Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9600
2026-07-30
Strafrecht
15-247235-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op de vrouw met wie hij een periode een verstandhouding heeft gehad. Hij heeft haar ’s nachts met een mes in de hand opgewacht in haar eigen slaapkamer. Hij heeft haar vijftien keer gestoken. De verdachte heeft het slachtoffer hulpeloos achtergelaten en is de woning ontvlucht. Overweging over voorbedachte raad. Beslissing op vordering benadeelde partij. Matiging van de straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 153 maanden en een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (GVM).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:840 Hoge Raad 15-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (37.722 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/247235-24 (P)
Uitspraakdatum: 30 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
nu gedetineerd in P.I. Leeuwarden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A. van Loon, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.G. Knegt, advocaat te Leeuwarden, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 31 juli 2024 te Westerland, gemeente Hollands Kroon ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [aangeefster] meermaals met een mes, althans een scherp voorwerp, in het gezicht en/of in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en verhandelde ter terechtzitting zijn onderstaande feiten en omstandigheden vast komen te staan. Deze zijn door de verdediging ook niet betwist.
De verdachte en aangeefster (hierna: [aangeefster] ) hebben in de periode van april tot en met oktober 2023 een seksuele verstandhouding met elkaar gehad. Zij waren destijds ook collega’s van elkaar. Bij beëindiging van die verstandhouding heeft [aangeefster] aangegeven dat zij door de verdachte met rust gelaten wilde worden. De verdachte heeft in de daaropvolgende periode contact met [aangeefster] proberen te krijgen. In januari 2024 heeft [aangeefster] een zogenoemde stopbrief naar de verdachte gestuurd, waarin zij de verdachte heeft gemaand haar, haar vrienden en haar moeder met rust te laten.
Op 30 juli 2024 is de verdachte ’s avonds de woning van [aangeefster] binnengegaan met een zonder toestemming gekopieerde sleutel. De verdachte wist door het werkrooster dat [aangeefster] niet veel later zou thuiskomen na haar dienst. Hij heeft [aangeefster] achter de deur in haar slaapkamer opgewacht met een mes in zijn hand. Ook had hij een tas bij zich met daarin onder meer tiewraps, ducttape en een hamer, die hij eerder die dag had gekocht. Op enig moment is [aangeefster] thuisgekomen en na middernacht kwam zij de slaapkamer binnen. Er is daar een steekincident ontstaan, waarbij de verdachte [aangeefster] vijftien keer gestoken heeft. Zij is geraakt in haar gezicht, oorlel, schouders, bovenarm, borstholte en schouderblad.
De verdachte is op 31 juli 2024 omstreeks 10.55 uur op 3,5 kilometer afstand van de woning van [aangeefster] aangetroffen met steekletsel ter hoogte van de borst en buik, en divers kras-, schaaf- en snijletsel, en bloeduitstortingen ter hoogte van de borst, buik, armen en benen.
3.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot moord. Uit feiten en omstandigheden blijkt van voorbedachte raad nu de verdachte het plan had [aangeefster] van het leven te beroven. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is niet gebleken en het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het door de verdachte geschetste scenario.
3.3
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan bewijs voor het opzet op de dood moet worden vrijgesproken. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij geen vol opzet op de dood van [aangeefster] had. Evenmin is sprake van voorwaardelijk opzet. Op basis van het dossier kan namelijk onvoldoende worden vastgesteld over de aard, intensiteit en gerichtheid van de steekbewegingen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood.
De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, omdat er geen sprake is van voorbedachte raad. De verdachte is naar de woning van [aangeefster] gegaan met als doel een gesprek te voeren over het einde van hun relatie en niet met een plan om [aangeefster] te doden. Toen [aangeefster] de politie wilde bellen, raakte de verdachte in paniek en wilde hij de telefoon van haar afpakken. [aangeefster] beet hem en in reactie/reflex daarop heeft hij haar gestoken. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over en zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn (voorgenomen) daad. De zoekslagen in de telefoon van de verdachte kunnen niet bijdragen als bewijs voor voorbedachte raad, omdat de zoekslagen deels ver voor het incident van 31 juli 2024 liggen en alle hiermee geen relatie hebben. De aankoop van de ducttape, hamer, tiewraps en frisdrank zijn bovendien een contra-indicatie voor voorbedachte raad voor moord.
3.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging moord op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen en overweegt hiertoe als volgt.
Verklaringen van de verdachte en [aangeefster]
De verklaringen van de verdachte en [aangeefster] over het steekincident verschillen van elkaar.
[aangeefster] heeft verklaard dat op het moment dat de verdachte op haar sprong, hij haar telefoon heeft geprobeerd af te pakken en opeens begon te steken. [aangeefster] heeft hem vervolgens in zijn arm gebeten. De verdachte schrok waardoor [aangeefster] kon vluchten. [aangeefster] heeft verklaard dat er geen tweede mes is geweest.
De verdachte heeft verklaard dat toen [aangeefster] de politie wilde bellen, hij op haar is gesprongen om de telefoon af te pakken. [aangeefster] heeft de verdachte hard in zijn onderarm gebeten en uit reflex heeft hij haar gestoken. Op het voeteneinde van het bed had de verdachte een tweede mes gelegd. Tijdens de ontstane worsteling heeft [aangeefster] dat mes gepakt en de verdachte daarmee in zijn buik gestoken. De verdachte heeft [aangeefster] daarna nog een aantal keer met het mes geraakt, waarna [aangeefster] wist te ontkomen.
Steunbewijs voor de verklaring van [aangeefster]
De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van [aangeefster] . Deze verklaring vindt gedeeltelijk steun in de verklaring van de verdachte, in die zin dat hij heeft bekend [aangeefster] in haar slaapkamer te hebben opgewacht met een mes en dat hij haar daarmee vijftien keer heeft gestoken. Ook passen de verwondingen zoals omschreven in de letselrapportage bij haar verklaring. Voorzover de verdachte anders dan [aangeefster] heeft verklaard over het steekincident, acht de rechtbank die verklaring ongeloofwaardig. De volgende tactische en forensische bevindingen van de politie spreken de verklaring van de verdachte tegen. In de woning van [aangeefster] is alleen bloed van [aangeefster] aangetroffen, en niet van de verdachte. De verdachte is op camerabeelden van na het steekincident rennend te zien op een locatie honderden meters van de woning van [aangeefster] . Pas ter hoogte van de Lutjeweg bij de camping is voor het eerst zijn bloed aangetroffen. Uit deze bevindingen leidt de rechtbank af dat de verdachte bij het verlaten van de woning van [aangeefster] geen bloedende (steek)verwondingen had, en dat het door hem geschetste alternatieve scenario dus niet waar kan zijn.
De rechtbank gaat er daarom van uit dat het steekincident heeft plaatsgevonden zoals [aangeefster] dat heeft verklaard: de verdachte heeft haar eerst gestoken en pas toen heeft zij hem gebeten. Dat de letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en expertisebureau FMO (hierna: ‘LOEF-rapportage’) van 23 december 2023 de verklaring van de verdachte over het verloop van het steekincident niet weerspreekt, doet daaraan niet af. Deze rapportage weerspreekt immers ook niet de verklaring van [aangeefster] .
Opzet op de dood
Tijdens het steekincident heeft de verdachte [aangeefster] vijftien keer met een mes gestoken, onder meer in haar gezicht, borst en schouders. Blijkens de LOEF-rapportage heeft [aangeefster] ten gevolge van het steekincident onder meer een klaplong met een dreigende spanningsklaplong opgelopen waarvoor een spoedingreep noodzakelijk was. Er was sprake van kritiek letsel en zonder medische interventie had [aangeefster] hieraan kunnen overlijden. Uit dit laatste leidt de rechtbank af dat de verdachte met meer dan geringe kracht heeft gestoken. Dit maakt, in combinatie met het aantal malen en de plaatsen waar de verdachte [aangeefster] heeft gestoken, dat sprake was van een gerichtheid op de dood van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij [aangeefster] dat het niet anders kan dan dat de verdachte opzet had op haar dood.
Voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of bij de verdachte sprake was van voorbedachte raad om [aangeefster] om het leven te brengen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht naar de woning van [aangeefster] is gegaan met het doel om met haar te praten en niet om haar te doden. Hij wist dat zij geen contact meer met hem wilde en was bereid het gesprek desondanks af te dwingen met behulp van de door hem meegebrachte voorwerpen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verdachte naar de woning van [aangeefster] is gegaan mede met de bedoeling om met haar te praten. Anders dan de verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich er ook mentaal en feitelijk op had voorbereid om [aangeefster] te doden. Hij heeft hierover geruime tijd nagedacht en zich op deze handeling uitvoerig voorbereid. Dit leidt de rechtbank af uit het volgende.
Op de telefoon van de verdachte zijn in de anderhalve maand voor en op de dag dat de verdachte naar de woning van [aangeefster] is gegaan en hij haar in de nacht heeft neergestoken zoektermen aangetroffen als ‘steekpartij mes’, ‘dodelijke steekpartij’, ‘best knife to stack’, ‘ [naam aangeefster] doodgestoken’ en ‘celstraf voor moord’. Ook zijn webpagina’s bezocht zoals ‘het verschil tussen (de straf voor) moord en doodslag’ en ‘doodsteken’. Op de dag dat hij naar de woning van [aangeefster] is gegaan, heeft hij messen, ducttape en tiewraps gekocht en daarmee [aangeefster] opgewacht in haar slaapkamer. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de periode voorafgaand aan het neersteken van [aangeefster] veelvuldig heeft nagedacht over de confrontatie met [aangeefster] en het scenario waarin hij haar vermoordt. De verdachte is vervolgens planmatig te werk gegaan om de benodigde materialen aan te schaffen, haar werkrooster te bekijken wanneer ze thuis zou zijn, zijn auto verderop te parkeren zodat [aangeefster] deze niet zou herkennen en haar vervolgens in de slaapkamer met een getrokken mes op te wachten. Tot zover zijn de gedragingen van de verdachte in lijn met het genoemde scenario en dat is zijn hierop volgend gedrag ook. In die slaapkamer is de verdachte immers met het meegebrachte mes [aangeefster] gaan steken met als kennelijk doel haar te doden. Dit blijkt uit de veelheid van messteken op kwetsbare plekken van haar lichaam en uit het feit dat de verdachte [aangeefster] tijdens haar vlucht nog eens in haar rug heeft gestoken.
Dat de verdachte met de confrontatie ook een gesprek met [aangeefster] wilde afdwingen acht de rechtbank aannemelijk. Maar er zijn geen aanwijzingen gebleken, anders dan de verklaring van de verdachte, dat het zijn bedoeling was om het bij het gesprek te laten en dat het steken louter zijn onbedoelde reactie was in de worsteling om de telefoon van [aangeefster] af te pakken. Ook de meegebrachte voorwerpen duiden daar niet op. Mogelijk heeft de poging van [aangeefster] om de politie te bellen een en ander versneld. Hoe de verdachte het verloop van die confrontatie precies voor zich zag kan niet worden vastgesteld. Wat wel duidelijk is dat zijn gedrag geheel past in het vooraf door hem bedachte en voorbereide scenario en dat er geen reële aanknopingspunten zijn dat de verdachte toch een andere bedoeling had en hij [aangeefster] niet had willen doden.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had [aangeefster] van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van die daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin zijn andere contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht poging tot moord bewezen.
3.5
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 31 juli 2024 te Westerland, gemeente Hollands Kroon, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [aangeefster] meermaals met een mes in het gezicht en in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar, met aftrek van het voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr (hierna: ‘GVM’) op te leggen.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met oprecht berouw van de verdachte, zijn coöperatieve proceshouding, blanco strafblad en het feit dat geen sprake was van een combinatie met andersoortig geweld of andere strafbare feiten. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft de raadsman verzocht een bandbreedte te hanteren van 36 tot 72 maanden voor poging tot moord. Ook heeft de raadsman gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken. Verder heeft de raadsman verzocht geen TBS of GVM op te leggen omdat het recidiverisico niet kan worden vastgesteld.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op de vrouw met wie hij een periode een verstandhouding heeft gehad. Hij heeft haar ’s nachts met een mes in de hand opgewacht in haar eigen slaapkamer, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zou moeten voelen. Hij heeft haar vijftien keer gestoken in onder meer haar gezicht en haar borst. Het slachtoffer heeft gevreesd voor haar leven. Dat die avond niet fataal is afgelopen is omdat zij heeft gevochten voor haar leven, om hulp heeft geroepen en de slaapkamer is uit gevlucht. Tijdens haar vlucht heeft de verdachte het slachtoffer nog een keer gestoken in haar rug. Toen hij de buurvrouw hoorde, heeft de verdachte het slachtoffer hulpeloos achtergelaten en is hij de woning ontvlucht.
De verdachte heeft het slachtoffer na het incident ten onrechte beschuldigd van het toebrengen van zijn (steek)letsel. Hij heeft daarmee gepoogd het slachtoffer weg te zetten als dader. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
De gedragingen van de verdachte voorafgaand aan en leidend tot het steekincident passen bij de in de literatuur genoemde – en op zitting door de officier van justitie aangehaalde – kenmerken van (een poging tot) femicide. Vaak gaat het, zoals hier, om een man die zijn voormalige vrouwelijke ‘partner’ wilde doden.
Hoe groot de impact van het feit voor het slachtoffer is, blijkt mede uit de slachtofferverklaring die zij op de zitting heeft voorgelezen. Zij heeft als gevolg van verdachtes handelen blijvend zenuwletsel in haar arm opgelopen alsook zichtbare littekens in haar gezicht en over haar lichaam die zij de rest van haar leven zal houden. Daarnaast heeft zij ook ernstig psychisch letsel opgelopen, dat zich uit in langdurige slaapproblematiek, gevoelens van angst en daarmee gepaard gaand psychisch trauma. De rechtbank weegt dit ten nadele van de verdachte mee in de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 19 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 14 juli 2026, op het Pro Justitia rapport, uitgebracht op 31 maart 2025 door B.G. Brusse, psychiater, en drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, en op het Pro Justitia rapport, uitgebracht op 13 februari 2026 door M.D. van Ekeren, psychiater, en B.E.W. Nieuwenhuizen, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC).
In het Pro Justitia rapport van 31 maart 2025 komt naar voren dat de onderzoekende psychiater aanwijzingen ziet voor psychische problematiek in het politiedossier en de huisartseninformatie. De verdachte laat weinig emoties zien en spreekt schijnbaar met enige afstand over de gebeurtenissen. De onderzoeker denkt in eerste instantie aan een gebrekkige ontwikkeling waar het gaat om het ervaren en herkennen van eigen emoties waarbij mogelijk sprake is van een onvermogen of een afgesneden zijn van zijn emoties.
De deskundigen van het PBC concluderen dat het beeld van het psychisch functioneren van de verdachte onvolledig is gebleven omdat hij heeft geweigerd aan het onderzoek deel te nemen. Tijdens het onderzoek zijn er geen opvallendheden of aanwijzingen waargenomen die zouden kunnen wijzen in de richting van een persoonlijkheidsstoornis, ernstige psychiatrische beelden, ADHD of beperkingen in de intelligentie. Dit sluit echter niet uit dat er sprake zou kunnen zijn van persoonlijkheidsproblematiek die uitsluitend naar voren komt in intieme relaties of andersoortige problematiek. Dit kon echter niet worden onderzocht waardoor er evenmin uitspraken kunnen worden gedaan over een eventuele doorwerking daarvan in het ten laste gelegde.
De rechtbank ziet op basis van het voorgaande onvoldoende grond om de verdachte niet of verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
De reclassering heeft bij een bewezenverklaring geadviseerd om een GVM op te leggen om er zorg voor te dragen dat de verdachte na een veroordeling niet zonder behandeling in vrijheid wordt gesteld.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank een lange gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken door Nederlandse rechters zijn opgelegd en ziet daarin aanleiding om af te wijken van de strafeis. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat zij hiermee de ernst van de zaak niet als minder ernstig waardeert dan de officier van justitie.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaar passend en geboden.
De rechtbank ziet in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om de straf te verlagen. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 31 juli 2024 omdat de verdachte op deze datum in verzekering is gesteld en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Omdat het eindvonnis op 30 juli 2026 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met acht maanden. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het tijdsverloop in deze zaak resulteert er in dat de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf vermindert met drie maanden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 153 maanden (twaalf jaar en negen maanden) passend en geboden, met aftrek van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in 38z Sr
De rechtbank is van oordeel dat de kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen en overweegt daartoe dat de verdachte heeft geweigerd aan onderzoek naar zijn psyche deel te nemen, waardoor het beeld van zijn psychisch functioneren onvolledig is gebleven. In het Pro Justitia rapport van 31 maart 2025 komt wel naar voren dat de onderzoekende psychiater aanwijzingen ziet voor psychische problematiek op het gebied van ervaren en herkennen van eigen emoties.
Vorengaande in samenhang bezien met de ernst van het delict, alsmede de aanloop daartoe en de verdere omstandigheden en context daarvan, maakt dat de rechtbank – zoals gevorderd door de officier van justitie – de GVM als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht oplegt. De rechtbank acht het opleggen van deze maatregel aangewezen ter bescherming van de veiligheid van anderen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Daarmee is voldaan aan de eisen die de wet stelt voor het opleggen van deze maatregel.
8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [aangeefster] heeft – na verhoging ter zitting – een vordering tot schadevergoeding van € 41.846,27 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 6.846,27 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade.
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiele schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet alle posten voor vergoeding in aanmerking komen en verzocht om ten aanzien van die posten, zijnde de loonkosten en kosten van de thuiszorg, aanschaf beveiligingscamera, slaapmedicatie en het beddengoed, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, respectievelijk te matigen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de verzochte immateriële schadevergoeding.
8.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De gestelde materiële schade van totaal € 6.846,27 bestaat uit:
- Eigen risico over 2024 en 2025 à € 770- Verblijf ziekenhuis drie dagen à € 114- Verblijf bij moeder voor drie maanden ter revalidatie à € 2.220- Beschadigde trainingsbroek à € 70- Aanschaf beveiligingscamera à € 165,99- Beschadigde horren en rooster raam à € 30,55- Beschadigd beddengoed à € 454,99- Medicatie en pleisters à € 39,71- Reis- en parkeerkosten à € 896,32 - Compensatie geleden inkomstenderving à € 2.084,71
De rechtbank is van oordeel dat alle gevorderde materiële schadeposten in beginsel dienen te worden toegewezen tot een bedrag van € 6.378,78. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten voor het verblijf bij moeder en de kosten voor het beschadigde dekbed, kussens en matrasbeschermer dienen te worden gematigd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van de kosten van het verblijf bij de moeder van [aangeefster] voor drie maanden ter revalidatie dient aansluiting te worden gezocht bij de richtlijn Huishoudelijke Hulp zoals gehanteerd door de Letselschaderaad van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2026. Die verzochte schadepost dient derhalve gematigd te worden naar 12 x € 165 = € 1.980. Ten aanzien van deze schadepost verklaart de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Ten aanzien van de kosten van de aanschaf van de beveiligingscamera is, gelet op de onderbouwing van de vordering en de daarop gegeven toelichting op de zitting, voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de beveiligingscamera’s heeft aangeschaft als gevolg van het bewezen verklaarde feit en de daaruit voortvloeiende gevoelens van angst en onveiligheid. Onder deze omstandigheden is het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2021:840) dat deze schade kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade en daardoor voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal deze schadepost daarom toewijzen.
De kosten voor het beschadigde beddengoed zijn onvoldoende onderbouwd om voor gehele toewijzing in aanmerking te komen. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de helft van dit bedrag (€ 227,50) toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren ten aanzien van deze schadepost.
Anders dan de raadsman is de rechtbank ten aanzien van de kosten voor slaapmedicatie van oordeel dat deze in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. Deze post zal dan ook worden toegewezen.
Ten aanzien van de compensatie geleden inkomstenderving oordeelt de rechtbank dat het startmoment van de wettelijke rente niet de datum van het delict is, maar het midden van het tweede ziektejaar van [aangeefster] , zijnde 29 januari 2026.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat sprake is van die eerste categorie nu de benadeelde partij lichamelijk letsel (onder andere steekverwondingen) heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, de uitgangspunten vermeld in de ‘Rotterdamse schaal’ en de 'Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW' is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij van € 35.000,- daarom geheel toe.
Conclusie
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 41.378,78, bestaande uit € 6.378,78 materiële schade en € 35.000,- immateriële schade. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 29 januari 2026 voor zover het ziet op de compensatie geleden inkomstenderving (€ 2.084,71) en toewijsbaar vanaf 31 juli 2024 voor zover het ziet op het overige totale bedrag van € 39.294,07 en dan steeds tot aan de dag van algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot moord) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 38z, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
10Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 153 (honderddrieënvijftig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering benadeelde partij [aangeefster]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 41.378,78, bestaande uit € 6.378,78 als vergoeding voor de materiële en € 35.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024 over een bedrag van € 39.294,07 en vanaf 29 januari 2026 over een bedrag van € 2.084,71, tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangeefster] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41.378,78, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 196 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024 over een bedrag van € 39.294,07 en vanaf 29 januari 2026 over een bedrag van € 2.084,71, tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.J. Straathof, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. F.H.B. Budde, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.H.A. Sluiter en mr. M.T. Sluis
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026.
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/247235-24 (P)
Uitspraakdatum: 30 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
nu gedetineerd in P.I. Leeuwarden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A. van Loon, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.G. Knegt, advocaat te Leeuwarden, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 31 juli 2024 te Westerland, gemeente Hollands Kroon ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [aangeefster] meermaals met een mes, althans een scherp voorwerp, in het gezicht en/of in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en verhandelde ter terechtzitting zijn onderstaande feiten en omstandigheden vast komen te staan. Deze zijn door de verdediging ook niet betwist.
De verdachte en aangeefster (hierna: [aangeefster] ) hebben in de periode van april tot en met oktober 2023 een seksuele verstandhouding met elkaar gehad. Zij waren destijds ook collega’s van elkaar. Bij beëindiging van die verstandhouding heeft [aangeefster] aangegeven dat zij door de verdachte met rust gelaten wilde worden. De verdachte heeft in de daaropvolgende periode contact met [aangeefster] proberen te krijgen. In januari 2024 heeft [aangeefster] een zogenoemde stopbrief naar de verdachte gestuurd, waarin zij de verdachte heeft gemaand haar, haar vrienden en haar moeder met rust te laten.
Op 30 juli 2024 is de verdachte ’s avonds de woning van [aangeefster] binnengegaan met een zonder toestemming gekopieerde sleutel. De verdachte wist door het werkrooster dat [aangeefster] niet veel later zou thuiskomen na haar dienst. Hij heeft [aangeefster] achter de deur in haar slaapkamer opgewacht met een mes in zijn hand. Ook had hij een tas bij zich met daarin onder meer tiewraps, ducttape en een hamer, die hij eerder die dag had gekocht. Op enig moment is [aangeefster] thuisgekomen en na middernacht kwam zij de slaapkamer binnen. Er is daar een steekincident ontstaan, waarbij de verdachte [aangeefster] vijftien keer gestoken heeft. Zij is geraakt in haar gezicht, oorlel, schouders, bovenarm, borstholte en schouderblad.
De verdachte is op 31 juli 2024 omstreeks 10.55 uur op 3,5 kilometer afstand van de woning van [aangeefster] aangetroffen met steekletsel ter hoogte van de borst en buik, en divers kras-, schaaf- en snijletsel, en bloeduitstortingen ter hoogte van de borst, buik, armen en benen.
3.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot moord. Uit feiten en omstandigheden blijkt van voorbedachte raad nu de verdachte het plan had [aangeefster] van het leven te beroven. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is niet gebleken en het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het door de verdachte geschetste scenario.
3.3
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan bewijs voor het opzet op de dood moet worden vrijgesproken. Uit de verklaring van de verdachte volgt dat hij geen vol opzet op de dood van [aangeefster] had. Evenmin is sprake van voorwaardelijk opzet. Op basis van het dossier kan namelijk onvoldoende worden vastgesteld over de aard, intensiteit en gerichtheid van de steekbewegingen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood.
De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, omdat er geen sprake is van voorbedachte raad. De verdachte is naar de woning van [aangeefster] gegaan met als doel een gesprek te voeren over het einde van hun relatie en niet met een plan om [aangeefster] te doden. Toen [aangeefster] de politie wilde bellen, raakte de verdachte in paniek en wilde hij de telefoon van haar afpakken. [aangeefster] beet hem en in reactie/reflex daarop heeft hij haar gestoken. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht over en zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn (voorgenomen) daad. De zoekslagen in de telefoon van de verdachte kunnen niet bijdragen als bewijs voor voorbedachte raad, omdat de zoekslagen deels ver voor het incident van 31 juli 2024 liggen en alle hiermee geen relatie hebben. De aankoop van de ducttape, hamer, tiewraps en frisdrank zijn bovendien een contra-indicatie voor voorbedachte raad voor moord.
3.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging moord op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen en overweegt hiertoe als volgt.
Verklaringen van de verdachte en [aangeefster]
De verklaringen van de verdachte en [aangeefster] over het steekincident verschillen van elkaar.
[aangeefster] heeft verklaard dat op het moment dat de verdachte op haar sprong, hij haar telefoon heeft geprobeerd af te pakken en opeens begon te steken. [aangeefster] heeft hem vervolgens in zijn arm gebeten. De verdachte schrok waardoor [aangeefster] kon vluchten. [aangeefster] heeft verklaard dat er geen tweede mes is geweest.
De verdachte heeft verklaard dat toen [aangeefster] de politie wilde bellen, hij op haar is gesprongen om de telefoon af te pakken. [aangeefster] heeft de verdachte hard in zijn onderarm gebeten en uit reflex heeft hij haar gestoken. Op het voeteneinde van het bed had de verdachte een tweede mes gelegd. Tijdens de ontstane worsteling heeft [aangeefster] dat mes gepakt en de verdachte daarmee in zijn buik gestoken. De verdachte heeft [aangeefster] daarna nog een aantal keer met het mes geraakt, waarna [aangeefster] wist te ontkomen.
Steunbewijs voor de verklaring van [aangeefster]
De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van [aangeefster] . Deze verklaring vindt gedeeltelijk steun in de verklaring van de verdachte, in die zin dat hij heeft bekend [aangeefster] in haar slaapkamer te hebben opgewacht met een mes en dat hij haar daarmee vijftien keer heeft gestoken. Ook passen de verwondingen zoals omschreven in de letselrapportage bij haar verklaring. Voorzover de verdachte anders dan [aangeefster] heeft verklaard over het steekincident, acht de rechtbank die verklaring ongeloofwaardig. De volgende tactische en forensische bevindingen van de politie spreken de verklaring van de verdachte tegen. In de woning van [aangeefster] is alleen bloed van [aangeefster] aangetroffen, en niet van de verdachte. De verdachte is op camerabeelden van na het steekincident rennend te zien op een locatie honderden meters van de woning van [aangeefster] . Pas ter hoogte van de Lutjeweg bij de camping is voor het eerst zijn bloed aangetroffen. Uit deze bevindingen leidt de rechtbank af dat de verdachte bij het verlaten van de woning van [aangeefster] geen bloedende (steek)verwondingen had, en dat het door hem geschetste alternatieve scenario dus niet waar kan zijn.
De rechtbank gaat er daarom van uit dat het steekincident heeft plaatsgevonden zoals [aangeefster] dat heeft verklaard: de verdachte heeft haar eerst gestoken en pas toen heeft zij hem gebeten. Dat de letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en expertisebureau FMO (hierna: ‘LOEF-rapportage’) van 23 december 2023 de verklaring van de verdachte over het verloop van het steekincident niet weerspreekt, doet daaraan niet af. Deze rapportage weerspreekt immers ook niet de verklaring van [aangeefster] .
Opzet op de dood
Tijdens het steekincident heeft de verdachte [aangeefster] vijftien keer met een mes gestoken, onder meer in haar gezicht, borst en schouders. Blijkens de LOEF-rapportage heeft [aangeefster] ten gevolge van het steekincident onder meer een klaplong met een dreigende spanningsklaplong opgelopen waarvoor een spoedingreep noodzakelijk was. Er was sprake van kritiek letsel en zonder medische interventie had [aangeefster] hieraan kunnen overlijden. Uit dit laatste leidt de rechtbank af dat de verdachte met meer dan geringe kracht heeft gestoken. Dit maakt, in combinatie met het aantal malen en de plaatsen waar de verdachte [aangeefster] heeft gestoken, dat sprake was van een gerichtheid op de dood van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij [aangeefster] dat het niet anders kan dan dat de verdachte opzet had op haar dood.
Voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of bij de verdachte sprake was van voorbedachte raad om [aangeefster] om het leven te brengen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht naar de woning van [aangeefster] is gegaan met het doel om met haar te praten en niet om haar te doden. Hij wist dat zij geen contact meer met hem wilde en was bereid het gesprek desondanks af te dwingen met behulp van de door hem meegebrachte voorwerpen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verdachte naar de woning van [aangeefster] is gegaan mede met de bedoeling om met haar te praten. Anders dan de verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich er ook mentaal en feitelijk op had voorbereid om [aangeefster] te doden. Hij heeft hierover geruime tijd nagedacht en zich op deze handeling uitvoerig voorbereid. Dit leidt de rechtbank af uit het volgende.
Op de telefoon van de verdachte zijn in de anderhalve maand voor en op de dag dat de verdachte naar de woning van [aangeefster] is gegaan en hij haar in de nacht heeft neergestoken zoektermen aangetroffen als ‘steekpartij mes’, ‘dodelijke steekpartij’, ‘best knife to stack’, ‘ [naam aangeefster] doodgestoken’ en ‘celstraf voor moord’. Ook zijn webpagina’s bezocht zoals ‘het verschil tussen (de straf voor) moord en doodslag’ en ‘doodsteken’. Op de dag dat hij naar de woning van [aangeefster] is gegaan, heeft hij messen, ducttape en tiewraps gekocht en daarmee [aangeefster] opgewacht in haar slaapkamer. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de periode voorafgaand aan het neersteken van [aangeefster] veelvuldig heeft nagedacht over de confrontatie met [aangeefster] en het scenario waarin hij haar vermoordt. De verdachte is vervolgens planmatig te werk gegaan om de benodigde materialen aan te schaffen, haar werkrooster te bekijken wanneer ze thuis zou zijn, zijn auto verderop te parkeren zodat [aangeefster] deze niet zou herkennen en haar vervolgens in de slaapkamer met een getrokken mes op te wachten. Tot zover zijn de gedragingen van de verdachte in lijn met het genoemde scenario en dat is zijn hierop volgend gedrag ook. In die slaapkamer is de verdachte immers met het meegebrachte mes [aangeefster] gaan steken met als kennelijk doel haar te doden. Dit blijkt uit de veelheid van messteken op kwetsbare plekken van haar lichaam en uit het feit dat de verdachte [aangeefster] tijdens haar vlucht nog eens in haar rug heeft gestoken.
Dat de verdachte met de confrontatie ook een gesprek met [aangeefster] wilde afdwingen acht de rechtbank aannemelijk. Maar er zijn geen aanwijzingen gebleken, anders dan de verklaring van de verdachte, dat het zijn bedoeling was om het bij het gesprek te laten en dat het steken louter zijn onbedoelde reactie was in de worsteling om de telefoon van [aangeefster] af te pakken. Ook de meegebrachte voorwerpen duiden daar niet op. Mogelijk heeft de poging van [aangeefster] om de politie te bellen een en ander versneld. Hoe de verdachte het verloop van die confrontatie precies voor zich zag kan niet worden vastgesteld. Wat wel duidelijk is dat zijn gedrag geheel past in het vooraf door hem bedachte en voorbereide scenario en dat er geen reële aanknopingspunten zijn dat de verdachte toch een andere bedoeling had en hij [aangeefster] niet had willen doden.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had [aangeefster] van het leven te beroven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van die daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin zijn andere contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht poging tot moord bewezen.
3.5
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 31 juli 2024 te Westerland, gemeente Hollands Kroon, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [aangeefster] meermaals met een mes in het gezicht en in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar, met aftrek van het voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr (hierna: ‘GVM’) op te leggen.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met oprecht berouw van de verdachte, zijn coöperatieve proceshouding, blanco strafblad en het feit dat geen sprake was van een combinatie met andersoortig geweld of andere strafbare feiten. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft de raadsman verzocht een bandbreedte te hanteren van 36 tot 72 maanden voor poging tot moord. Ook heeft de raadsman gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken. Verder heeft de raadsman verzocht geen TBS of GVM op te leggen omdat het recidiverisico niet kan worden vastgesteld.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op de vrouw met wie hij een periode een verstandhouding heeft gehad. Hij heeft haar ’s nachts met een mes in de hand opgewacht in haar eigen slaapkamer, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zou moeten voelen. Hij heeft haar vijftien keer gestoken in onder meer haar gezicht en haar borst. Het slachtoffer heeft gevreesd voor haar leven. Dat die avond niet fataal is afgelopen is omdat zij heeft gevochten voor haar leven, om hulp heeft geroepen en de slaapkamer is uit gevlucht. Tijdens haar vlucht heeft de verdachte het slachtoffer nog een keer gestoken in haar rug. Toen hij de buurvrouw hoorde, heeft de verdachte het slachtoffer hulpeloos achtergelaten en is hij de woning ontvlucht.
De verdachte heeft het slachtoffer na het incident ten onrechte beschuldigd van het toebrengen van zijn (steek)letsel. Hij heeft daarmee gepoogd het slachtoffer weg te zetten als dader. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
De gedragingen van de verdachte voorafgaand aan en leidend tot het steekincident passen bij de in de literatuur genoemde – en op zitting door de officier van justitie aangehaalde – kenmerken van (een poging tot) femicide. Vaak gaat het, zoals hier, om een man die zijn voormalige vrouwelijke ‘partner’ wilde doden.
Hoe groot de impact van het feit voor het slachtoffer is, blijkt mede uit de slachtofferverklaring die zij op de zitting heeft voorgelezen. Zij heeft als gevolg van verdachtes handelen blijvend zenuwletsel in haar arm opgelopen alsook zichtbare littekens in haar gezicht en over haar lichaam die zij de rest van haar leven zal houden. Daarnaast heeft zij ook ernstig psychisch letsel opgelopen, dat zich uit in langdurige slaapproblematiek, gevoelens van angst en daarmee gepaard gaand psychisch trauma. De rechtbank weegt dit ten nadele van de verdachte mee in de strafoplegging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 19 november 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 14 juli 2026, op het Pro Justitia rapport, uitgebracht op 31 maart 2025 door B.G. Brusse, psychiater, en drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, en op het Pro Justitia rapport, uitgebracht op 13 februari 2026 door M.D. van Ekeren, psychiater, en B.E.W. Nieuwenhuizen, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC).
In het Pro Justitia rapport van 31 maart 2025 komt naar voren dat de onderzoekende psychiater aanwijzingen ziet voor psychische problematiek in het politiedossier en de huisartseninformatie. De verdachte laat weinig emoties zien en spreekt schijnbaar met enige afstand over de gebeurtenissen. De onderzoeker denkt in eerste instantie aan een gebrekkige ontwikkeling waar het gaat om het ervaren en herkennen van eigen emoties waarbij mogelijk sprake is van een onvermogen of een afgesneden zijn van zijn emoties.
De deskundigen van het PBC concluderen dat het beeld van het psychisch functioneren van de verdachte onvolledig is gebleven omdat hij heeft geweigerd aan het onderzoek deel te nemen. Tijdens het onderzoek zijn er geen opvallendheden of aanwijzingen waargenomen die zouden kunnen wijzen in de richting van een persoonlijkheidsstoornis, ernstige psychiatrische beelden, ADHD of beperkingen in de intelligentie. Dit sluit echter niet uit dat er sprake zou kunnen zijn van persoonlijkheidsproblematiek die uitsluitend naar voren komt in intieme relaties of andersoortige problematiek. Dit kon echter niet worden onderzocht waardoor er evenmin uitspraken kunnen worden gedaan over een eventuele doorwerking daarvan in het ten laste gelegde.
De rechtbank ziet op basis van het voorgaande onvoldoende grond om de verdachte niet of verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
De reclassering heeft bij een bewezenverklaring geadviseerd om een GVM op te leggen om er zorg voor te dragen dat de verdachte na een veroordeling niet zonder behandeling in vrijheid wordt gesteld.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank een lange gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken door Nederlandse rechters zijn opgelegd en ziet daarin aanleiding om af te wijken van de strafeis. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat zij hiermee de ernst van de zaak niet als minder ernstig waardeert dan de officier van justitie.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaar passend en geboden.
De rechtbank ziet in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om de straf te verlagen. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 31 juli 2024 omdat de verdachte op deze datum in verzekering is gesteld en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Omdat het eindvonnis op 30 juli 2026 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met acht maanden. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het tijdsverloop in deze zaak resulteert er in dat de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf vermindert met drie maanden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 153 maanden (twaalf jaar en negen maanden) passend en geboden, met aftrek van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in 38z Sr
De rechtbank is van oordeel dat de kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen en overweegt daartoe dat de verdachte heeft geweigerd aan onderzoek naar zijn psyche deel te nemen, waardoor het beeld van zijn psychisch functioneren onvolledig is gebleven. In het Pro Justitia rapport van 31 maart 2025 komt wel naar voren dat de onderzoekende psychiater aanwijzingen ziet voor psychische problematiek op het gebied van ervaren en herkennen van eigen emoties.
Vorengaande in samenhang bezien met de ernst van het delict, alsmede de aanloop daartoe en de verdere omstandigheden en context daarvan, maakt dat de rechtbank – zoals gevorderd door de officier van justitie – de GVM als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht oplegt. De rechtbank acht het opleggen van deze maatregel aangewezen ter bescherming van de veiligheid van anderen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Daarmee is voldaan aan de eisen die de wet stelt voor het opleggen van deze maatregel.
8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [aangeefster] heeft – na verhoging ter zitting – een vordering tot schadevergoeding van € 41.846,27 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 6.846,27 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade.
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiele schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet alle posten voor vergoeding in aanmerking komen en verzocht om ten aanzien van die posten, zijnde de loonkosten en kosten van de thuiszorg, aanschaf beveiligingscamera, slaapmedicatie en het beddengoed, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, respectievelijk te matigen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de verzochte immateriële schadevergoeding.
8.3
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De gestelde materiële schade van totaal € 6.846,27 bestaat uit:
- Eigen risico over 2024 en 2025 à € 770- Verblijf ziekenhuis drie dagen à € 114- Verblijf bij moeder voor drie maanden ter revalidatie à € 2.220- Beschadigde trainingsbroek à € 70- Aanschaf beveiligingscamera à € 165,99- Beschadigde horren en rooster raam à € 30,55- Beschadigd beddengoed à € 454,99- Medicatie en pleisters à € 39,71- Reis- en parkeerkosten à € 896,32 - Compensatie geleden inkomstenderving à € 2.084,71
De rechtbank is van oordeel dat alle gevorderde materiële schadeposten in beginsel dienen te worden toegewezen tot een bedrag van € 6.378,78. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten voor het verblijf bij moeder en de kosten voor het beschadigde dekbed, kussens en matrasbeschermer dienen te worden gematigd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ten aanzien van de kosten van het verblijf bij de moeder van [aangeefster] voor drie maanden ter revalidatie dient aansluiting te worden gezocht bij de richtlijn Huishoudelijke Hulp zoals gehanteerd door de Letselschaderaad van het jaar 2024 in plaats van het jaar 2026. Die verzochte schadepost dient derhalve gematigd te worden naar 12 x € 165 = € 1.980. Ten aanzien van deze schadepost verklaart de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Ten aanzien van de kosten van de aanschaf van de beveiligingscamera is, gelet op de onderbouwing van de vordering en de daarop gegeven toelichting op de zitting, voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de beveiligingscamera’s heeft aangeschaft als gevolg van het bewezen verklaarde feit en de daaruit voortvloeiende gevoelens van angst en onveiligheid. Onder deze omstandigheden is het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2021:840) dat deze schade kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade en daardoor voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal deze schadepost daarom toewijzen.
De kosten voor het beschadigde beddengoed zijn onvoldoende onderbouwd om voor gehele toewijzing in aanmerking te komen. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de helft van dit bedrag (€ 227,50) toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren ten aanzien van deze schadepost.
Anders dan de raadsman is de rechtbank ten aanzien van de kosten voor slaapmedicatie van oordeel dat deze in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. Deze post zal dan ook worden toegewezen.
Ten aanzien van de compensatie geleden inkomstenderving oordeelt de rechtbank dat het startmoment van de wettelijke rente niet de datum van het delict is, maar het midden van het tweede ziektejaar van [aangeefster] , zijnde 29 januari 2026.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat sprake is van die eerste categorie nu de benadeelde partij lichamelijk letsel (onder andere steekverwondingen) heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, de uitgangspunten vermeld in de ‘Rotterdamse schaal’ en de 'Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW' is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij van € 35.000,- daarom geheel toe.
Conclusie
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 41.378,78, bestaande uit € 6.378,78 materiële schade en € 35.000,- immateriële schade. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 29 januari 2026 voor zover het ziet op de compensatie geleden inkomstenderving (€ 2.084,71) en toewijsbaar vanaf 31 juli 2024 voor zover het ziet op het overige totale bedrag van € 39.294,07 en dan steeds tot aan de dag van algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot moord) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 38z, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
10Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 153 (honderddrieënvijftig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering benadeelde partij [aangeefster]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 41.378,78, bestaande uit € 6.378,78 als vergoeding voor de materiële en € 35.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024 over een bedrag van € 39.294,07 en vanaf 29 januari 2026 over een bedrag van € 2.084,71, tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangeefster] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangeefster] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41.378,78, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 196 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024 over een bedrag van € 39.294,07 en vanaf 29 januari 2026 over een bedrag van € 2.084,71, tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.J. Straathof, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. F.H.B. Budde, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.H.A. Sluiter en mr. M.T. Sluis
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026.