Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3285
2026-08-06
Bestuursrecht; Belastingrecht
LEE 25/4619, LEE 25/4620 en LEE 26/1272 tot en met LEE 26/1275
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoorplicht geschonden, passeren 6:22 Awb. Geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deel bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Naheffingsaanslag MRB terecht opgelegd + verzuimboetes. Ontbreken toegang DigiD is geen verontschulding voor aangifte- en betalingsplicht.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2009:BI3751 Hoge Raad 15-05-2009
- ECLI:NL:HR:2009:BI3751 Hoge Raad 15-05-2009
- ECLI:NL:HR:2016:2829 Hoge Raad 23-12-2016
- ECLI:NL:HR:2025:106 Hoge Raad 24-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.787 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/4619, LEE 25/4620 en LEE 26/1272 tot en met LEE 26/1275
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 augustus 2026 in de zaken tussen
[eiser]
, zonder vaste woon- of verblijfplaats, belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
(gemachtigde: [naam 1] )
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 6 oktober 2025.
Zaaknummers LEE 25/4619, LEE 25/4620 en LEE 26/1272 tot en met LEE 26/1274
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor verschillende perioden tussen 27 oktober en 29 november 2024 vijf naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen, met uitzondering van die voor de eerste periode, heeft de inspecteur belanghebbende verzuimboetes van € 55 opgelegd per naheffingsaanslag.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Zaaknummer LEE 26/1275
1.4.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de periode 30 november 2024 tot en met 27 februari 2025 een naheffingsaanslag in de mrb opgelegd.
1.5.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 55 opgelegd.
1.6.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Alle zaaknummers
1.7.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.9.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en – via beeldverbinding – de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] .
1.10.
Naderhand heeft belanghebbende een wrakingsverzoek gedaan. Zijn verzoek is door de wrakingskamer bij beslissing van 14 juli 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
Feiten
2. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) vanaf 23 september 2013 houder van een Maserati met kenteken [kenteken] (de auto).
2.1.
De auto stond (onder andere) in de periode van 27 oktober 2022 tot 27 oktober 2023 geregistreerd als geschorst. Per 27 oktober 2023 is de auto na het verlopen van de schorsing in de heffing van de mrb betrokken.
2.2.
Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd voor de auto:
- [nummer 1] , dagtekening 26 januari 2024, over de periode 27 oktober 2023 tot en met 29 november 2023 (hierna: [nummer 1] );- [nummer 2] , dagtekening 15 februari 2024, over de periode 30 november 2023 tot en met 28 februari 2024 (hierna: [nummer 2] );- [nummer 3] , dagtekening 16 mei 2024, over de periode 29 februari 2024 tot en met 30 mei 2024 (hierna: [nummer 3] );- [nummer 4] , dagtekening 16 augustus 2024, over de periode 31 mei 2024 tot en met 30 augustus 2024 (hierna: [nummer 4] ).- [nummer 5] , dagtekening 11 november 2024, over de periode 31 augustus 2024 tot en met 29 november 2024 (hierna: [nummer 5] );- [nummer 6] , dagtekening 20 februari 2025, over de periode 30 november 2024 tot en met 27 februari 2025 (hierna: [nummer 6] ).
2.3.
De naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn verstuurd naar het laatst bekende adres bij de Belastingdienst:
[adres]
[adres]
[adres]
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt eerst de vragen die in alle zaaknummers spelen. Het gaat om de vraag of de hoorplicht is geschonden en de vraag of er sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of het bezwaar tegen de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] terecht niet ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank beoordeelt met betrekking tot de [nummer 6] of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht is geschonden, maar dat belanghebbende hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met betrekking tot de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en de [nummer 5] is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking met betrekking tot de [nummer 6] terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Alle zaaknummers
Is de hoorplicht geschonden?
5. Belanghebbende stelt dat de hoorplicht is geschonden, omdat er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden in de bezwaarfase. De inspecteur voert aan dat belanghebbende via meerdere brieven op de mogelijkheid voor het geven van een mondelinge toelichting is gewezen, maar dat hij daar geen gebruik van heeft gemaakt.
6. De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Uit artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vloeit voort dat een betrokkene moet vragen om te worden gehoord. Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
7. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur vóór het doen van uitspraak op bezwaar belanghebbende (nogmaals) had moeten uitnodigen voor een hoorgesprek. Uit het feit dat niet was gereageerd op de verzoeken om een afspraak te maken mocht de inspecteur niet zonder meer afleiden dat belanghebbende wenste af te zien van het recht om gehoord te worden. Dat het buiten de invloedsfeer van de inspecteur lag dat de uitnodigingen voor een hoorzitting naar een oud adres van belanghebbende zijn gestuurd, acht de rechtbank in dit verband niet relevant. Voordat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is namelijk via e-mail contact geweest tussen belanghebbende en de inspecteur. In dit contact benoemt belanghebbende dat hij geen vast woonadres heeft. De inspecteur die het bezwaar behandelde was dus vóór het doen van uitspraak op bezwaar bekend met het feit dat belanghebbende niet meer woonachtig was op het adres in Duitsland. Hieruit had hij kunnen afleiden dat belanghebbende de uitnodiging voor een hoorgesprek niet heeft ontvangen. Omdat de inspecteur heeft nagelaten belanghebbende (nogmaals) uit te nodigen voor een hoorgesprek, is de hoorplicht geschonden.
8. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden welke gevolgen de schending van de hoorplicht heeft. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de inspecteur in de bezwaarfase de belanghebbende niet (op de juiste wijze) heeft gehoord alvorens uitspraak op bezwaar te doen, kan de rechtbank in de uitspraak met toepassing van artikel 6:22 Awb aan dat verzuim voorbijgaan mits de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat belanghebbende niet is benadeeld door de gang van zaken. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en of ten aanzien van een deel daarvan de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De feiten die voor deze geschillen relevant zijn, zijn tussen partijen niet in geschil. Verder komt aan de inspecteur geen beleidsvrijheid toe als het gaat om de geschilpunten. Dat betekent dat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal voorbijgaan aan de schending van de hoorplicht.
Zijn algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
9. Belanghebbende stelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Hij voert daartoe aan dat de Belastingdienst heeft nagelaten om navraag te doen bij DigiD. Daarmee is volgens hem onder andere het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
10. Volgens de inspecteur is er geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij stelt dat er niet onrechtmatig is gehandeld door geen contact op te nemen met DigiD.
11. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe overweegt zij dat de zorgplicht van de inspecteur niet zo ver gaat dat hij zelfstandig contact moet opnemen met andere uitvoeringsinstanties of bestuursorganen, zoals DigiD of de RDW. Er is dus niet in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook van schending van een ander beginsel van behoorlijk bestuur is niet uit het dossier gebleken.
LEE 25/4619, LEE 25/4620 en LEE 26/1272 tot en met LEE 26/1274
Is het bezwaar (gericht tegen de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en de [nummer 5] ) terecht nietontvankelijk verklaard?
12. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
13. De rechtbank constateert dat het bezwaarschrift door de inspecteur op 18 maart 2025 is ontvangen. De bezwaartermijn van de meest recente naheffingsaanslag met boetebeschikking (de [nummer 5] ) liep af op 23 december 2024. Dit betekent dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en belanghebbende heeft daarmee te laat bezwaar gemaakt. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Belanghebbende is echter van mening dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij niet eerder op de hoogte was van de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft belanghebbende niet betwist dat de naar Duitsland verzonden naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen daar zijn aangekomen. Hij heeft verklaard dat de voor hem bestemde post hem niet heeft bereikt, omdat hij daar zelf maar kort bij een vriend heeft ingewoond en die vriend vervolgens ook vrij snel elders is gaan wonen. Het adres in Duitsland is destijds door belanghebbende zelf doorgegeven. Nadien heeft hij geen nieuw (post)adres doorgegeven. De inspecteur mocht dus in redelijkheid veronderstellen dat hij de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen naar het juiste adres verstuurde. Het komt voor rekening en risico van belanghebbende dat hij geen adreswijziging heeft doorgegeven. Met zijn stelling dat hij niet belastingplichtig is omdat hij Nederland al geruime tijd geleden heeft verlaten, miskent belanghebbende dat hij als houder van de auto op enig moment mrb verschuldigd kan worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaren, voorzover gericht tegen de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en de [nummer 5] , terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
LEE 26/1275
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
15. Belanghebbende stelt dat hij zijn auto niet kon schorsen, omdat hij niet meer kan inloggen bij DigiD. De inspecteur stelt dat hij terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Onder de naam motorrijtuigenbelasting wordt onder andere een belasting geheven ter zake van het houden van een (personen)auto. De belasting wordt geheven van degene die bij aanvang van het tijdvak het motorrijtuig houdt. De houder van het motorrijtuig is degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister. In dit geval is belanghebbende houder van de auto (zie 2.). Het houderschap van de auto is bepalend voor de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB). Dat betekent dat het ontbreken van toegang tot DigiD belanghebbende niet ontslaat van zijn wettelijke verplichting om mrb te betalen zolang de auto op zijn naam staat. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd.
Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
17. De inspecteur heeft op grond van artikel 37 van de Wet Mrb in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete opgelegd, omdat de belasting niet op aangifte is voldaan. Bij een eerste verzuim wordt geen boete opgelegd, maar bij een volgend betalingsverzuim binnen een jaar een boete van 1% van het maximum van € 5.514.
18. Belanghebbende heeft de mrb niet (tijdig) betaald. Het beboetbare feit is daarmee begaan. De boete is dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas).
19. Belanghebbende heeft een beroep op avas gedaan. Hij stelt dat hij de auto niet kon schorsen door een probleem dat buiten zijn macht is ontstaan. De toegang tot DigiD is hem namelijk ontnomen. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van avas. Belanghebbende had namelijk de naheffing, waarvan hij op de hoogte was dat deze zou worden opgelegd bij het niet schorsen van de auto, kunnen betalen. Daarnaast had belanghebbende meerdere opties om (tijdig) de auto te schorsen, zoals tijdelijk terugkeren naar Nederland om dit ter plekke te regelen, of iemand anders machtigen om de auto namens hem te schorsen. Ook in de gegeven omstandigheden kan zoiets van belanghebbende gevergd worden. Het is dus niet zo dat belanghebbende geen enkel verwijt valt te maken. Belanghebbendes beroep op avas slaagt daarom niet.
20. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde verzuimboete gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden ook passend en geboden is. Belanghebbende heeft hiervoor dezelfde feiten en omstandigheden aangevoerd, namelijk dat hij geen toegang meer had tot DigiD en daardoor de auto niet kon schorsen en hem daarom geen verwijt kan worden gemaakt. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor een matiging. De rechtbank acht een verzuimboete van € 55 passend en geboden.
Conclusie en gevolgen
21. De beroepen zijn ongegrond, maar omdat sprake is van schending van de hoorplicht (zie 8) krijgt belanghebbende zijn griffierecht vergoed en heeft hij recht op een proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft een proceskostenformulier ingediend bij de rechtbank. Op de zitting heeft de inspecteur aangegeven akkoord te gaan met de aangegeven reiskosten van € 35,90. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Beslissing
Alle zaaknummers
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur in het betalen van een proceskostenvergoeding in de vorm van reiskosten van € 35,90;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 6 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.E
Bij het instellen van de beroepen heeft belanghebbende aan de griffie een correspondentieadres in Scharsterbrug opgegeven.
Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.
Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.
Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2829, r.o. 2.3.3.
Artikel 6:7 van de Awb.
Artikel 22j, onderdeel a, van de AWR.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Op grond van artikel 1, tweede lid van de Wet MRB.
Op grond van artikel 6 van de Wet MRB.
Artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet MRB.
Paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/4619, LEE 25/4620 en LEE 26/1272 tot en met LEE 26/1275
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 augustus 2026 in de zaken tussen
[eiser]
, zonder vaste woon- of verblijfplaats, belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/kantoor Apeldoorn, de inspecteur.
(gemachtigde: [naam 1] )
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 6 oktober 2025.
Zaaknummers LEE 25/4619, LEE 25/4620 en LEE 26/1272 tot en met LEE 26/1274
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor verschillende perioden tussen 27 oktober en 29 november 2024 vijf naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen, met uitzondering van die voor de eerste periode, heeft de inspecteur belanghebbende verzuimboetes van € 55 opgelegd per naheffingsaanslag.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
Zaaknummer LEE 26/1275
1.4.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de periode 30 november 2024 tot en met 27 februari 2025 een naheffingsaanslag in de mrb opgelegd.
1.5.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 55 opgelegd.
1.6.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Alle zaaknummers
1.7.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.9.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en – via beeldverbinding – de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] .
1.10.
Naderhand heeft belanghebbende een wrakingsverzoek gedaan. Zijn verzoek is door de wrakingskamer bij beslissing van 14 juli 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
Feiten
2. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) vanaf 23 september 2013 houder van een Maserati met kenteken [kenteken] (de auto).
2.1.
De auto stond (onder andere) in de periode van 27 oktober 2022 tot 27 oktober 2023 geregistreerd als geschorst. Per 27 oktober 2023 is de auto na het verlopen van de schorsing in de heffing van de mrb betrokken.
2.2.
Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd voor de auto:
- [nummer 1] , dagtekening 26 januari 2024, over de periode 27 oktober 2023 tot en met 29 november 2023 (hierna: [nummer 1] );- [nummer 2] , dagtekening 15 februari 2024, over de periode 30 november 2023 tot en met 28 februari 2024 (hierna: [nummer 2] );- [nummer 3] , dagtekening 16 mei 2024, over de periode 29 februari 2024 tot en met 30 mei 2024 (hierna: [nummer 3] );- [nummer 4] , dagtekening 16 augustus 2024, over de periode 31 mei 2024 tot en met 30 augustus 2024 (hierna: [nummer 4] ).- [nummer 5] , dagtekening 11 november 2024, over de periode 31 augustus 2024 tot en met 29 november 2024 (hierna: [nummer 5] );- [nummer 6] , dagtekening 20 februari 2025, over de periode 30 november 2024 tot en met 27 februari 2025 (hierna: [nummer 6] ).
2.3.
De naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn verstuurd naar het laatst bekende adres bij de Belastingdienst:
[adres]
[adres]
[adres]
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt eerst de vragen die in alle zaaknummers spelen. Het gaat om de vraag of de hoorplicht is geschonden en de vraag of er sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of het bezwaar tegen de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] terecht niet ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank beoordeelt met betrekking tot de [nummer 6] of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht is geschonden, maar dat belanghebbende hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met betrekking tot de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en de [nummer 5] is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking met betrekking tot de [nummer 6] terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Alle zaaknummers
Is de hoorplicht geschonden?
5. Belanghebbende stelt dat de hoorplicht is geschonden, omdat er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden in de bezwaarfase. De inspecteur voert aan dat belanghebbende via meerdere brieven op de mogelijkheid voor het geven van een mondelinge toelichting is gewezen, maar dat hij daar geen gebruik van heeft gemaakt.
6. De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Uit artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vloeit voort dat een betrokkene moet vragen om te worden gehoord. Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
7. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur vóór het doen van uitspraak op bezwaar belanghebbende (nogmaals) had moeten uitnodigen voor een hoorgesprek. Uit het feit dat niet was gereageerd op de verzoeken om een afspraak te maken mocht de inspecteur niet zonder meer afleiden dat belanghebbende wenste af te zien van het recht om gehoord te worden. Dat het buiten de invloedsfeer van de inspecteur lag dat de uitnodigingen voor een hoorzitting naar een oud adres van belanghebbende zijn gestuurd, acht de rechtbank in dit verband niet relevant. Voordat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is namelijk via e-mail contact geweest tussen belanghebbende en de inspecteur. In dit contact benoemt belanghebbende dat hij geen vast woonadres heeft. De inspecteur die het bezwaar behandelde was dus vóór het doen van uitspraak op bezwaar bekend met het feit dat belanghebbende niet meer woonachtig was op het adres in Duitsland. Hieruit had hij kunnen afleiden dat belanghebbende de uitnodiging voor een hoorgesprek niet heeft ontvangen. Omdat de inspecteur heeft nagelaten belanghebbende (nogmaals) uit te nodigen voor een hoorgesprek, is de hoorplicht geschonden.
8. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden welke gevolgen de schending van de hoorplicht heeft. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de inspecteur in de bezwaarfase de belanghebbende niet (op de juiste wijze) heeft gehoord alvorens uitspraak op bezwaar te doen, kan de rechtbank in de uitspraak met toepassing van artikel 6:22 Awb aan dat verzuim voorbijgaan mits de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat belanghebbende niet is benadeeld door de gang van zaken. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en of ten aanzien van een deel daarvan de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De feiten die voor deze geschillen relevant zijn, zijn tussen partijen niet in geschil. Verder komt aan de inspecteur geen beleidsvrijheid toe als het gaat om de geschilpunten. Dat betekent dat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal voorbijgaan aan de schending van de hoorplicht.
Zijn algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
9. Belanghebbende stelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Hij voert daartoe aan dat de Belastingdienst heeft nagelaten om navraag te doen bij DigiD. Daarmee is volgens hem onder andere het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
10. Volgens de inspecteur is er geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij stelt dat er niet onrechtmatig is gehandeld door geen contact op te nemen met DigiD.
11. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe overweegt zij dat de zorgplicht van de inspecteur niet zo ver gaat dat hij zelfstandig contact moet opnemen met andere uitvoeringsinstanties of bestuursorganen, zoals DigiD of de RDW. Er is dus niet in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook van schending van een ander beginsel van behoorlijk bestuur is niet uit het dossier gebleken.
LEE 25/4619, LEE 25/4620 en LEE 26/1272 tot en met LEE 26/1274
Is het bezwaar (gericht tegen de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en de [nummer 5] ) terecht nietontvankelijk verklaard?
12. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
13. De rechtbank constateert dat het bezwaarschrift door de inspecteur op 18 maart 2025 is ontvangen. De bezwaartermijn van de meest recente naheffingsaanslag met boetebeschikking (de [nummer 5] ) liep af op 23 december 2024. Dit betekent dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en belanghebbende heeft daarmee te laat bezwaar gemaakt. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Belanghebbende is echter van mening dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij niet eerder op de hoogte was van de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft belanghebbende niet betwist dat de naar Duitsland verzonden naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen daar zijn aangekomen. Hij heeft verklaard dat de voor hem bestemde post hem niet heeft bereikt, omdat hij daar zelf maar kort bij een vriend heeft ingewoond en die vriend vervolgens ook vrij snel elders is gaan wonen. Het adres in Duitsland is destijds door belanghebbende zelf doorgegeven. Nadien heeft hij geen nieuw (post)adres doorgegeven. De inspecteur mocht dus in redelijkheid veronderstellen dat hij de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen naar het juiste adres verstuurde. Het komt voor rekening en risico van belanghebbende dat hij geen adreswijziging heeft doorgegeven. Met zijn stelling dat hij niet belastingplichtig is omdat hij Nederland al geruime tijd geleden heeft verlaten, miskent belanghebbende dat hij als houder van de auto op enig moment mrb verschuldigd kan worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaren, voorzover gericht tegen de [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en de [nummer 5] , terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
LEE 26/1275
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
15. Belanghebbende stelt dat hij zijn auto niet kon schorsen, omdat hij niet meer kan inloggen bij DigiD. De inspecteur stelt dat hij terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Onder de naam motorrijtuigenbelasting wordt onder andere een belasting geheven ter zake van het houden van een (personen)auto. De belasting wordt geheven van degene die bij aanvang van het tijdvak het motorrijtuig houdt. De houder van het motorrijtuig is degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister. In dit geval is belanghebbende houder van de auto (zie 2.). Het houderschap van de auto is bepalend voor de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB). Dat betekent dat het ontbreken van toegang tot DigiD belanghebbende niet ontslaat van zijn wettelijke verplichting om mrb te betalen zolang de auto op zijn naam staat. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd.
Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
17. De inspecteur heeft op grond van artikel 37 van de Wet Mrb in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete opgelegd, omdat de belasting niet op aangifte is voldaan. Bij een eerste verzuim wordt geen boete opgelegd, maar bij een volgend betalingsverzuim binnen een jaar een boete van 1% van het maximum van € 5.514.
18. Belanghebbende heeft de mrb niet (tijdig) betaald. Het beboetbare feit is daarmee begaan. De boete is dus in beginsel terecht aan belanghebbende opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas).
19. Belanghebbende heeft een beroep op avas gedaan. Hij stelt dat hij de auto niet kon schorsen door een probleem dat buiten zijn macht is ontstaan. De toegang tot DigiD is hem namelijk ontnomen. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van avas. Belanghebbende had namelijk de naheffing, waarvan hij op de hoogte was dat deze zou worden opgelegd bij het niet schorsen van de auto, kunnen betalen. Daarnaast had belanghebbende meerdere opties om (tijdig) de auto te schorsen, zoals tijdelijk terugkeren naar Nederland om dit ter plekke te regelen, of iemand anders machtigen om de auto namens hem te schorsen. Ook in de gegeven omstandigheden kan zoiets van belanghebbende gevergd worden. Het is dus niet zo dat belanghebbende geen enkel verwijt valt te maken. Belanghebbendes beroep op avas slaagt daarom niet.
20. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde verzuimboete gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden ook passend en geboden is. Belanghebbende heeft hiervoor dezelfde feiten en omstandigheden aangevoerd, namelijk dat hij geen toegang meer had tot DigiD en daardoor de auto niet kon schorsen en hem daarom geen verwijt kan worden gemaakt. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor een matiging. De rechtbank acht een verzuimboete van € 55 passend en geboden.
Conclusie en gevolgen
21. De beroepen zijn ongegrond, maar omdat sprake is van schending van de hoorplicht (zie 8) krijgt belanghebbende zijn griffierecht vergoed en heeft hij recht op een proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft een proceskostenformulier ingediend bij de rechtbank. Op de zitting heeft de inspecteur aangegeven akkoord te gaan met de aangegeven reiskosten van € 35,90. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Beslissing
Alle zaaknummers
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur in het betalen van een proceskostenvergoeding in de vorm van reiskosten van € 35,90;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 6 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.E
Bij het instellen van de beroepen heeft belanghebbende aan de griffie een correspondentieadres in Scharsterbrug opgegeven.
Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.
Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.
Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2829, r.o. 2.3.3.
Artikel 6:7 van de Awb.
Artikel 22j, onderdeel a, van de AWR.
Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.
Op grond van artikel 1, tweede lid van de Wet MRB.
Op grond van artikel 6 van de Wet MRB.
Artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet MRB.
Paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.