Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:1175
2026-04-02
Civiel recht; Insolventierecht
C/18/253211 /FT EA 26-33
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing eigen aangifte faillissement
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:3269 Hoge Raad 22-12-2017
- ECLI:NL:HR:2015:3636 Hoge Raad 18-12-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.975 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/253211 /FT EA 26-33
beschikking d.d. 2 april 2026
Op de eigen aangifte van:
[verzoeker] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
kantoorhoudende te [adres] ,
KvK-nummer: [kvk-nummer] ,
strekkende tot faillietverklaring.
1PROCESGANG
1.1.
Op 23 februari 2026 is ter griffie van deze rechtbank een verklaring ingediend van [verzoeker] B.V. inhoudende dat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, op grond waarvan wordt verzocht haar in staat van faillissement te verklaren.
1.2.
Het verzoek is behandeld op zitting van 31 maart 2026, waar de heren [de bestuurders] , hierna te noemen: de bestuurders, zijn verschenen.
2RECHTSOVERWEGINGEN
2.1.
[verzoeker] B.V. heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot haar eigen faillietverklaring. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
2.2.
Het faillissement dient er mede toe dat de curator ten behoeve van de schuldeisers onderzoekt of en, zo ja, in hoeverre de schuldenaar verhaal biedt. Indien de boedel leeg blijkt, kan het faillissement worden opgeheven bij gebrek aan baten. De enkele omstandigheid dat de boedel leeg is of lijkt te zijn, is op zichzelf nog geen reden om een faillissementsverzoek af te wijzen. Daarvoor is vereist dat de faillissementsaanvraag is aan te merken als misbruik van bevoegdheid (ECLI:NL:HR:2017:3269 en ECLI:NL:HR:2015:3636). Daarvan kan sprake zijn als degene die het faillissement aanvraagt, op het moment van de aanvraag weet dat de boedel leeg is en geen voldoende gerechtvaardigd belang bij de aanvraag heeft, eventueel mede in verband met voor hem beschikbare alternatieven.
2.3.
Uit de eigen aangifte van [verzoeker] B.V. en uit de toelichting van de bestuurders ter zitting is gebleken dat sprake is van een boedel die (nagenoeg) geen activa omvat en dat er geen enkele aanleiding bestaat voor de verwachting dat in het faillissement, bijvoorbeeld met toepassing van art. 42 Fw of art. 2:9 BW, activa zullen kunnen worden gegenereerd. Het doel van een faillissement, te weten verdeling door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers, zal niet kunnen worden bereikt. Van enig rechtens te respecteren belang, van de vennootschap of van relevante derden, bij de faillissementsaanvraag is niet gebleken. Dat geldt temeer nu de bestuurders van [verzoeker] B.V. de weg van art. 2:19 BW (turboliquidatie) hadden kunnen bewandelen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat (het bestuur van) de rechtspersoon de bevoegdheid aangifte tot faillietverklaring te doen – en daarmee de te benoemen curator te belasten met werkzaamheden zonder dat hij/zij hiervoor een vergoeding tegemoet kan zien – heeft misbruikt.
2.4.
De eigen aangifte tot faillietverklaring zal daarom worden afgewezen.
3BESLISSING
De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. van Gessel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/253211 /FT EA 26-33
beschikking d.d. 2 april 2026
Op de eigen aangifte van:
[verzoeker] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
kantoorhoudende te [adres] ,
KvK-nummer: [kvk-nummer] ,
strekkende tot faillietverklaring.
1PROCESGANG
1.1.
Op 23 februari 2026 is ter griffie van deze rechtbank een verklaring ingediend van [verzoeker] B.V. inhoudende dat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, op grond waarvan wordt verzocht haar in staat van faillissement te verklaren.
1.2.
Het verzoek is behandeld op zitting van 31 maart 2026, waar de heren [de bestuurders] , hierna te noemen: de bestuurders, zijn verschenen.
2RECHTSOVERWEGINGEN
2.1.
[verzoeker] B.V. heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot haar eigen faillietverklaring. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
2.2.
Het faillissement dient er mede toe dat de curator ten behoeve van de schuldeisers onderzoekt of en, zo ja, in hoeverre de schuldenaar verhaal biedt. Indien de boedel leeg blijkt, kan het faillissement worden opgeheven bij gebrek aan baten. De enkele omstandigheid dat de boedel leeg is of lijkt te zijn, is op zichzelf nog geen reden om een faillissementsverzoek af te wijzen. Daarvoor is vereist dat de faillissementsaanvraag is aan te merken als misbruik van bevoegdheid (ECLI:NL:HR:2017:3269 en ECLI:NL:HR:2015:3636). Daarvan kan sprake zijn als degene die het faillissement aanvraagt, op het moment van de aanvraag weet dat de boedel leeg is en geen voldoende gerechtvaardigd belang bij de aanvraag heeft, eventueel mede in verband met voor hem beschikbare alternatieven.
2.3.
Uit de eigen aangifte van [verzoeker] B.V. en uit de toelichting van de bestuurders ter zitting is gebleken dat sprake is van een boedel die (nagenoeg) geen activa omvat en dat er geen enkele aanleiding bestaat voor de verwachting dat in het faillissement, bijvoorbeeld met toepassing van art. 42 Fw of art. 2:9 BW, activa zullen kunnen worden gegenereerd. Het doel van een faillissement, te weten verdeling door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers, zal niet kunnen worden bereikt. Van enig rechtens te respecteren belang, van de vennootschap of van relevante derden, bij de faillissementsaanvraag is niet gebleken. Dat geldt temeer nu de bestuurders van [verzoeker] B.V. de weg van art. 2:19 BW (turboliquidatie) hadden kunnen bewandelen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat (het bestuur van) de rechtspersoon de bevoegdheid aangifte tot faillietverklaring te doen – en daarmee de te benoemen curator te belasten met werkzaamheden zonder dat hij/zij hiervoor een vergoeding tegemoet kan zien – heeft misbruikt.
2.4.
De eigen aangifte tot faillietverklaring zal daarom worden afgewezen.
3BESLISSING
De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. van Gessel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.