Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:9767

2026-07-15 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11894120 \ CV EXPL 25-6367
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11894120 \ CV EXPL 25-6367
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Koop auto door rijschoolhouder, deels financial lease. Geen consument. Koper moet het openstaande deel van de koopsom betalen, ondanks in het verleden ervaren problemen met de auto. Geen recht op opschorting en recht op ontbinding van de overeenkomsten in reconventie.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.410 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Handel, Kanton en Insolventie
Locatie Haarlem



Zaaknummer: 11894120 \ CV EXPL 25-6367




Vonnis van de kantonrechter van 15 juli 2026




in de zaak van




de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


GOMES NOORD-HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Gomes,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor De Best & Partners B.V.



tegen





[gedaagde]
, mede handelend onder de naam [bedrijf],
wonende te [plaats],
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D. Molenkamp.




De zaak in het kort


[gedaagde] heeft een auto van Gomes gekocht onder het aangaan van een financial lease-overeenkomst. [gedaagde] heeft € 10.000,00 van de overeengekomen aanbetaling onbetaald gelaten, welke bedrag Gomes in conventie van hem vordert. [gedaagde] voert aan dat hij de betaling van dat bedrag heeft opgeschort, vanwege door hem ervaren gebreken aan de auto die door Gomes niet zijn hersteld. In reconventie ontbindt [gedaagde] om dezelfde reden de koopovereenkomst en vordert hij volledige terugbetaling van de betaalde bedragen onder de verplichting de auto aan Gomes terug te leveren. De kantonrechter wijst de vordering van Gomes toe en de tegenvordering van [gedaagde] af, omdat niet is komen vast te staan dat de auto zodanige gebreken heeft dat opschorting van betaling en ontbinding van de koopovereenkomst gerechtvaardigd is.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met 6 producties;- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie en 7 producties;
- het tussenvonnis van 18 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 2 juni 2026 en waarin Gomes in de gelegenheid is gesteld uiterlijk 10 dagen voor de zitting een schriftelijk antwoord in reconventie te nemen;
- de brief van 26 februari 2026, waarin partijen zijn uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 18 juni 2026,
- het tussenvonnis van 18 maart 2026, waarin partijen zijn verzocht om verhinderdata voor het plannen van een mondelinge behandeling en waarin de zaak is verwezen naar de rol van 15 april 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 2 juni 2026,
- het bezwaar van 4 juni 2026 van mr. Molenkamp op de conclusie van antwoord in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarbij door mr. Molenkamp gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.





2De feiten


2.1.
Gomes is een dealer van onder andere Mercedes-personenauto’s en -bedrijfswagens. [gedaagde] exploiteert een rijschool.



2.2.

[gedaagde] heeft van Gomes in april 2023 een Mercedes EQC 400 4MATIC Luxury Line (hierna: de auto) gekocht voor een totaalprijs van € 77.991,34. Op 25 april 2023 heeft Gomes een factuur voor dit bedrag aan [gedaagde] verzonden. Daarnaast is tussen partijen en Mercedes-Benz Financial Services Nederland B.V. op dezelfde datum een financial lease-overeenkomst (hierna: de leaseovereenkomst) tot stand gekomen. Daarin is overeengekomen dat [gedaagde] een aanbetaling van € 48.795,00 aan Gomes zou doen en de overige € 29.196,34, vermeerderd met financieringskosten wordt gefinancierd tegen een rentepercentage van 6,99%. Dat houdt in dat [gedaagde] over een periode van 60 maanden € 435,73 per maand aan aflossing en rente en een slottermijn van € 10.000,00 aan Mercedes-Benz Financial Services Nederland B.V. is verschuldigd.



2.3.


[gedaagde] heeft op 19 mei 2023 € 38.795,00 van de aanbetaling voldaan. De overige
€ 10.000,00 is ondanks aanmaningen van Gomes tot op heden niet betaald.






3Het geschil



in conventie




3.1.
Gomes vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 10.000,00, te vermeerderen met € 875,00 buitengerechtelijke incassokosten, € 2.747,55 verschenen wettelijke handelsrente en de wettelijke handelsrente over € 10.000,00 vanaf 12 september 2025 tot de dag van algehele betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.



3.2.
Gomes baseert haar vorderingen op nakoming van de koopovereenkomst tussen partijen en de leaseovereenkomst. Gomes vordert de hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke handelsrente omdat volgens haar sprake is van overeenkomsten tussen zakelijke partijen. Immers is [gedaagde] de overeenkomsten in de uitoefening van zijn eenmanszaak aangegaan, zo stelt zij, nu dit op de overeenkomsten is vermeld en de auto ook zodanig is aangepast zodat [gedaagde] rijlessen met de auto kan geven.



3.3.

[gedaagde] betwist dat hij de rest van de aanbetaling is verschuldigd. [gedaagde] heeft namelijk vanaf de levering problemen gehad met de auto, onder andere met de airconditioning, de remmen piepten, er was sprake van koelvloeistoflekkage, tegenvallend rijbereik en snelladen en verschillende storingen. Daarom heeft hij in overleg met Gomes op 19 mei 2023 slechts een deel van de aanbetaling voldaan en de betaling van € 10.000,00 opgeschort totdat de problemen verholpen zouden zijn. Omdat de problemen nooit zijn verholpen, is [gedaagde] het gevorderde bedrag niet verschuldigd. Ook stelt [gedaagde] dat hij de auto heeft gekocht als consument, zodat hij eventuele handelsrente niet is verschuldigd.



in reconventie





3.4.

[gedaagde] vordert in reconventie dat de rechtbank de koopovereenkomst en de leaseovereenkomst ontbindt en Gomes veroordeelt tot terugbetaling van € 38.795,00 en de door [gedaagde] betaalde leasetermijnen, te vermeerderen met rente en kosten. Subsidiair vordert [gedaagde] een prijsvermindering in evenredigheid met de aanwezige gebreken aan de auto ten opzichte van hetgeen [gedaagde] van de auto mocht verwachten bij het aangaan van de koopovereenkomst.



3.5.

[gedaagde] verwijst naar de gebreken aan de auto waarop hij zijn beroep op opschorting in conventie heeft gebaseerd. Gomes schiet tekort in de nakoming van de koopovereenkomst, omdat zij de problemen niet kan oplossen en ook daartoe geen pogingen meer onderneemt. Hierdoor verkeert Gomes in verzuim en kan [gedaagde] een beroep doen op ontbinding van de overeenkomsten. Subsidiair stelt [gedaagde] dat de auto door de aanhoudende gebreken minder waard is dan de overeengekomen koopprijs, zodat de koopprijs in evenredigheid dient te worden verminderd.



3.6.
Gomes betwist enige tekortkoming aan haar zijde. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat de gestelde gebreken nog steeds aanwezig zijn. Gomes heeft de auto vijf keer gezien voor onderhoud en heeft gemelde klachten toen opgelost. Daarnaast betwist zij dat [gedaagde] een beroep kan doen op consumentenbescherming, omdat hij de auto niet als consument heeft gekocht.



3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie en in reconventie




4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden besproken.



Opmerkingen vooraf over de procedure





4.2.
Zoals besproken met partijen op de mondelinge behandeling is het oorspronkelijke dossier in deze zaak op enig moment zoekgeraakt op de rechtbank. Daardoor zijn er twee verschillende tussenvonnissen gewezen met elk een andere instructie. De kantonrechter heeft vastgesteld dat beide partijen hoofdzakelijk hebben gehandeld naar de instructies in het tussenvonnis van 18 februari 2026 en de brief van 26 februari 2026 door te verschijnen op de mondelinge behandeling die in die stukken is bepaald. In die stukken is ook bepaald dat partijen zoals dat gebruikelijk is tien dagen voor de zitting nog stukken mogen indienen, waaronder een conclusie van antwoord in reconventie. In deze conclusie heeft Gomes hoofdzakelijk (bij gebrek aan wetenschap op dit moment) betwist dat er sprake is van gebreken aan de auto en heeft zij gemotiveerd betwist dat [gedaagde] een consument is. De kantonrechter overweegt dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze beide punten op [gedaagde] rusten. De betwistingen van Gomes brengen daar geen verandering in. Het was al aan [gedaagde] om in het kader van de beoordeling van zijn verweer en ter onderbouwing van zijn vordering in reconventie zijn stellingen met stukken te onderbouwen, wat hij ook heeft getracht te doen gelet op de ingediende producties. Mr. Molenkamp heeft verder in haar spreekaantekeningen aandacht besteed aan de (nieuwe) standpunten in de conclusie van antwoord in reconventie. Ondanks de mogelijk ontstane verwarring met de verschillende tussenvonnissen en de betrekkelijk korte tijd die [gedaagde] had om een weerlegging voor te bereiden op de betwistingen van Gomes is er daarom naar oordeel van de kantonrechter geen sprake van strijd met de goede procesorde. De conclusie van antwoord in reconventie wordt daarom toegestaan en bij de beoordeling betrokken. De kantonrechter ziet in de mogelijke verwarring over de twee tussenvonnissen geen aanleiding om [gedaagde] in staat te stellen zijn standpunten nader te onderbouwen.




[gedaagde] heeft de auto niet als consument gekocht





4.3.

[gedaagde] stelt dat hij bij het aangaan van de koopovereenkomst en de leaseovereenkomst als consument heeft gehandeld, waar Gomes dat als handelaar heeft gedaan. In een dergelijk geval moet de kantonrechter beoordelen of de overeengekomen afspraken niet oneerlijk zijn en of Gomes aan haar toepasselijke wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan, ook als partijen daar zelf niets over hebben gezegd.



4.4.
De kantonrechter is echter met Gomes van oordeel dat [gedaagde] niet als consument heeft gehandeld maar in de uitoefening van zijn beroep en bedrijf, zodat aan een dergelijke toetsing niet wordt toegekomen. [gedaagde] kan daarom ook geen beroep doen op de consumentenbeschermende bepalingen uit titel 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).



4.5.
De kantonrechter stelt in dit verband voorop dat [gedaagde] de schriftelijke koopovereenkomst is aangegaan onder de naam waaronder hij zakelijk handelt ‘[bedrijf]. Ook de factuur is zo geadresseerd. Hetzelfde geldt voor de leaseovereenkomst. Voorts is in dit verband relevant dat [gedaagde] een rijschool houdt en dat de auto mede bedoeld was om te gebruiken voor rijlessen. Dat blijkt uit het feit dat de auto aan de passagierszijde daarvoor is aangepast. Daarnaast heeft [gedaagde] de auto deels gefinancierd met een financial lease-constructie. Dit is een financieringsvorm die alleen wordt verstrekt aan ondernemers en staat tegenover een persoonlijk krediet en/of private lease voor consumenten. Hieruit blijkt dat [gedaagde] boekhoudkundig deze kosten ook zakelijk heeft willen toeschrijven aan zijn eenmanszaak. Dat [gedaagde] de auto ook privé heeft willen gebruiken maakt dit niet anders. Dat het privégebruik van de auto overheerste is door Gomes betwist, waartegenover [gedaagde] dit niet concreet heeft gesteld en onderbouwd. Tot slot neemt de kantonrechter aan dat [gedaagde] als rijschoolhouder met meerdere auto’s bovengemiddelde kennis en ervaring heeft met het kopen van auto’s en dat dit ook nauw verbonden is met zijn bedrijfsactiviteit. Er is dan ook geen aanleiding voor reflexwerking.





[gedaagde] moet de rest van de aanbetaling betalen





4.6.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] volgens de overeenkomsten tussen partijen
€ 10.000,00 aan resterende aanbetaling verschuldigd is aan Gomes, maar de vraag is of [gedaagde] zich rechtsgeldig op opschorting van dat bedrag heeft beroepen en of de vordering van Gomes is verjaard zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld.




4.7.
De vordering van Gomes is niet verjaard. [gedaagde] beroept zich voor die stelling op artikel 7:28 BW, maar dat artikel geldt alleen bij een consumentenkoop en daarvan is hier geen sprake. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst verjaart op grond van artikel 3:307 lid 1 BW door verloop van vijf jaren na het opeisbaar worden van de vordering. Deze termijn is in ieder geval nog niet verstreken.



4.8.
Artikel 6:52 BW bepaalt verder dat [gedaagde] bevoegd is tot opschorting als hij een opeisbare vordering heeft op Gomes en als tussen deze vordering en de betalingsverbintenis voldoende samenhang bestaat om de opschorting te rechtvaardigen. [gedaagde] draagt volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en bewijslast waaruit het bestaan van zijn bevoegdheid tot opschorting volgt. Voldoende samenhang tussen de vorderingen is in dit geval gegeven, omdat [gedaagde] een vordering op Gomes stelt te hebben vanwege de gebreken aan de auto.



4.9.

Voor zover [gedaagde] een opschortingsbevoegdheid heeft (gehad), diende hij aan Gomes kenbaar te maken dat hij zijn betalingsverbintenis opschorte en, voor zover daarvan blijkt, dient vast te staan dat de ernst van zijn klachten deze opschorting rechtvaardigde.

[gedaagde] heeft gesteld dat hij de opschorting van € 10.000,00 met Gomes heeft besproken en dat Gomes daarmee akkoord is gegaan, maar Gomes betwist dat. Tegenover die betwisting heeft [gedaagde] onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij kenbaar heeft gemaakt dat hij zich op opschorting heeft beroepen. In de overgelegde WhatsApp-correspondentie kan geen beroep op opschorting vanwege gebreken gelezen worden. Weliswaar is te lezen dat [gedaagde] herhaaldelijk zijn ongenoegen heeft geuit over de auto, maar daaruit is nog niet op te maken dat hij een deel van de aanbetaling heeft achtergehouden totdat de ervaren problemen waren verholpen. [gedaagde] heeft gesteld dat dit op 19 mei 2023 telefonisch met een medewerker van Gomes is besproken, maar Gomes heeft dat betwist en zij heeft er terecht op gewezen dat de betreffende medewerker hoe dan ook niet bevoegd was om namens haar een opschorting te aanvaarden. Voor een rechtsgeldige opschorting is niet vereist dat Gomes deze heeft aanvaard, maar de stelling van [gedaagde] dat dit telefonisch zou zijn besproken vindt geen enkele steun in de overgelegde stukken. Als een dergelijk telefoongesprek zou hebben plaatsgevonden had het op de weg gelegen van [gedaagde] om bijvoorbeeld inzage te geven in de oproepgeschiedenis tussen partijen. Ook had het dan voor de hand gelegen dat dergelijke afspraken vervolgens schriftelijk zouden zijn vastgelegd, zodat het voor Gomes voldoende bepaald zou zijn wanneer de opschorting komt te vervallen. Op de mondelinge behandeling heeft de heer [betrokkene] van Gomes verklaard dat hij 18 december 2023 een gesprek heeft gehad met [gedaagde], waarin [gedaagde] onder meer heeft gezegd te zullen betalen zodra de gestelde gebreken aan de auto zijn opgelost. Voor zover [gedaagde] daarmee de bedoeling heeft gehad kenbaar te maken dat hij zijn betalingsverplichting had opgeschort geldt het volgende. Allereerst blijkt hieruit niet van de door [gedaagde] gestelde (en betwiste) instemming met opschorting. Voorts valt op dat [gedaagde] zich in rechte niet heeft beroepen op deze mededeling tegenover de heer [betrokkene]. Daarbij is niet is gebleken dat partijen zich hebben gedragen naar deze vermeende opschorting. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt dat na dit gesprek door [gedaagde] slechts nog een enkele keer contact is opgenomen met de garage met oplaadklachten, maar de ernst van de rest van de klachten blijkt daaruit niet. Ook blijkt niet dat daarvan na juli 2024 nog sprake was. In 2025 blijkt vervolgens nog wel tussen partijen te zijn gesproken over inruil/een andere auto. Gomes heeft dit overleg echter geduid als een commercieel overleg gericht op tevredenheid van haar klant, waaruit niet blijkt dat zij de klachten of de ernst daarvan heeft erkend. Hiertegenover heeft [gedaagde] niet concreet gesteld en onderbouwd dat na juli 2024 nog sprake was van dusdanige klachten met betrekking tot de auto, dat opschorting van zijn betalingsverplichting gerechtvaardigd was. Tenslotte volgt uit de dagvaarding niet dat Gomes bekend was met de opschorting. Het daarin weergegeven verweer, zoals dat bekend is gemaakt aan de gemachtigde van Gomes ziet op een contante betaling en problemen met de auto, maar niet op opschorting. De kantonrechter kan dan ook niet aannemen dat Gomes heeft ingestemd met opschorting van de betalingsverplichtingen van [gedaagde], dan wel dat [gedaagde] zich eerder dan de conclusie van antwoord gerechtvaardigd op opschorting heeft beroepen.




4.10.
Dan resteert de vraag of [gedaagde] zich per de datum van de conclusie van antwoord op opschorting kan beroepen. Het is immers mogelijk om dit verweer eerst is in de procedure naar voren te brengen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] echter onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de door hem in het verleden ervaren problemen met de auto zich op dit moment nog steeds voordoen, terwijl dit wel van hem mocht worden verwacht gelet op het (zekerheidshalve) schriftelijke beroep op opschorting in de conclusie van antwoord. Gomes betwist dat dit het geval is en zij wijst erop dat de auto vijf keer bij haar in onderhoud is geweest en dat de problemen toen zo veel mogelijk verholpen zijn. De door [gedaagde] overgelegde foto’s, video’s en correspondentie dateren allemaal uit de periode vanaf de aankoop tot en met juli 2024, met uitzondering van een gesprek over een mogelijke inruil van de auto in februari 2025. Daaruit leidt de kantonrechter af dat er sinds juli 2024 geen problemen meer zijn gemeld door [gedaagde]. [gedaagde] heeft de auto niet meer met klachten teruggebracht naar Gomes, maar heeft ook niet gesteld en onderbouwd dat hij de auto aan een andere garage heeft aangeboden, die het bestaan van de betreffende klachten heeft bevestigd. Gelet op het tijdsverloop en de gemotiveerde betwisting van Gomes is een verwijzing naar eerdere problemen onvoldoende onderbouwing om de eventuele huidige gebreken aan te tonen. [gedaagde] komt daarom geen bevoegdheid tot opschorting van zijn betalingsverbintenis toe, zodat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de openstaande aanbetaling van € 10.000,00.



Reconventie: [gedaagde] kan de overeenkomsten niet ontbinden





4.11.
In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen zal de kantonrechter de vorderingen in reconventie afwijzen. [gedaagde] beroept zich namelijk op de ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, dan wel op evenredige prijsvermindering, en baseert dat op de non-conformiteit van de auto. Omdat [gedaagde] heeft nagelaten te onderbouwen dat de auto op dit moment zodanige gebreken kent dat deze niet de eigenschappen bezit die hij op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten, is ontbinding van de overeenkomsten niet aan de orde. Vermindering van de koopprijs op grond van artikel 7:22 lid 1 sub b BW is voorts slechts van toepassing bij een consumentenkoop. Eerder is al overwogen dat daarvan geen sprake is.




Wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten





4.12.
Gomes vordert de hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Volgens [gedaagde] is hij de wettelijke handelsrente niet verschuldigd omdat hij de overeenkomsten als consument is aangegaan. Hiervoor is al overwogen en geoordeeld dat dit niet juist is. Daarom zal de kantonrechter de rentevordering toewijzen als gevorderd, aangezien dit op de wet gegrond is en [gedaagde] daartegen verder inhoudelijk geen verweer heeft gevoerd.



4.13.
Gomes vordert ook een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Gomes heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Hij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 875,00 is in overeenstemming met het bedrag zoals dat volgt uit het Besluit en wordt daarom toegewezen.



4.14.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gomes worden begroot op:









- griffierecht


€


1.504,00







- salaris gemachtigde


€


1.080,00


(2,5 punten × € 432,00)




- nakosten


€


288,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.872,00











4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing



in conventie en in reconventie




De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 13.622,55 aan Gomes, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 10.000,00 vanaf 12 september 2025 tot aan de dag van algehele betaling,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.872,00, te betalen aan Gomes binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.






De griffier De kantonrechter