Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3258

2026-04-21 Bestuursrecht LEE 25/1314
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-04-21
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 25/1314
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Woo. Weigering van een verzoek om openbaarmaking van correspondentie tussen de NZa en derden. De NZa heeft de gevraagde informatie terecht geweigerd op grond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het goed functioneren van de NZa. Beroep ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.225 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 25/1314


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en


Nederlandse Zorgautoriteit, de Nza
(gemachtigde: mr. B.R. Boerboom).


Samenvatting


Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) door de NZa. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.



De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de NZa op goede gronden heeft besloten om de door eiser verzochte informatie niet openbaar te maken. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan de wetsartikelen die van belang zijn.




Procesverloop

1. Eiser heeft bij brief van 28 oktober 2024 een verzoek ingediend bij de NZa. In deze brief heeft hij het volgende verzocht:



“Hierbij verzoek ik u op basis van de Woo om de volgende documenten te overleggen:






Van de correspondentie met [tandartspraktijk] specifiek de klacht van [derde] waarin [derde] mij beschuldigt van bedreiging.




De gehele correspondentie die u gevoerd heeft met [derden] , wonende te [woonplaats] .




De gehele correspondentie die u gevoerd heeft met [derde] , woonachtig te [woonplaats] .”





1.1.
Met het primaire besluit van 22 november 2024 heeft de NZa het verzoek van eiser afgewezen en de gevraagde informatie niet openbaar gemaakt.



1.2.
Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 heeft de NZa het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing in stand gelaten.



1.3.
Eiser heeft op 2 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft bij brief van 30 juni 2025 de beroepsgronden aangevuld.



1.4.
De NZa heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de NZa overgelegde informatie.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van de NZa en F.L. Boekee, een medewerker van de NZa.




Het toetsingskader


2. Het uitgangspunt van de Woo is dat iedereen recht heeft op toegang tot publieke informatie en dat alle overheidsinformatie in beginsel openbaar is, tenzij sprake is van bij wet gestelde beperkingen. In artikel 5.1 van de Woo staan in het eerste lid de absolute en in het tweede lid de relatieve uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden kunnen aan openbaarmaking in de weg staan. Bij een absolute uitzonderingsgrond blijft informatieverstrekking altijd achterwege. Bij een relatieve uitzonderingsgrond maakt het bestuursorgaan een afweging tussen het vooropgestelde algemene belang van openbaarheid en de belangen genoemd in artikel 5.1, tweede lid, van de Woo.



2.1.
In het bestreden besluit heeft de NZa met een beroep op een tweetal relatieve uitzonderingsgronden (sub e en sub i) de openbaarmaking van de gevraagde informatie geweigerd. Op grond van sub e (de e-grond) mag een bestuursorgaan het openbaar maken van informatie achterwege laten als het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Op grond van sub i (de i-grond) mag een bestuursorgaan het openbaar maken van informatie achterwege laten als het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.




Beoordeling door de rechtbank



Heeft de NZa de openbaarmaking terecht geweigerd met verwijzing naar de i-grond?




3. Eiser voert aan dat de NZa de beslissing om de gevraagde informatie op basis van de i-grond niet openbaar te maken ondeugdelijk en onvoldoende specifiek heeft gemotiveerd. Volgens eiser had de NZa per document moeten motiveren waarom er niet tot openbaarmaking overgegaan kon worden.



3.1.
De NZa stelt zich op het standpunt dat zij als toezichthouder bij de uitvoering van haar taak in grote mate afhankelijk is van meldingen van derden. Omdat de door eiser gevraagde informatie herleidbaar is tot (een) individu(en), kan de openbaarmaking van deze informatie ertoeleiden dat melders mogelijk terughoudend(er) worden bij het doen van een melding. Hierdoor zou het functioneren van de NZa geschaad kunnen worden. Volgens de NZa heeft zij daarmee voldoende gemotiveerd waarom de openbaarmaking van deze documenten achterwege moest blijven. Een motivering per document voegt volgens de NZa niets toe.



3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de NZa de openbaarmaking van de gevraagde informatie weigeren op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. Hiervoor is redengevend dat eiser met zijn verzoek tot openbaarmaking de beschikking wil krijgen over correspondentie die is gewisseld tussen de NZa en een concurrerende tandartspraktijk en tussen de NZa en [derden] . Eiser wil op deze manier nagaan of de [tandartspraktijk] en [derden] meldingen of klachten jegens hem hebben ingediend bij de NZa en wat de inhoud is van deze meldingen of klachten.



3.3.
De openbaarmaking van deze stukken kan effect hebben op anderen. Individuele melders zullen wellicht terughoudend(er) worden in het doen van een melding aan de NZa als ze zien dat meldingen openbaar gemaakt worden. Omdat de NZa voor een groot deel afhankelijk is van meldingen door derden, kan haar functioneren dus worden belemmerd als zij de meldingen openbaar maakt. In de rechtspraak is in vergelijkbare gevallen geoordeeld dat deze omstandigheid een grond vormt voor een weigering om documenten te openbaren. Ook in de memorie van toelichting van de Woo staat beschreven dat deze omstandigheid onder de i-grond kan vallen.



3.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat de NZa haar besluit voldoende heeft gemotiveerd. De NZa was in dit geval niet gehouden om per document te motiveren dat de i-grond van toepassing was, hoewel als uitgangspunt geldt dat dit wel moet. De reden dat de NZa in dit geval mocht volstaan met één afweging en motivering voor alle opgevraagde stukken is dat de reden voor de weigering van de openbaarmaking (de zorg dat melders afgeschrikt worden) in feite voor alle documenten geldt. De aard van de opgevraagde stukken is immers gelijk. Het motiveren per document zou daarmee een herhaling van zetten zijn.



Heeft de NZa de openbaarmaking terecht geweigerd met verwijzing naar de e-grond?




4. Eiser heeft eerst ter zitting gesteld dat de weigering van de openbaarmaking op basis van de e-grond niet in stand kan blijven. Dit is volgens eiser het geval omdat de weigering disproportioneel is en omdat de NZa niet duidelijk heeft gemaakt welke passages niet te anonimiseren zijn en waarom minder ingrijpende maatregelen niet volstaan. Omdat de NZa ter zitting adequaat heeft kunnen reageren op deze nieuwe beroepsgrond zal ook over deze grond worden geoordeeld.




4.1.
De NZa heeft ten aanzien van de e-grond gesteld dat deze uitzonderingrond van toepassing is omdat de opgevraagde stukken herleidbaar zijn tot een individu en dat het anonimiseren van deze stukken de herleidbaarheid niet wegneemt.



4.2.
De rechtbank volgt de NZa in dit standpunt. Het volgende is hiervoor van belang. De door eiser opgevraagde informatie betreft correspondentie tussen een aantal specifieke personen en de NZa. Deze correspondentie is herleidbaar naar (een) individu(en). De rechtbank heeft de betreffende correspondentie ingezien en stelt vast dat de berichten niet zodanig kunnen worden geanonimiseerd dat de daarin opgenomen informatie niet meer is te herleiden tot individuele personen. De NZa heeft in de belangenafwegin terecht een zwaarder gewicht toegekend aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de melder(s) dan aan het publieke belang van openbaarheid. Melders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun anonimiteit gewaarborgd blijft.



Moest de NZa de belangen van eiser afwegen?




5. Eiser voert aan dat de NZa de concrete en individuele belangen niet goed heeft afgewogen. Volgens eiser moet bij de toepassing van een relatieve uitzonderingsgrond een afweging worden gemaakt tussen het belang dat door de uitzonderingsgrond wordt gediend en het belang van transparantie en rechtsbescherming van de verzoeker.




5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De NZa moest op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo het publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afwegen tegen de door de uitzonderingsgronden te beschermen belangen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser belang heeft bij de openbaarmaking van de gevraagde informatie, speelt dit belang in deze afweging geen rol.



Heeft NZa het beroep van eiser op artikel 194 en 195 Rv terecht verworpen?




6. Eiser stelt dat de NZa zijn beroep op artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten onrechte heeft verworpen. Volgens eiser heeft hij ook op basis van deze bepalingen recht op toegang tot de documenten waarvan hij openbaarmaking heeft gevraagd.




6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 194 en 195 Rv zijn per 1 januari 2025 gewijzigd en voorzien in de mogelijkheid om in het kader van een civielrechtelijke procedure toegang te krijgen tot documenten. Een procedure op grond van deze bepalingen moet met een verzoekschrift of een dagvaarding worden ingeleid bij de civiele rechter. In de onderhavige, bestuursrechtelijke procedure tussen partijen is geen ruimte voor de toepassing van deze bepalingen. In deze procedure staat immers de toepassing van de Woo centraal en moet specifiek de vraag worden beantwoord of de NZa terecht de openbaarmaking van de door eiser opgevraagde informatie heeft geweigerd met een beroep op artikel 5.1, van de Woo.



Heeft de NZa artikel 6 EVRM geschonden?




7. Eiser voert verder aan dat de weigering van de NZa om de door hem gewenste documenten te publiceren in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens eiser wordt met de weigering het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden.



7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet omdat – zoals door de NZa terecht is gesteld – uit vaste rechtspraak volgt dat artikel 6, van het EVRM niet van toepassing is op procedures over de Wet openbaarheid van bestuur. De reden hiervoor is dat het algemeen belang bij openbaarmaking in een dergelijke procedure aan de orde is en niet een burgerrechtelijk recht of een burgerrechtelijke verplichting van de verzoeker. Er is geen reden om aan te nemen dat deze jurisprudentielijn niet langer zou gelden onder de Woo.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Veenema, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.












griffier


rechter












Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Wet open overheid




Artikel 4.1. Verzoek

1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
[…]


Artikel 5.1. Uitzonderingen
[…]

2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
ii. […]

3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.



Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1879, van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2337, van 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1058 en van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:3823.



Kamerstukken II 2018/19, 35 112, nr. 3, p. 21-23.



Kamerstukken II 2018/19, 35 112, nr. 3, p. 23-24.


Zie de uitspraak van de ABRvS van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:143, r.o. 4.2.


Zie de uitspraak van de ABRvS van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:143, r.o. 4.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:264.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:16043.