Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3301
2026-08-04
Strafrecht; Strafprocesrecht
18-076831-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
gedeeltelijk toewijzen verzoek tot schadevergoeding ex artikel 530 en 533 Sv. Overwegingen met betrekking tot afwijzen van vergoeding in de periode dat verzoeker geschorst was uit de voorlopige hechtenis omdat geen sprake was van een situatie die gelijk kan worden gesteld aan een vrijheidsbeneming. Wel onder meer toewijzing van belkosten vanuit de PI en reiskosten moeder van verzoeker.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2023:4712 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.571 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-076831-25
raadkamernummer : 25-033221 en 25-033222
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen.
Procesverloop
Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van 26 september 2025 is verzoeker vrijgesproken in de onderhavige strafzaak.
Op 22 december 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis tot een bedrag van
2.790,-. Tevens is verzocht om een vergoeding van 40,- per dag toe te kennen voor de 78 dagen die verzoeker heeft doorgebracht in de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, te weten een totaalbedrag van 3.120,-;
door de moeder van verzoeker gemaakte reiskosten tot een bedrag van 105,60;
door verzoeker gemaakte belkosten en kosten om boodschappen te doen in de [instelling 2] tot een
bedrag van 100,-;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 19 februari 2026 en de reactie van de verdediging van 7 april 2026.
Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 28 juli 2026. Daarbij zijn verzoeker, de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. J.H. Schipper gehoord.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van art. 530 en 533 Sv maakt verzoeker derhalve aanspraak op vergoeding van ten gevolge van de strafzaak gemaakte kosten en ten gevolge van vrijheidsbeneming geleden schade, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank gaat uit van de volgende data:
inverzekeringstelling: 12 maart 2025;
inbewaringstelling en gelijktijdige schorsing: 14 maart 2025;
opheffing voorlopige hechtenis: 19 juni 2025;
gevangenhouding: 2 juli 2025;
schorsing voorlopige hechtenis: 11 juli 2025.
Verzoeker heeft 26 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis, waarvan drie dagen in verzekering. De dag van de aanhouding op 18 juni 2025 in het kader van de opheffing van de voorlopige hechtenis valt niet onder de reikwijdte van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal daarom voor die dag ook geen vergoeding toekennen. Voor de overige dagen zal de rechtbank de gebruikelijke vergoeding toekennen, te weten:
130,- voor elke dag door verzoeker in verzekering doorgebracht;
100,- voor elke dag door verzoeker in voorlopige hechtenis doorgebracht.
De rechtbank komt daarom tot toewijzing van een bedrag van 2.690,-.
Schade gedurende schorsing voorlopige hechtenis
Namens verzoeker is daarnaast verzocht om een vergoeding van 40,- per dag die hij heeft doorgebracht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis omdat, gelet op de ingrijpende voorwaarden, deze schorsing gelijkgesteld moet worden aan vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Hierbij is gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2023:4712).
Vrijheidsbeperking gedurende de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst is geweest valt in beginsel niet onder de reikwijdte van art. 533 Sv. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 EVRM reden geven tot schadevergoeding. Uit de jurisprudentie volgt dat met name de concrete situatie van de betrokkene uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling of sprake is van het van zijn vrijheid beroofd zijn geweest. Daarbij is een aantal factoren van belang, zoals aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken.
Naar het oordeel van de rechtbank was de ruimte van verzoeker om autonoom te functioneren en eigen keuzes te maken in deze periode niet dusdanig beperkt dat sprake was van vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het EVRM. Verzoeker heeft gedurende zijn schorsing volledig huisarrest gehad, dat betekent dat hij een enkelband droeg en alleen overdag (tot 19:00 uur) de deur uit mocht onder begeleiding van moeder of wanneer hij naar dagbesteding, school, [instelling 1] of de Jeugdreclassering ging. Verder is bepaald dat verdachte volgens les-/werkrooster naar school/dagbesteding zou gaan en na afloop daarvan binnen dertig minuten thuis zou zijn. Hoewel de rechtbank er oog voor heeft dat er in deze periode sprake was van een aanzienlijke beperking van het dagelijks leven van verzoeker, kan naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet gesproken worden van vrijheidsbeperking die feitelijk gelijk is te stellen aan vrijheidsontneming.
Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in onderhavige zaak de periode van de schorsing van de voorlopige hechtenis 78 dagen heeft geduurd en dus relatief beperkt is gebleven in duur. Daarbij komt dat de uitspraak die hiervoor is benoemd en in het verzoekschrift is aangehaald niet zonder meer overeenkomt met de onderhavige zaak. In de aangehaalde zaak was sprake van een Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern), in tegenstelling tot onderhavige zaak waarin verzoeker de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak thuis, met schorsingsvoorwaarden, mocht afwachten.
Alles afwegende wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding voor de periode die verzoeker in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, af.
Reiskosten
De rechtbank overweegt dat verdachte gedurende onderhavige verdenking minderjarig was en dat zijn moeder in zoverre verplicht was om aanwezig te zijn bij de zittingen in het kader van de voorlopige hechtenis maar ook bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De rechtbank zal daarom de verzochte reiskosten die zijn gemaakt door de moeder van verzoeker toewijzen. Het gevraagde bedrag van 105,60 zal dan ook worden toegewezen.
Belkosten en boodschappen
Namens verzoeker is vergoeding verzocht voor het kopen van beltegoed in de [instelling 2] om te kunnen bellen, alsmede om de voor hem noodzakelijke boodschappen te kunnen kopen vanuit detentie. De moeder van verzoeker heeft hiertoe tweemaal 40,- en tweemaal 10,- overgemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten met betrekking tot het kopen van beltegoed en het bellen vanuit de JJI billijk zijn en ook goed onderbouwd. Daarom komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Anders dan de advocaat en het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat de kosten die zijn gemaakt voor het doen van boodschappen niet in aanmerking komen voor een vergoeding. Vanuit de JJI wordt er voor gezorgd dat verdachte wordt voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften, waaronder eten en drinken. Verder is niet nader onderbouwd waaruit deze noodzakelijke boodschappen hebben bestaan. Ook in raadkamer is dit niet nader toegelicht. De rechtbank zal deze kosten op dit punt daarom afwijzen.
Nu in het verzoekschrift geen duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de kosten die zijn opgevoerd voor het bellen en het kopen van de boodschappen, zal de rechtbank een bedrag ter hoogte van 80,- toewijzen.
Kosten indienen en mondelinge behandeling verzoekschrift
De rechtbank zal conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 825,-.
Beslissing
De rechtbank:
kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 3.700,60.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.W. ten Brinke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: 2.875,60 (zegge: tweeduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zestig eurocent) ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van [verzoeker] , onder vermelding van verzoek ex 530 en 533 Sv inzake [verzoeker] .
en
een bedrag 825,- (zegge: achthonderdvijfentwintig), ten gunste van advocaat mr. M.K. Bulthuis door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer 2] , ten name van Bulthuis Advocatuur, onder vermelding van verzoek ex 530 en 533 Sv inzake [verzoeker] .
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-076831-25
raadkamernummer : 25-033221 en 25-033222
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen.
Procesverloop
Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van 26 september 2025 is verzoeker vrijgesproken in de onderhavige strafzaak.
Op 22 december 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis tot een bedrag van
2.790,-. Tevens is verzocht om een vergoeding van 40,- per dag toe te kennen voor de 78 dagen die verzoeker heeft doorgebracht in de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, te weten een totaalbedrag van 3.120,-;
door de moeder van verzoeker gemaakte reiskosten tot een bedrag van 105,60;
door verzoeker gemaakte belkosten en kosten om boodschappen te doen in de [instelling 2] tot een
bedrag van 100,-;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 19 februari 2026 en de reactie van de verdediging van 7 april 2026.
Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 28 juli 2026. Daarbij zijn verzoeker, de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. J.H. Schipper gehoord.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van art. 530 en 533 Sv maakt verzoeker derhalve aanspraak op vergoeding van ten gevolge van de strafzaak gemaakte kosten en ten gevolge van vrijheidsbeneming geleden schade, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank gaat uit van de volgende data:
inverzekeringstelling: 12 maart 2025;
inbewaringstelling en gelijktijdige schorsing: 14 maart 2025;
opheffing voorlopige hechtenis: 19 juni 2025;
gevangenhouding: 2 juli 2025;
schorsing voorlopige hechtenis: 11 juli 2025.
Verzoeker heeft 26 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis, waarvan drie dagen in verzekering. De dag van de aanhouding op 18 juni 2025 in het kader van de opheffing van de voorlopige hechtenis valt niet onder de reikwijdte van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal daarom voor die dag ook geen vergoeding toekennen. Voor de overige dagen zal de rechtbank de gebruikelijke vergoeding toekennen, te weten:
130,- voor elke dag door verzoeker in verzekering doorgebracht;
100,- voor elke dag door verzoeker in voorlopige hechtenis doorgebracht.
De rechtbank komt daarom tot toewijzing van een bedrag van 2.690,-.
Schade gedurende schorsing voorlopige hechtenis
Namens verzoeker is daarnaast verzocht om een vergoeding van 40,- per dag die hij heeft doorgebracht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis omdat, gelet op de ingrijpende voorwaarden, deze schorsing gelijkgesteld moet worden aan vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Hierbij is gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2023:4712).
Vrijheidsbeperking gedurende de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst is geweest valt in beginsel niet onder de reikwijdte van art. 533 Sv. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 EVRM reden geven tot schadevergoeding. Uit de jurisprudentie volgt dat met name de concrete situatie van de betrokkene uitgangspunt moet zijn bij de beoordeling of sprake is van het van zijn vrijheid beroofd zijn geweest. Daarbij is een aantal factoren van belang, zoals aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken.
Naar het oordeel van de rechtbank was de ruimte van verzoeker om autonoom te functioneren en eigen keuzes te maken in deze periode niet dusdanig beperkt dat sprake was van vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het EVRM. Verzoeker heeft gedurende zijn schorsing volledig huisarrest gehad, dat betekent dat hij een enkelband droeg en alleen overdag (tot 19:00 uur) de deur uit mocht onder begeleiding van moeder of wanneer hij naar dagbesteding, school, [instelling 1] of de Jeugdreclassering ging. Verder is bepaald dat verdachte volgens les-/werkrooster naar school/dagbesteding zou gaan en na afloop daarvan binnen dertig minuten thuis zou zijn. Hoewel de rechtbank er oog voor heeft dat er in deze periode sprake was van een aanzienlijke beperking van het dagelijks leven van verzoeker, kan naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet gesproken worden van vrijheidsbeperking die feitelijk gelijk is te stellen aan vrijheidsontneming.
Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in onderhavige zaak de periode van de schorsing van de voorlopige hechtenis 78 dagen heeft geduurd en dus relatief beperkt is gebleven in duur. Daarbij komt dat de uitspraak die hiervoor is benoemd en in het verzoekschrift is aangehaald niet zonder meer overeenkomt met de onderhavige zaak. In de aangehaalde zaak was sprake van een Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern), in tegenstelling tot onderhavige zaak waarin verzoeker de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak thuis, met schorsingsvoorwaarden, mocht afwachten.
Alles afwegende wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding voor de periode die verzoeker in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, af.
Reiskosten
De rechtbank overweegt dat verdachte gedurende onderhavige verdenking minderjarig was en dat zijn moeder in zoverre verplicht was om aanwezig te zijn bij de zittingen in het kader van de voorlopige hechtenis maar ook bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De rechtbank zal daarom de verzochte reiskosten die zijn gemaakt door de moeder van verzoeker toewijzen. Het gevraagde bedrag van 105,60 zal dan ook worden toegewezen.
Belkosten en boodschappen
Namens verzoeker is vergoeding verzocht voor het kopen van beltegoed in de [instelling 2] om te kunnen bellen, alsmede om de voor hem noodzakelijke boodschappen te kunnen kopen vanuit detentie. De moeder van verzoeker heeft hiertoe tweemaal 40,- en tweemaal 10,- overgemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten met betrekking tot het kopen van beltegoed en het bellen vanuit de JJI billijk zijn en ook goed onderbouwd. Daarom komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Anders dan de advocaat en het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat de kosten die zijn gemaakt voor het doen van boodschappen niet in aanmerking komen voor een vergoeding. Vanuit de JJI wordt er voor gezorgd dat verdachte wordt voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften, waaronder eten en drinken. Verder is niet nader onderbouwd waaruit deze noodzakelijke boodschappen hebben bestaan. Ook in raadkamer is dit niet nader toegelicht. De rechtbank zal deze kosten op dit punt daarom afwijzen.
Nu in het verzoekschrift geen duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de kosten die zijn opgevoerd voor het bellen en het kopen van de boodschappen, zal de rechtbank een bedrag ter hoogte van 80,- toewijzen.
Kosten indienen en mondelinge behandeling verzoekschrift
De rechtbank zal conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 825,-.
Beslissing
De rechtbank:
kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 3.700,60.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.W. ten Brinke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: 2.875,60 (zegge: tweeduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zestig eurocent) ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van [verzoeker] , onder vermelding van verzoek ex 530 en 533 Sv inzake [verzoeker] .
en
een bedrag 825,- (zegge: achthonderdvijfentwintig), ten gunste van advocaat mr. M.K. Bulthuis door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer 2] , ten name van Bulthuis Advocatuur, onder vermelding van verzoek ex 530 en 533 Sv inzake [verzoeker] .