Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3299

2026-08-04 Strafrecht; Strafprocesrecht 18-020869-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure
Raadkamer
Zaaknummer
18-020869-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

afwijzen verzoek tot schadevergoeding ex artikel 530 Sv omdat er een gefundeerde verdenking bestond tegen verzoekster en zij het aan zich zelf te wijten heeft dat deze verdenking op haar is gevallen en dat zij advocaatkosten heeft moeten maken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.849 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Strafrecht



Zittingsplaats Assen





parketnummer : 18-020869-25
raadkamernummer : 26-002501





beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:



[verzoekster] ,


geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoekster.





Advocaat: mr. M.E. Broekert, advocaat te Breda.






Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 21 januari 2025 de onderhavige strafzaak voorwaardelijk geseponeerd met een proeftijd van één jaar, vanwege het geringe aandeel van verzoekster in het strafbare feit. Na het verlopen van de proeftijd is deze beslissing op 21 januari 2026 onherroepelijk geworden.


Op 23 januari 2026 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:


- de kosten van rechtsbijstand die door verzoekster zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde
strafzaak tot een bedrag van 2.793,88,-;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van
420,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.



De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 16 maart 2026 en de reactie van de advocaat van 10 april 2026.




De rechtbank heeft op 28 juli 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.





De rechtbank heeft de advocaat, mr. M.E. Broekert en de officier van justitie op zitting gehoord. De verzoekster is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.







Beoordeling
Het Openbaar Ministerie heeft op 21 januari 2025 de onderhavige strafzaak voorwaardelijk geseponeerd omdat sprake was van een gering aandeel van verzoekster bij het strafbare feit. De strafzaak is uiteindelijk op 21 januari 2026 definitief geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.


Ten aanzien van dat billijkheidsoordeel stelt de rechtbank voorop dat de oordeelsvrijheid van de rechtbank om een verzoek tot vergoeding van schade (deels) af te wijzen op gronden van billijkheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hoewel zoals de advocaat terecht stelt de onschuldpresumptie te allen tijde (in het geval van een vrijspraak én in het geval van een sepot) van de schadevergoedingsrechter verlangt dat zij zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat erop neerkomt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, betekent een en ander niet dat de onschuldpresumptie in het geval van een vrijspraak of sepot te allen tijde in de weg staat aan een afwijzing van het schadeverzoek.




In hoeverre de onschuldpresumptie de oordeelsvrijheid van de schadevergoedingsrechter beperkt is afhankelijk van de vraag hoe de strafzaak is geëindigd. Bij een vrijspraak is de ruimte om tot een afwijzende beslissing te komen zeer beperkt. In gevallen waarin de strafzaak is geëindigd op een andere wijze dan met een vrijspraak, zoals in het onderhavige geval, heeft de schadevergoedingsrechter echter meer ruimte voor een eigen beoordeling van de feiten en omstandigheden van de zaak. Zo is het in een dergelijk geval niet in strijd met artikel 6, tweede lid, EVRM om de gewezen verdachte de (indertijd bestaande) verdenking tegen te werpen en in het billijkheidsoordeel te betrekken in hoeverre verzoekster de kosten aan haar eigen gedrag zoals dat blijkt uit het strafdossier heeft te wijten. Zelfs het oordeel dat niet is gebleken van de onschuld van verzoekster (“the voicing of suspicions”) is in een dergelijk geval niet



in strijd met de onschuldpresumptie, zolang zoals gezegd de motivering van de schadevergoedingsrechter niet in essentie een vaststelling van schuld behelst.




In het onderhavige geval werd verzoekster kort gezegd verdacht van het medeplichtig zijn aan (schuld)witwassen. Uit de stukken blijkt dat verzoekster wist dat haar vriend zich met criminele activiteiten bezig hield. Verzoekster heeft ook verklaard dat zij meermalen geld op haar rekening gestort kreeg en vervolgens haar vriend naar een pinautomaat reed om een bedrag met haar bankpas te pinnen. Verzoekster heeft bovendien verklaard: Ik wilde wel gewoon op vakantie, dus dan maakt het ook niet zo veel uit waar het geld dan vandaan komt ofzo.




Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er een gefundeerde verdenking van het medeplichtig zijn aan (schuld)witwassen tegen verzoekster bestond. Of de hiervoor beschreven gedragingen daadwerkelijk gekwalificeerd kunnen worden als het medeplichtig zijn aan (schuld)witwassen is in dit verband van ondergeschikt belang. Immers, niet gezegd kan worden dat het dusdanig evident is dat elk strafwaardig karakter aan de gedragingen ontbreekt, dat verzoekster ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Verzoekster heeft het daarom aan zichzelf te wijten dat deze verdenking op haar is gevallen en dat zij advocaatkosten heeft moeten maken.




De rechtbank acht het gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden niet passend dat de gemaakte advocaatkosten door de Staat worden gedragen. De nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking dienen voor rekening van verzoekster te worden gelaten. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.







Kosten indienen en mondelinge behandeling verzoekschrift

De rechtbank zal, ondanks de afwijzing van het verzoek, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 825,-.







Beslissing
De rechtbank:


kent aan verzoeker, ten laste van de Staat, een vergoeding toe van 825,- (zegge: achthonderdvijfentwintig euro)


wijst het verzoek voor het overige af.






Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. ten Brinke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.



Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: 825,- (zegge: achthonderdvijfentwintig euro), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden TDNL onder vermelding van [verzoekster] .