Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2475
Inhoudsindicatie
Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 25 juni 2026 een vonnis gewezen in de zaak tegen een man die wordt verdacht van poging tot doodslag, mishandeling, verkrachting en vernieling. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen door met kracht de keel van aangeefster dicht te knijpen, waarbij verdachte gebruik heeft gemaakt van beide handen en druk heeft uitgeoefend op het strottenhoofd met zijn duimen. Gelet op de aard van de gedragingen, de duur daarvan en de wijze waarop deze zijn uitgevoerd, moet verdachte zich bewust zijn geweest van deze aanmerkelijke kans. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat verdachte het geweld niet uit eigen beweging heeft beëindigd, maar daarmee pas is gestopt toen de politie arriveerde. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte is doorgegaan met zijn handelen en daarmee heeft hij de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster bewust aanvaard. Aangeefster heeft uitdrukkelijk aangegeven dat zij geen seks wilde en was aan het huilen. Door zijn vingers in haar vagina te brengen heeft verdachte opzettelijk de ontbrekende wil bij aangeefster genegeerd. De rechtbank is, net als de deskundigen, van oordeel dat behandeling van verdachte noodzakelijk is om het als hoog ingeschatte recidivegevaar terug te dringen. Gelet op het recidiverisico en de problematiek van verdachte acht de rechtbank, in tegenstelling tot de verdediging, behandeling buiten het kader van tbs niet passend en ontoereikend. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, passend en geboden. Risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen kunnen met de tbs met voorwaarden in die zin mogelijk beperkt ondervangen worden. Gelet hierop acht de rechtbank het noodzakelijk om de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. De rechtbank acht voorts, gelet op het grote risico op herhaling, ter voorkoming van strafbare feiten ook een contact- en locatieverbod noodzakelijk in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, zoals geëist door de officier van justitie.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (44.172 tekens)
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/027822-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/042221-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode 24 januari 2025 tot en met 25 januari 2025 te [plaats] , gemeente Eemsdelta
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
meermalen die [slachtoffer] bij haar keel tegen de muur omhoog heeft geduwd/gedrukt en/of
meermalen die [slachtoffer] om de nek/hals heeft gegrepen en/of (met kracht) in bedwang heeft gehouden en/of
met twee handen de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen
en/of zijn duimen op het strottenhoofd van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl hij bovenop die [slachtoffer] zat en/of
-(vervolgens) haar keel/luchtpijp heeft dichtgedrukt/geknepen en/of dichtgedrukt/geknepen heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode 24 januari 2025 tot en met 25 januari 2025 te [plaats] , gemeente Eemsdelta
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
meermalen die [slachtoffer] bij haar keel tegen de muur omhoog heeft geduwd/gedrukt en/of
meermalen die [slachtoffer] om de nek/hals heeft gegrepen en/of (met kracht) in bedwang heeft gehouden en/of
met twee handen de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen
en/of zijn duimen op het strottenhoofd van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl hij bovenop die [slachtoffer] zat en/of
-(vervolgens) haar keel/luchtpijp heeft dichtgedrukt/geknepen en/of dichtgedrukt/geknepen heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij in of omstreeks de periode 24 januari 2025 tot en met 25 januari 2025 te [plaats] , gemeente Eemsdelta
[slachtoffer] heeft mishandeld door
die [slachtoffer] tegen de muur te drukken/duwen
die [slachtoffer] bij haar keel te pakken
die [slachtoffer] meermalen te slaan;
3
hij op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats] , gemeente Eemsdelta met een persoon, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die
[slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 januari 2025 te [plaats] , gemeente Eemsdelta met een persoon, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die
[slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
4
hij in of omstreeks de periode 24 januari 2025 tot en met 25 januari 2025 te [plaats] , gemeente Eemsdelta, opzettelijk en wederrechtelijk een muur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangeefster haar bewustzijn niet heeft verloren en dat niet is gebleken van blijvend letsel. Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat het letsel van aangeefster evenmin nader is onderzocht.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor poging tot zware mishandeling. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte aangeefster meermalen bij de keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dichtgeknepen gehouden, waardoor de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is aanvaard.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 2, 3 primair en 4.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte het opzet op de dood van aangeefster betwist. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte aangeefster met kracht bij haar keel heeft vastgepakt, maar dat niet kan worden vastgesteld dat de duur en wijze van het vastpakken van zodanige aard waren dat daardoor een aanmerkelijke kans op overlijden heeft bestaan. Aangeefster heeft naar adem gesnakt en haar best gedaan om haar bewustzijn niet te verliezen, maar heeft haar bewustzijn niet verloren. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, te weten opzetverkrachting dan wel schuldverkrachting. Zij heeft daartoe aangevoerd dat sprake was van een complexe relatie waarin seksueel contact wisselend werd ervaren, maar waarin door aangeefster kenbaar gemaakte grenzen door verdachte werden gerespecteerd. Voorts bestond een patroon van ruzies gevolgd door verzoeningen, waarbij ook seksueel contact plaatsvond.
Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de gestelde bedreigingen ontkent voor zover deze zouden zijn geuit ten tijde van het moment waarop de seksuele handeling plaatsvond. Toen aangeefster “au” zei, is verdachte onmiddellijk gestopt. Volgens de raadsvrouw volgt hieruit dat geen sprake was van handelen zonder toestemming van aangeefster.
Ten aanzien van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Deze opgave luidt als volgt:
Ten aanzien van feit 2 en 4:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 28 januari 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025021877 d.d. 15 april 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] , inclusief fotos.
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 11 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
In een tijdsbestek van enkele uren zijn er meerdere momenten geweest waarop ik haar bij de keel heb vastgepakt. In totaal heb ik haar vijf of zes keer de keel dichtgeknepen, zowel met één hand als met twee handen. Ik heb daarbij haar keel ongeveer vijf tot tien seconden dichtgehouden. Ook heb ik haar bij de keel tegen de muur omhoog gedrukt. Ik was de controle over mezelf kwijtgeraakt. Toen de politie binnenkwam, kwam ik weer bij zinnen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 28 januari 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] ;
In de nacht van vrijdag 24 januari op zaterdag 25 januari 2025 heeft [verdachte] mij op de slaapkamer in mijn woning te [plaats] tegen de muur gedrukt en in bedwang gehouden. Terwijl ik op mijn rug in bed lag, ging hij bovenop mij zitten en kneep met twee handen mijn keel dicht. Hij pakte mij daarbij rondom mijn hals vast en drukte met zijn duimen op mijn strottenhoofd. Dit deed pijn en veroorzaakte dat ik bijna stikte. Hij deed dit een aantal keren. Ik ben daarbij drie keer bijna mijn bewustzijn verloren. Hij hield me weer vast bij mijn keel. Ik was eigenlijk alleen maar bezig met zorgen dat ik mijn bewustzijn niet verloor, ik was naar adem aan het snakken. () Pas toen ik geklop hoorde, de brievenbus hoorde en ik iets van politie hoorde, dacht ik dat ik wel geluid moest maken. Maar dit lukte niet want ik lag op bed, [verdachte] zat op mij en drukte mijn keel dicht. Ik kon nauwelijks adem halen. Pas toen ik glasgerinkel hoorde, liet [verdachte] iets los bij mijn keel en voelde ik drukvermindering. Ik denk dat [verdachte] ook schrok, ik weet niet hoe het me precies lukte, maar toen ben ik naar beneden en naar buiten gerend.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank gaat uit van de verklaring van aangeefster over de wijze waarop het geweld heeft plaatsgevonden. Deze verklaring vindt op essentiële onderdelen steun in de verklaring van verdachte, die de geweldshandelingen in de kern niet heeft betwist. Op basis van de verklaring van aangeefster stelt de rechtbank vast dat verdachte meermalen de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden.
Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat verdachte het opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangeefster. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte het doel had om aangeefster te doden. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. Onder omstandigheden kan het dichtknijpen van de keel echter een aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg van dit geweld komt te overlijden. Indien uit het handelen van verdachte blijkt dat hij deze aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard, is sprake van voorwaardelijk opzet.
Door met kracht de keel van aangeefster dicht te knijpen, waarbij verdachte gebruik heeft gemaakt van beide handen en druk heeft uitgeoefend op het strottenhoofd met zijn duimen, heeft verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster in het leven geroepen. Aangeefster heeft hierover verklaard dat zij het gevoel had dat zij stikte en dat zij daarbij bijna drie keer haar bewustzijn heeft verloren. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte gedurende enige tijd met kracht de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met kracht dichtknijpen van de keel gedurende enige tijd kan leiden tot zuurstoftekort en daardoor tot de dood. Gelet op de aard van de gedragingen, de duur daarvan en de wijze waarop deze zijn uitgevoerd, moet verdachte zich bewust zijn geweest van deze aanmerkelijke kans. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat verdachte het geweld niet uit eigen beweging heeft beëindigd, maar daarmee pas is gestopt toen de politie arriveerde.
Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte is doorgegaan met zijn handelen en daarmee heeft hij de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster bewust aanvaard.
De rechtbank verwerpt het verweer dat geen sprake kan zijn van een poging tot doodslag omdat aangeefster haar bewustzijn niet daadwerkelijk heeft verloren. Het feit dat aangeefster haar bewustzijn niet daadwerkelijk heeft verloren, is voor de beantwoording van de vraag naar voorwaardelijk opzet niet doorslaggevend. Bepalend is of de gedragingen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood opleveren en of verdachte die kans bewust heeft aanvaard, hetgeen zoals hiervoor reeds is overwogen het geval is geweest.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 11 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat ik twee vingers in haar vagina heb gebracht en dat zij dat niet prettig vond. Toen ik bij haar in bed ging liggen, was de ruzie al gaande.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 januari 2025, opgenomen op pagina 4 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
Op zaterdagochtend 25 januari 2025 zei [verdachte] dat hij seks wilde. Ik heb gezegd dat ik dat niet wilde. Hij pakte mij vervolgens steeds bij mijn keel. Ik lag op mijn rug op bed in mijn woning in [plaats] . Hij hield mij met één arm in bedwang en trok met zijn andere arm en hand mijn onderbroek naar beneden. Hij zei dat hij mij ging verkrachten. Ik was aan het huilen. Terwijl hij mij vasthield, bracht hij hardhandig zijn vingers in mijn vagina. Dit duurde hooguit 10 seconden. Ik zei “au”. Hij haalde zijn vingers eruit en zei: "wat au?" Daarna ging hij verder met bedreigen en wurgen.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak.
De rechtbank gaat uit van de verklaringen van aangeefster over de wijze waarop de seksuele handeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht deze verklaringen consistent en authentiek. Er zijn geen redenen om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De verklaring van aangeefster vindt bovendien op essentiële onderdelen steun in de verklaring van verdachte.
Aangeefster heeft uitdrukkelijk aangegeven dat zij geen seks wilde en was aan het huilen. Door zijn vingers in haar vagina te brengen heeft verdachte opzettelijk de ontbrekende wil bij aangeefster genegeerd.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 24 januari 2025 tot en met 25 januari 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen die [slachtoffer] bij haar keel tegen de muur omhoog heeft geduwd en
meermalen die [slachtoffer] om de nek/hals heeft gegrepen en met kracht in bedwang heeft gehouden en
- met twee handen de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en zijn duimen op het strottenhoofd van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl hij bovenop die [slachtoffer] zat en
-vervolgens haar keel/luchtpijp heeft dichtgedrukt en dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij in de periode van 24 januari 2025 tot en met 25 januari 2025 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door
die [slachtoffer] tegen de muur te drukken/duwen
die [slachtoffer] bij haar keel te pakken
die [slachtoffer] meermalen te slaan;
3
hij op 25 januari 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
4
hij in de periode van 24 januari 2025 tot en met 25 januari 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een muur, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft beschadigd.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair poging tot doodslag
mishandeling
primair opzetverkrachting
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Naast de oplegging van voornoemde straf vordert hij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt opgelegd. Voorts heeft hij gevorderd dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr wordt opgelegd voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de plaats Farmsum, met toepassing van de vervangende hechtenis van twee weken voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet, met een maximum van zes maanden. De tbs-maatregel en de maatregel van artikel 38v Sr dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet afwijzend staat tegenover het door de reclassering geadviseerde hulpverleningstraject. Gelet op de door haar bepleite vrijspraak van de onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten en het reeds ondergane voorarrest heeft zij verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf van beperkte duur op te leggen. Ten aanzien van de gevorderde maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de noodzaak daarvan ontbreekt, nu verdachte ook zonder een dergelijk dwangkader geen contact met aangeefster zal zoeken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de gedragsdeskundigen en de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstig geweld tegen aangeefster, zijn ex-partner. Onder invloed van grote hoeveelheden alcohol en cocaïne heeft hij haar gedurende een periode van twee dagen waarin zij samen in de woning van aangeefster verbleven mishandeld, verkracht en heeft hij haar geprobeerd te wurgen. Het geweld is pas geëindigd toen de politie een ruit insloeg en de woning binnenkwam.
Algemeen is bekend dat slachtoffers van feiten als de onderhavige nog lange tijd last kunnen hebben van de psychische gevolgen daarvan. Uit de door aangeefster ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat het handelen van verdachte een enorme impact heeft gehad en dat aangeefster nog steeds bang is.
Persoon van de verdachte
Ten aanzien van de persoon van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking de over hem opgemaakte Pro Justitia rapportages van 6 februari 2026 van T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus en van 10 februari 2026 van T.E.G.A. Oosterhof, klinisch psycholoog.
Uit de rapporten van de deskundigen komt het volgende naar voren. De deskundigen concluderen dat er bij verdachte sprake is van een psychische stoornis. De psychiater omschrijft deze als een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken en stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne en alcohol. De psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een stoornis in cannabis, cocaïne en alcohol, allen ernstig (momenteel in langdurige remissie door detentie). Daarnaast is volgens de psycholoog sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, afhankelijke en borderline trekken. Er bestaat grotendeels consensus over de diagnostiek.
De psychiater en psycholoog concluderen dat deze stoornissen ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig waren en dat zij de gedragingen en gedragskeuzes van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde hebben beïnvloed. De deskundigen adviseren dan ook om het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen aan verdachte.
De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en zij neemt deze over. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
De psychiater acht het risico op gewelddadig gedrag hoog. De psycholoog schat het risico op recidive als matig tot matig-hoog in. Een behandeling en begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling duurzaam te verlagen. Een geïntegreerde verslavings- en persoonlijkheidsbehandeling binnen de forensische verslavingszorg is aangewezen. De psychiater adviseert een klinische start om de problematiek aan te pakken met een langdurig ambulant vervolg waaraan hij zich niet kan onttrekken en hetgeen bij onttrekking tot duidelijke consequenties kan leiden. Hij heeft overwogen om de klinische behandeling te laten plaatsvinden binnen het kader van bijzondere voorwaarden maar het risico is dan dat bij het overtreden van voorwaarden verdachte gedetineerd raakt en niet wordt behandeld. De ervaring heeft geleerd dat verdachte vaker voorwaarden heeft overtreden, recidiveerde in proeftijd, afspraken met de reclassering niet nakwam, zich niet aan behandelafspraken hield, behandeling daardoor eerder was stopgezet, hij geen openheid gaf en met grote regelmaat loog en zich moeilijk liet aanspreken op zijn gedrag en gladde praatjes. Bovendien acht de psychiater het noodzakelijk dat verdachte langdurig wordt gevolgd. De psychiater adviseert de behandeling en begeleiding vorm te geven in het kader van een tbs-maatregel zodat er meer zekerheid is dat verdachte de behandeling niet kan vermijden en de behandeling en begeleiding continuïteit krijgt en houdt. Naast de tbs-maatregel wordt geadviseerd aan onderzochte een GVM op te leggen conform artikel 38z Sr. Met deze maatregel kan onderzochte, na ommekomst van de tbs-maatregel, in een forensisch kader worden ondersteund, begeleid en gemonitord door de reclassering. Over de advisering en het juridisch kader bestaat tussen de psychiater en psycholoog volledige overeenstemming.
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsrapport van 27 mei 2026, waarin de reclassering positief adviseert ten aanzien van oplegging van tbs met voorwaarden aan verdachte en oplegging van een GVM, conform artikel 38z Sr. De door de reclassering voorgestelde voorwaarden houden
onder meer in een opname en behandeling in FVK [instelling 2] en aansluitend een ambulante behandeling door de Forensische Polikliniek van VNN.
Oplegging maatregel
De rechtbank is, net als de deskundigen, van oordeel dat behandeling van verdachte noodzakelijk is om het als hoog ingeschatte recidivegevaar terug te dringen. Gelet op het recidiverisico en de problematiek van verdachte acht de rechtbank, in tegenstelling tot de verdediging, behandeling buiten het kader van tbs niet passend en ontoereikend. Er bestaat dan immers een risico dat verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving, terwijl het gevaar voor herhaling dan nog steeds groot is.
Aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte een misdrijf heeft gepleegd waarop minimaal vier jaren gevangenisstraf is gesteld. De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven rapporten van deskundigen voorts vast dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens die bestond ten tijde van de strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat de stoornissen van verdachte zodanig zijn dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet ook op de adviezen, sprake van een hoog recidivegevaar. De rechtbank zal daarom de tbs met voorwaarden gelasten, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit vereist. Verdachte heeft is gemotiveerd voor behandeling en heeft zich ter zitting bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden.
De rechtbank zal bevelen dat de maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er gelet op de inhoud van de rapportages rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Strafoplegging
Daarnaast rechtvaardigen de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten dat een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in de vorm van een gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter ook rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv
GVM
De door de rechtbank opgelegde maatregel van tbs met voorwaarden zal na maximaal negen jaar eindigen. Het is de vraag of binnen deze tijd de benodigde behandeling van verdachte kan plaatsvinden en of dit, gezien de stoornissen van verdachte en de daaruit voortvloeiende risico's, voldoende resultaat heeft gehad. Risicos ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen kunnen met de tbs met voorwaarden in die zin mogelijk beperkt ondervangen worden.
Gelet hierop acht de rechtbank het noodzakelijk om de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan, omdat de maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde tbs plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.
Vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank acht voorts, gelet op het grote risico op herhaling, ter voorkoming van strafbare feiten ook een contact- en locatieverbod noodzakelijk in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, zoals geëist door de officier van justitie. De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Daarbij zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 8 september 2022 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 8 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr waarvan 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 22 september 2022. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 1 juni 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de verdediging
De vordering na voorwaardelijke veroordeling is te laat ingediend. Hoewel de wet op dit moment geen vermelding meer maakt van de drie maanden termijn waarbinnen een vordering tenuitvoerlegging dient te zijn ingediend, moet het ontbreken van die termijn -gelet op de memorie van toelichting bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: wet USB)- als een omissie worden gezien van de wetgever en heeft de wetgever ogenschijnlijk niet beoogd de termijn voor indiening van een dergelijke vordering te laten vervallen. Verzocht wordt de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van de rechtbank
Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om het openbaar ministerie in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank constateert dat voorheen in de wet (artikel 14g Sv (oud)) stond vermeld dat een vordering tot tenuitvoerlegging moet worden ingediend binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd. Sinds de Wet USB vermeldt artikel 6:6:21 Sv geen termijn waarbinnen de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden ingediend. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een omissie van de wetgever. Tussentijdse reparaties van de Wet USB hebben immers niet geleid tot het alsnog invoeren van een termijn voor het indienen van de vordering tenuitvoerlegging na het verstrijken van de proeftijd, terwijl daarvoor in de parlementaire beraadslagingen wel aandacht is geweest. Derhalve acht de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats is. Gelet op de gevangenisstraf en de tbs-maatregel die aan verdachte wordt opgelegd, acht de rechtbank het toewijzen van de vordering echter niet opportuun. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38, 38a, 38v, 38w, 38z, 45, 57, 243, 287, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
de veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
de veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt in:
de veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
de veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;
de veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan
aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
de veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
de veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
de veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
de veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
de veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;
als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPC) of een soortgelijke instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
de veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
de veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door FVK [instelling 2] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. Ook wanneer dit betreft het verblijf in een andere zorginstelling dan FVK [instelling 2] ter overbrugging. De opname start zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de persoonlijkheidsproblematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, traumaproblematiek en andere voorkomende (sociaal-maatschappelijke) problemen. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de veroordeelde laat zich behandelen door de Forensische Polikliniek van VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de persoonlijkheidsproblematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, traumaproblematiek en andere voorkomende (sociaal-maatschappelijke) problemen;
de veroordeelde verblijft in een beschermde woonvorm of een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
de veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
de veroordeelde gebruikt geen alcohol. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek / ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
de veroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze direct of indirect contact met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989;
de veroordeelde bevindt zich niet in Farmsum;
de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
de veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan budgetbeheer of bewindvoering. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
de veroordeelde geeft de reclassering en zijn behandelaren openheid omtrent zijn sociale contacten met betrekking tot zijn familie, vrienden en kennissen.
Draagt de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Legt aan verdachte op de vrijheidsbeperkende maatregel gedurende 5 jaren, inhoudende:
dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opneemt, zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989;
dat verdachte zich gedurende vijf jaren niet in de plaats Farmsum, gemeente Eemsdelta bevindt, zolang het openbaar ministerie en de reclassering dit verbod nodig vinden.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 maanden.
Bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] , beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/042221-22:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 8 september 2022.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. L.N. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.
Mr. M.M. Spooren is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.