Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:4958
2026-05-06
Bestuursrecht
UTR 26/1443
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening gaat over het ongeldig verklaarde rijbewijs van verzoeker. Na een controle is gebleken dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland zoals bedoeld in artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet, wat maakt dat het rijbewijs nooit afgegeven had mogen worden. De vraag of de Wegenverkeerswet in strijd is met de Rijbewijsrichtlijn leent zich niet voor afdoening in een voorlopige voorzieningsprocedure. Belang bij het treffen van een voorlopige voorziening valt wel in het voordeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2023:4341 Raad van State 29-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2021:2557 Raad van State 17-11-2021
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3443 Rechtbank Noord-Nederland 13-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (12.028 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1443
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.T. Bosman),
en
de burgemeester van de gemeente Utrecht
(gemachtigden: : Mevr. N. Notenboom, mevr. T. Puertas en dhr. M. Vink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het door de burgemeester ongeldig verklaarde rijbewijs van verzoeker. Na een controle is gebleken dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als bedoeld in de Wegenverkeerswet, wat maakt dat het rijbewijs nooit afgegeven had mogen worden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 9 januari 2026 heeft de burgemeester het rijbewijs van verzoeker per 16 januari 2026 ongeldig verklaard. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van verweerder en mr. A. Khalaf als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3. Op 19 februari 2024 heeft verzoeker een rijbewijs met categorieën AM en B aangevraagd, welke is verleend door de burgemeester. Op 10 maart 2025 heeft verzoeker om vervanging van dit rijbewijs gevraagd wegens verlies of diefstal. Ook dit rijbewijs is aan verzoeker afgegeven. Op een later moment is uit een controle gebleken dat verzoeker op het moment van de aanvraag van, zowel het eerste rijbewijs als het vervangende rijbewijs, geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met d en i van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit schrijft artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) wel voor. Daarom is het rijbewijs ongeldig verklaard op grond artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw
4. Verzoeker voert aan dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder g, van de Vw. Hij is van mening dat de eisen in de Wvw over vormen van rechtmatig verblijf in strijd zijn met richtlijn 2006/126/EG (de Rijbewijsrichtlijn). Volgens Artikel 7, eerste lid, onder e, van de Rijbewijsrichtlijn moet de aanvrager van een rijbewijs zijn ‘gewone verblijfplaats’ op het grondgebied van een lidstaat hebben. De verblijfsstatus van een aanvrager wordt in de Rijbewijsrichtlijn dus niet genoemd. Onder de gewone verblijfplaats wordt volgens artikel 12 van de Rijbewijsrichtlijn verstaan: ’de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen, ten minste 185 dagen per kalenderjaar’. Daar voldoet verzoeker aan. Verzoeker meent dat de bepalingen in de Wvw artikel 12 van de Rijbewijsrichtlijn uitholt.
5. Tijdens de zitting heeft verzoeker ook een beroep gedaan op de Opvangrichtlijn en het gelijkheidsbeginsel. Door het afpakken van zijn rijbewijs stelt verzoeker geen effectieve toegang (meer) te hebben tot de arbeidsmarkt. Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Afdeling over artikel 15, tweede lid, van de Opvangrichtlijn. Deze richtlijn heeft beoogd de zelfstandigheid van asielzoekers te bevorderen. Een onderdeel van deze brede doelstelling is het vergemakkelijken van de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers en het waarborgen dat zij eerlijke kansen krijgen om in de lidstaten tot de arbeidsmarkt toe te treden. Vanwege artikel 111, derde lid, van de Wvw wordt verzoeker hierin beperkt; hij kan zijn werk als chauffeur immers niet meer uitvoeren en het lukt hem ook geen andere baan te vinden, omdat een rijbewijs vaak vereist is. Verzoeker erkent dat de Afdeling zich eerder heeft uitgelaten over artikel 111, derde lid, van de Wvw, maar dat was voor de uitspraak van de Afdeling over de Opvangrichtlijn en toegang tot de arbeidsmarkt.
Geen beoordelingsruimte
6. Niet in geschil is dat verzoeker geen vorm van rechtmatig verblijf heeft in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l, van de Vw. Ook is niet in geschil dat aan verzoeker een rijbewijs is afgegeven in strijd met artikel 111, derde lid, van de Wvw. Gelet daarop heeft de burgemeester in beginsel terecht het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw dwingend is geformuleerd, waardoor de burgemeester geen beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 111, derde lid, van de Wvw. Indien het rijbewijs abusievelijk is afgegeven is de burgemeester gehouden dat rijbewijs ongeldig te verklaren.
Beroep op Europees recht
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beantwoording van de vraag of artikel 111, derde lid, van de Wvw in strijd is met de Rijbewijsrichtlijn en/of de Opvangrichtlijn, zich niet leent voor afdoening door een rechter in een voorlopige voorzieningsprocedure.De juridische discussie hierover is namelijk niet eenvoudig van aard en de burgemeester heeft geen onderbouwd standpunt ingenomen over het beroep van verzoeker op de Rijbewijsrichtlijn en Opvangrichtlijn; volstaan is met een verwijzing naar de Nederlandse wetgeving en dat de burgemeester zich daar aan gebonden acht, tot dat een (hogere) rechter of de wetgever oordeelt dat dit niet (langer) kan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in ieder geval niet direct vanzelfsprekend dat verzoeker geen recht heeft op de afgifte van een rijbewijs. Gelet op het voorgaande, geeft de voorzieningenrechter geen verder voorlopig oordeel over de uitkomst van de procedure.
8. De voorzieningenrechter weegt wél de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de burgemeester die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af, om te bekijken of er desondanks een voorziening moet worden getroffen.
9. Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Vw 2000 (Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, p. 20-21) volgt dat artikel 111, derde lid, van de Wvw 1994 is gebaseerd op het koppelingsbeginsel. Deze bepaling strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland (Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, p. 1-2). Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt (Kamerstukken II, 1995/96, 24 233, nr. 6, p. 3-4). Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, zoals dat uit artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 volgt, bestaat volgens bestendige rechtspraak van de Afdeling in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Met dit onderscheid wordt een legitiem doel gediend. Immers, met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.
10. Verzoeker heeft tijdens de zitting uitgelegd dat hij een groot belang heeft bij de teruggave van zijn rijbewijs, omdat hij weer aan het werk wil. Verzoeker mag in afwachting van een antwoord op zijn asielprocedure werken en deed dit al twee jaar als chauffeur. Dit werk kan hij nu niet uitvoeren, maar hij mag weer aan het werk zodra hij zijn rijbewijs terug heeft. Verzoeker heeft ook geprobeerd om elders te solliciteren, maar wordt helaas nergens anders aangenomen.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester om de doelen te dienen die voortvloeien uit het koppelingsbeginsel. Daarbij hecht de rechtbank er sterk aan dat verzoeker bijna twee jaar over een rijbewijs heeft beschikt, waardoor die belangen in dit concrete geval sterk genuanceerd moeten worden. De duidelijke belangen van verzoeker moeten daarom voor nu zwaarder wegen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat het bestreden besluit geschorst wordt tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en dat verzoeker behandeld dient te worden als het ware hij in het bezit is van een geldig rijbewijs. Of verzoeker feitelijk in het bezit gesteld moet worden van een nieuw fysiek rijbewijs of dat hij met zijn oude, ongeldig verklaarde, rijbewijs mag rijden, is een praktische vraag waarop de burgemeester en verzoeker in overleg een antwoord moeten vinden.
12. De voorzieningenrechter hecht er aan te benadrukken dat de burgemeester in de te nemen beslissing op bezwaar ook gemotiveerd zal moeten reageren op het beroep van verzoeker op de Opvang- en rijbewijsrichtlijn, nu dit onderdeel is van het geldende recht.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het besluit van 9 januari 2026 tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
De griffier is niet in de gelegenheiddeze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2023:4341.
ECLI:NL:RVS:2021:2557.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1443
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.T. Bosman),
en
de burgemeester van de gemeente Utrecht
(gemachtigden: : Mevr. N. Notenboom, mevr. T. Puertas en dhr. M. Vink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het door de burgemeester ongeldig verklaarde rijbewijs van verzoeker. Na een controle is gebleken dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als bedoeld in de Wegenverkeerswet, wat maakt dat het rijbewijs nooit afgegeven had mogen worden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 9 januari 2026 heeft de burgemeester het rijbewijs van verzoeker per 16 januari 2026 ongeldig verklaard. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van verweerder en mr. A. Khalaf als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het besluit
3. Op 19 februari 2024 heeft verzoeker een rijbewijs met categorieën AM en B aangevraagd, welke is verleend door de burgemeester. Op 10 maart 2025 heeft verzoeker om vervanging van dit rijbewijs gevraagd wegens verlies of diefstal. Ook dit rijbewijs is aan verzoeker afgegeven. Op een later moment is uit een controle gebleken dat verzoeker op het moment van de aanvraag van, zowel het eerste rijbewijs als het vervangende rijbewijs, geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met d en i van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit schrijft artikel 111, derde lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw) wel voor. Daarom is het rijbewijs ongeldig verklaard op grond artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw
4. Verzoeker voert aan dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder g, van de Vw. Hij is van mening dat de eisen in de Wvw over vormen van rechtmatig verblijf in strijd zijn met richtlijn 2006/126/EG (de Rijbewijsrichtlijn). Volgens Artikel 7, eerste lid, onder e, van de Rijbewijsrichtlijn moet de aanvrager van een rijbewijs zijn ‘gewone verblijfplaats’ op het grondgebied van een lidstaat hebben. De verblijfsstatus van een aanvrager wordt in de Rijbewijsrichtlijn dus niet genoemd. Onder de gewone verblijfplaats wordt volgens artikel 12 van de Rijbewijsrichtlijn verstaan: ’de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen, ten minste 185 dagen per kalenderjaar’. Daar voldoet verzoeker aan. Verzoeker meent dat de bepalingen in de Wvw artikel 12 van de Rijbewijsrichtlijn uitholt.
5. Tijdens de zitting heeft verzoeker ook een beroep gedaan op de Opvangrichtlijn en het gelijkheidsbeginsel. Door het afpakken van zijn rijbewijs stelt verzoeker geen effectieve toegang (meer) te hebben tot de arbeidsmarkt. Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Afdeling over artikel 15, tweede lid, van de Opvangrichtlijn. Deze richtlijn heeft beoogd de zelfstandigheid van asielzoekers te bevorderen. Een onderdeel van deze brede doelstelling is het vergemakkelijken van de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers en het waarborgen dat zij eerlijke kansen krijgen om in de lidstaten tot de arbeidsmarkt toe te treden. Vanwege artikel 111, derde lid, van de Wvw wordt verzoeker hierin beperkt; hij kan zijn werk als chauffeur immers niet meer uitvoeren en het lukt hem ook geen andere baan te vinden, omdat een rijbewijs vaak vereist is. Verzoeker erkent dat de Afdeling zich eerder heeft uitgelaten over artikel 111, derde lid, van de Wvw, maar dat was voor de uitspraak van de Afdeling over de Opvangrichtlijn en toegang tot de arbeidsmarkt.
Geen beoordelingsruimte
6. Niet in geschil is dat verzoeker geen vorm van rechtmatig verblijf heeft in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l, van de Vw. Ook is niet in geschil dat aan verzoeker een rijbewijs is afgegeven in strijd met artikel 111, derde lid, van de Wvw. Gelet daarop heeft de burgemeester in beginsel terecht het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw dwingend is geformuleerd, waardoor de burgemeester geen beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 111, derde lid, van de Wvw. Indien het rijbewijs abusievelijk is afgegeven is de burgemeester gehouden dat rijbewijs ongeldig te verklaren.
Beroep op Europees recht
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beantwoording van de vraag of artikel 111, derde lid, van de Wvw in strijd is met de Rijbewijsrichtlijn en/of de Opvangrichtlijn, zich niet leent voor afdoening door een rechter in een voorlopige voorzieningsprocedure.De juridische discussie hierover is namelijk niet eenvoudig van aard en de burgemeester heeft geen onderbouwd standpunt ingenomen over het beroep van verzoeker op de Rijbewijsrichtlijn en Opvangrichtlijn; volstaan is met een verwijzing naar de Nederlandse wetgeving en dat de burgemeester zich daar aan gebonden acht, tot dat een (hogere) rechter of de wetgever oordeelt dat dit niet (langer) kan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in ieder geval niet direct vanzelfsprekend dat verzoeker geen recht heeft op de afgifte van een rijbewijs. Gelet op het voorgaande, geeft de voorzieningenrechter geen verder voorlopig oordeel over de uitkomst van de procedure.
8. De voorzieningenrechter weegt wél de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de burgemeester die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af, om te bekijken of er desondanks een voorziening moet worden getroffen.
9. Uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de Vw 2000 (Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, p. 20-21) volgt dat artikel 111, derde lid, van de Wvw 1994 is gebaseerd op het koppelingsbeginsel. Deze bepaling strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland (Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, p. 1-2). Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt (Kamerstukken II, 1995/96, 24 233, nr. 6, p. 3-4). Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, zoals dat uit artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 volgt, bestaat volgens bestendige rechtspraak van de Afdeling in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Met dit onderscheid wordt een legitiem doel gediend. Immers, met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.
10. Verzoeker heeft tijdens de zitting uitgelegd dat hij een groot belang heeft bij de teruggave van zijn rijbewijs, omdat hij weer aan het werk wil. Verzoeker mag in afwachting van een antwoord op zijn asielprocedure werken en deed dit al twee jaar als chauffeur. Dit werk kan hij nu niet uitvoeren, maar hij mag weer aan het werk zodra hij zijn rijbewijs terug heeft. Verzoeker heeft ook geprobeerd om elders te solliciteren, maar wordt helaas nergens anders aangenomen.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester om de doelen te dienen die voortvloeien uit het koppelingsbeginsel. Daarbij hecht de rechtbank er sterk aan dat verzoeker bijna twee jaar over een rijbewijs heeft beschikt, waardoor die belangen in dit concrete geval sterk genuanceerd moeten worden. De duidelijke belangen van verzoeker moeten daarom voor nu zwaarder wegen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat het bestreden besluit geschorst wordt tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en dat verzoeker behandeld dient te worden als het ware hij in het bezit is van een geldig rijbewijs. Of verzoeker feitelijk in het bezit gesteld moet worden van een nieuw fysiek rijbewijs of dat hij met zijn oude, ongeldig verklaarde, rijbewijs mag rijden, is een praktische vraag waarop de burgemeester en verzoeker in overleg een antwoord moeten vinden.
12. De voorzieningenrechter hecht er aan te benadrukken dat de burgemeester in de te nemen beslissing op bezwaar ook gemotiveerd zal moeten reageren op het beroep van verzoeker op de Opvang- en rijbewijsrichtlijn, nu dit onderdeel is van het geldende recht.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het besluit van 9 januari 2026 tot 6 weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
De griffier is niet in de gelegenheiddeze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2023:4341.
ECLI:NL:RVS:2021:2557.