Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3443

2026-08-13 Bestuursrecht LEE 26/2390
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
LEE 26/2390
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Rijbewijs is ongeldig verklaard omdat verzoekster in afwachting is van de beslissing op haar asielaanvraag. De rechtsvraag of dit strijdig is met de Rijbewijsrichtlijn, is te complex om in een spoedprocedure te worden beantwoord. De belangenafweging valt uit in het voordeel van verzoekster.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.339 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 26/2390


uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en de burgemeester van de gemeente Leeuwarden,
(gemachtigde: P. Kuperus).


Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekster af.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot de toewijzing komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Totstandkoming van het besluit en procesverloop


2. Verzoekster heeft, samen met haar twee minderjarige dochters, in Nederland asiel aangevraagd. Zij verblijft in een asielzoekerscentrum.



2.1.
Op 9 oktober 2025 heeft verzoekster een rijbewijs aangevraagd. Op 15 oktober 2025 is het aangevraagde rijbewijs aan haar uitgereikt.



2.2.
Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 heeft de burgemeester het rijbewijs ongeldig verklaard, omdat de uitreiking ten onrechte is geweest. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.3.
Op 5 maart 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.



2.4.
Verzoekster heeft op 22 juli 2026 een tweede verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en een tolk. De burgemeester heeft zich afgemeld voor de zitting. Het onderzoek ter zitting is gesloten.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


3. De regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.



4.1.
In bovengenoemde uitspraak van 3 april 2026 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de burgemeester terecht stelt dat uit de toepasselijke wettelijke bepalingen voortvloeit dat het rijbewijs ongeldig moet worden verklaard. Uit deze bepalingen volgt dat een rijbewijs niet wordt afgegeven aan een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Op die grond heeft verzoekster als aanvraagster van een verblijfsvergunning rechtmatig verblijf in Nederland.



4.2.
De burgemeester heeft, voorafgaand aan de zitting, laten weten zich te refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Ter zitting is besproken dat niet in geschil is dat de bestreden ongeldigverklaring van het rijbewijs in overeenstemming is met het nationale recht.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat er nu een tweede verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voorligt dat gericht is tegen hetzelfde besluit, terwijl nog niet op het bezwaar is beslist. Volgens vaste rechtspraak kan een herhaald verzoek afgewezen worden als zich geen nieuwe feiten of omstandigheden voordoen. De voorzieningenrechter ziet hiertoe geen aanleiding. Verzoekster voert nieuwe argumenten aan die inmiddels in een vergelijkbare zaak hebben geleid tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het gaat in dit geval om een nog lopende (bezwaar)procedure, waarin de nieuwe argumenten nog aangevoerd kunnen worden. Deze argumenten zijn dus van belang voor de inschatting van de kans van slagen van het bezwaar.

6. De gronden die verzoekster in deze verzoekprocedure aanvoert, hebben de strekking dat de nationaalrechtelijke bepalingen moeten wijken voor Europeesrechtelijke regelgeving. Samengevat gaat het om de volgende gronden.



6.1.
Verzoekster wijst erop dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rijbewijsrichtlijn bepaalt dat een voorwaarde die gesteld dient te worden aan afgifte van een rijbewijs is dat de betrokkene zijn of haar gewone verblijfplaats heeft in de Lidstaat. Uit het vierde lid van dit artikel volgt dat geen andere voorwaarden aan afgifte mogen worden gesteld dan opgenomen in het eerste lid, tenzij de Europese Commissie daarover is geraadpleegd. Niet is gebleken, aldus verzoekster, dat een dergelijke raadpleging heeft plaatsgevonden. Vervolgens bepaalt artikel 12 van de Rijbewijsrichtlijn dat de gewone verblijfplaats de plek is waar de betrokkene gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen, verblijft. Verzoekster stelt dat zij haar gewone verblijfplaats, in de zin van deze bepaling, in Nederland heeft. Verzoekster betoogt dat uit het voorgaande volgt dat de nationaalrechtelijke bepaling (in artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet) dat een rijbewijs niet wordt afgegeven aan een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, in strijd is met de genoemde bepalingen van de Rijbewijsrichtlijn.



6.2.
Verzoekster betoogt ook dat uit de opvangrichtlijnen (2013/33/EU en 2024/1346) volgt dat door de Lidstaat onder voorwaarden aan asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt geboden wordt, wat betekent dat zij ook in de gelegenheid gesteld moeten worden om met de auto naar een werkplek te rijden. Verzoekster stelt dat haar verblijfssituatie aan de relevante voorwaarden voldoet.



7.1.
De voorzieningenrechter acht de kans klein dat de grond over de opvangrichtlijnen (6.2.) in de heroverweging op bezwaar tot een andere uitkomst zal leiden. Toegang tot de arbeidsmarkt is in de Nederlandse omstandigheden in het algemeen ook mogelijk voor diegenen die gebruik maken van openbaar vervoer of de fiets.



7.2.
Lastiger is om in te schatten hoe kansrijk het betoog over de Rijbewijsrichtlijn (6.1.) is. Een spoedprocedure leent zich niet voor beantwoording van deze complexe rechtsvraag. Dit dient te gebeuren in een eventuele latere beroepsprocedure, mogelijk door een meervoudige kamer van de rechtbank.



7.3.
De voorzieningenrechter ziet zich daarom voor de vraag gesteld wat de onzekerheid over de kans van het bezwaar voor gevolgen moet hebben. De voorzieningenrechter laat dit, bij afweging van de betrokken belangen, in het voordeel van verzoekster uitvallen. Het algemeen belang bij ongeldigheid van het rijbewijs van verzoekster is klein, omdat niet in geschil is dat verzoekster voldoet aan de overige voorwaarden voor de verstrekking van een rijbewijs (zie 4.2.) en omdat de verkeersveiligheid niet in geding is. Aan de andere kant kan het gemis van een rijbewijs achteraf niet goed gecompenseerd worden in het geval de grond over de Rijbewijsrichtlijn uiteindelijk zal slagen.




Conclusie en gevolgen


8.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit (de ongeldigverklaring van het rijbewijs) is geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Het is aan partijen om een afspraak te maken over het afhalen van het rijbewijs. Gezien de gang van zaken na de uitspraak van 3 april 2026, en het gegeven dat de burgemeester heeft aangegeven zich aan het oordeel te refereren, heeft de voorzieningenrechter er vertrouwen in dat partijen dit onderling kunnen regelen.



8.2.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.




Beslissing


De voorzieningenrechter:


- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.


Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.




Bijlage


Wegenverkeerswet

Artikel 111

3. Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet. Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken.


Artikel 124

1. Onverminderd de artikelen 132, tweede lid, en 134, vierde lid, wordt een rijbewijs overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels voor een of meer categorieën van motorrijtuigen of voor een deel van de geldigheidsduur ongeldig verklaard indien:

(…)
b.na afgifte van het rijbewijs blijkt dat het kennelijk abusievelijk aan de houder is afgegeven;

2. De ongeldigverklaring geschiedt:
(…)
c. in de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde gevallen door degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, indien de ongeldigverklaring betrekking heeft op een rijbewijs dat niet is afgegeven door de Dienst Wegverkeer of door Onze Minister, dan wel door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
3. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.
4. De houder van het ongeldig verklaarde rijbewijs dient dat rijbewijs zodra de ongeldigverklaring van kracht is geworden, in te leveren bij degene die het ongeldig heeft verklaard.



Vreemdelingenwet 2000

Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
(…)
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;



RICHTLIJN 2006/126/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs
Artikel 7

1. De afgifte van het rijbewijs is aan de volgende voorwaarden onderworpen:
(…)
e) De aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.
(…)
4. Onverminderd de nationale strafrechtelijke en politiële bepalingen kunnen de lidstaten na raadpleging van de Commissie voor de afgifte van het rijbewijs nationale voorschriften laten gelden die andere dan de in deze richtlijn vervatte voorwaarden behelzen.


Artikel 12
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „gewone verblijfplaats” verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.



De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats dan zijn persoonlijke bindingen heeft en daardoor afwisselend op verschillende plaatsen in twee of meer lidstaten verblijft, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats als zijn persoonlijke bindingen te bevinden, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt, wanneer de betrokkene voor een opdracht van een bepaalde duur in een lidstaat verblijft. Het volgen van onderwijs aan een universiteit of een school impliceert niet dat de gewone verblijfplaats is verplaatst.



ECLI:NL:RBNNE:2026:2119


Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 6 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4958 (niet gepubliceerd).


Richtlijn 2006/126/EG.