Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2025:633
2025-02-19
Civiel recht; Insolventierecht
C/18/225341 HA ZA 23-185
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bestuursverbod
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.143 tekens)
RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/225341 / HA ZA 23-185
Vonnis van 19 februari 2025
in de zaak van
[naam] ., in hoedanigheid van curator in de faillissementen van REGIOISOLATIE B.V. en [bedrijf 1] B.V.,
te Groningen,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. T. van Dijken,
tegen
1 [gedaagde sub 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.J. Gevers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 februari 2024,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 26 juni 2024 aan de zijde van de curator,
- de akte vermeerdering van eis, tevens inhoudende akte indiening producties van 1 juli 2024 aan de zijde van de curator,
- de mondelinge behandeling van 11 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte uitlating tevens inhoudende akte indiening producties van 17 december 2024 van de curator,
- het B-formulier van 15 januari 2025 van de curator, inhoudende het verzoek om eindvonnis te wijzen in verband met de inmiddels financieel afgewikkelde schikking die partijen hebben bereikt en het nog te registreren bestuursverbod,
- het B-formulier van 21 januari 2025 van [gedaagden] , inhoudende het instemmen met het door de curator gestelde in het B-formulier van 15 januari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Het geschil
2.1.
Bij akte van 17 december 2024 en berichten van 15 januari 2025 en 21 januari 2025 hebben partijen de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt. In de akte staat tevens dat partijen in verband met de wettelijke vereisten de rechtbank verzoeken om vonnis te wijzen met betrekking tot het gevorderde bestuursverbod jegens [gedaagde sub 2] . De rechtbank merkt dit aan als vermindering van eis en gaat er vanuit dat de vorderingen onder a, b, c, d, g, h, i en j volledig en de vorderingen onder e en f, voor zover die zien op gedaagde [gedaagde sub 3] , zijn ingetrokken.
2.2.
De curator vordert nog samengevat – uitvoerbaar bij voorraad – dat aan [gedaagde sub 2] een bestuursverbod wordt opgelegd ex art. 106a Faillissementswet (Fw), met uitzondering van het besturen van de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., voor de duur van vijf jaren ingaande nadat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Tevens verzoekt de curator dat de griffier van de rechtbank de uitspraak bij de Kamer van Koophandel zal aanbieden in verband met de registratie van het bestuursverbod en het uitschrijven van de bestuurder.
3De beoordeling
3.1.
De rechtbank stelt vast dat partijen ter beëindiging van hun geschil afspraken hebben gemaakt die zijn vastgelegd in de door partijen overgelegde ondertekende akte houdende een vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben de rechtbank verzocht het volgende op te nemen in het vonnis.
Partijen zijn in art. 1.7. van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de heer [gedaagde sub 2] ( [gedaagde sub 2] ) instemt met een bestuursverbod voor de duur van vijf jaar, behoudens zijn persoonlijke holding. Meer specifiek is het volgende overeengekomen:
‘ [gedaagde sub 2] stemt in met de vordering van de Curator ter zake van het bestuursverbod, aldus een bestuursverbod ex art. 106a Fw voor de duur van vijf jaar, ingaande vanaf het moment van het in kracht van gewijsde gaan van een te wijzen vonnis van de rechtbank, behoudens voor zover het zijn persoonlijke holding betreft ( [bedrijf 2] B.V.). Partijen zullen de rechtbank eenstemmig verzoeken om ter zake een deelvonnis te wijzen in de Procedure, zulks binnen één maand na heden, nu dit een wettelijke vereiste is voor registreren van het bestuursverbod. Partijen zien af van hoger beroep tegen dit deelvonnis. Indien de uitvoering van voornoemd onderdeel van deze schikking – om wat voor reden dan ook – niet mogelijk blijkt te zijn, zullen Partijen onverwijld in overleg treden en zich inspannen om de onuitvoerbare bepaling te vervangen dooreen bepaling die daar zo dicht mogelijk bij aansluit, met inachtneming van de bedoeling van Partijen.’
3.2.
Een bestuursverbod kan slechts worden opgelegd als voldaan is aan de vereisten van artikel 106a Fw. Volgens lid 1 sub a van art. 106a Fw kan de rechtbank op vordering van de curator een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een rechtspersoon als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat de bestuurder voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in onder meer artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW). Tussen partijen is - naar de rechtbank begrijpt in het licht van de vaststellingsovereenkomst - niet (meer) in geschil dat, zoals de curator heeft gesteld, gedaagde [gedaagde sub 2] zijn taak als bestuurder van RegioIsolatie B.V. kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, dat het aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van die vennootschap (artikel 2:248 lid 1 jo. lid 2 BW) en dat gedaagde [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW. Daarbij moet het er thans voor worden gehouden dat dit handelen, dan wel nalaten, van gedaagde [gedaagde sub 2] zich tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement heeft voltrokken. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarden van artikel 106a lid 1 sub a Fw. De rechtbank zal daarom de vorderingen onder e en f, zijnde het bestuursverbod en de registratie bij de Kamer van Koophandel jegens gedaagde [gedaagde sub 2] toewijzen, met uitzondering van het besturen van de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V.
3.3.
Gezien het voorgaande en het bepaalde in artikel 3.7 van de vaststellingsovereenkomst, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
legt aan gedaagde [gedaagde sub 2] een bestuursverbod op zoals bedoeld in artikel 106a Fw, met uitzondering van het besturen van de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., voor de duur van vijf jaar, ingaande de dag waarop deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;
4.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4.3.
draagt de griffier van de rechtbank op de uitspraak, zodra deze onherroepelijk is geworden, met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel te zenden, met het verzoek terstond tot uitschrijving van [gedaagde sub 2] over te gaan, behalve waar dit de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. betreft, en het bestuursverbod voor de duur waarvoor het is opgelegd, bij het handelsregister te registreren;
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken, mr. R. Bootsma en mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.
931
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/225341 / HA ZA 23-185
Vonnis van 19 februari 2025
in de zaak van
[naam] ., in hoedanigheid van curator in de faillissementen van REGIOISOLATIE B.V. en [bedrijf 1] B.V.,
te Groningen,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. T. van Dijken,
tegen
1 [gedaagde sub 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.J. Gevers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 februari 2024,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 26 juni 2024 aan de zijde van de curator,
- de akte vermeerdering van eis, tevens inhoudende akte indiening producties van 1 juli 2024 aan de zijde van de curator,
- de mondelinge behandeling van 11 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte uitlating tevens inhoudende akte indiening producties van 17 december 2024 van de curator,
- het B-formulier van 15 januari 2025 van de curator, inhoudende het verzoek om eindvonnis te wijzen in verband met de inmiddels financieel afgewikkelde schikking die partijen hebben bereikt en het nog te registreren bestuursverbod,
- het B-formulier van 21 januari 2025 van [gedaagden] , inhoudende het instemmen met het door de curator gestelde in het B-formulier van 15 januari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Het geschil
2.1.
Bij akte van 17 december 2024 en berichten van 15 januari 2025 en 21 januari 2025 hebben partijen de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt. In de akte staat tevens dat partijen in verband met de wettelijke vereisten de rechtbank verzoeken om vonnis te wijzen met betrekking tot het gevorderde bestuursverbod jegens [gedaagde sub 2] . De rechtbank merkt dit aan als vermindering van eis en gaat er vanuit dat de vorderingen onder a, b, c, d, g, h, i en j volledig en de vorderingen onder e en f, voor zover die zien op gedaagde [gedaagde sub 3] , zijn ingetrokken.
2.2.
De curator vordert nog samengevat – uitvoerbaar bij voorraad – dat aan [gedaagde sub 2] een bestuursverbod wordt opgelegd ex art. 106a Faillissementswet (Fw), met uitzondering van het besturen van de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., voor de duur van vijf jaren ingaande nadat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Tevens verzoekt de curator dat de griffier van de rechtbank de uitspraak bij de Kamer van Koophandel zal aanbieden in verband met de registratie van het bestuursverbod en het uitschrijven van de bestuurder.
3De beoordeling
3.1.
De rechtbank stelt vast dat partijen ter beëindiging van hun geschil afspraken hebben gemaakt die zijn vastgelegd in de door partijen overgelegde ondertekende akte houdende een vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben de rechtbank verzocht het volgende op te nemen in het vonnis.
Partijen zijn in art. 1.7. van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de heer [gedaagde sub 2] ( [gedaagde sub 2] ) instemt met een bestuursverbod voor de duur van vijf jaar, behoudens zijn persoonlijke holding. Meer specifiek is het volgende overeengekomen:
‘ [gedaagde sub 2] stemt in met de vordering van de Curator ter zake van het bestuursverbod, aldus een bestuursverbod ex art. 106a Fw voor de duur van vijf jaar, ingaande vanaf het moment van het in kracht van gewijsde gaan van een te wijzen vonnis van de rechtbank, behoudens voor zover het zijn persoonlijke holding betreft ( [bedrijf 2] B.V.). Partijen zullen de rechtbank eenstemmig verzoeken om ter zake een deelvonnis te wijzen in de Procedure, zulks binnen één maand na heden, nu dit een wettelijke vereiste is voor registreren van het bestuursverbod. Partijen zien af van hoger beroep tegen dit deelvonnis. Indien de uitvoering van voornoemd onderdeel van deze schikking – om wat voor reden dan ook – niet mogelijk blijkt te zijn, zullen Partijen onverwijld in overleg treden en zich inspannen om de onuitvoerbare bepaling te vervangen dooreen bepaling die daar zo dicht mogelijk bij aansluit, met inachtneming van de bedoeling van Partijen.’
3.2.
Een bestuursverbod kan slechts worden opgelegd als voldaan is aan de vereisten van artikel 106a Fw. Volgens lid 1 sub a van art. 106a Fw kan de rechtbank op vordering van de curator een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een rechtspersoon als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat de bestuurder voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in onder meer artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW). Tussen partijen is - naar de rechtbank begrijpt in het licht van de vaststellingsovereenkomst - niet (meer) in geschil dat, zoals de curator heeft gesteld, gedaagde [gedaagde sub 2] zijn taak als bestuurder van RegioIsolatie B.V. kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, dat het aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van die vennootschap (artikel 2:248 lid 1 jo. lid 2 BW) en dat gedaagde [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW. Daarbij moet het er thans voor worden gehouden dat dit handelen, dan wel nalaten, van gedaagde [gedaagde sub 2] zich tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement heeft voltrokken. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarden van artikel 106a lid 1 sub a Fw. De rechtbank zal daarom de vorderingen onder e en f, zijnde het bestuursverbod en de registratie bij de Kamer van Koophandel jegens gedaagde [gedaagde sub 2] toewijzen, met uitzondering van het besturen van de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V.
3.3.
Gezien het voorgaande en het bepaalde in artikel 3.7 van de vaststellingsovereenkomst, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
legt aan gedaagde [gedaagde sub 2] een bestuursverbod op zoals bedoeld in artikel 106a Fw, met uitzondering van het besturen van de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V., voor de duur van vijf jaar, ingaande de dag waarop deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan;
4.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4.3.
draagt de griffier van de rechtbank op de uitspraak, zodra deze onherroepelijk is geworden, met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel te zenden, met het verzoek terstond tot uitschrijving van [gedaagde sub 2] over te gaan, behalve waar dit de besloten vennootschap [bedrijf 2] B.V. betreft, en het bestuursverbod voor de duur waarvoor het is opgelegd, bij het handelsregister te registreren;
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken, mr. R. Bootsma en mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.
931