Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3402

2026-07-02 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht 12004592 BU VERZ 25-2507
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
12004592 BU VERZ 25-2507
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wahv. R584 – ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’. Ongegrond beroep. Geen reden voor twijfel aan zaakoverzicht. Verzoek dwangsom afgewezen. In administratief beroep is verzocht om termijn voor aanvullen van beroepsgronden. Bieden van die termijn heeft beslistermijn opgeschort tot aanvulling gronden op hoorzitting. Ingebrekestelling daarom prematuur.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.028 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden


Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271223960
zaaknummer: 12004592 BU VERZ 25-2507




uitspraak van de kantonrechter van 2 juli 2026


in de zaak van





[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: Verkeersboete.nl.




Inleiding


1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R584 – ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 19 december 2024, om 15:28 uur, op de Rengerslaan in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).



1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.



1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 18 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was mr. P. Belopavlovic aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie.




Beoordeling door de kantonrechter
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een dwangsom af. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.



Over de overtreding



3. Betrokkene betwist de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de bewijsmiddelen.

4. De vertegenwoordiger stelt dat de overtreding vaststaat.

5. De kantonrechter overweegt dat de enkele ontkenning uit het pro forma-beroepschrift onvoldoende is om te twijfelen aan de gegevens in het zaakoverzicht. De gedraging staat vast en de kantonrechter ziet geen reden voor aanpassing van de boete.
Over de dwangsom

6. Betrokkene stelt dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd. Op 25 augustus 2025 heeft hij een ingebrekestelling verstuurd. De beslissing moet worden geacht te zijn verzonden op 14 oktober 2025, de zevende dag na de dagtekening van de beslissing. Betrokkene schrijft dat er geen sprake was van verzuim in het administratief beroepschrift en dat al bij het instellen van het beroep gronden zijn ingediend, waardoor de beslistermijn niet is opgeschort. Verder voert hij aan dat de officier ten onrechte heeft gesteld dat sprake is van een ‘overmachtsperiode’ en dat geen omstandigheden zijn gebleken die verlenging van de beslistermijn rechtvaardigen. Ook stelt betrokkene dat de opschortingsperiode onjuist is vastgesteld, aangezien opschorting op grond van overmacht niet van rechtswege intreedt maar vanaf het moment van mededelen.

7. De vertegenwoordiger stelt dat er een verzoek is ingediend om de beroepsgronden aan te mogen vullen, waarvoor de officier van justitie een termijn van vier weken heeft gegeven. Met het verlenen van die termijn is de beslistermijn opgeschort. Deze opschorting heeft tot de hoorzitting geduurd en maakt dat de ingebrekestelling prematuur is geweest. Daarom is volgens de vertegenwoordiger geen dwangsom verbeurd.

8. De kantonrechter overweegt eerst dat hij betrokkene niet kan volgen voor wat betreft de gestelde overmachtsperiode. De officier van justitie noemt namelijk geen overmachtssituatie in de verlengingsbrief of de beslissing op administratief beroep. De beslistermijn is volgens de officier opgeschort vanwege het verzoek om een termijn voor het indienen van aanvullende gronden.

9. De vraag die dan voorligt is of de beslistermijn is opgeschort en of de ingebrekestelling prematuur was. Daarbij is het volgende van belang. De officier van justitie moet binnen zestien weken een beslissing nemen op het administratief beroep. Hij kan deze termijn één keer met tien weken verlengen. Het beroepschrift moest uiterlijk op 20 februari 2025 zijn ingediend, waardoor de beslistermijn liep tot en met 12 juni 2025. Op 4 juni 2025 is de beslistermijn verlengd. Hiermee werd de uiterste beslisdatum 21 augustus 2025.


9.1.
De kantonrechter constateert dat in het administratief beroepschrift is verzocht om een termijn voor het aanvullen van de gronden. Op 21 maart 2025 heeft de officier van justitie hiervoor een termijn van vier weken geboden, wat de beslistermijn heeft opgeschort. Dit is ongeacht of bij het administratief beroep al beroepsgronden waren aangevoerd. Op de hoorzitting van 7 mei 2025 zijn de beroepsgronden aangevuld, waarmee de opschorting is geëindigd. De opschorting heeft dus geduurd van 22 maart 2025 tot en met 6 mei 2025. Dit betekent dat de beslistermijn is verlengd met 46 dagen, van 21 augustus 2025 naar 6 oktober 2025. De ingebrekestelling van 25 augustus 2025 was daarmee prematuur, dus heeft de officier van justitie geen dwangsom verbeurd.




Conclusie


10. De kantonrechter concludeert dat het beroep ongegrond is. Daarom zal hij het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen. Ook zal hij het verzoek om een dwangsom afwijzen.




Beslissing


De kantonrechter:




verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af;


wijst het verzoek om een dwangsom af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van D.W. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.



griffier kantonrechter















Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.


Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.



De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.



Artikel 7:24, eerste en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:855.


Artikel 7:24, derde lid, van de Awb.