.

Tussen partijen staat inmiddels vast dat het hof Arnhem-Leeuwarden in een procedure in verzet op 13 juli 2021 arrest heeft gewezen en dat het verzet van [gedaagde 5] hierin werd verworpen en het verstekvonnis van 12 juni 2018 werd bekrachtigd.
Daarmee staat onherroepelijk vast dat ook [gedaagde 5] aansprakelijk is voor het niet kunnen instaan voor de door hem gepretendeerde volmacht van de ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bestaande rechtspersoon [gedaagde 1] , hetgeen al eerder gold voor [gedaagde 4] die niet in verzet is gekomen.




5.13.


[eiseres] vordert primair een bedrag van € 1.244.815,03, subsidiair een bedrag van € 1.149.265,24, meer subsidiair een bedrag van € 995.018,07 en uiterst subsidiair in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding.
Alle vorderingen bestaan onder meer uit schadeposten als gevolg van niet-nakoming van de koopovereenkomst met [gedaagde 1] (het positief contractsbelang), kort gezegd bestaande uit de waardedaling van het onroerend goed, extra eigenaars- en financieringslasten en daarnaast uit kosten voor juridische bijstand. Bij de schadebegroting gaat [eiseres] uit van de situatie dat geen bekrachtiging van de koopovereenkomst door [gedaagde 1] heeft plaatsgevonden en zij verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004.




5.14.
De verwijzing door [eiseres] naar dit arrest gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. In dit arrest was sprake van een situatie waarin de pseudo-volmachtgever niet werd gebonden en de pseudo-gevolmachtigde aansprakelijk was voor de schade die daardoor werd geleden. In dit geval is [gedaagde 1] als gevolg van de beslissing van de rechtbank in het vonnis van 28 augustus 2013 - dat in kracht van gewijsde is gegaan - wel gebonden aan de overeenkomst met [eiseres] . Van vergoeding van het voordeel dat een niet tot stand gekomen overeenkomst voor [eiseres] zou hebben meegebracht (het positief contractsbelang) kan in de schadestaatprocedure tegen [gedaagde 4 en 5] dus geen sprake zijn (zie ook de voorgaande overwegingen van het hof Arnhem-Leeuwarden).



5.15.
Het gevolg hiervan is dat de schadeposten wegens waardedaling, financierings- en eigenaarslasten in de schadestaatprocedure tegen [gedaagde 4 en 5] niet voor vergoeding in aanmerking komen.



Kosten van juridische bijstand





5.16.


[eiseres] vordert verder kosten van juridische bijstand. In de zaak met [gedaagde 1] en [gedaagde 4 en 5] hebben die kosten volgens [eiseres] in totaal € 109.310,25 exclusief btw bedragen. [eiseres] is primair van oordeel dat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [gedaagde 4 en 5] zijn opgetreden zonder te beschikken over een toereikende volmacht en dus voor vergoeding in aanmerking komen.
Subsidiair voert zij aan dat de procedure vanaf het op 2 maart 2011 door de rechtbank gewezen tussenvonnis tot en met het op 28 augustus 2013 gewezen eindvonnis uitsluitend betrekking heeft gehad op de zaak tussen [eiseres] en [gedaagde 1] . De in die periode gemaakte kosten hebben in totaal € 23.076,79 exclusief btw bedragen. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 meent [eiseres] dat voor de vraag of en in hoeverre een benadeelde de kosten van een procedure kan verhalen op een derde die niet in de procedure betrokken was de algemene regels betreffende aansprakelijkheid en schadevergoeding gelden. Op grond hiervan dient [gedaagde 4 en 5] aansprakelijk te worden geacht voor de door [eiseres] in de periode tussen 2 maart 2011 en 28 augustus 2013 gemaakte kosten nu die kosten volledig zien op de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 1] waarvoor [gedaagde 4 en 5] als derde aansprakelijk zijn wegens hun handelen zonder toereikende volmacht, aldus [eiseres] .
Ook de procedures tegen het notariskantoor zijn volgens [eiseres] noodzakelijk gebleken als gevolg van het feit dat [gedaagde 4 en 5] hebben gehandeld zonder te beschikken over een toereikende volmacht nu [gedaagde 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog in het geheel niet bestond. Een niet bestaande vennootschap kan eenvoudigweg geen waarborgsom storten en evenmin een bankgarantie stellen. Als uitgangspunt heeft volgens [eiseres] te gelden dat bevoegd gesloten overeenkomsten ook worden nagekomen en er in dit geval dus ook tijdig sprake zou zijn geweest van het stellen een waarborgsom of het afgeven van een bankgarantie. De klachtprocedures en de civiele procedures tegen het notariskantoor hadden in dat geval niet hoeven te worden gevoerd zodat ook de hieraan verbonden kosten een gevolg zijn geweest van het feit dat de heren [gedaagde 4 en 5] hebben gehandeld zonder te beschikken over een toerekende volmacht. [eiseres] is daarom primair van oordeel dat het bedrag van € 112.809,47 excl. BTW als schade voor vergoeding in aanmerking komt. De procedures tegen het notariskantoor zijn volgens [eiseres] extra kostbaar geworden omdat het notariskantoor in haar aanvankelijk onjuiste standpunt dat er een bankgarantie is geweest en deze was verlopen, ten onrechte werd gesteund door [gedaagde 4 en 5] door een door het notariskantoor opgestelde brief voor akkoord te ondertekenen. Indien de juridische kosten volgens de rechtbank niet volledig aan [gedaagde 4 en 5] kunnen worden toegerekend, verzoekt [eiseres] subsidiair de omvang van de schade die op grond hiervan kan worden toegerekend aan [gedaagde 4 en 5] te schatten op de voet van artikel 6:97 BW.




5.17.


[gedaagde 4 en 5] voeren tegen de vordering met betrekking tot de juridische kosten aan dat er geen sprake is van een causaal verband tussen deze kosten en de normschending, dat in Nederland sprake is van forfaitaire proceskosten en dat in de procedures overeenkomstig de wet proceskostenveroordelingen zijn uitgesproken. Er is geen grondslag voor de door [eiseres] gevraagde kostenveroordeling. [gedaagde 4 en 5] waren ook als procespartij betrokken in de procedures tussen [gedaagde 1] en zij waren dus geen derden. De gevoerde procedures hadden ook op hen betrekking zodat de aangehaalde strikte maatstaf uit het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012 (NJ 2012, 233, Duka/Achmea) hier van toepassing is. [gedaagde 4 en 5] betwisten dat de juridische kosten het gevolg zijn van een gestelde ontoereikende volmacht. Het hebben van een toereikende volmacht betekent hier niet dat alsdan zou zijn nagekomen. Duidelijk is immers dat [gedaagde 1] in de rechtbankprocedure heeft gesteld te hebben gedwaald en niet meer in staat te zijn tot nakoming. De nakoming was niet afhankelijk van de vraag of de volmacht al dan niet toereikend was. Dat er als gevolg van een niet toereikende volmacht juridische kosten zouden zijn gemaakt, is door [eiseres] niet aangetoond. [gedaagde 4 en 5] betwisten dat de procedure vanaf 2 maart 2011 enkel nog betrekking heeft gehad op [eiseres] en [gedaagde 1] . Weliswaar is in het tussenvonnis geoordeeld dat [gedaagde 4 en 5] niet konden worden aangesproken, maar dat betekent niet dat de procedure enkel nog zag op [gedaagde 1] . Het betekent ook niet dat [gedaagde 4 en 5] geen procespartij meer waren en de strikte norm voor het verhalen van de proceskosten op basis van forfaitaire bedragen op hen voor dat deel niet meer zou gelden. Zij zijn procespartij gebleven.
Het eigen handelen van de notaris kan niet aan [gedaagde 4 en 5] worden toegerekend of verweten. De door [gedaagde 4] ondertekende brief doet daar niets aan af.
Tot slot betwisten [gedaagde 4 en 5] de juistheid van de gevorderde bedragen. Volgens [gedaagde 4 en 5] blijkt nergens uit dat de gestelde bedragen ten behoeve van de procedure zijn gemaakt, dat deze in rekening zijn gebracht bij [eiseres] en dat deze door haar werden betaald.




5.18.
De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert op grond van artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv aan artikel 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden. Onder bijzondere omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad, is een volledige vergoeding niettemin mogelijk. Het enkele feit dat men een ander ten onrechte in rechte heeft betrokken en dientengevolge in het ongelijk is gesteld, geeft wel grond voor een veroordeling in de proceskosten van die ander, maar geen grond voor een veroordeling daarnaast tot betaling van buitengerechtelijke kosten.



5.19.

De door [eiseres] gevorderde kosten voor juridische bijstand vallen, voor zover deze betrekking hebben op de tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 4 en 5] gevoerde procedures, binnen deze limitatieve en exclusieve regeling en komen daarom niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Hierbij wordt niet gekeken in hoeverre het inhoudelijke debat tijdens de gerechtelijke procedures betrekking had op de ene of de andere procespartij; het enkele feit dat [gedaagde 4 en 5] procespartij waren, maakt dat de ten behoeve van de procedures gemaakte kosten onder de limitatieve en exclusieve proceskostenregeling vallen.
Juridische kosten die het gevolg zijn van misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad (de uitzonderingen), voor zover daar al sprake van zou zijn, kunnen in deze schadestaatprocedure niet aan de orde komen (zie ook rechtsoverweging 5.4. hiervoor).




5.20.
Voor vergoeding kunnen slechts in aanmerking komen die juridische kosten die het directe gevolg zijn van het niet kunnen instaan door [gedaagde 4 en 5] van de door hen gepretendeerde volmacht van de ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bestaande rechtspersoon [gedaagde 1] en buiten de hiervoor bedoelde limitatieve en exclusieve proceskostenregeling vallen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aangetoond of aannemelijk geworden dat de door [eiseres] opgevoerde kosten aan dit criterium voldoen.



5.21.
De rechtbank volgt [eiseres] ook niet in haar stelling dat juridische kosten gemaakt ten behoeve de procedures tegen [A] Notarissen het gevolg zijn van het niet kunnen instaan door [gedaagde 4 en 5] van de door hen gepretendeerde volmacht. Deze kosten zijn naar het oordeel van de rechtbank het directe gevolg van de normschending door [A] Notarissen zelf. [eiseres] gaat er naar het oordeel van de rechtbank bij haar stellingname ten onrechte vanuit dat bij een toereikende volmacht de koopovereenkomst door [gedaagde 1] zou zijn nagekomen, er door haar zekerheid zou zijn gesteld en van een normschending door het notariskantoor in dat geval geen sprake zou zijn geweest. De rechtbank kan er in dit geval niet omheen dat tussen partijen voldoende vaststaat, mede gelet op hun verklaringen tijdens de mondelinge behandeling op 5 juli 2022, dat de tekortkoming in de nakoming van koopovereenkomst door [gedaagde 1] met name verband houdt met het niet langer gestand willen doen van de intentieovereenkomst door de gemeente en daaruit voortvloeiende financieringsproblemen voor [gedaagde 1] . Bij gebreke van voldoende causaal verband komen ook de ten behoeve van de procedures tegen [A] Notarissen gemaakte juridische kosten daarom niet voor vergoeding in aanmerking.



5.22.
Omdat de rechtbank het op grond van de stellingen van [eiseres] niet aannemelijk vindt dat zij juridische kosten heeft gemaakt die aan het hiervoor bij 5.20 genoemde criterium voldoen, kan zij op de voet van artikel 6:97 BW ook geen schadebedrag schatten.



5.23.
De slotsom is dat de schadevorderingen wegens juridische kosten niet toewijsbaar zijn.



5.24.

Nu alle vorderingen in de schadestaatprocedure tegen [gedaagde 4 en 5] worden afgewezen, heeft [eiseres] te gelden als de in het ongelijk gestelde partij.
De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis in beide schadestaatprocedures.




Resumerend in beide schadestaatprocedures





5.25.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van akten door partijen met het hiervoor bij r.o. 5.8.4., 5.8.5. en 5.8.10 aangegeven doel. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





6De beslissing


De rechtbank




in de schadestaatprocedure tegen [gedaagde 1]




6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 4 januari 2023 voor het nemen van een akte door [eiseres] over wat is vermeld bij rechtsoverweging 5.8.4, 5.8.5 en 5.8.10 waarna de wederpartij op de rol van 4 weken daarna een antwoordakte kan nemen,



en in alle procedures





6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Bartels, mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. S.A.H.J. Warringa en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2022




HR 27 juni 1975, NJ 1976,159 en HR 4 februari 1977, NJ 1977, 425


Prof.mr.dr.ir.T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr.14), Deventer 2012, zie 5.3.


Randnummer 8.15 in de dagvaarding


Productie 15 bij dagvaarding, pagina 1 van bijlage 1


Bijlage 15 bij dagvaarding


Bijlage 15 bij dagvaarding


Randnummer 6.2. van de spreekaantekeningen van mr. Coppens van 5 juli 2022


Vgl. o.m. Hoge Raad 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:484


Randnummer 11.11 bij dagvaarding



NJ 2004/254, (Vreeswijk/Van Heekeren).



NJ 2012, 233, (Duka/Achmea)


Hoge Raad 12 juni 2015, NJ 2016/380



Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 36