Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9775
2026-08-08
Civiel recht; Goederenrecht
C/15/379010
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding tussen twee voormalige echtelieden over i) het meewerken aan het uitkeren van een bedrag uit het restant van de bij een notaris in depot gestelde verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning aan de man en ii) vorderingen van de man op de vrouw in verband met betalingen door de man van gemeenschapsschulden voor een hoger bedrag dan waartoe de man gelet op de onderlinge draagplicht jegens de vrouw is gehouden. De vrouw vordert in reconventie iii) medewerking van de man aan gedeeltelijke uitbetaling van het bedrag in depot aan partijen. De vorderingen van de man worden gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen; de vordering van de vrouw wordt afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:636 Hoge Raad 19-04-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (44.508 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379010 / KG ZA 26-322
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. D. Simo,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B.N. Voogd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2026 met producties 1 tot en met 8
- de producties a en b van de man- de conclusie van antwoord in kort geding tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 4
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. aanvulling eis in conventie met producties 9 tot en met 18- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is partijen meegedeeld dat op 8 juli 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2De feiten
2.1.
De man en de vrouw zijn op 25 mei 2020 te [plaats 3] gehuwd. Voorafgaand zijn zij huwelijkse voorwaarden overeengekomen.
2.2.
Partijen hebben met hun twee minderjarige kinderen gewoond in de woning aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning).
2.3.
De woning is in 2020 door de man gekocht en aan hem geleverd. De man heeft de woning gefinancierd met een hypothecaire geldlening bij de Rabobank. Ook heeft de man twee verbouwingskredieten bij de Rabobank afgesloten, door partijen ook wel aangeduid als Freo 1 en Freo 2.
2.4.
De man is ook eigenaar van een met een hypothecaire geldlening gefinancierd appartement in Marokko.
2.5.
De vrouw heeft op 6 september 2021 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Bij beschikking van 9 november 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 8 februari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.6.
De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat het huwelijksvermogensregime van partijen neerkomt op ‘een algehele gemeenschap van goederen’ omdat partijen met het sluiten van hun huwelijkse voorwaarden die bedoeling hebben gehad.
2.7.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking voor zover deze de vermogensrechtelijke afwikkeling betreft. De vrouw heeft incidenteel appel ingesteld.
2.8.
Voor het geval het gerechtshof het oordeel van de rechtbank over het bestaan van een algehele gemeenschap van goederen in stand zou laten heeft de man verzocht dat het hof over de samenstelling van die gemeenschap, ‘los van de diverse schulden’, expliciet de volgende schulden vermeldt:
het verbouwingskrediet bij de Rabobank van € 8.500,- (Freo 1)
het verbouwingskrediet bij de Rabobank van € 22.000,- (Freo 2)
de schuld aan [bedrijf 1] Notariaat van € 9.614,01
Ook heeft de man voor het geval de woning zou moeten worden verkocht verzocht dat de verkoopopbrengst van de woning, na aftrek van de hypotheekschulden, en de gemeenschapsschulden tussen partijen wordt verdeeld.
2.9.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 29 oktober 2024 het oordeel van de rechtbank over het bestaan van de algehele gemeenschap van goederen in stand gelaten en onder meer als volgt beslist:
5.1
(…)
- bepaalt dat de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 3] binnen zes
maanden na de datum van deze beschikking tegen een waarde van € 525.000,- aan de man zal worden toegedeeld, onder de verplichting dat - na aftrek van de hypotheekschuld bij de
Rabobank, het verbouwingskrediet met nummer [rekeningnummer 1] bij de Rabobank en het
verbouwingskrediet met nummer [rekeningnummer 2] bij de Rabobank, alle naar de stand van
6 september 2021, en de schuld aan [bedrijf 1] Notariaat van € 9.500,- , aan de vrouw de helft van de overwaarde wordt uitgekeerd, uiterlijk ter gelegenheid van het transport bij de notaris, en onder de verplichting de vrouw te vrijwaren voor eventuele hypothecaire verplichtingen:
(…)
- bepaalt dat indien de man de woning niet binnen zes maanden na de datum van deze
beschikking kan overnemen onder de hierboven bepaalde verplichtingen en voorwaarden, de woning zal moeten worden verkocht en geleverd aan een derde;
(…)
- bepaalt dat na verkoop en overdracht van de woning de verkoopopbrengst van de woning. na aflossing van de hypothecaire schuld per datum levering en de gemeenschapsschulden per 6 september 2021, gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld. Indien sprake is van een
onderwaarde, zijn beide partijen gelijkelijk draagplichtig voor de restschuld;
- veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man - gelijktijdig met de overdracht van de woning aan een derde - tot een bedrag ter hoogte van de helft van de aflossingen op de hypothecaire schuld vanaf 6 september 2021 tot aan de datum van de overdracht;
5.2
het hof vult de beschikking waarvan beroep aan voor zover de rechtbank daarin onder 3.15 heeft bepaald dat ieder van partijen draagplichtig is voor de schulden die bestonden op
6 september 2021 en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat ieder van partijen draagplichtig is voor de schulden die bestonden op 6 september 2021, waaronder in ieder geval begrepen het verbouwingskrediet bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 1], het verbouwingskrediet bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 3] en de schuld aan [bedrijf 1] Notariaat van € 9.500,-;
5.3
het hof vult de beschikking waarvan beroep aan, voor zover de rechtbank daarin onder
3.14, laatste liggende streepje met betrekking tot het appartement in Marokko heeft bepaald
dat de man de overwaarde (taxatiewaarde minus hoogte hypothecaire schuld per 6 september 2021) binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw dient te voldoen, aldus dat de man de helft van de overwaarde (taxatiewaarde minus hoogte hypothecaire schuld per 6 september 2021) binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw dient te voldoen;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
2.10.
De man heeft de woning niet kunnen overnemen. De woning is verkocht en op 7 januari 2026 geleverd aan de koper. Na de levering is op verzoek van partijen een bedrag van € 176.750,78 uit de verkoopopbrengst bij notariskantoor WestNova BV te [plaats 3] (hierna: de notaris) in depot blijven staan. De (resterende) schulden uit hoofde van de verbouwingskredieten Freo 1 en 2 zijn bij de overdracht voldaan, als ook de schuld aan [bedrijf 1] notariaat.
2.11.
De notaris heeft na de overdracht uit de verkoopopbrengst van de woning € 12.744,68 betaald op Freo 1, € 2.977,28 op Freo 2 en € 2.787,56 betaald op de schuld aan [bedrijf 1] notariaat.
2.12. (
Advocaten van) partijen hebben overleg gevoerd over het vrijgeven van (delen van) het depot, maar hebben daarover geen overeenstemming bereikt.
2.13.
De advocaat van de vrouw heeft de man bij brief van 5 februari 2026 gesommeerd om
1. Schriftelijk te bevestigen dat u uw volledige en onvoorwaardelijke medewerking
verleent aan de uitbetaling door notaris WestNova BV te [plaats 3] van een bedrag
van € 77.579,85 vermeerderd met € 750,- aan mijn cliënte;
2. De door mijn cliënte uitgevoerde taxatie van het appartement in Marokko te
accepteren, dan wel uw eigen taxatierapport over te leggen én een volledig overzicht te
verstrekken van de hypothecaire schuld op dit appartement per 6 september 2021;
3. Binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze brief aan mijn cliënte te betalen
een bedrag van € 25.242,50 terzake de helft van de waarde van het appartement in
Marokko.
2.14.
De advocaat van de man heeft namens de man op 11 februari 2026 hierop afwijzend gereageerd.
2.15.
Bij dagvaarding van 27 mei 2026 is de vrouw tegen de man een procedure bij de rechtbank [plaats 3] gestart. Inzet is de vrijgave van haar deel uit het bedrag in het depot en de (afwikkeling van) de verdeling van het appartement in Marokko.
2.16.
De man maakt voor het beheer van zijn financiën en schulden sinds 2021 gebruik van de diensten van [bedrijf 2].
2.17.
De Belastingdienst heeft via MijnOverheid de man op 7 februari 2024 een overzicht gestuurd met schulden die volgens de Belastingdienst openstaan. Op het overzicht staan 25 aanslagen vermeld verspreid over de periode 2017 tot en met 2023. Het totaal aan openstaande schulden inclusief kosten komt op € 92.226,40.
3Het geschil
in conventie
3.1.
De man vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
i. de vrouw veroordeelt om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis haar onvoorwaardelijke schriftelijke medewerking te verlenen aan de uitbetaling door de notaris uit het depot van € 176.750,18, zodanig dat aan de man wordt uitgekeerd een bedrag van € 140.594,07, althans € 123.930,63, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de vrouw in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,00;
bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de van de vrouw verlangde wilsverklaring als bedoeld onder i., zodra de vrouw niet binnen de genoemde termijn aan die veroordeling heeft voldaan, zodat de notaris op basis van het vonnis tot uitbetaling kan overgaan;
de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een bedrag van € 52.218,98 althans € 49.578,49, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake van de regresvordering ex artikel 1:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 7 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening;
subsidiair:
bepaalt dat aan de man een voorschot van € 123.930,63 en aan de vrouw een voorschot van € 36.156,11 wordt uitbetaald uit het notarisdepot, met het resterende bedrag in depot hangende de uitkomst van de bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam (zaakkenmerk C/13/789295);
meer subsidiair, voor het geval het onder i. tot en met iv. gevorderde geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen:
de vrouw verbiedt om uit het depot bij de notaris een bedrag van meer dan € 36.156,11 op te eisen, te incasseren of te doen uitkeren, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw dit verbod overtreedt, tot een maximum van € 100.000,00;
bepaalt dat een bedrag van € 52.218,98 in het depot bij de notaris WestNova zal blijven totdat de bodemrechter onherroepelijk over de regresvordering van de man heeft beslist, dan wel totdat partijen daarover een schriftelijke regeling hebben getroffen en/of een onherroepelijke beslissing hier aangaande in de bodemprocedure (bij rechtbank en eventueel hof) heeft plaatsgevonden;
voor het geval het depot bij de notaris ten tijde van het in deze te wijzen vonnis reeds geheel of gedeeltelijk is uitgekeerd, dan wel anderszins niet of niet volledig beschikbaar is om daaruit de regresvordering van de man te voldoen: de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 52.218,98 ter zake van de regresvordering ex artikel 1:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 7 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
in alle gevallen:
de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen de nakosten ten bedrage van € 178,00 zonder betekening en € 273,00 in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en nakosten vanaf veertien (14) dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
De man legt aan zijn vorderingen verkort weergegeven ten grondslag dat:
het gerechtshof Amsterdam de vrouw onherroepelijk heeft veroordeeld tot betaling aan de man – gelijktijdig met de overdracht van de woning aan een derde – tot een bedrag ter hoogte van de helft van de aflossingen op de hypothecaire schuld vanaf 6 september 2021 tot aan de datum van de overdracht;
de man in die periode een bedrag van € 68.557,58 uit eigen vermogen aan aflossingen op die schuld heeft betaald;
de man voor het overige uit eigen vermogen een bedrag van € 34.290,37 aan op de peildatum bestaande gemeenschapsschulden heeft voldaan ter zake:
Rabobank / Freo 1
Leningcontract [rekeningnummer 1]
€ 5.622,72
Rabobank / Freo 2
Leningcontract [rekeningnummer 3]
€ 9.255,32
[bedrijf 1] notariaat
Dossier 20210084
€ 7.200,00
ANWB Visa Card (ICS)
Creditcardachterstand
€ 2.571,01
CJIB
Boetes / vorderingen
€ 3.678,55
[bedrijf 3] GDW
Incassodossier
€ 3.423,06
Vattenfall
Energieachterstand
€ 1.680,61
VvE [adres]
servicekostenachterstand
€ 859,10
Totaal
€ 34.290,37
de vrouw draagplichtig is voor de helft van die (gemeenschaps)schulden;
de vrouw weigert om haar medewerking te verlenen om aan de man uit het depot uit te keren wat hem toekomt te weten de helft van het bedrag in depot plus € 51.423,97 (de helft van € 102.847,95 (€ 68.557,58 + € 34.290,37));
de man hierdoor in grote financiële problemen is gekomen, met schuldeisers getroffen betalingsregelingen in het geding komen en de man onder meer zijn huurwoning dreigt te verliezen.
3.3.
De vrouw voert verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de man in de proceskosten. Zij voert verkort weergegeven het volgende aan:
De man blokkeert ten onrechte de vrijgave van het depot omdat de man het – ten onrechte – niet eens is met de wijze waarop het gerechtshof heeft vastgesteld hoe de netto-verkoopopbrengst moet worden verdeeld. Daarbij spelen regresrechten geen rol, maar moet enkel worden gekeken naar de hoogte van de gemeenschapsschulden op de peildatum. Uit de beschikking van het gerechtshof volgt dat voor die vaststelling relevante gemeenschapsschulden énkel de verbouwingskredieten Freo 1 en 2 en de schuld aan [bedrijf 1] notariaat in aanmerking komen.
De vrouw is gehouden om aan de man de helft van de door hem in de periode 6 september 2021 tot 7 januari 2026 verrichte aflossingen op de hypothecaire geldlening te voldoen, maar dit bedrag is € 20.903,57, te weten de helft van € 41.807,14. Dit bedrag is het verschil tussen de bestaande hypothecaire schuld van € 437.175,20 op 6 september 2021 en de hoogte van die schuld op 7 januari 2026, € 395.368,06.
De man heeft niet aangetoond dat de creditcardschuld, de CJIB-boetes, het incassodossier bij advocatenkantoor [bedrijf 3], de achterstand bij Vattenfall en de VvE-
servicekosten-achterstand, gemeenschapsschulden zijn waarvoor de vrouw op de peildatum draagplichtig was. De CJIB-boetes zijn hoe dan ook persoonsgebonden en de achterstand aan de VvE is bij levering van de woning voldaan. Verder leent de regresvordering vanwege haar complexiteit zich niet voor behandeling in kort geding aldus de vrouw.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. de man veroordeelt om binnen twee werkdagen na het in deze zaak te wijzen
vonnis zijn schriftelijke medewerking te verlenen aan uitbetaling door de notaris van een bedrag van € 36.156,11 aan de vrouw uit het depot, zijnde het door de man zelf erkende onbetwiste aandeel van de vrouw in de netto verkoopopbrengst van de woning;
bepaalt dat, voor zover de man niet tijdig zijn medewerking verleent als bedoeld onder i., het vonnis in de plaats treedt van de daartoe vereiste wilsverklaring van de man, zodat de notaris op basis van dit vonnis tot uitbetaling kan overgaan;
de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van een dwangsom van € 500,00
voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij na het verstrijken van de onder i. genoemde termijn in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,00;
de man veroordeelt in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen
met de wettelijke rente over die kosten vanaf veertien dagen na datum vonnis tot de dag der algehele voldoening, alsmede in de nakosten.
3.5.
De vrouw legt aan haar vordering – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag.
De man heeft in de brief van zijn advocaat van 11 februari 2026 zelf erkend dat een deel
van het depot onbetwist is en daarin voorgesteld het onbetwiste deel alvast uit te betalen
en het betwiste deel in depot te laten staan voor een afzonderlijke procedure. De eigen
berekening van de man resulteert in een bedrag van € 36.156,11 dat aan de vrouw toekomt als onbetwist minimum.
3.6.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de reconventionele vorderingen van de vrouw, althans slechts een symmetrisch voorschot van € 123.930,63 aan de man toe te wijzen en aan de vrouw een voorschot van € 36.156,11 zonder dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. De man voert verkort weergegeven het volgende aan:
De advocaat deed in de brief van 11 februari 2026 een subsidiair voorstel waarbij is uitgegaan van de eigen berekening van de vrouw als startpunt voor een deeluitkering ter doorbreking van de impasse in het geschil over het depot. Dit is geen erkenning van enig recht van de vrouw, maar een pragmatisch schikkingsvoorstel. De man heeft altijd betwist dat de vrouw aanspraak heeft op € 77.579,85 of meer uit het depot en ook gewezen op de regresvorderingen die nog zouden volgen. De vrouw heeft ook geen spoedeisend belang bij haar vordering. Zij heeft niet gesteld dat zij schulden heeft die zij niet kan betalen als haar geen gelden uit het depot worden uitgekeerd.
4De beoordeling
in conventie
Verdeling netto verkoopopbrengst verkoopwoning
4.1.
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De woning is door partijen verkocht en geleverd aan een derde omdat de man de woning niet kon overnemen. Het gerechtshof Amsterdam heeft voor dat geval de eventuele netto verkoopopbrengst van de woning tussen partijen verdeeld: ieder van partijen ontvangt daarvan de helft. De netto verkoopopbrengst is blijkens de beschikking van het gerechtshof de verkoopopbrengst van de woning ná aflossing van de hypothecaire schuld per datum levering én van de gemeenschapsschulden per 6 september 2021.
4.2.
Kennelijk hebben partijen in verband met hun geschil over de omvang van de gemeenschapsschulden per 6 september 2021 besloten een bedrag van € 176.750,78 in depot bij de notaris te laten staan. Tussen partijen is een impasse ontstaan over de feitelijke verdeling van het bedrag in depot. Zij geven over en weer geen toestemming aan de notaris om tot uitbetaling van enig bedrag over te gaan. Onder meer dit geschil ligt nu ter beoordeling voor bij de rechtbank Amsterdam.
4.3.
De man heeft voldoende onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij het kunnen beschikken over (enige) gelden uit het depot om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Vast staat ook dat de vrouw onherroepelijk is veroordeeld om aan de man de helft te betalen van het bedrag dat de man op de hypothecaire geldlening heeft afgelost aan Rabobank tussen de peildatum en de dag dat de woning aan de koper is geleverd. De vrouw heeft nog niets aan de man betaald, ook niet het deel dat zij volgens haar eigen standpunt aan de man verschuldigd is. Het is niet duidelijk waarom de vrouw dat niet heeft gedaan, mogelijk houdt dit verband met de door haar gestelde vordering op de man vanwege de toedeling van het appartement in Marokko aan de man.
4.4.
De voorzieningenrechter zal in dit kort geding gelet op:
wat is gesteld over de (financiële) belangen over en weer,
de ontstane impasse over het geld in depot,
de mate van aannemelijkheid van enkele regresvorderingen van de man op de vrouw,
de aanhangige bodemprocedure, waarin de zaak voor conclusie van antwoord staat,
het restitutierisico aan de zijde van de man,
de aannemelijkheid van het bestaan van een aanzienlijke belastingschuld van partijen,
een voorziening treffen die erop neerkomt dat de vrouw haar medewerking zal moeten verlenen aan het uitkeren van een bedrag uit het depot aan de man zodat de man onder meer zijn huurschuld kan voldoen en getroffen betalingsregelingen kan nakomen. Daarbij is nog het volgende van belang.
4.5.
Het is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter bij het vaststellen van de netto-verkoopopbrengst en de feitelijke verdeling van het depot – mede gelet op de beslissing van het hof – een regresvordering van de man op de vrouw ten laste van het depot zal toewijzen alvorens tot feitelijke verdeling van het (restant)depot over te gaan. Dat geldt ook als zou moeten worden aangenomen dat de netto-verkoopopbrengst moet worden vastgesteld zoals door de vrouw bepleit, dus enkel aan de hand van de door haar erkende gemeenschapsschulden. De vrouw stelt in haar dagvaarding in de bodemprocedure dat de man voor een regresvordering in verband met de overige door hem gestelde gemeenschapsschulden een aparte procedure aanhangig zal moeten maken. Het is voldoende aannemelijk dat de man dat in de door de vrouw aanhangig gemaakte bodemprocedure zal doen. De zaak staat voor conclusie van antwoord op 29 juli 2026.
Regres vanwege aflossingen door de man op hypothecaire geldlening
4.6.
De vrouw betwist het door de man gestelde bedrag van € 68.557,58 dat hij tussen 6 september 2021 en 7 januari 2026 zou hebben afgelost. De man verwijst ter onderbouwing naar de door [bedrijf 2] opgestelde overzichten over de periode 1 september 2021 tot en met 23 januari 2026. Dit gaat volgens dat overzicht echter om het totaal aan Rabobank betaalde aflossing én rente. Het gerechtshof heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet bepaald dat de vrouw de man naast de helft van de waarde van de aflossingen óók de helft van de waarde van de door hem in die periode betaalde rente moet voldoen. Die rente wordt daarom bij de voorlopige beslissing in dit geding buiten beschouwing gelaten.
4.7.
De man heeft met het rekeningafschrift van Rabobank van 2 september 2021 voldoende onderbouwd dat de hypotheekschuld op 6 september 2021 € 444.401,11 bedroeg. De vrouw stelt dat dit € 437.775,20 was. Dit blijkt volgens haar uit een eerder op verzoek van de man opgestelde concept-akte in verband met de door man gewenste toedeling van de woning aan hem. De man erkent dit, maar stelt dat die conceptakte op dit punt niet volledig was. De voorzieningenrechter volgt hier de man.
4.8.
De vrouw heeft aangevoerd dat uit het bankafschrift niet zou blijken wat de stand van de hypotheekschuld was op 6 september 2021, maar zij heeft de juistheid van het afschrift van de Rabobank op zichzelf niet ter discussie gesteld. Het afschrift dateert van 2 september 2021, dus van vier dagen vóór de peildatum. De man heeft gesteld dat hij in de tussenliggende periode geen betalingen heeft gedaan. Dat heeft de vrouw niet weersproken. Dit volgt ook uit het door [bedrijf 2] gemaakte overzicht. De eerste (en enige) betaling aan Rabobank op de hypothecaire schuld in september 2021 is een betaling van 15 september 2021. Verder zou, als het bedrag in de door de vrouw bedoelde conceptakte juist zou zijn, dit betekenen dat de man tussen 2 september 2021 en 6 september 2021 een bedrag van € 6.625,91 zou hebben afgelost. Dat is niet aannemelijk gezien de toen ook al bestaande problematische financiële situatie van de man. De vrouw heeft niet gesteld en ook niet is gebleken dat zij dat bedrag heeft betaald. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een hypotheekschuld van € 444.401,11 op de peildatum van 6 september 2021.
4.9.
Uit de afrekening van de notaris volgt dat de hoogte van de hypotheekschuld op 7 januari € 395.368,06 bedroeg. Dat betekent dat een bedrag van € 49.033,05 (€ 444.401,11 -/- € 395.368,06) door de man is afgelost. De vrouw moet daarvan de helft, € 24.516,52, aan de man betalen. Dat heeft zij nog niet gedaan.
De verbouwingskredieten Freo 1 en 2
4.10.
Op de peildatum bestond een gemeenschapsschuld van in totaal € 30.500,00 aan Rabobank/Freo uit hoofde van twee verbouwingskredieten. De vrouw heeft niet betwist dat de man na de peildatum uit eigen middelen uit hoofde van die kredieten in totaal € 14.878,05 aan Freo heeft betaald. De man heef daarom een regresvordering op de vrouw van € 7.439,02.
De schuld aan [bedrijf 1] notariaat
4.11.
Op de peildatum bestond een gemeenschapsschuld van (ten minste) € 9.500,00 aan [bedrijf 1] notariaat. Uit het door de man in het geding gebrachte overzicht van [bedrijf 4] van 6 januari 2026 (productie 8) volgt dat vóór 6 januari 2026 een bedrag van € 7.200,00 aan [bedrijf 4] is voldaan in verband met de schuld aan [bedrijf 1] notariaat van € 9.500,00 en dat los van verschuldigde rente op 6 januari 2026 nog een bedrag van € 2.787,56 moest worden betaald (aan restant hoofdsom, betekening en executiekosten). Dat bedrag is bij de levering van de woning ingehouden op de verkoopopbrengst en betaald aan [bedrijf 1] notariaat. De vrouw heeft niet betwist dat de man voor het inlossen van deze gemeenschapsschuld € 7.200,00 aan [bedrijf 4] heeft betaald. De man heeft daarom een regresvordering op de vrouw van € 3.600,00.
Andere gemeenschapsschulden
4.12.
De vrouw heeft het bestaan van de door de man gestelde schulden als zodanig niet betwist. Zij heeft wel betwist dat het gaat om op de peildatum van 6 september 2021 bestaande en daarvoor ontstane gemeenschapsschulden. De vrouw heeft verder niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat de man de schulden ná de peildatum heeft voldaan, met uitzondering van de schuld aan de VvE. Die is volgens de vrouw betaald bij de levering van de woning aan de koper. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
ANWB Visa Card
4.13.
De man beschikte bij huwelijk over een ANWB Visa Card (ICS). In het door de man ingebrachte BKR-kredietoverzicht staat een creditcard geregistreerd met nummer 66309430024 op 14 december 2020. Dat correspondeert met het nummer genoemd in het door [bedrijf 2] gemaakte overzichten van betalingen aan schuldeisers. Ook blijkt uit het BKR-kredietoverzicht dat op 14 december 2020 een achterstand is ontstaan. Hieruit volgt echter nog niet dat op 6 september 2021 een schuld van € 2.571,01 bestond.
4.14.
De man heeft ook een overzicht van [bedrijf 2] overgelegd over een met ICS gesloten betalingsregeling. De vrouw heeft de juistheid van dit overzicht op zichzelf niet betwist. De voorzieningenrechter is het echter met de vrouw eens dat uit dit overzicht op zich niet volgt dat 6 september 2021 een schuld bestond van € 2.571,01 aan ICS. De eerste betaling op dit overzicht dateert namelijk van 25 juli 2022. Dat is bijna een jaar na de peildatum. De door de man gegeven onderbouwing van de schuld op de peildatum is niet voldoende. De vordering van de man zal daarom op dit punt worden afgewezen.
CJIB
4.15.
Hoofdregel in geval van het bestaan een algehele gemeenschap van goederen zoals die tussen partijen bestond is dat schulden die bestaan bij het ontstaan van die gemeenschap of zijn ontstaan gedurende het bestaan van die gemeenschap in die gemeenschap vallen en dat partijen ieder voor gelijke delen draagplichtig zijn voor die schulden. De wet kent enkele uitzonderingen op die regel. De vrouw voert aan dat de door de man gestelde schulden uit hoofde van opgelegde boetes na verkeersovertredingen in ieder geval kwalificeren als aan de man verknochte schulden zoals bedoeld in artikel 1:94 lid 3 onder 5 BW. Dat is in zijn algemeenheid niet juist. Daarnaast kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden van de hoofdregel worden afgeweken. Daarvoor heeft de vrouw onvoldoende gesteld. In het geval de goederen van de gemeenschap ontoereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen kan onder omstandigheden ook van het beginsel van gelijke draagplicht worden afgeweken. Hiervoor geldt een minder strenge maatstaf. Die situatie doet zich hier echter niet voor, althans dat is niet voldoende aannemelijk gelet op het bedrag in depot bij de notaris, ook als rekening zou worden gehouden met de door de man gestelde gemeenschapsschuld van ten minste € 92.226,40 aan de Belastingdienst.
4.16.
Uitgangspunt is dus dat CJIB-boetes gemeenschapsschulden zijn. De vrouw heeft niet, althans niet voldoende betwist dat de man in verband met boetes vanwege verkeersovertredingen die zijn opgelegd voor 6 september 2021 daarna betalingen heeft gedaan aan (de deurwaarder van) het CJIB. Kennelijk is de man met het CJIB een betalingsregeling overeengekomen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de man op dit moment onvoldoende heeft toegelicht op welke boetes de door hem gestelde betalingen van in totaal € 3.678,55 zien. In de eerste plaats volgt uit het overzicht van [bedrijf 2] dat op 6 juli 2021 een betaling is gedaan van € 250,00. Als wordt aangenomen dat dit bedrag ziet op een verkeersboete van het CJIB dan moet dat bedrag worden afgetrokken van de gestelde € 3.678,55 omdat de betaling vóór de peildatum is verricht. Verder blijkt uit het overzicht met boetes dat elf boetes zijn ‘afgesloten’ vóór de peildatum. Kennelijk zijn die dan ook vóór de peildatum voldaan. Het is de voorzieningenrechter echter niet duidelijk of daarmee wel of geen rekening is gehouden. Alle boetes die in het overzicht worden genoemd tellen op tot een veel hoger bedrag dan € 3.678,55, maar welke boetes tot de betalingsregeling behoorden en welke niet is niet duidelijk. Dit is ook niet op te maken uit het mutatie-overzicht van [bedrijf 2]. Vanwege deze onduidelijkheden - die in het kader van deze procedure niet kunnen worden opgehelderd - zal de voorzieningenrechter de vordering van de man op dit punt als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
Advocatenkantoor [bedrijf 3]
4.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man in verband met ontkenning van vaderschap juridische kosten heeft moeten maken om zijn eigen achternaam en die van de kinderen van partijen te wijzigen. De vrouw heeft ook niet betwist dat de man daarvoor advocatenkantoor [bedrijf 3] heeft ingeschakeld. De man heeft twee voorschotfacturen van [bedrijf 3] overgelegd. Die heeft de vrouw niet betwist. De facturen dateren van 21 augustus en 27 oktober 2020 en tellen op tot € 2.904,00 inclusief btw. Volgens het overzicht van [bedrijf 2] bedroeg de schuld bij aanvang € 3.423,06 en is deze in de periode 29 juli 2023 tot en met 25 november 2024 geheel voldaan. Daarmee staat voldoende vast dat de man de voorschotnota’s heeft voldaan. De man heeft echter onvoldoende onderbouwd gesteld waarom de schuld is toegenomen tot € 3.234,06. De regresvordering van de man op dit punt zal worden toegewezen tot de helft van het bedrag van de niet weersproken voorschotnota’s, dat is € 1.452,00.
Vattenfall
4.18.
De man heeft voldoende onderbouwd dat op 6 september 2021 een gemeenschapsschuld bestond aan Vattenfall. De vrouw heeft de juistheid van het overzicht van [bedrijf 2] (productie 10) niet (voldoende) betwist. Daaruit valt op te maken dat de man vóór de peildatum een betalingsregeling heeft getroffen met Vattenfall voor een schuld van € 1.875,51 en deze schuld in verschillende termijnen afbetaalde. De eerste twee termijnen van 30 juli en 30 augustus 2021 van ieder € 97,45 moeten buiten beschouwing worden gelaten omdat deze zijn betaald vóór de peildatum. De man heeft voldoende onderbouwd dat hij het restant van de schuld, te weten € 1.680,61, ná de peildatum aan Vattenfall heeft voldaan. De man kan dus regres nemen op de vrouw voor een bedrag van € 840,30.
VvE [adres]
4.19.
De man stelt niet dat de schuld aan de VvE bestond op de peildatum. Dat maakt in dit geval echter niet uit omdat het hier gaat om een eigenaarslast voor de woning, waarvan partijen ook na de peildatum tot de levering op 7 januari 2026 eigenaar waren, ieder voor de onverdeelde helft. Voor zover de man in die periode een schuld ter zake de woning aan de VvE heeft voldaan heeft hij een regresvordering op de vrouw voor de helft van dat bedrag.
4.20.
De vrouw stelt dat de schuld aan de VvE bij levering van de woning is voldaan. Dat volgt echter niet uit de afrekening van de notaris. Daaruit volgt enkel dat de koper een bedrag van € 140,16 aan de man en de vrouw verschuldigd is voor betaalde servicekosten in de periode van 7 januari 2026 tot naar de voorzieningenrechter aanneemt 1 februari 2026. De man heeft een mutatieoverzicht van [bedrijf 2] overgelegd. Daarin staat dat de schuld aan de VvE bij aanvang € 859,10 was en dat in totaal tussen 28 oktober 2023 en 28 maart 2025 in achttien maandelijks termijnen van € 47,75 in totaal € 859,10 aan de gemachtigde van de VvE is betaald. Deze betalingen komen ook terug in het overgelegde overzicht van Pro VVE Beheer van verschuldigde en betaalde bedragen.
4.21.
Bij conclusie van antwoord in reconventie gaat de man echter niet meer uit van een bedrag van € 2.241,69, maar van € 859,10. Hij stelt dat de vrouw van augustus 2021 tot begin 2023 in de woning heeft gewoond, dat zij dit mocht op grond van de beschikking van de rechtbank, maar dat zij de ‘VvE-bijdragen en achterstanden’ in die periode niet heeft betaald, maar de man wel. De vrouw heeft dat niet weersproken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij tussen de peildatum en 7 januari 2026 € 859,10 aan de VvE heeft betaald. De vrouw is als mede-eigenaar gehouden de man de helft van dit bedrag, dat is € 429,55, te voldoen.
Tussenconclusie
4.22.
De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in ieder geval voor een totaalbedrag van € 38.277,39 regres kan nemen op de vrouw. De voorzieningenrechter zal de vrouw veroordelen haar medewerking te verlenen dit bedrag uit het depot aan de man te laten uitkeren. De vrouw heeft immers niet aangevoerd dat zij dit bedrag uit andere middelen kan of wil betalen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat de man daarbij geen belang heeft. Zijn vordering tot reële executie als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW zal immers worden toegewezen. Daarmee heeft de man het in de hand om het bedrag aan zich te laten uitkleren als de vrouw niet voldoet aan haar veroordeling tot medewerking.
Het restant bedrag dat in depot staat
4.23.
Partijen zijn met hun depotovereenkomst afgeweken van de verdeling van de overwaarde door het gerechtshof. Daarom biedt die verdeling nu geen grondslag meer voor de uitbetaling van de rest van het depot. Over de verdeling van het bedrag in depot is tussen de man en de vrouw een bodemprocedure aanhangig. Daarin speelt ook de afwikkeling van de toedeling van het appartement in Marokko aan de man. Het is aannemelijk dat de man de helft van de (eventuele) overwaarde op dit appartement uit zijn deel in het depot moet voldoen. De man stelt dat ook nog sprake is van een aanzienlijke gemeenschappelijke belastingschuld, waarop nog niet, althans niet voor meer dan de draagplicht van partijen, is afgelost.Deze omstandigheden staan aan de verdeling van het depot in dit kort geding in de weg. Daarbij speelt mee dat aan het spoedeisend belang dat de man stelt te hebben bij de verdeling van het depot op dit moment voldoende tegemoet wordt gekomen door de uitbetaling uit het depot van de vastgestelde regresvordering van de man op de vrouw. Deze uitbetaling maakt het hem immers mogelijk om de huurachterstand te voldoen.
Wettelijke rente
4.24.
De man heeft mede gelet op de depotovereenkomst tussen partijen onvoldoende gesteld over het verzuim van de vrouw voor de betaling van de regresvorderingen. Daarom wijst de voorzieningenrechter de vordering van wettelijke rente af.
Proceskosten
4.25.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de voorzieningenrechter de proeskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten bedraagt.
in reconventie
Geen uitbetaling uit depot
4.26.
De voorzieningenrechter zal de vordering afwijzen.
4.27.
De man heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de vrouw hoe dan ook € 36.156,11 uit het bedrag in depot zal ontvangen, mede gelet op haar aandeel in de gestelde belastingschuld. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het voor de hand ligt die schuld integraal uit het depot te voldoen en niet zoals de man kennelijk beoogt een deel in depot te laten staan zodat de man daarop een (eventuele) regresvordering kan verhalen.
Ook heeft de vrouw niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij enige uitkering het depot.
Proceskosten
4.28.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten bedraagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis haar onvoorwaardelijke schriftelijke medewerking – waarbij een daartoe strekkende e-mail van de vrouw of haar advocaat aan de betrokken notaris volstaat – te verlenen aan de uitbetaling door de notaris uit het depot van een bedrag van € 38.277,39 aan de man;
5.2.
bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van een onderhandse akte van de vrouw voor de opdracht aan de notaris tot uitbetaling uit het depot als hiervoor onder 5.1 genoemd, zodra de vrouw niet binnen de genoemde termijn aan de veroordeling in 5.1 heeft voldaan, zodat de notaris op basis van dit vonnis en een daartoe strekkende opdracht van de man tot uitbetaling kan overgaan;
5.3.
verklaart de beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat de man en de vrouw ieder hun eigen proceskosten dragen;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen af;
5.7.
compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat de man en de vrouw ieder hun eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
1998
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:636, NJ 2019/190.
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379010 / KG ZA 26-322
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. D. Simo,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B.N. Voogd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 juni 2026 met producties 1 tot en met 8
- de producties a en b van de man- de conclusie van antwoord in kort geding tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 4
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. aanvulling eis in conventie met producties 9 tot en met 18- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is partijen meegedeeld dat op 8 juli 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2De feiten
2.1.
De man en de vrouw zijn op 25 mei 2020 te [plaats 3] gehuwd. Voorafgaand zijn zij huwelijkse voorwaarden overeengekomen.
2.2.
Partijen hebben met hun twee minderjarige kinderen gewoond in de woning aan de [adres] te [plaats 3] (hierna: de woning).
2.3.
De woning is in 2020 door de man gekocht en aan hem geleverd. De man heeft de woning gefinancierd met een hypothecaire geldlening bij de Rabobank. Ook heeft de man twee verbouwingskredieten bij de Rabobank afgesloten, door partijen ook wel aangeduid als Freo 1 en Freo 2.
2.4.
De man is ook eigenaar van een met een hypothecaire geldlening gefinancierd appartement in Marokko.
2.5.
De vrouw heeft op 6 september 2021 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Bij beschikking van 9 november 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 8 februari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.6.
De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat het huwelijksvermogensregime van partijen neerkomt op ‘een algehele gemeenschap van goederen’ omdat partijen met het sluiten van hun huwelijkse voorwaarden die bedoeling hebben gehad.
2.7.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking voor zover deze de vermogensrechtelijke afwikkeling betreft. De vrouw heeft incidenteel appel ingesteld.
2.8.
Voor het geval het gerechtshof het oordeel van de rechtbank over het bestaan van een algehele gemeenschap van goederen in stand zou laten heeft de man verzocht dat het hof over de samenstelling van die gemeenschap, ‘los van de diverse schulden’, expliciet de volgende schulden vermeldt:
het verbouwingskrediet bij de Rabobank van € 8.500,- (Freo 1)
het verbouwingskrediet bij de Rabobank van € 22.000,- (Freo 2)
de schuld aan [bedrijf 1] Notariaat van € 9.614,01
Ook heeft de man voor het geval de woning zou moeten worden verkocht verzocht dat de verkoopopbrengst van de woning, na aftrek van de hypotheekschulden, en de gemeenschapsschulden tussen partijen wordt verdeeld.
2.9.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 29 oktober 2024 het oordeel van de rechtbank over het bestaan van de algehele gemeenschap van goederen in stand gelaten en onder meer als volgt beslist:
5.1
(…)
- bepaalt dat de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 3] binnen zes
maanden na de datum van deze beschikking tegen een waarde van € 525.000,- aan de man zal worden toegedeeld, onder de verplichting dat - na aftrek van de hypotheekschuld bij de
Rabobank, het verbouwingskrediet met nummer [rekeningnummer 1] bij de Rabobank en het
verbouwingskrediet met nummer [rekeningnummer 2] bij de Rabobank, alle naar de stand van
6 september 2021, en de schuld aan [bedrijf 1] Notariaat van € 9.500,- , aan de vrouw de helft van de overwaarde wordt uitgekeerd, uiterlijk ter gelegenheid van het transport bij de notaris, en onder de verplichting de vrouw te vrijwaren voor eventuele hypothecaire verplichtingen:
(…)
- bepaalt dat indien de man de woning niet binnen zes maanden na de datum van deze
beschikking kan overnemen onder de hierboven bepaalde verplichtingen en voorwaarden, de woning zal moeten worden verkocht en geleverd aan een derde;
(…)
- bepaalt dat na verkoop en overdracht van de woning de verkoopopbrengst van de woning. na aflossing van de hypothecaire schuld per datum levering en de gemeenschapsschulden per 6 september 2021, gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld. Indien sprake is van een
onderwaarde, zijn beide partijen gelijkelijk draagplichtig voor de restschuld;
- veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man - gelijktijdig met de overdracht van de woning aan een derde - tot een bedrag ter hoogte van de helft van de aflossingen op de hypothecaire schuld vanaf 6 september 2021 tot aan de datum van de overdracht;
5.2
het hof vult de beschikking waarvan beroep aan voor zover de rechtbank daarin onder 3.15 heeft bepaald dat ieder van partijen draagplichtig is voor de schulden die bestonden op
6 september 2021 en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat ieder van partijen draagplichtig is voor de schulden die bestonden op 6 september 2021, waaronder in ieder geval begrepen het verbouwingskrediet bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 1], het verbouwingskrediet bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 3] en de schuld aan [bedrijf 1] Notariaat van € 9.500,-;
5.3
het hof vult de beschikking waarvan beroep aan, voor zover de rechtbank daarin onder
3.14, laatste liggende streepje met betrekking tot het appartement in Marokko heeft bepaald
dat de man de overwaarde (taxatiewaarde minus hoogte hypothecaire schuld per 6 september 2021) binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw dient te voldoen, aldus dat de man de helft van de overwaarde (taxatiewaarde minus hoogte hypothecaire schuld per 6 september 2021) binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw dient te voldoen;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
2.10.
De man heeft de woning niet kunnen overnemen. De woning is verkocht en op 7 januari 2026 geleverd aan de koper. Na de levering is op verzoek van partijen een bedrag van € 176.750,78 uit de verkoopopbrengst bij notariskantoor WestNova BV te [plaats 3] (hierna: de notaris) in depot blijven staan. De (resterende) schulden uit hoofde van de verbouwingskredieten Freo 1 en 2 zijn bij de overdracht voldaan, als ook de schuld aan [bedrijf 1] notariaat.
2.11.
De notaris heeft na de overdracht uit de verkoopopbrengst van de woning € 12.744,68 betaald op Freo 1, € 2.977,28 op Freo 2 en € 2.787,56 betaald op de schuld aan [bedrijf 1] notariaat.
2.12. (
Advocaten van) partijen hebben overleg gevoerd over het vrijgeven van (delen van) het depot, maar hebben daarover geen overeenstemming bereikt.
2.13.
De advocaat van de vrouw heeft de man bij brief van 5 februari 2026 gesommeerd om
1. Schriftelijk te bevestigen dat u uw volledige en onvoorwaardelijke medewerking
verleent aan de uitbetaling door notaris WestNova BV te [plaats 3] van een bedrag
van € 77.579,85 vermeerderd met € 750,- aan mijn cliënte;
2. De door mijn cliënte uitgevoerde taxatie van het appartement in Marokko te
accepteren, dan wel uw eigen taxatierapport over te leggen én een volledig overzicht te
verstrekken van de hypothecaire schuld op dit appartement per 6 september 2021;
3. Binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze brief aan mijn cliënte te betalen
een bedrag van € 25.242,50 terzake de helft van de waarde van het appartement in
Marokko.
2.14.
De advocaat van de man heeft namens de man op 11 februari 2026 hierop afwijzend gereageerd.
2.15.
Bij dagvaarding van 27 mei 2026 is de vrouw tegen de man een procedure bij de rechtbank [plaats 3] gestart. Inzet is de vrijgave van haar deel uit het bedrag in het depot en de (afwikkeling van) de verdeling van het appartement in Marokko.
2.16.
De man maakt voor het beheer van zijn financiën en schulden sinds 2021 gebruik van de diensten van [bedrijf 2].
2.17.
De Belastingdienst heeft via MijnOverheid de man op 7 februari 2024 een overzicht gestuurd met schulden die volgens de Belastingdienst openstaan. Op het overzicht staan 25 aanslagen vermeld verspreid over de periode 2017 tot en met 2023. Het totaal aan openstaande schulden inclusief kosten komt op € 92.226,40.
3Het geschil
in conventie
3.1.
De man vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
i. de vrouw veroordeelt om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis haar onvoorwaardelijke schriftelijke medewerking te verlenen aan de uitbetaling door de notaris uit het depot van € 176.750,18, zodanig dat aan de man wordt uitgekeerd een bedrag van € 140.594,07, althans € 123.930,63, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de vrouw in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,00;
bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de van de vrouw verlangde wilsverklaring als bedoeld onder i., zodra de vrouw niet binnen de genoemde termijn aan die veroordeling heeft voldaan, zodat de notaris op basis van het vonnis tot uitbetaling kan overgaan;
de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een bedrag van € 52.218,98 althans € 49.578,49, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake van de regresvordering ex artikel 1:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 7 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening;
subsidiair:
bepaalt dat aan de man een voorschot van € 123.930,63 en aan de vrouw een voorschot van € 36.156,11 wordt uitbetaald uit het notarisdepot, met het resterende bedrag in depot hangende de uitkomst van de bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam (zaakkenmerk C/13/789295);
meer subsidiair, voor het geval het onder i. tot en met iv. gevorderde geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen:
de vrouw verbiedt om uit het depot bij de notaris een bedrag van meer dan € 36.156,11 op te eisen, te incasseren of te doen uitkeren, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw dit verbod overtreedt, tot een maximum van € 100.000,00;
bepaalt dat een bedrag van € 52.218,98 in het depot bij de notaris WestNova zal blijven totdat de bodemrechter onherroepelijk over de regresvordering van de man heeft beslist, dan wel totdat partijen daarover een schriftelijke regeling hebben getroffen en/of een onherroepelijke beslissing hier aangaande in de bodemprocedure (bij rechtbank en eventueel hof) heeft plaatsgevonden;
voor het geval het depot bij de notaris ten tijde van het in deze te wijzen vonnis reeds geheel of gedeeltelijk is uitgekeerd, dan wel anderszins niet of niet volledig beschikbaar is om daaruit de regresvordering van de man te voldoen: de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 52.218,98 ter zake van de regresvordering ex artikel 1:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 7 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
in alle gevallen:
de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen de nakosten ten bedrage van € 178,00 zonder betekening en € 273,00 in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en nakosten vanaf veertien (14) dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
De man legt aan zijn vorderingen verkort weergegeven ten grondslag dat:
het gerechtshof Amsterdam de vrouw onherroepelijk heeft veroordeeld tot betaling aan de man – gelijktijdig met de overdracht van de woning aan een derde – tot een bedrag ter hoogte van de helft van de aflossingen op de hypothecaire schuld vanaf 6 september 2021 tot aan de datum van de overdracht;
de man in die periode een bedrag van € 68.557,58 uit eigen vermogen aan aflossingen op die schuld heeft betaald;
de man voor het overige uit eigen vermogen een bedrag van € 34.290,37 aan op de peildatum bestaande gemeenschapsschulden heeft voldaan ter zake:
Rabobank / Freo 1
Leningcontract [rekeningnummer 1]
€ 5.622,72
Rabobank / Freo 2
Leningcontract [rekeningnummer 3]
€ 9.255,32
[bedrijf 1] notariaat
Dossier 20210084
€ 7.200,00
ANWB Visa Card (ICS)
Creditcardachterstand
€ 2.571,01
CJIB
Boetes / vorderingen
€ 3.678,55
[bedrijf 3] GDW
Incassodossier
€ 3.423,06
Vattenfall
Energieachterstand
€ 1.680,61
VvE [adres]
servicekostenachterstand
€ 859,10
Totaal
€ 34.290,37
de vrouw draagplichtig is voor de helft van die (gemeenschaps)schulden;
de vrouw weigert om haar medewerking te verlenen om aan de man uit het depot uit te keren wat hem toekomt te weten de helft van het bedrag in depot plus € 51.423,97 (de helft van € 102.847,95 (€ 68.557,58 + € 34.290,37));
de man hierdoor in grote financiële problemen is gekomen, met schuldeisers getroffen betalingsregelingen in het geding komen en de man onder meer zijn huurwoning dreigt te verliezen.
3.3.
De vrouw voert verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van de man in de proceskosten. Zij voert verkort weergegeven het volgende aan:
De man blokkeert ten onrechte de vrijgave van het depot omdat de man het – ten onrechte – niet eens is met de wijze waarop het gerechtshof heeft vastgesteld hoe de netto-verkoopopbrengst moet worden verdeeld. Daarbij spelen regresrechten geen rol, maar moet enkel worden gekeken naar de hoogte van de gemeenschapsschulden op de peildatum. Uit de beschikking van het gerechtshof volgt dat voor die vaststelling relevante gemeenschapsschulden énkel de verbouwingskredieten Freo 1 en 2 en de schuld aan [bedrijf 1] notariaat in aanmerking komen.
De vrouw is gehouden om aan de man de helft van de door hem in de periode 6 september 2021 tot 7 januari 2026 verrichte aflossingen op de hypothecaire geldlening te voldoen, maar dit bedrag is € 20.903,57, te weten de helft van € 41.807,14. Dit bedrag is het verschil tussen de bestaande hypothecaire schuld van € 437.175,20 op 6 september 2021 en de hoogte van die schuld op 7 januari 2026, € 395.368,06.
De man heeft niet aangetoond dat de creditcardschuld, de CJIB-boetes, het incassodossier bij advocatenkantoor [bedrijf 3], de achterstand bij Vattenfall en de VvE-
servicekosten-achterstand, gemeenschapsschulden zijn waarvoor de vrouw op de peildatum draagplichtig was. De CJIB-boetes zijn hoe dan ook persoonsgebonden en de achterstand aan de VvE is bij levering van de woning voldaan. Verder leent de regresvordering vanwege haar complexiteit zich niet voor behandeling in kort geding aldus de vrouw.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. de man veroordeelt om binnen twee werkdagen na het in deze zaak te wijzen
vonnis zijn schriftelijke medewerking te verlenen aan uitbetaling door de notaris van een bedrag van € 36.156,11 aan de vrouw uit het depot, zijnde het door de man zelf erkende onbetwiste aandeel van de vrouw in de netto verkoopopbrengst van de woning;
bepaalt dat, voor zover de man niet tijdig zijn medewerking verleent als bedoeld onder i., het vonnis in de plaats treedt van de daartoe vereiste wilsverklaring van de man, zodat de notaris op basis van dit vonnis tot uitbetaling kan overgaan;
de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van een dwangsom van € 500,00
voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij na het verstrijken van de onder i. genoemde termijn in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,00;
de man veroordeelt in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen
met de wettelijke rente over die kosten vanaf veertien dagen na datum vonnis tot de dag der algehele voldoening, alsmede in de nakosten.
3.5.
De vrouw legt aan haar vordering – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag.
De man heeft in de brief van zijn advocaat van 11 februari 2026 zelf erkend dat een deel
van het depot onbetwist is en daarin voorgesteld het onbetwiste deel alvast uit te betalen
en het betwiste deel in depot te laten staan voor een afzonderlijke procedure. De eigen
berekening van de man resulteert in een bedrag van € 36.156,11 dat aan de vrouw toekomt als onbetwist minimum.
3.6.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de reconventionele vorderingen van de vrouw, althans slechts een symmetrisch voorschot van € 123.930,63 aan de man toe te wijzen en aan de vrouw een voorschot van € 36.156,11 zonder dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. De man voert verkort weergegeven het volgende aan:
De advocaat deed in de brief van 11 februari 2026 een subsidiair voorstel waarbij is uitgegaan van de eigen berekening van de vrouw als startpunt voor een deeluitkering ter doorbreking van de impasse in het geschil over het depot. Dit is geen erkenning van enig recht van de vrouw, maar een pragmatisch schikkingsvoorstel. De man heeft altijd betwist dat de vrouw aanspraak heeft op € 77.579,85 of meer uit het depot en ook gewezen op de regresvorderingen die nog zouden volgen. De vrouw heeft ook geen spoedeisend belang bij haar vordering. Zij heeft niet gesteld dat zij schulden heeft die zij niet kan betalen als haar geen gelden uit het depot worden uitgekeerd.
4De beoordeling
in conventie
Verdeling netto verkoopopbrengst verkoopwoning
4.1.
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De woning is door partijen verkocht en geleverd aan een derde omdat de man de woning niet kon overnemen. Het gerechtshof Amsterdam heeft voor dat geval de eventuele netto verkoopopbrengst van de woning tussen partijen verdeeld: ieder van partijen ontvangt daarvan de helft. De netto verkoopopbrengst is blijkens de beschikking van het gerechtshof de verkoopopbrengst van de woning ná aflossing van de hypothecaire schuld per datum levering én van de gemeenschapsschulden per 6 september 2021.
4.2.
Kennelijk hebben partijen in verband met hun geschil over de omvang van de gemeenschapsschulden per 6 september 2021 besloten een bedrag van € 176.750,78 in depot bij de notaris te laten staan. Tussen partijen is een impasse ontstaan over de feitelijke verdeling van het bedrag in depot. Zij geven over en weer geen toestemming aan de notaris om tot uitbetaling van enig bedrag over te gaan. Onder meer dit geschil ligt nu ter beoordeling voor bij de rechtbank Amsterdam.
4.3.
De man heeft voldoende onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft bij het kunnen beschikken over (enige) gelden uit het depot om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Vast staat ook dat de vrouw onherroepelijk is veroordeeld om aan de man de helft te betalen van het bedrag dat de man op de hypothecaire geldlening heeft afgelost aan Rabobank tussen de peildatum en de dag dat de woning aan de koper is geleverd. De vrouw heeft nog niets aan de man betaald, ook niet het deel dat zij volgens haar eigen standpunt aan de man verschuldigd is. Het is niet duidelijk waarom de vrouw dat niet heeft gedaan, mogelijk houdt dit verband met de door haar gestelde vordering op de man vanwege de toedeling van het appartement in Marokko aan de man.
4.4.
De voorzieningenrechter zal in dit kort geding gelet op:
wat is gesteld over de (financiële) belangen over en weer,
de ontstane impasse over het geld in depot,
de mate van aannemelijkheid van enkele regresvorderingen van de man op de vrouw,
de aanhangige bodemprocedure, waarin de zaak voor conclusie van antwoord staat,
het restitutierisico aan de zijde van de man,
de aannemelijkheid van het bestaan van een aanzienlijke belastingschuld van partijen,
een voorziening treffen die erop neerkomt dat de vrouw haar medewerking zal moeten verlenen aan het uitkeren van een bedrag uit het depot aan de man zodat de man onder meer zijn huurschuld kan voldoen en getroffen betalingsregelingen kan nakomen. Daarbij is nog het volgende van belang.
4.5.
Het is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter bij het vaststellen van de netto-verkoopopbrengst en de feitelijke verdeling van het depot – mede gelet op de beslissing van het hof – een regresvordering van de man op de vrouw ten laste van het depot zal toewijzen alvorens tot feitelijke verdeling van het (restant)depot over te gaan. Dat geldt ook als zou moeten worden aangenomen dat de netto-verkoopopbrengst moet worden vastgesteld zoals door de vrouw bepleit, dus enkel aan de hand van de door haar erkende gemeenschapsschulden. De vrouw stelt in haar dagvaarding in de bodemprocedure dat de man voor een regresvordering in verband met de overige door hem gestelde gemeenschapsschulden een aparte procedure aanhangig zal moeten maken. Het is voldoende aannemelijk dat de man dat in de door de vrouw aanhangig gemaakte bodemprocedure zal doen. De zaak staat voor conclusie van antwoord op 29 juli 2026.
Regres vanwege aflossingen door de man op hypothecaire geldlening
4.6.
De vrouw betwist het door de man gestelde bedrag van € 68.557,58 dat hij tussen 6 september 2021 en 7 januari 2026 zou hebben afgelost. De man verwijst ter onderbouwing naar de door [bedrijf 2] opgestelde overzichten over de periode 1 september 2021 tot en met 23 januari 2026. Dit gaat volgens dat overzicht echter om het totaal aan Rabobank betaalde aflossing én rente. Het gerechtshof heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet bepaald dat de vrouw de man naast de helft van de waarde van de aflossingen óók de helft van de waarde van de door hem in die periode betaalde rente moet voldoen. Die rente wordt daarom bij de voorlopige beslissing in dit geding buiten beschouwing gelaten.
4.7.
De man heeft met het rekeningafschrift van Rabobank van 2 september 2021 voldoende onderbouwd dat de hypotheekschuld op 6 september 2021 € 444.401,11 bedroeg. De vrouw stelt dat dit € 437.775,20 was. Dit blijkt volgens haar uit een eerder op verzoek van de man opgestelde concept-akte in verband met de door man gewenste toedeling van de woning aan hem. De man erkent dit, maar stelt dat die conceptakte op dit punt niet volledig was. De voorzieningenrechter volgt hier de man.
4.8.
De vrouw heeft aangevoerd dat uit het bankafschrift niet zou blijken wat de stand van de hypotheekschuld was op 6 september 2021, maar zij heeft de juistheid van het afschrift van de Rabobank op zichzelf niet ter discussie gesteld. Het afschrift dateert van 2 september 2021, dus van vier dagen vóór de peildatum. De man heeft gesteld dat hij in de tussenliggende periode geen betalingen heeft gedaan. Dat heeft de vrouw niet weersproken. Dit volgt ook uit het door [bedrijf 2] gemaakte overzicht. De eerste (en enige) betaling aan Rabobank op de hypothecaire schuld in september 2021 is een betaling van 15 september 2021. Verder zou, als het bedrag in de door de vrouw bedoelde conceptakte juist zou zijn, dit betekenen dat de man tussen 2 september 2021 en 6 september 2021 een bedrag van € 6.625,91 zou hebben afgelost. Dat is niet aannemelijk gezien de toen ook al bestaande problematische financiële situatie van de man. De vrouw heeft niet gesteld en ook niet is gebleken dat zij dat bedrag heeft betaald. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een hypotheekschuld van € 444.401,11 op de peildatum van 6 september 2021.
4.9.
Uit de afrekening van de notaris volgt dat de hoogte van de hypotheekschuld op 7 januari € 395.368,06 bedroeg. Dat betekent dat een bedrag van € 49.033,05 (€ 444.401,11 -/- € 395.368,06) door de man is afgelost. De vrouw moet daarvan de helft, € 24.516,52, aan de man betalen. Dat heeft zij nog niet gedaan.
De verbouwingskredieten Freo 1 en 2
4.10.
Op de peildatum bestond een gemeenschapsschuld van in totaal € 30.500,00 aan Rabobank/Freo uit hoofde van twee verbouwingskredieten. De vrouw heeft niet betwist dat de man na de peildatum uit eigen middelen uit hoofde van die kredieten in totaal € 14.878,05 aan Freo heeft betaald. De man heef daarom een regresvordering op de vrouw van € 7.439,02.
De schuld aan [bedrijf 1] notariaat
4.11.
Op de peildatum bestond een gemeenschapsschuld van (ten minste) € 9.500,00 aan [bedrijf 1] notariaat. Uit het door de man in het geding gebrachte overzicht van [bedrijf 4] van 6 januari 2026 (productie 8) volgt dat vóór 6 januari 2026 een bedrag van € 7.200,00 aan [bedrijf 4] is voldaan in verband met de schuld aan [bedrijf 1] notariaat van € 9.500,00 en dat los van verschuldigde rente op 6 januari 2026 nog een bedrag van € 2.787,56 moest worden betaald (aan restant hoofdsom, betekening en executiekosten). Dat bedrag is bij de levering van de woning ingehouden op de verkoopopbrengst en betaald aan [bedrijf 1] notariaat. De vrouw heeft niet betwist dat de man voor het inlossen van deze gemeenschapsschuld € 7.200,00 aan [bedrijf 4] heeft betaald. De man heeft daarom een regresvordering op de vrouw van € 3.600,00.
Andere gemeenschapsschulden
4.12.
De vrouw heeft het bestaan van de door de man gestelde schulden als zodanig niet betwist. Zij heeft wel betwist dat het gaat om op de peildatum van 6 september 2021 bestaande en daarvoor ontstane gemeenschapsschulden. De vrouw heeft verder niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat de man de schulden ná de peildatum heeft voldaan, met uitzondering van de schuld aan de VvE. Die is volgens de vrouw betaald bij de levering van de woning aan de koper. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
ANWB Visa Card
4.13.
De man beschikte bij huwelijk over een ANWB Visa Card (ICS). In het door de man ingebrachte BKR-kredietoverzicht staat een creditcard geregistreerd met nummer 66309430024 op 14 december 2020. Dat correspondeert met het nummer genoemd in het door [bedrijf 2] gemaakte overzichten van betalingen aan schuldeisers. Ook blijkt uit het BKR-kredietoverzicht dat op 14 december 2020 een achterstand is ontstaan. Hieruit volgt echter nog niet dat op 6 september 2021 een schuld van € 2.571,01 bestond.
4.14.
De man heeft ook een overzicht van [bedrijf 2] overgelegd over een met ICS gesloten betalingsregeling. De vrouw heeft de juistheid van dit overzicht op zichzelf niet betwist. De voorzieningenrechter is het echter met de vrouw eens dat uit dit overzicht op zich niet volgt dat 6 september 2021 een schuld bestond van € 2.571,01 aan ICS. De eerste betaling op dit overzicht dateert namelijk van 25 juli 2022. Dat is bijna een jaar na de peildatum. De door de man gegeven onderbouwing van de schuld op de peildatum is niet voldoende. De vordering van de man zal daarom op dit punt worden afgewezen.
CJIB
4.15.
Hoofdregel in geval van het bestaan een algehele gemeenschap van goederen zoals die tussen partijen bestond is dat schulden die bestaan bij het ontstaan van die gemeenschap of zijn ontstaan gedurende het bestaan van die gemeenschap in die gemeenschap vallen en dat partijen ieder voor gelijke delen draagplichtig zijn voor die schulden. De wet kent enkele uitzonderingen op die regel. De vrouw voert aan dat de door de man gestelde schulden uit hoofde van opgelegde boetes na verkeersovertredingen in ieder geval kwalificeren als aan de man verknochte schulden zoals bedoeld in artikel 1:94 lid 3 onder 5 BW. Dat is in zijn algemeenheid niet juist. Daarnaast kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden van de hoofdregel worden afgeweken. Daarvoor heeft de vrouw onvoldoende gesteld. In het geval de goederen van de gemeenschap ontoereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen kan onder omstandigheden ook van het beginsel van gelijke draagplicht worden afgeweken. Hiervoor geldt een minder strenge maatstaf. Die situatie doet zich hier echter niet voor, althans dat is niet voldoende aannemelijk gelet op het bedrag in depot bij de notaris, ook als rekening zou worden gehouden met de door de man gestelde gemeenschapsschuld van ten minste € 92.226,40 aan de Belastingdienst.
4.16.
Uitgangspunt is dus dat CJIB-boetes gemeenschapsschulden zijn. De vrouw heeft niet, althans niet voldoende betwist dat de man in verband met boetes vanwege verkeersovertredingen die zijn opgelegd voor 6 september 2021 daarna betalingen heeft gedaan aan (de deurwaarder van) het CJIB. Kennelijk is de man met het CJIB een betalingsregeling overeengekomen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de man op dit moment onvoldoende heeft toegelicht op welke boetes de door hem gestelde betalingen van in totaal € 3.678,55 zien. In de eerste plaats volgt uit het overzicht van [bedrijf 2] dat op 6 juli 2021 een betaling is gedaan van € 250,00. Als wordt aangenomen dat dit bedrag ziet op een verkeersboete van het CJIB dan moet dat bedrag worden afgetrokken van de gestelde € 3.678,55 omdat de betaling vóór de peildatum is verricht. Verder blijkt uit het overzicht met boetes dat elf boetes zijn ‘afgesloten’ vóór de peildatum. Kennelijk zijn die dan ook vóór de peildatum voldaan. Het is de voorzieningenrechter echter niet duidelijk of daarmee wel of geen rekening is gehouden. Alle boetes die in het overzicht worden genoemd tellen op tot een veel hoger bedrag dan € 3.678,55, maar welke boetes tot de betalingsregeling behoorden en welke niet is niet duidelijk. Dit is ook niet op te maken uit het mutatie-overzicht van [bedrijf 2]. Vanwege deze onduidelijkheden - die in het kader van deze procedure niet kunnen worden opgehelderd - zal de voorzieningenrechter de vordering van de man op dit punt als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
Advocatenkantoor [bedrijf 3]
4.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man in verband met ontkenning van vaderschap juridische kosten heeft moeten maken om zijn eigen achternaam en die van de kinderen van partijen te wijzigen. De vrouw heeft ook niet betwist dat de man daarvoor advocatenkantoor [bedrijf 3] heeft ingeschakeld. De man heeft twee voorschotfacturen van [bedrijf 3] overgelegd. Die heeft de vrouw niet betwist. De facturen dateren van 21 augustus en 27 oktober 2020 en tellen op tot € 2.904,00 inclusief btw. Volgens het overzicht van [bedrijf 2] bedroeg de schuld bij aanvang € 3.423,06 en is deze in de periode 29 juli 2023 tot en met 25 november 2024 geheel voldaan. Daarmee staat voldoende vast dat de man de voorschotnota’s heeft voldaan. De man heeft echter onvoldoende onderbouwd gesteld waarom de schuld is toegenomen tot € 3.234,06. De regresvordering van de man op dit punt zal worden toegewezen tot de helft van het bedrag van de niet weersproken voorschotnota’s, dat is € 1.452,00.
Vattenfall
4.18.
De man heeft voldoende onderbouwd dat op 6 september 2021 een gemeenschapsschuld bestond aan Vattenfall. De vrouw heeft de juistheid van het overzicht van [bedrijf 2] (productie 10) niet (voldoende) betwist. Daaruit valt op te maken dat de man vóór de peildatum een betalingsregeling heeft getroffen met Vattenfall voor een schuld van € 1.875,51 en deze schuld in verschillende termijnen afbetaalde. De eerste twee termijnen van 30 juli en 30 augustus 2021 van ieder € 97,45 moeten buiten beschouwing worden gelaten omdat deze zijn betaald vóór de peildatum. De man heeft voldoende onderbouwd dat hij het restant van de schuld, te weten € 1.680,61, ná de peildatum aan Vattenfall heeft voldaan. De man kan dus regres nemen op de vrouw voor een bedrag van € 840,30.
VvE [adres]
4.19.
De man stelt niet dat de schuld aan de VvE bestond op de peildatum. Dat maakt in dit geval echter niet uit omdat het hier gaat om een eigenaarslast voor de woning, waarvan partijen ook na de peildatum tot de levering op 7 januari 2026 eigenaar waren, ieder voor de onverdeelde helft. Voor zover de man in die periode een schuld ter zake de woning aan de VvE heeft voldaan heeft hij een regresvordering op de vrouw voor de helft van dat bedrag.
4.20.
De vrouw stelt dat de schuld aan de VvE bij levering van de woning is voldaan. Dat volgt echter niet uit de afrekening van de notaris. Daaruit volgt enkel dat de koper een bedrag van € 140,16 aan de man en de vrouw verschuldigd is voor betaalde servicekosten in de periode van 7 januari 2026 tot naar de voorzieningenrechter aanneemt 1 februari 2026. De man heeft een mutatieoverzicht van [bedrijf 2] overgelegd. Daarin staat dat de schuld aan de VvE bij aanvang € 859,10 was en dat in totaal tussen 28 oktober 2023 en 28 maart 2025 in achttien maandelijks termijnen van € 47,75 in totaal € 859,10 aan de gemachtigde van de VvE is betaald. Deze betalingen komen ook terug in het overgelegde overzicht van Pro VVE Beheer van verschuldigde en betaalde bedragen.
4.21.
Bij conclusie van antwoord in reconventie gaat de man echter niet meer uit van een bedrag van € 2.241,69, maar van € 859,10. Hij stelt dat de vrouw van augustus 2021 tot begin 2023 in de woning heeft gewoond, dat zij dit mocht op grond van de beschikking van de rechtbank, maar dat zij de ‘VvE-bijdragen en achterstanden’ in die periode niet heeft betaald, maar de man wel. De vrouw heeft dat niet weersproken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij tussen de peildatum en 7 januari 2026 € 859,10 aan de VvE heeft betaald. De vrouw is als mede-eigenaar gehouden de man de helft van dit bedrag, dat is € 429,55, te voldoen.
Tussenconclusie
4.22.
De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in ieder geval voor een totaalbedrag van € 38.277,39 regres kan nemen op de vrouw. De voorzieningenrechter zal de vrouw veroordelen haar medewerking te verlenen dit bedrag uit het depot aan de man te laten uitkeren. De vrouw heeft immers niet aangevoerd dat zij dit bedrag uit andere middelen kan of wil betalen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat de man daarbij geen belang heeft. Zijn vordering tot reële executie als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW zal immers worden toegewezen. Daarmee heeft de man het in de hand om het bedrag aan zich te laten uitkleren als de vrouw niet voldoet aan haar veroordeling tot medewerking.
Het restant bedrag dat in depot staat
4.23.
Partijen zijn met hun depotovereenkomst afgeweken van de verdeling van de overwaarde door het gerechtshof. Daarom biedt die verdeling nu geen grondslag meer voor de uitbetaling van de rest van het depot. Over de verdeling van het bedrag in depot is tussen de man en de vrouw een bodemprocedure aanhangig. Daarin speelt ook de afwikkeling van de toedeling van het appartement in Marokko aan de man. Het is aannemelijk dat de man de helft van de (eventuele) overwaarde op dit appartement uit zijn deel in het depot moet voldoen. De man stelt dat ook nog sprake is van een aanzienlijke gemeenschappelijke belastingschuld, waarop nog niet, althans niet voor meer dan de draagplicht van partijen, is afgelost.Deze omstandigheden staan aan de verdeling van het depot in dit kort geding in de weg. Daarbij speelt mee dat aan het spoedeisend belang dat de man stelt te hebben bij de verdeling van het depot op dit moment voldoende tegemoet wordt gekomen door de uitbetaling uit het depot van de vastgestelde regresvordering van de man op de vrouw. Deze uitbetaling maakt het hem immers mogelijk om de huurachterstand te voldoen.
Wettelijke rente
4.24.
De man heeft mede gelet op de depotovereenkomst tussen partijen onvoldoende gesteld over het verzuim van de vrouw voor de betaling van de regresvorderingen. Daarom wijst de voorzieningenrechter de vordering van wettelijke rente af.
Proceskosten
4.25.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de voorzieningenrechter de proeskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten bedraagt.
in reconventie
Geen uitbetaling uit depot
4.26.
De voorzieningenrechter zal de vordering afwijzen.
4.27.
De man heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de vrouw hoe dan ook € 36.156,11 uit het bedrag in depot zal ontvangen, mede gelet op haar aandeel in de gestelde belastingschuld. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat het voor de hand ligt die schuld integraal uit het depot te voldoen en niet zoals de man kennelijk beoogt een deel in depot te laten staan zodat de man daarop een (eventuele) regresvordering kan verhalen.
Ook heeft de vrouw niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij enige uitkering het depot.
Proceskosten
4.28.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten bedraagt.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis haar onvoorwaardelijke schriftelijke medewerking – waarbij een daartoe strekkende e-mail van de vrouw of haar advocaat aan de betrokken notaris volstaat – te verlenen aan de uitbetaling door de notaris uit het depot van een bedrag van € 38.277,39 aan de man;
5.2.
bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van een onderhandse akte van de vrouw voor de opdracht aan de notaris tot uitbetaling uit het depot als hiervoor onder 5.1 genoemd, zodra de vrouw niet binnen de genoemde termijn aan de veroordeling in 5.1 heeft voldaan, zodat de notaris op basis van dit vonnis en een daartoe strekkende opdracht van de man tot uitbetaling kan overgaan;
5.3.
verklaart de beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat de man en de vrouw ieder hun eigen proceskosten dragen;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen af;
5.7.
compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat de man en de vrouw ieder hun eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
1998
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:636, NJ 2019/190.