Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3533
2026-08-06
Strafrecht; Strafprocesrecht
18-164935-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding voor ITB Harde Kern tijdens schorsing van de voorlopige hechtenis ivm vrijheidsbeperking
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2023:4712 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.288 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-164935-23
raadkamernummer : 25-029506 en 25-029507
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. A.M. Veld, advocaat te Koekange.
Procesverloop
Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 oktober 2025 is verzoeker vrijgesproken in de onderhavige strafzaak.
Op 17 november 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis tot een bedrag
van 4.560,- (3.790,- plus verhoging per 1 januari 2026 á 770,-);
- schade geleden als gevolg van de schorsing van de voorlopige hechtenis tot een bedrag van 9.000,-, te
weten 180 dagen tegen een tarief van 50,- per dag;
- de kosten voor het opstellen en indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, eventueel te vermeerderen in het geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 22 december 2025 en de reactie van de advocaat van 21 januari 2026.
In de reactie van de advocaat van 21 januari 2026 heeft de advocaat een aanvullend verzoek gedaan de forfaitaire bedragen voor ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis toe te passen zoals die met ingang van 1 januari 2026 gelden, omdat het verzoek ook na
1 januari 2026 ingediend had kunnen worden. Dit betekent een verhoging van het verzoek met een bedrag van in totaal 770,-.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en het Openbaar Ministerie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Verzoeker maakt derhalve aanspraak op vergoeding van door hem geleden schade, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoeker is op 5 juli 2023 in verzekering gesteld en op 7 juli 2023 is de bewaring van verzoeker bevolen. Vervolgens is op 19 juli 2023 de gevangenhouding van verzoeker bevolen. Met ingang van 10 augustus 2023 is de voorlopige hechtenis van verzoeker geschorst onder een zestiental voorwaarden, waaronder verblijf bij de instelling [instelling] , de ITB Harde Kern Maatregel en twee maanden huisarrest. De ITB Harde Kern Maatregel heeft tot 8 februari 2024 geduurd. Bij vonnis van 7 oktober 2025 is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
De gevraagde vergoeding voor de ondergane inverzekeringstelling komt voor vergoeding in aanmerking. Het volledige bedrag van 4.560,- zal dan ook worden toegewezen.
Voorts wordt een vergoeding gevraagd voor de tijd dat verzoeker in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis onderworpen is geweest aan de ITB Harde Kern Maatregel en het huisarrest. Verzocht wordt een bedrag van 50,- per dag over een periode van 180 dagen.
De rechtbank overweegt in dit kader als volgt.
Vrijheidsbeperking gedurende de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst is geweest valt in beginsel niet onder de reikwijdte van art. 533 Sv. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 EVRM reden geven tot
schadevergoeding. Uit de jurisprudentie volgt dat met name de concrete situatie van de betrokkene uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling of sprake is van het van zijn vrijheid beroofd zijn geweest. Daarbij is een aantal factoren van belang, zoals aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken.
De maatregel ITB-Harde Kern houdt in dat voor een jongere een weekrooster wordt gemaakt waarin zijn dagbesteding, sport, vrije tijd en eventuele therapie-afspraken staan en dat de jongere gedurende dit traject streng begeleid en gecontroleerd wordt door een jeugdreclasseringswerker. Ook voor verzoeker was dit het geval.
Aldus werd verzoeker aanzienlijk beperkt in zijn dagelijks leven en in de ruimte om zelfstandig keuzes te maken. De vraag is of verzoeker dusdanig in zijn vrijheid werd beperkt dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming.
De rechtbank is slechts voor een deel van de periode dat de maatregel van kracht is geweest van oordeel dat sprake was dusdanige beperkingen dat gesproken kan worden van vrijheidsontneming.
Blijkens de schorsende voorwaarden was er de eerste twee maanden van de maatregel sprake van huisarrest, gedurende welke periode verzoeker enkel onder begeleiding en met toestemming van de jeugdreclassering naar buiten mocht. Naar het oordeel van de rechtbank was de ruimte van verzoeker om autonoom te functioneren en eigen keuzes te maken in deze periode dusdanig beperkt dat sprake was van vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het EVRM. De rechtbank zal voor deze periode dan ook een schadevergoeding toekennen. De rechtbank zoekt daarbij aansluiting bij het door het Hof Arnhem-Leeuwarden in 2023 toegekende bedrag voor de maatregel ITB-Harde Kern van 40,- per dag.1
Na de periode van het huisarrest werd de mate waarin verzoeker binnen het weekrooster enige vrijheid had om zelfstandig te functioneren en eigen keuzes te maken ruimer. Zo blijkt uit het weekrooster van de week van 16 oktober 2023 onder andere dat verzoeker zelfstandig naar zijn dagbesteding mocht reizen en dat hij verschillend per dag 1 of 2 uur naar buiten mocht. Hoewel de rechtbank er oog voor heeft dat er ook in deze periode nog steeds sprake was van een aanzienlijke beperking van het dagelijks leven van verzoeker, kan naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet meer gesproken worden van vrijheidsbeperking die feitelijk gelijk is te stellen aan vrijheidsontneming. Hierbij heeft de rechtbank voorts nog in aanmerking genomen dat verzoeker ook al voor zijn inverzekeringstelling begeleid woonde bij [instelling] , waar verzoeker ook gebonden was aan huisregels waarop toezicht werd gehouden. In die zin waren de effecten van de ITB-Harde Kern maatregel voor verzoeker minder ingrijpend. Alles afwegende wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding voor de overige periode dat de maatregel van kracht is geweest, af.
Concluderend zal voor de maatregel ITB-Harde Kern een bedrag van 2.680,- (67 dagen van 10 augustus 2023 tot 16 oktober 2023 tegen 40,- per dag) worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen per 1 januari 2026, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 420,-.
Beslissing
De rechtbank:
kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 7.660,-
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers-Peters, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van:
7.240,- (zegge: zevenduizendtweehonderdveertig euro), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [verzoeker] onder vermelding van “Art. 533 Sv parketnummer 18-164935-23”.
en
420,- (zegge: vierhonderdtwintig euro) ten gunste van Veld Advocatuur, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Veld Advocatuur onder vermelding van “Art. 530 Sv parketnummer 18-164935-23”.
1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4712.
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-164935-23
raadkamernummer : 25-029506 en 25-029507
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. A.M. Veld, advocaat te Koekange.
Procesverloop
Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 oktober 2025 is verzoeker vrijgesproken in de onderhavige strafzaak.
Op 17 november 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis tot een bedrag
van 4.560,- (3.790,- plus verhoging per 1 januari 2026 á 770,-);
- schade geleden als gevolg van de schorsing van de voorlopige hechtenis tot een bedrag van 9.000,-, te
weten 180 dagen tegen een tarief van 50,- per dag;
- de kosten voor het opstellen en indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, eventueel te vermeerderen in het geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 22 december 2025 en de reactie van de advocaat van 21 januari 2026.
In de reactie van de advocaat van 21 januari 2026 heeft de advocaat een aanvullend verzoek gedaan de forfaitaire bedragen voor ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis toe te passen zoals die met ingang van 1 januari 2026 gelden, omdat het verzoek ook na
1 januari 2026 ingediend had kunnen worden. Dit betekent een verhoging van het verzoek met een bedrag van in totaal 770,-.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en het Openbaar Ministerie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Verzoeker maakt derhalve aanspraak op vergoeding van door hem geleden schade, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Verzoeker is op 5 juli 2023 in verzekering gesteld en op 7 juli 2023 is de bewaring van verzoeker bevolen. Vervolgens is op 19 juli 2023 de gevangenhouding van verzoeker bevolen. Met ingang van 10 augustus 2023 is de voorlopige hechtenis van verzoeker geschorst onder een zestiental voorwaarden, waaronder verblijf bij de instelling [instelling] , de ITB Harde Kern Maatregel en twee maanden huisarrest. De ITB Harde Kern Maatregel heeft tot 8 februari 2024 geduurd. Bij vonnis van 7 oktober 2025 is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
De gevraagde vergoeding voor de ondergane inverzekeringstelling komt voor vergoeding in aanmerking. Het volledige bedrag van 4.560,- zal dan ook worden toegewezen.
Voorts wordt een vergoeding gevraagd voor de tijd dat verzoeker in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis onderworpen is geweest aan de ITB Harde Kern Maatregel en het huisarrest. Verzocht wordt een bedrag van 50,- per dag over een periode van 180 dagen.
De rechtbank overweegt in dit kader als volgt.
Vrijheidsbeperking gedurende de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst is geweest valt in beginsel niet onder de reikwijdte van art. 533 Sv. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 EVRM reden geven tot
schadevergoeding. Uit de jurisprudentie volgt dat met name de concrete situatie van de betrokkene uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling of sprake is van het van zijn vrijheid beroofd zijn geweest. Daarbij is een aantal factoren van belang, zoals aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken.
De maatregel ITB-Harde Kern houdt in dat voor een jongere een weekrooster wordt gemaakt waarin zijn dagbesteding, sport, vrije tijd en eventuele therapie-afspraken staan en dat de jongere gedurende dit traject streng begeleid en gecontroleerd wordt door een jeugdreclasseringswerker. Ook voor verzoeker was dit het geval.
Aldus werd verzoeker aanzienlijk beperkt in zijn dagelijks leven en in de ruimte om zelfstandig keuzes te maken. De vraag is of verzoeker dusdanig in zijn vrijheid werd beperkt dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming.
De rechtbank is slechts voor een deel van de periode dat de maatregel van kracht is geweest van oordeel dat sprake was dusdanige beperkingen dat gesproken kan worden van vrijheidsontneming.
Blijkens de schorsende voorwaarden was er de eerste twee maanden van de maatregel sprake van huisarrest, gedurende welke periode verzoeker enkel onder begeleiding en met toestemming van de jeugdreclassering naar buiten mocht. Naar het oordeel van de rechtbank was de ruimte van verzoeker om autonoom te functioneren en eigen keuzes te maken in deze periode dusdanig beperkt dat sprake was van vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het EVRM. De rechtbank zal voor deze periode dan ook een schadevergoeding toekennen. De rechtbank zoekt daarbij aansluiting bij het door het Hof Arnhem-Leeuwarden in 2023 toegekende bedrag voor de maatregel ITB-Harde Kern van 40,- per dag.1
Na de periode van het huisarrest werd de mate waarin verzoeker binnen het weekrooster enige vrijheid had om zelfstandig te functioneren en eigen keuzes te maken ruimer. Zo blijkt uit het weekrooster van de week van 16 oktober 2023 onder andere dat verzoeker zelfstandig naar zijn dagbesteding mocht reizen en dat hij verschillend per dag 1 of 2 uur naar buiten mocht. Hoewel de rechtbank er oog voor heeft dat er ook in deze periode nog steeds sprake was van een aanzienlijke beperking van het dagelijks leven van verzoeker, kan naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet meer gesproken worden van vrijheidsbeperking die feitelijk gelijk is te stellen aan vrijheidsontneming. Hierbij heeft de rechtbank voorts nog in aanmerking genomen dat verzoeker ook al voor zijn inverzekeringstelling begeleid woonde bij [instelling] , waar verzoeker ook gebonden was aan huisregels waarop toezicht werd gehouden. In die zin waren de effecten van de ITB-Harde Kern maatregel voor verzoeker minder ingrijpend. Alles afwegende wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding voor de overige periode dat de maatregel van kracht is geweest, af.
Concluderend zal voor de maatregel ITB-Harde Kern een bedrag van 2.680,- (67 dagen van 10 augustus 2023 tot 16 oktober 2023 tegen 40,- per dag) worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen per 1 januari 2026, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 420,-.
Beslissing
De rechtbank:
kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 7.660,-
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers-Peters, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van:
7.240,- (zegge: zevenduizendtweehonderdveertig euro), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [verzoeker] onder vermelding van “Art. 533 Sv parketnummer 18-164935-23”.
en
420,- (zegge: vierhonderdtwintig euro) ten gunste van Veld Advocatuur, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Veld Advocatuur onder vermelding van “Art. 530 Sv parketnummer 18-164935-23”.
1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4712.