Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3293
2026-08-07
Bestuursrecht
LEE 25/366
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wegenverkeerswet 1994. Oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer (EMD). Het CBR mocht uitgaan van de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en heeft voldoende aannemelijk mogen achten dat eiseres bestuurder van het voertuig was. Een strafrechtelijk sepot maakt dat niet anders. Beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2015:1503 Raad van State 13-05-2015
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2013:BY8566 Raad van State 16-01-2013
- ECLI:NL:RVS:2016:1336 Raad van State 18-05-2016
- ECLI:NL:RVS:2021:2267 Raad van State 13-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.627 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/366
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.A. Muntjewerf),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: I. Metaal).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiseres een educatieve maatregel drugs en verkeer (EMD) op te leggen. Deze maatregel houdt in dat eiseres verplicht is een cursus te volgen over de risico's van drugsgebruik in het verkeer. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij betwist niet dat zij cannabis had gebruikt ten tijde van de controle, maar voert aan dat zij niet de bestuurder van de auto was. Volgens haar kan de maatregel daarom geen standhouden. Verder wijst zij erop dat het Openbaar Ministerie de strafzaak wegens onvoldoende bewijs heeft geseponeerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR de EMD terecht heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CBR de EMD terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij het primaire besluit van 29 augustus 2024 heeft het CBR aan eiseres een EMD opgelegd.
2.1.
Met het bestreden besluit van 2 januari 2025 heeft het CBR het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3. Eiseres heeft de EMD inmiddels afgerond. Zij heeft echter nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Een gegrondverklaring kan van betekenis zijn voor de door haar gemaakte kosten en voor eventuele toekomstige maatregelen in het kader van recidive. Daarom beoordeelt de rechtbank het beroep inhoudelijk.
Mocht het CBR ervan uitgaan dat eiseres bestuurder was?
4. Eiseres betwist niet dat zij cannabis had gebruikt of dat zij op de bestuurdersstoel zat toen de politie haar aantrof, maar voert aan dat niet kan worden vastgesteld dat zij de bestuurder van de auto was. Volgens eiseres bestuurde een vriendin de auto en hebben zij kort voor de controle van plaats gewisseld om te roken. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verklaringen van de twee inzittenden overgelegd. Volgens eiseres bevestigt het sepot van de strafzaak dat onvoldoende bewijs bestaat dat zij de bestuurder was. Volgens haar volgt daaruit dat ook het CBR niet had mogen aannemen dat zij de bestuurder was. Het CBR had dus geen EMD aan haar mogen opleggen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Het CBR heeft aan eiseres op grond van artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling) verplicht om mee te werken aan een EMD. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling besluit het CBR tot oplegging van een EMD indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en de politie in dat proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen over het gedrag of de uiterlijke kenmerken van betrokkene, diens rijgedrag of andere omstandigheden die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot oplegging van een EMD een bestuursrechtelijke maatregel is die is gericht op het bevorderen van de verkeersveiligheid. Deze maatregel staat los van een eventuele strafrechtelijke procedure. Dat betekent dat het CBR een eigen beoordeling maakt van de feiten en omstandigheden die blijken uit de mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal.
4.4.
De rechtbank overweegt dat het CBR volgens vaste rechtspraak in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtsbelofte of ambtseed opgemaakt proces-verbaal, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verbalisant heeft waargenomen dat eiseres op de bestuurdersstoel zat van een auto waarvan de motor draaide en de verlichting brandde. Verder rook de verbalisant een sterke cannabislucht in het voertuig. Uit een speekseltest bleek dat eiseres cannabis had gebruikt. Eiseres overhandigde daarnaast een gebruikershoeveelheid softdrugs. Deze feiten en omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling bedoelde aanvullende gegevens op die het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen rechtvaardigen.
4.5.
De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten om aan de juistheid van de bevindingen uit het proces-verbaal te twijfelen. Eiseres verwijst naar de intrekking door de officier van justitie van de aan eiseres opgelegde strafbeschikking (het sepot). De rechtbank overweegt dat het CBR en de bestuursrechter in beginsel niet zijn gebonden aan het sepot door een officier van justitie. Dat kan anders zijn als het sepot de inhoud van de processen-verbaal ten grondslag zijn gelegd aan de oplegging van een EMD onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop de oplegging van de maatregel is gebaseerd.
Daarvan is het de rechtbank in dit geval niet gebleken. De rechtbank overweegt dat het sepot niet inhoudelijk is gemotiveerd. De officier van justitie heeft in de beslissing slechts zonder toelichting vermeld dat sprake is van onvoldoende bewijs. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de in het proces-verbaal opgenomen bevindingen onjuist zijn of dat is vastgesteld dat eiseres niet de bestuurder was. Het CBR mocht daarom, ondanks het sepot, uitgaan van het proces-verbaal en heeft op basis daarvan voldoende aannemelijk mogen achten dat eiseres bestuurder was.
4.6.
Dat eiseres en de twee inzittenden hebben verklaard dat niet eiseres maar een van de inzittenden de auto bestuurde, maakt dit niet anders. Het CBR heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat deze verklaringen minder objectief zijn, omdat zij afkomstig zijn van personen die een persoonlijke band met eiseres hebben. Daarbij heeft het CBR bovendien mogen betrekken dat de verklaringen pas geruime tijd na het incident zijn opgesteld en eerst in bezwaar zijn overgelegd. Ook heeft eiseres tijdens haar politieverhoor niet verklaard dat een van de andere inzittenden de bestuurder was geweest. Deze stelling heeft zij pas in een later stadium ingenomen. Daarnaast heeft eiseres geen aannemelijke verklaring gegeven voor het gestelde wisselen van zitplaats vlak voor de controle. Dat zij voorin wilde zitten om te roken omdat het haar auto betrof, heeft voor het CBR geen aanleiding hoeven zijn om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisant. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het CBR zich niet heeft mogen baseren op het proces-verbaal. Op grond daarvan heeft het CBR het naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk mogen achten dat eiseres bestuurder van het voertuig was. Het CBR heeft de EMD daarom terecht aan eiseres opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres heeft de EMD terecht opgelegd gekregen. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 8 1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
(…)
5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.
(…)
Artikel 1301. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 1311. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of(…)
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 171. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien:a. ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen;(…)
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1503 en 17 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177.
Zie de uitspraken van de ABRvS van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566, 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1336 en 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2267.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/366
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.A. Muntjewerf),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: I. Metaal).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiseres een educatieve maatregel drugs en verkeer (EMD) op te leggen. Deze maatregel houdt in dat eiseres verplicht is een cursus te volgen over de risico's van drugsgebruik in het verkeer. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij betwist niet dat zij cannabis had gebruikt ten tijde van de controle, maar voert aan dat zij niet de bestuurder van de auto was. Volgens haar kan de maatregel daarom geen standhouden. Verder wijst zij erop dat het Openbaar Ministerie de strafzaak wegens onvoldoende bewijs heeft geseponeerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR de EMD terecht heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het CBR de EMD terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij het primaire besluit van 29 augustus 2024 heeft het CBR aan eiseres een EMD opgelegd.
2.1.
Met het bestreden besluit van 2 januari 2025 heeft het CBR het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3. Eiseres heeft de EMD inmiddels afgerond. Zij heeft echter nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Een gegrondverklaring kan van betekenis zijn voor de door haar gemaakte kosten en voor eventuele toekomstige maatregelen in het kader van recidive. Daarom beoordeelt de rechtbank het beroep inhoudelijk.
Mocht het CBR ervan uitgaan dat eiseres bestuurder was?
4. Eiseres betwist niet dat zij cannabis had gebruikt of dat zij op de bestuurdersstoel zat toen de politie haar aantrof, maar voert aan dat niet kan worden vastgesteld dat zij de bestuurder van de auto was. Volgens eiseres bestuurde een vriendin de auto en hebben zij kort voor de controle van plaats gewisseld om te roken. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verklaringen van de twee inzittenden overgelegd. Volgens eiseres bevestigt het sepot van de strafzaak dat onvoldoende bewijs bestaat dat zij de bestuurder was. Volgens haar volgt daaruit dat ook het CBR niet had mogen aannemen dat zij de bestuurder was. Het CBR had dus geen EMD aan haar mogen opleggen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Het CBR heeft aan eiseres op grond van artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling) verplicht om mee te werken aan een EMD. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling besluit het CBR tot oplegging van een EMD indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en de politie in dat proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen over het gedrag of de uiterlijke kenmerken van betrokkene, diens rijgedrag of andere omstandigheden die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot oplegging van een EMD een bestuursrechtelijke maatregel is die is gericht op het bevorderen van de verkeersveiligheid. Deze maatregel staat los van een eventuele strafrechtelijke procedure. Dat betekent dat het CBR een eigen beoordeling maakt van de feiten en omstandigheden die blijken uit de mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal.
4.4.
De rechtbank overweegt dat het CBR volgens vaste rechtspraak in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtsbelofte of ambtseed opgemaakt proces-verbaal, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verbalisant heeft waargenomen dat eiseres op de bestuurdersstoel zat van een auto waarvan de motor draaide en de verlichting brandde. Verder rook de verbalisant een sterke cannabislucht in het voertuig. Uit een speekseltest bleek dat eiseres cannabis had gebruikt. Eiseres overhandigde daarnaast een gebruikershoeveelheid softdrugs. Deze feiten en omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling bedoelde aanvullende gegevens op die het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen rechtvaardigen.
4.5.
De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten om aan de juistheid van de bevindingen uit het proces-verbaal te twijfelen. Eiseres verwijst naar de intrekking door de officier van justitie van de aan eiseres opgelegde strafbeschikking (het sepot). De rechtbank overweegt dat het CBR en de bestuursrechter in beginsel niet zijn gebonden aan het sepot door een officier van justitie. Dat kan anders zijn als het sepot de inhoud van de processen-verbaal ten grondslag zijn gelegd aan de oplegging van een EMD onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop de oplegging van de maatregel is gebaseerd.
Daarvan is het de rechtbank in dit geval niet gebleken. De rechtbank overweegt dat het sepot niet inhoudelijk is gemotiveerd. De officier van justitie heeft in de beslissing slechts zonder toelichting vermeld dat sprake is van onvoldoende bewijs. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de in het proces-verbaal opgenomen bevindingen onjuist zijn of dat is vastgesteld dat eiseres niet de bestuurder was. Het CBR mocht daarom, ondanks het sepot, uitgaan van het proces-verbaal en heeft op basis daarvan voldoende aannemelijk mogen achten dat eiseres bestuurder was.
4.6.
Dat eiseres en de twee inzittenden hebben verklaard dat niet eiseres maar een van de inzittenden de auto bestuurde, maakt dit niet anders. Het CBR heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat deze verklaringen minder objectief zijn, omdat zij afkomstig zijn van personen die een persoonlijke band met eiseres hebben. Daarbij heeft het CBR bovendien mogen betrekken dat de verklaringen pas geruime tijd na het incident zijn opgesteld en eerst in bezwaar zijn overgelegd. Ook heeft eiseres tijdens haar politieverhoor niet verklaard dat een van de andere inzittenden de bestuurder was geweest. Deze stelling heeft zij pas in een later stadium ingenomen. Daarnaast heeft eiseres geen aannemelijke verklaring gegeven voor het gestelde wisselen van zitplaats vlak voor de controle. Dat zij voorin wilde zitten om te roken omdat het haar auto betrof, heeft voor het CBR geen aanleiding hoeven zijn om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisant. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het CBR zich niet heeft mogen baseren op het proces-verbaal. Op grond daarvan heeft het CBR het naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk mogen achten dat eiseres bestuurder van het voertuig was. Het CBR heeft de EMD daarom terecht aan eiseres opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres heeft de EMD terecht opgelegd gekregen. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 8 1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
(…)
5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.
(…)
Artikel 1301. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 1311. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of(…)
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 171. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien:a. ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen;(…)
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1503 en 17 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177.
Zie de uitspraken van de ABRvS van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566, 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1336 en 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2267.