Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9279
2026-07-15
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12034118 \ CV EXPL 25-8854
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verwijzing naar de schadestaatprocedure en voorschot op de schadevergoeding
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:HR:2020:2099 Hoge Raad 18-12-2020
- ECLI:NL:HR:2005:AR7435 Hoge Raad 08-04-2005
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.250 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12034118 \ CV EXPL 25-8854
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. Ö. Arslan,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. C.P. Timmers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 18 december 2025, met producties;
- conclusie van antwoord 28 januari 2026, met producties;
- het tussenvonnis van 25 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft op 30 juli 2021 een glas naar het gezicht van [eiser] gegooid. [eiser] heeft hierdoor letsel opgelopen.
2.2.
[gedaagde] is naar aanleiding van dit incident strafrechtelijk vervolgd. Bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 2 september 2022 is [gedaagde] schuldig bevonden aan mishandeling. Zij is veroordeeld tot een taakstraf en tot betaling van € 2.227,00 aan schadevergoeding, bestaande uit € 385,00 materiële schade en € 1.842,00 aan immateriële schade.
2.3.
De aantekening mondeling vonnis van de politierechter vermeldt verder: “(…) bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd aangezien zij heeft voldaan aan haar verplichtingen tot vergoeding van deze schade.(…)”
2.4.
[eiser] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de politierechter.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat -:
I: te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de mishandeling op 30 juli 2021;
II: veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.227,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
III: veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
IV: veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.000,00 als voorschot op de schadevergoeding;
V: veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan dat vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [gedaagde] heeft [eiser] op 30 juli 2021 mishandeld en zij is daar strafrechtelijk voor veroordeeld. Als gevolg van deze onrechtmatige daad heeft [eiser] schade geleden die [gedaagde] moet betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verklaring voor recht
4.1.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden door de mishandeling. [gedaagde] voert aan dat geen sprake is geweest van een onrechtmatige daad. De casuïstiek duidt niet op opzet, maar op een ongeluk. [eiser] was die avond uit op ruzie in een uitgaansgelegenheid, hij had mensen lastiggevallen en een meisje geduwd. Hij bleef maar komen en om het ergste gevaar te doen wijken wilde [gedaagde] hem met bier in het gezicht laten afkoelen. Zij schatte de afstand echter verkeerd in en het glas raakte [eiser] per ongeluk in het gezicht, aldus [gedaagde].
4.2.
Op grond van artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, in een civiele procedure dwingend bewijs op van dat feit. Op grond van het strafvonnis staat derhalve vast dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld. Op grond hiervan staat verder vast dat sprake is geweest van een vorm van opzet. De kantonrechter wil van [gedaagde] aannemen dat zij niet direct de bedoeling had om [eiser] pijn of letsel toe te brengen, maar is wel van oordeel dat [gedaagde] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar handelen dit gevolg zou hebben. De stellingen van [gedaagde] dat [eiser] op ruzie uit was en dat dit aanleiding gaf om gevaar te doen wijken, is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een onrechtmatige daad ([gedaagde] heeft inbreuk gemaakt op het recht op lichamelijke integriteit van [eiser] en heeft in strijd gehandeld met haar wettelijke plicht om niet te mishandelen) die aan haar kan worden toegerekend, waardoor zij is gehouden de daardoor door [eiser] geleden schade te vergoeden. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.
Komt het vonnis van de politierechter ter zake de vordering benadeelde partij gezag van gewijsde toe?
4.3.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] het door de politierechter op 2 september 2022 toegewezen bedrag aan schadevergoeding ad € 2.227,00 niet heeft betaald. [gedaagde] doet een beroep op de bindende kracht (gezag van gewijsde) van het vonnis van de politierechter.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat aan een onherroepelijk geworden uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde toekomt ingevolge artikel 236 lid 1 Rv, voor zover daarin de vordering benadeelde partij (gedeeltelijk) is toe- of afgewezen. Voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering benadeelde partij in de strafzaak gelden de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. In het geval dat de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, dient de strafrechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
4.5.
In de onderhavige zaak is tussen partijen niet in geschil dat de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van [eiser] bindende kracht heeft. De vraag is of dit ook geldt voor de beslissing van de politierechter dat [gedaagde] heeft voldaan aan haar verplichting tot vergoeding van de door de politierechter toegewezen schade. De beoordeling van het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissing. [gedaagde] heeft bij de behandeling van de vordering benadeelde partij van [eiser] tijdens de zitting van de politierechter meegedeeld dat zij het aldaar door de politierechter vastgestelde bedrag aan (materiele en immateriële) schade reeds had voldaan. [eiser] was bij de zitting van de politierechter niet aanwezig en heeft niet kunnen reageren op de stelling van [gedaagde]. Naar het oordeel van de kantonrechter komt de beslissing van de politierechter wat betreft het oordeel over de vergoeding van de schade door [gedaagde] geen gezag van gewijsde toe. Weliswaar heeft de politierechter hierover beslist, maar de stelling van [gedaagde] dienaangaande was ten tijde van de zitting niet bekend bij [eiser] en er is hierover tussen partijen (in de procedure bij de politierechter) ook geen debat gevoerd. Bovendien stond voor [eiser] geen hoger beroep open tegen de beslissing van de politierechter.
4.6.
Ter zitting heeft [gedaagde] meegedeeld dat zij voorafgaand aan de aangifte door [eiser] € 1.200,00 contant aan [eiser] heeft betaald. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar transcripties van Whatsappgesprekken, die zij ook bij de politierechter heeft overgelegd.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter leveren deze Whatsappgesprekken, ondersteund door de beslissing van de politierechter, voldoende bewijs voor het verweer van [gedaagde] op dat zij € 1.200,00 aan [eiser] heeft betaald. [eiser] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Dat [gedaagde] het gehele bedrag van € 2.2270,00 heeft voldaan is aldus niet gebleken. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld nog een bedrag van € 1.027,00 (€ 2.227,00 – € 1.200,00) aan [eiser] te betalen. De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar.
Verwijzing naar de schadestaatprocedure en voorschot op de schadevergoeding
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van aanvullende schade nader op te maken bij staat. [gedaagde] voert aan dat zij ingevolge het vonnis van de politierechter van haar schadevergoedingsplicht is bevrijd. Dit verweer van [gedaagde] gaat niet op. De politierechter heeft een deel van de vordering benadeelde partij van [eiser] toegewezen en de vordering voor het overige niet ontvankelijk verklaard waardoor dit overige deel in de onderhavige procedure kan worden aangebracht. Nu de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is, zal de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure worden toegewezen.
4.9.
[eiser] stelt dat hij ernstig letsel heeft opgelopen als gevolg van het incident, bestaande uit glasscherven in de rechterwang, glasscherven in het rechteroog en een hersenschudding. [eiser] stelt dat hij per ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd waar de glasscherven uit zijn wang en oog zijn verwijderd. Hij begroot de voorlopige materiele schade op een totaal van € 1.431,00 en de immateriële schade op € 11.000,00. [gedaagde] heeft de stelling dat aanvullende materiele en immateriële schade zou zijn geleden gemotiveerd weersproken. Gelet op de betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiser] gelegen om de gestelde aanvullende schade nader te onderbouwen. Dat is niet gebeurd. Behalve de aangifte van 9 augustus 2021 en de daarbij gevoegde foto’s van het litteken op de rechterwang van [eiser] ten tijde van de aangifte, heeft [eiser] geen onderbouwing gegeven. [eiser] heeft daarnaast ter zitting bevestigd dat het als aanvullende schadevergoeding gevorderde bedrag ad € 385,00 euro voor het eigen risico van de zorgverzekering reeds door de politierechter is toegewezen. De kantonrechter ziet op grond van het voorgaande onvoldoende aanleiding om in de gegeven omstandigheden een voorschot op te betalen aanvullende schadevergoeding toe te wijzen. Het gevorderde voorschot zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.10.
De kantonrechter ziet op grond van het feit dat [gedaagde] na ruim drie jaar rauwelijks is gedagvaard aanleiding om de proceskosten te compenseren in de zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de mishandeling op 30 juli 2021;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.027,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 juli 2021 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van overige door [eiser] geleden schade en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
5.4.
bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
HR 28 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:793.
HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, r.o. 3.1.3.
HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435, r.o. 3.4.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12034118 \ CV EXPL 25-8854
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. Ö. Arslan,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. C.P. Timmers.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 18 december 2025, met producties;
- conclusie van antwoord 28 januari 2026, met producties;
- het tussenvonnis van 25 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] heeft op 30 juli 2021 een glas naar het gezicht van [eiser] gegooid. [eiser] heeft hierdoor letsel opgelopen.
2.2.
[gedaagde] is naar aanleiding van dit incident strafrechtelijk vervolgd. Bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 2 september 2022 is [gedaagde] schuldig bevonden aan mishandeling. Zij is veroordeeld tot een taakstraf en tot betaling van € 2.227,00 aan schadevergoeding, bestaande uit € 385,00 materiële schade en € 1.842,00 aan immateriële schade.
2.3.
De aantekening mondeling vonnis van de politierechter vermeldt verder: “(…) bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd aangezien zij heeft voldaan aan haar verplichtingen tot vergoeding van deze schade.(…)”
2.4.
[eiser] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de politierechter.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat -:
I: te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de mishandeling op 30 juli 2021;
II: veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.227,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
III: veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
IV: veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.000,00 als voorschot op de schadevergoeding;
V: veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan dat vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [gedaagde] heeft [eiser] op 30 juli 2021 mishandeld en zij is daar strafrechtelijk voor veroordeeld. Als gevolg van deze onrechtmatige daad heeft [eiser] schade geleden die [gedaagde] moet betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verklaring voor recht
4.1.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden door de mishandeling. [gedaagde] voert aan dat geen sprake is geweest van een onrechtmatige daad. De casuïstiek duidt niet op opzet, maar op een ongeluk. [eiser] was die avond uit op ruzie in een uitgaansgelegenheid, hij had mensen lastiggevallen en een meisje geduwd. Hij bleef maar komen en om het ergste gevaar te doen wijken wilde [gedaagde] hem met bier in het gezicht laten afkoelen. Zij schatte de afstand echter verkeerd in en het glas raakte [eiser] per ongeluk in het gezicht, aldus [gedaagde].
4.2.
Op grond van artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, in een civiele procedure dwingend bewijs op van dat feit. Op grond van het strafvonnis staat derhalve vast dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld. Op grond hiervan staat verder vast dat sprake is geweest van een vorm van opzet. De kantonrechter wil van [gedaagde] aannemen dat zij niet direct de bedoeling had om [eiser] pijn of letsel toe te brengen, maar is wel van oordeel dat [gedaagde] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar handelen dit gevolg zou hebben. De stellingen van [gedaagde] dat [eiser] op ruzie uit was en dat dit aanleiding gaf om gevaar te doen wijken, is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een onrechtmatige daad ([gedaagde] heeft inbreuk gemaakt op het recht op lichamelijke integriteit van [eiser] en heeft in strijd gehandeld met haar wettelijke plicht om niet te mishandelen) die aan haar kan worden toegerekend, waardoor zij is gehouden de daardoor door [eiser] geleden schade te vergoeden. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.
Komt het vonnis van de politierechter ter zake de vordering benadeelde partij gezag van gewijsde toe?
4.3.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] het door de politierechter op 2 september 2022 toegewezen bedrag aan schadevergoeding ad € 2.227,00 niet heeft betaald. [gedaagde] doet een beroep op de bindende kracht (gezag van gewijsde) van het vonnis van de politierechter.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat aan een onherroepelijk geworden uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde toekomt ingevolge artikel 236 lid 1 Rv, voor zover daarin de vordering benadeelde partij (gedeeltelijk) is toe- of afgewezen. Voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering benadeelde partij in de strafzaak gelden de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. In het geval dat de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, dient de strafrechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
4.5.
In de onderhavige zaak is tussen partijen niet in geschil dat de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van [eiser] bindende kracht heeft. De vraag is of dit ook geldt voor de beslissing van de politierechter dat [gedaagde] heeft voldaan aan haar verplichting tot vergoeding van de door de politierechter toegewezen schade. De beoordeling van het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissing. [gedaagde] heeft bij de behandeling van de vordering benadeelde partij van [eiser] tijdens de zitting van de politierechter meegedeeld dat zij het aldaar door de politierechter vastgestelde bedrag aan (materiele en immateriële) schade reeds had voldaan. [eiser] was bij de zitting van de politierechter niet aanwezig en heeft niet kunnen reageren op de stelling van [gedaagde]. Naar het oordeel van de kantonrechter komt de beslissing van de politierechter wat betreft het oordeel over de vergoeding van de schade door [gedaagde] geen gezag van gewijsde toe. Weliswaar heeft de politierechter hierover beslist, maar de stelling van [gedaagde] dienaangaande was ten tijde van de zitting niet bekend bij [eiser] en er is hierover tussen partijen (in de procedure bij de politierechter) ook geen debat gevoerd. Bovendien stond voor [eiser] geen hoger beroep open tegen de beslissing van de politierechter.
4.6.
Ter zitting heeft [gedaagde] meegedeeld dat zij voorafgaand aan de aangifte door [eiser] € 1.200,00 contant aan [eiser] heeft betaald. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar transcripties van Whatsappgesprekken, die zij ook bij de politierechter heeft overgelegd.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter leveren deze Whatsappgesprekken, ondersteund door de beslissing van de politierechter, voldoende bewijs voor het verweer van [gedaagde] op dat zij € 1.200,00 aan [eiser] heeft betaald. [eiser] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Dat [gedaagde] het gehele bedrag van € 2.2270,00 heeft voldaan is aldus niet gebleken. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld nog een bedrag van € 1.027,00 (€ 2.227,00 – € 1.200,00) aan [eiser] te betalen. De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar.
Verwijzing naar de schadestaatprocedure en voorschot op de schadevergoeding
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van aanvullende schade nader op te maken bij staat. [gedaagde] voert aan dat zij ingevolge het vonnis van de politierechter van haar schadevergoedingsplicht is bevrijd. Dit verweer van [gedaagde] gaat niet op. De politierechter heeft een deel van de vordering benadeelde partij van [eiser] toegewezen en de vordering voor het overige niet ontvankelijk verklaard waardoor dit overige deel in de onderhavige procedure kan worden aangebracht. Nu de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is, zal de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure worden toegewezen.
4.9.
[eiser] stelt dat hij ernstig letsel heeft opgelopen als gevolg van het incident, bestaande uit glasscherven in de rechterwang, glasscherven in het rechteroog en een hersenschudding. [eiser] stelt dat hij per ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd waar de glasscherven uit zijn wang en oog zijn verwijderd. Hij begroot de voorlopige materiele schade op een totaal van € 1.431,00 en de immateriële schade op € 11.000,00. [gedaagde] heeft de stelling dat aanvullende materiele en immateriële schade zou zijn geleden gemotiveerd weersproken. Gelet op de betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiser] gelegen om de gestelde aanvullende schade nader te onderbouwen. Dat is niet gebeurd. Behalve de aangifte van 9 augustus 2021 en de daarbij gevoegde foto’s van het litteken op de rechterwang van [eiser] ten tijde van de aangifte, heeft [eiser] geen onderbouwing gegeven. [eiser] heeft daarnaast ter zitting bevestigd dat het als aanvullende schadevergoeding gevorderde bedrag ad € 385,00 euro voor het eigen risico van de zorgverzekering reeds door de politierechter is toegewezen. De kantonrechter ziet op grond van het voorgaande onvoldoende aanleiding om in de gegeven omstandigheden een voorschot op te betalen aanvullende schadevergoeding toe te wijzen. Het gevorderde voorschot zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.10.
De kantonrechter ziet op grond van het feit dat [gedaagde] na ruim drie jaar rauwelijks is gedagvaard aanleiding om de proceskosten te compenseren in de zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de mishandeling op 30 juli 2021;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.027,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 juli 2021 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van overige door [eiser] geleden schade en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
5.4.
bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
HR 28 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:793.
HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, r.o. 3.1.3.
HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435, r.o. 3.4.