Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2024:5448

2024-11-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht 10740735 / CV EXPL 23-43
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2024-11-26
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
10740735 / CV EXPL 23-43
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Effectenlease. Dexia. Vordering uit onrechtmatige daad (6:162 BW) na vernietiging overeenkomsten door echtgenote (artikel 1:88 jo 1:89 BW).

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.213 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Assen



Zaaknummer: 10740735 \ EL EXPL 23-43




Vonnis van 26 november 2024




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces) te Amsterdam,



tegen




DEXIA NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 oktober 2023,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie,
- de bij de stukken gevoegde producties.



1.2.
Ten slotte is vonnis (nader) bepaald op heden.






2De feiten


2.1.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [eiser] zijn drie effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen. Het betreft de volgende overeenkomsten:














Nr.


Contract


Datum


Naam


Leasesom


Looptijd


Termijnbedrag




1



[nummer ]



27-07-2001


Overwaarde Effect – 180 maanden


€ 77.841,00


180 mnd


€ 20.757,60 vooruitbetaald




2



[nummer ]



27-07-2001


Overwaarde Effect – 180 maanden


€ 69.426,00


180 mnd


€ 18.513,60 vooruitbetaald




3



[nummer ]



27-07-2001


Overwaarde Effect – 180 maanden


€ 69.426,00


180 mnd


€ 18.513,60 vooruitbetaald








2.2.
Bij de totstandkoming van de overeenkomsten is Spaar Select als tussenpersoon opgetreden.



2.3.
Voor die tijd had [eiser] nog twee andere overeenkomsten afgesloten, te weten de WinstVerDriedubbelaar [nummer ] (overeenkomst 4) en de WinstVerDriedubbelaar [nummer ] (overeenkomst 5). De overeenkomsten 4 en 5 zijn in 2001 geëindigd.



2.4.
De overeenkomsten 1 tot en met 3 zijn begin 2004 geëindigd. Op 19 en 27 februari 2004 heeft [eiser] de aandelen van de overeenkomsten 1 tot en met 3 van Dexia overgenomen voor een bedrag van in totaal € 85.580,05.



2.5.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eiser] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.



2.6.

Bij brief van 20 januari 2006, gericht aan Dexia, heeft de gemachtigde van [eiser]
de overeenkomsten 1 tot en met 3 vernietigd, althans ontbonden, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling en is Dexia verzocht en voor zover nodig gesommeerd om onder meer binnen twee weken alle door [eiser] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen.
Ook nadien zijn meerdere brieven namens [eiser] aan Dexia verstuurd.




2.7.
Op 31 januari 2006 heeft de echtgenote van [eiser] de overeenkomsten 1 tot en met 3 vernietigd ex artikel 1:88 jo 1:89 BW.



2.8.

In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige (Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815).
Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel” (Gerechtshof Amsterdam, 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983). In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven (Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003).




2.9.
Dexia heeft op 18 januari 2012 een bedrag van € 19.557,46, voor overeenkomsten 1 en 3, aan [eiser] uitbetaald, op grond van het voornoemde hofmodel.



2.10.
Bij brief van 17 januari 2017 en 12 september 2023 heeft de gemachtigde van [eiser] Dexia gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [eiser] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.



2.11.
Op 3 juli 2018 heeft deze rechtbank eindvonnis gewezen in een procedure tussen [eiser] en Dexia als gevolg van de vernietiging van de overeenkomsten die door de echtgenote van [eiser] was ingeroepen. In die procedure heeft [eiser] onder andere gevorderd om Dexia te veroordelen om al hetgeen dat door [eiser] krachtens de overeenkomsten 1 tot en met 3 aan Dexia is betaald aan [eiser] terug te betalen. Die vordering is afgewezen bij eindvonnis van 3 juli 2018. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) heeft op 9 juni 2020 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.





3De vordering
in conventie

3.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens [eiser] tekort is geschoten op de in de dagvaarding genoemde gronden;
II. voor recht te verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden;
III. Dexia te veroordelen om de schade die [eiser] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen al hetgeen [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de litigieuze overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure;
IV. Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] conform rapport Voorwerk II, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure;
V. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, salaris gemachtigde daaronder begrepen, alsmede in de nakosten, welke nakosten worden begroot op een half punt van het liquidatietarief met een maximum van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan.




3.2.

[eiser] relateert bovenstaande vorderingen aan de overeenkomsten 1 tot en met 3.


3.3.
Dexia voert verweer en stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In de eerder tussen partijen gevoerde procedure is door het Hof geoordeeld dat de overeenkomsten 1 tot en met 3 rechtsgeldig zijn vernietigd door de echtgenote van [eiser] en daardoor worden geacht nimmer te hebben bestaan. Nu de overeenkomsten zijn vernietigd, stelt Dexia zich op het standpunt dat voor [eiser] thans geen mogelijkheid bestaat om schadevergoeding te vorderen als gevolg van vermeend onrechtmatig handelen. Dat is een consequentie van het gewezen arrest en de daaraan ten grondslag liggende keuze van [eiser] voor wat betreft de ingestelde vordering. Daarnaast zijn de vorderingen volgens Dexia verjaard, als gevolg waarvan [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.



3.4.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



in reconventie




3.5.
Dexia vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


I. te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten Overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is,



zowel in conventie als in reconventie met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.




3.6.

[eiser] voert verweer.



3.7.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4Het geschil en de beoordeling


in conventie


Ontvankelijkheid



4.1.
Dexia stelt zich primair op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard onder verwijzing naar de procedure die tussen partijen is gevoerd over de overeenkomsten 1 tot en met 3, in eerste aanleg en bij het Hof.



4.2.

[eiser] heeft in die procedure, vanwege de vernietiging van de overeenkomsten, betaling van Dexia gevorderd van al hetgeen aan Dexia is betaald onder deze overeenkomsten. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en het Hof heeft dat vonnis bekrachtigd. Aangezien partijen niet in cassatie zijn gegaan tegen het arrest van het Hof, zal de kantonrechter in onderhavige zaak uitgaan van hetgeen het Hof heeft geoordeeld ten aanzien van de overeenkomsten 1 tot en met 3.



4.3.
Uit het arrest van het Hof volgt dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd, dat Dexia in principe gehouden was om de betaalde bedragen aan [eiser] terug te betalen, maar dat Dexia dat mocht verrekenen met de waarde van de aandelen. [eiser] is opgedragen om, onder overlegging van bewijsstukken, aan te geven wat er met de overgenomen aandelen is gebeurd, maar hierin is hij volgens het Hof niet geslaagd. Als gevolg daarvan kon niet worden vastgesteld tot welk bedrag Dexia zich op verrekening kon beroepen en oordeelde het Hof als volgt (onderstreping kantonrechter):


“Bij gebreke van een vaststaand moment voor deze vaststelling van de opbrengst van portefeuille zal het hof ervan uitgaan dat de opbrengst van de Dexia-aandelenportefeuille gelijk is aan het daarvoor aan Dexia betaalde bedrag, zodat [eiser] geen aanspraak heeft op enig bedrag als gevolg van de vernietiging.”




4.4.
Ten aanzien van het door Dexia ingeroepen gezag van gewijsde overweegt de kantonrechter als volgt. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het inroepen van gezag van gewijsde er niet aan in de weg staat dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). Dat het Hof in de eerdere procedure heeft vastgesteld dat Dexia niets meer aan [eiser] hoeft te betalen als gevolg van de vernietiging van de overeenkomsten, betekent niet dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering om een oordeel te krijgen over de door hem gestelde onrechtmatigheid. Weliswaar worden de overeenkomsten als gevolg van de vernietiging geacht nimmer te hebben bestaan, maar dat zegt niets over het handelen van Dexia voorafgaand aan het sluiten van die overeenkomsten. [eiser] is ontvankelijk in zijn vordering om daar een oordeel over te krijgen.



4.5.
Dexia heeft zich tevens beroepen op verjaring en heeft in dat kader gesteld dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Volgens Dexia heeft [eiser] zich pas bij brief van 17 januari 2017 op het standpunt gesteld dat zij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Voordien, op 20 januari 2006, is slechts eenmalig een brief gestuurd die betrekking had op [eiser] en in die brief wordt geen melding gemaakt van schade (vergoeding). De overeenkomst is in 2004 beëindigd, zodat [eiser] vanaf dat moment zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was. De toepasselijke verjaringstermijn van 5 jaar (artikel 3:310 BW) is derhalve meermalen verstreken aldus Dexia. [eiser] heeft onder meer verwezen naar hoofdstuk III van bijlage 1 bij de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie.



4.6.
De kantonrechter overweegt dat de verjaringstermijn in ieder geval een aanvang heeft genomen in 2004, bij het einde van de overeenkomsten. Dit was immers het moment waarop [eiser] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW). De kantonrechter is voorts van oordeel dat mogelijke schadevergoedingsvorderingen van [eiser] in eerste instantie zijn gestuit door de WCAM-procedure op grond van artikel 7:907 lid 5 BW (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3925). Hierdoor is in januari 2007 een nieuwe verjaringstermijn ex artikel 7:907 lid 1 BW gaan lopen. Dexia heeft niet weersproken dat zij op 9 oktober 2009 en op respectievelijk 23 (of 24) januari 2012, 29 december 2015, 27 oktober 2016, 1 en 9 november 2016 en 20 januari 2017 en 19 oktober 2021 brieven heeft ontvangen van de gemachtigde van [eiser] die mede namens hem zijn verstuurd, wel dat die brieven als stuitingsbrieven kwalificeren. [eiser] heeft evenwel toegelicht dat in deze brieven een ondubbelzinnige mededeling staat, waarin de afnemer zich zijn recht op schadevergoeding voorbehoudt. Dat heeft Dexia als zodanig niet betwist en in zoverre is er dan ook sprake geweest van stuitingsbrieven. Mede gelet op de brief van 12 september 2023 en het moment van dagvaarden, 5 oktober 2023, moet dan worden vastgesteld dat van een voltooide verjaring geen sprake is geweest. Dit betekent dat het beroep van Dexia op verjaring niet slaagt.



Onrechtmatigheid





4.7.

[eiser] vordert onder meer een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens hem tekort is geschoten.



4.8.

[eiser] verwijt Dexia in de eerste plaats dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. [eiser] stelt voorts, verkort weergegeven, dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Spaar Select, terwijl het Spaar Select als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eiser] te adviseren om een effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft beide stellingen niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege de schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht). De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld acht de kantonrechter daarom toewijsbaar.



Schade





4.9.

[eiser] vordert eveneens een verklaring voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden. Tevens vordert [eiser] vergoeding van de schade die [eiser] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden.



4.10.
Net als in de eerdere tussen partijen gevoerde procedure, vordert [eiser] in onderhavige zaak een vergoeding van al hetgeen [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten 1 tot en met 3. In onderhavige zaak is die vordering gegrond op een onrechtmatige daad, waar dat in voorgaande procedure was gegrond op de terugbetalingsverplichting van de vernietigde overeenkomsten 1 tot en met 3. [eiser] vordert aan schade de inleg in de overeenkomsten en de (fictieve) restschuld na afloop van de overeenkomsten.



4.11.
Dexia stelt zich op het standpunt dat een afnemer geen schadevergoeding kan vorderen ten aanzien van effectenlease-overeenkomsten waarvan de buitengerechtelijke vernietiging reeds is erkend of in rechte is vastgesteld. Dexia verwijst daartoe naar een tweetal uitspraken van het Landelijk Project Effectenleasezaken van 12 oktober 2023 en 2 november 2023. [eiser] betwist dit en stelt dat de vernietiging van de overeenkomsten niet aan een beroep op onrechtmatige daad in de weg staat en verwijst daartoe naar het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 19 mei 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3925). Volgens [eiser] is het van wezenlijk belang dat het in onderhavige zaak gaat om een door Dexia gepleegde onrechtmatige daad in de precontractuele fase, terwijl de vernietiging slechts terugwerkt naar het begin van de overeenkomst. Deze onrechtmatige daad wordt niet geraakt door de vernietiging ex artikel 1:88 jo 1:89 BW, aldus [eiser] .


4.12.
De kantonrechter volgt Dexia in haar standpunt. Aan de toewijzing van schadevergoeding staat in dit geval in de weg dat – zoals het Hof in de eerdere procedure reeds heeft vastgesteld – de effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 3 rechtsgeldig zijn vernietigd door de echtgenote van [eiser] . Als gevolg hiervan zijn vorderingen uit onverschuldigde betaling ontstaan en zijn partijen over en weer gehouden om de geleverde prestaties ongedaan te maken (terugbetalingsverplichtingen). De schade die [eiser] in onderhavige zaak stelt te lijden, heeft betrekking op bedragen die hij ingevolge de overeenkomsten aan Dexia heeft voldaan (inleg en fictieve restschuld). De rechtbank in eerste aanleg en het Hof hebben daarover reeds geoordeeld, weliswaar niet in het kader van gevorderde ‘schade’ maar in het kader van de terugbetalingsverplichtingen, namelijk door te oordelen dat Dexia niets meer aan [eiser] is verschuldigd. De door [eiser] in deze procedure gevorderde schade ziet dus in feite op precies hetzelfde als waar de terugbetalingsverplichtingen ook op zagen, zij het dat [eiser] daar een andere grondslag aan verbindt.



4.13.
De kantonrechter neemt echter als uitgangspunt dat in beginsel moet worden aangenomen dat na uitvoering van de ongedaanmakingsverplichtingen over en weer geen sprake meer is van schade aan de zijde van [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia in de precontractuele fase (Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2021:24, r.o. 3.9). Het Hof heeft in de eerdere procedure de ongedaanmakingsverplichtingen van partijen vastgesteld, namelijk door te oordelen dat Dexia niets meer aan [eiser] hoeft te voldoen als gevolg van de vernietiging. Het Hof gaat er immers van uit dat de opbrengst van de aandelen gelijk is aan het bedrag dat [eiser] aan Dexia heeft voldaan. Dit staat tussen partijen vast, zodat de kantonrechter daarvan uit dient te gaan. Bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit beginsel rechtvaardigen, bijvoorbeeld opgetreden schade die uit zijn aard niet kan worden goedgemaakt door de ongedaanmakingsverplichtingen (schade anders dan hetgeen verschuldigd is op basis van de ongedaanmakingsverplichting van Dexia), zijn door [eiser] niet gesteld.



4.14.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden niet toewijsbaar is. Ook de schadevergoedingsvordering is om die reden niet toewijsbaar.



Buitengerechtelijke kosten





4.15.
Daarnaast vordert [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke kosten conform rapport Voorwerk II. Dexia heeft daartegen verweer gevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende komen vast te staan dat de gemachtigde van [eiser] werkzaamheden heeft verricht die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een - niet aanvaard - schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken, zoals de opt-out verklaring en de stuitingsbrieven, op een lijn moeten worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een ander eenvoudige brief en niet voor vergoeding in aanmerking komen (vgl. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). De kantonrechter is van oordeel dat dit ook geldt voor de aansprakelijkstellingen. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat werkzaamheden als het voeren van een intakegesprek, het samenstellen, completeren en verwerken van de voor het dossier benodigde informatie en stukken, het beoordelen van de juridische haalbaarheid van de aanspraken van [eiser] en het berekenen van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, werkzaamheden zijn ter instructie van de zaak en ter voorbereiding van een procedure. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom als onvoldoende adequaat onderbouwd worden afgewezen.



Proceskosten





4.16.
Zoals de kantonrechter in rechtsoverweging 4.4 heeft overwogen, staat het [eiser] vrij om het door hem gevorderde in onderhavige procedure aan de kantonrechter voor te leggen. Door echter geen aanvullende schade te stellen, anders dan waarover reeds in de vorige procedure in het kader van de ongedaanmakingsverplichtingen is beslist, kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat [eiser] in onderhavige procedure iets gedaan probeert te krijgen dat reeds in twee instanties is afgewezen. In die omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om [eiser] te veroordelen in de proceskosten van Dexia. Dat de verklaring voor recht wel wordt toegewezen doet daar niets aan af. De proceskosten van Dexia worden begroot op € 542,00 (2 punten x € 271,00) aan salaris gemachtigde.



in reconventie




4.17.
Gelet op het bepaalde in conventie zal de kantonrechter voor recht verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten 1 tot en met 3 aan haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is. Tegen de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van overeenkomsten 4 en 5 heeft [eiser] geen specifiek verweer gevoerd, zodat de kantonrechter ook die verklaring voor recht zal toewijzen.



4.18.

[eiser] als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dexia worden vastgesteld op € 542,00 (2 punten × € 271,00).





5De beslissing
De kantonrechter:



in conventie




5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht),



5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,



5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,




in reconventie





5.5.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is,



5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van Dexia tot op heden vastgesteld op € 542,00,



5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.6 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.



Aldus gewezen door mr. S.B. van Baalen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.



56558/NS