Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9267
2026-07-13
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4102/12244328
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Huur. Ontruiming. Structurele overlast.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:525 Hoge Raad 07-03-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.425 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12244328 \ VV EXPL 26-76
Vonnis in kort geding van 13 juli 2026
in de zaak van
STICHTING PRÉ WONEN,
te Velserbroek,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Pré Wonen,
gemachtigden: mr. D.A. Fransen en mr. E.C. Meijer,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 1],
VERDER BEWIND MIDDEN B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde],
te Houten
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M. Baadoudi.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert de verhuurder ontruiming van de woning, omdat de huurder structureel ernstige overlast aan omwonende(n) veroorzaakt. De kantonrechter wijst de vordering toe. De huurder handelt in strijd met zijn verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Deze tekortkoming is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zo ernstig dat deze de ontruiming rechtvaardigt. De verhuurder moet ook de belangen van haar overige huurders beschermen en hun woongenot waarborgen. Dat de overlast het gevolg is van psychische problemen van de huurder en dat recent (wederom) een zorgmachtiging is afgegeven, leidt niet tot een ander oordeel. Er is onvoldoende concreet zicht – ook met de inzet van extra begeleiding – op verbetering om van de verhuurder te mogen verwachten dat zij de situatie laat voortduren. Zij heeft aan de huurder veel kansen geboden, waaronder meerdere gedragsaanwijzingen, en heeft veel begrip gehad voor de situatie van de huurder. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de ontruimingstermijn te bepalen op twee maanden na betekening van het vonnis. Dit heeft ermee te maken dat aan het professioneel netwerk van de huurder nog enige tijd moet worden gegeven om passende woonruimte voor hem (de huurder) te regelen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juni 2026, met 38 producties;- de nadere producties van Stichting Pré Wonen, producties 39-42; - de producties van [gedaagde]; - de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van Stichting Pré Wonen- de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 28 februari 2005 van (de rechtsvoorganger van) Stichting Pré Wonen de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ([plaats 2]) [plaats 1]. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
De woning maakt onderdeel uit van een pand met negen appartementen. [gedaagde] deelt de opgang van de straat met de bewoner van [adres 2] (hierna: de onderbuurman).
2.3.
[gedaagde] veroorzaakt sinds 2010 (ernstige) overlast. Op 29 april 2021 hebben partijen een allonge (in de vorm van een laatste kansovereenkomst) gesloten. In deze overeenkomst is opgenomen aan welke voorwaarden [gedaagde] zich moet houden om in de woning te kunnen blijven wonen en ook is afgesproken dat [gedaagde] zich onder behandeling laat stellen bij het FACT-team van GGZ inGeest.
2.4.
Stichting Pré Wonen heeft [gedaagde] eind 2021 in rechte betrokken. Zij heeft toen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak hebben partijen een regeling getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal van schikking.
2.5.
Vanaf eind 2022 tot november 2024 is het rustig geweest. Sinds november 2024 veroorzaakt [gedaagde] weer (structureel) overlast en ook weigert hij om mee te werken aan noodzakelijke werkzaamheden in de woning. In mei 2025 heeft Stichting Pré Wonen [gedaagde] gesommeerd om met het overlastgevende gedrag te stoppen. Ook heeft zij [gedaagde] verzocht om mee te werken aan de noodzakelijke werkzaamheden in de woning.
2.6.
Stichting Pré Wonen heeft in september 2025 en in februari 2026 huisbezoeken bij [gedaagde] afgelegd om de aanhoudende overlastmeldingen te bespreken. Van het gesprek in september 2025 is een gespreksverslag opgemaakt, waarin is bevestigd dat er geen geluidsoverlast mag zijn tussen 22:00 uur en 07:00 uur en dat [gedaagde] geen logees mag hebben. Daarnaast diende [gedaagde] mee te werken aan verzoeken van aannemers van Stichting Pré Wonen en toegang te blijven verlenen aan de medewerkers van zowel GGZ inGeest als van Stichting Pré Wonen.
2.7.
Op 24 februari 2026 heeft Stichting Pré Wonen de volgende brief naar [gedaagde] gestuurd:
“(…) Op dinsdag 17 februari jl. hebben wij samen met uw begeleiders van GGZ inGeest een gesprek gehad over uw gezondheid en uw woonsituatie. Tijdens dit gesprek heeft u aangegeven dat u momenteel veel onrust ervaart en dat u hiervoor extra medicatie nodig heeft. (…)
Ook hebben wij besproken over hoe de woning er op dit moment uitziet. (…) Ik vind dat de woning nodig opgeruimd, schoongemaakt en misschien ook opgeknapt moet worden. (…)
Samen hebben wij gekeken naar het warme water, de cv-ketel en de meterkast. Tijdens de inspectie heeft u verteld dat u aan de Cv-ketels heeft gezeten en ook heeft u een aantal dingen gedaan in de meterkast.
Daar maak ik me grote zorgen over.
* U heeft aan uw Cv-installatie gezeten.
* U heeft ook aan de Cv-installatie van uw buurman gezeten.
* U heeft in de meterkast van uw buurman de nieuwe slimme meter kapotgemaakt en zijn stoppen eruit gedraaid waardoor hij geen elektra in zijn woning had.
U mag niet aan de Cv-installaties komen of aan de groepenkasten in de meterkast. Dit is gevaarlijk en het kan brand of ernstige schade veroorzaken, voor uzelf en voor uw buren. (…)
Na ons huisbezoek heb ik uw buurman nog gesproken. Hij gaf aan dat u ’s nachts aan het timmeren bent. Dit mag niet. Tussen 22.00 uur en 07.00 uur geldt de nachtrust, en geluidsoverlast is dan niet toegestaan.
2.8.
[gedaagde] heeft op 4 april 2026 de elektriciteitsmeter (de slimme meter) van de onderbuurman verder vernield. Ook heeft hij toen de elektrakabels bij de voordeur van zijn onderbuurman uit de muur getrokken. De politie en Liander zijn toen ter plaatse geweest. Liander sprak van een zeer (brand)gevaarlijke situatie. De situatie zag er als volgt uit:
2.9.
Op 30 april 2026 heeft [gedaagde] zijn onderbuurman met de dood bedreigd.
2.10.
[gedaagde] is op 13 mei 2026 verzocht om de huurovereenkomst op te zeggen. Dit heeft hij niet gedaan.
3Het geschil
3.1.
Stichting Pré Wonen vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde op straffe van een dwangsom en tot betaling van de proceskosten.
3.2.
Stichting Pré Wonen legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] door het veroorzaken van structurele ernstige overlast tekortschiet in de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. Ondanks meerdere gedragsaanwijzingen, (zeer) intensieve hulp van Stichting Pré Wonen en andere instanties dan wel hulpverleners is geen zicht op structurele verbetering van de situatie. Hoewel de situatie (enigszins) was verbeterd, blijven er sinds november 2024 weer herhaaldelijk meldingen over [gedaagde] binnen komen. De onderbuurman ondervindt al bijna twee jaar lang overlast en wordt bijna dagelijks in zijn nachtrust gestoord. Mede gezien de recente gebeurtenissen, te weten de vernielingen aan de elektrische voorzieningen en de doodsbedreiging, kan van Stichting Pré Wonen niet worden verlangd om de huurovereenkomst met [gedaagde] voort te zetten. De overlast is daarvoor te ernstig. Vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure heeft Stichting Pré Wonen daarom belang bij ontruiming van het gehuurde in kort geding. Dat recentelijk een zorgmachtiging is afgegeven maakt het niet anders.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Stichting Pré Wonen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Pré Wonen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Stichting Pré Wonen in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
De formele procespartij
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat een vordering die een persoon betreft wiens goederen onder bewind zijn gesteld, moet worden ingesteld tegen de bewindvoerder ter zake van kwesties die de onder het bewind gestelde goederen betreffen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten goederen zijn in de hiervoor bedoelde zin. Stichting Pré Wonen zal daarom in haar vordering jegens [gedaagde] niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij is wel ontvankelijk in haar vordering jegens de bewindvoerder. In het vervolg zal echter over [gedaagde] zelf worden gesproken (die ook zelf het woord heeft gedaan op de zitting).
Spoedeisend belang
4.2.
Stichting Pré Wonen heeft, anders dan [gedaagde] meent, een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning. Dit belang is gelegen in de verplichting haar (andere) huurders het rustige woongenot te verschaffen en hen te vrijwaren van overlast veroorzaakt door [gedaagde].
Toetsingskader
4.3.
De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de door Stichting Pré Wonen gevorderde ontruiming toewijsbaar is. Daarbij wordt meegewogen wat partijen (ter zitting) naar voren hebben gebracht. Een ontruiming is ingrijpend. Een vordering tot ontruiming wordt in kort geding daarom alleen toegewezen als de overlast die [gedaagde] heeft veroorzaakt zo ernstig is, dat de kans heel groot is dat een rechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst vanwege die overlast zal ontbinden.
4.4.
De vordering tot ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat de gevolgen hiervan voor [gedaagde] groot zijn, maar de belangen van Stichting Pré Wonen en de buurtbewoners wegen zwaarder. Daartoe is het volgende redengevend.
Er is sprake van ernstige structurele overlast
4.5.
Voorop staat dat een huurder gehouden is zich als goed huurder te gedragen. Dit betekent onder meer dat hij geen overlast voor omwonenden mag veroorzaken. Als de huurder dat toch doet, is sprake van een tekortkoming. Om de huurder te kunnen veroordelen tot ontruiming van de woning, moet de overlast ernstig en structureel zijn. Ook moet de verhuurder zich hebben ingespannen, door bijvoorbeeld gesprekken, om de overlastgever zijn gedrag te laten veranderen.
4.6.
Uit de overgelegde correspondentie en de filmpjes blijkt voldoende dat [gedaagde] in ieder geval sinds november 2024 weer herhaaldelijk overlast aan de omwonenden van de [adres 2] veroorzaakt, in het bijzonder zijn onderbuurman. Die overlast bestaat niet alleen uit het maken van teveel geluid – ook tijdens de nachtelijke uren –, maar ook uit het uiten van allerlei bedreigingen, het barricaderen van de deur en de opslagruimte van de onderbuurman en het vernielen van spullen. Daarbij heeft [gedaagde] op 4 april 2026 de elektrakabels van de onderbuurman uit de muur getrokken en heeft hij de elektriciteitsmeter van de onderbuurman verder vernield (zie rechtsoverweging 2.8). In februari 2026 heeft [gedaagde] ook al eens aan de elektriciteitsmeter van de onderbuurman gezeten. [gedaagde] is daarvoor gewaarschuwd (zie rechtsoverweging 2.7). Dit gedrag hoeft Stichting Pré Wonen niet van [gedaagde] te tolereren.
4.7.
[gedaagde] ontkent de door hem veroorzaakte overlast niet, althans onvoldoende. Gelet op het voorgaande gedraagt [gedaagde] zich zodanig dat het huurgenot van buurtbewoner(s) is aangetast. De onderbuurman voelt zich – gezien de doodsbedreigingen – al geruime tijd niet meer veilig in de woning en wordt herhaaldelijk (bijna dagelijks) in zijn nachtrust gestoord. Vast staat dat [gedaagde] meerdere keren voor zijn gedrag is gewaarschuwd. Voor het eerst in 2021 toen [gedaagde] met Stichting Pré Wonen een laatste kansovereenkomst is aangegaan. Vervolgens begin 2022 toen [gedaagde] en Stichting Pré Wonen hangende een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde afspraken hebben gemaakt die zijn vastgelegd in een proces-verbaal van schikking. Met het ondertekenen van deze documenten heeft [gedaagde] de verplichting om zich als goed huurder te gedragen en geen overlast te veroorzaken (welke verplichting ook dus al uit de huurovereenkomst en de wet voortvloeien), nog eens uitdrukkelijk aanvaard. Hoewel het enige tijd rustig is geweest, is zijn gedrag niet – in weerwil van de tussen partijen gemaakte afspraken – structureel verbeterd. Daarbij heeft Stichting Pré Wonen samen met GGZ inGeest meerdere huisbezoeken bij [gedaagde] afgelegd en hem (herhaaldelijk) gesommeerd om de overlast te stoppen. Stichting Pré Wonen heeft gezien het voorgaande veel geduld en begrip gehad voor de situatie van [gedaagde]. Van haar kan in de gegeven omstandigheden niets meer worden gevergd.
[gedaagde] moet het gehuurde ontruimen
4.8.
[gedaagde] vraagt om een allerlaatste kans. In juni 2026 is een zorgmachtiging aangevraagd en verkregen tot en met december 2026. [gedaagde] is in juni 2026 voor korte tijd opgenomen geweest en is inmiddels gestart met medicatie, ook voor zijn verslavingsproblematiek. De situatie is aldus gestabiliseerd. In het verleden (van eind 2022 tot en met eind 2024) is ook lange tijd sprake geweest van een stabiele situatie. Kans op verbetering van de situatie is dus aannemelijk, zeker als de medicatie niet wordt afgebouwd. Om te zorgen dat de situatie stabiel blijft, is extra begeleiding aangevraagd. [gedaagde] is aangemeld voor een indicatie Beschermd Thuis. Dit wordt geregeld vanuit de Wmo. Hoewel door de Wmo nog geen beschikking is afgegeven, zijn er wel toezeggingen gedaan dat dit traject (snel) kan worden opgestart. [gedaagde] heeft dan wel een woning nodig. Verder is [gedaagde] (zekerheidshalve) aangemeld voor beschermd wonen. Hij staat op een wachtlijst. Dit kan enige tijd duren.
4.9.
De kantonrechter onderkent dat ontruiming van de woning ingrijpend voor [gedaagde] is. [gedaagde] kampt met ernstige (psychische) problemen en het is aannemelijk dat de overlast die hij veroorzaakt te maken heeft met deze problemen. Ontruiming van de woning heeft dan ook mogelijkerwijs gevolgen voor de hulpverlening. Maar tegenover de belangen van [gedaagde] staan de belangen van Stichting Pré Wonen. Stichting Pré Wonen heeft als verhuurder de taak om het woongenot van omwonenden te (blijven) beschermen en te zorgen voor een veilige woonomgeving. Van Stichting Pré Wonen en de buurtbewoners kan niet – mede gezien de recente gebeurtenissen in april 2026 – worden verwacht langer in onveiligheid te verkeren en het overlastgevende gedrag te dulden. Dat nu door de recentelijk verkregen zorgmachtiging uitzicht is op een stabiele situatie is vooralsnog niet (voldoende) gebleken. Deze is in de eerste plaats geldig tot en met 5 december 2026. Of de zorgmachtiging wordt verlengd is niet zeker. Ook is niet duidelijk wat de frequentie is van de FACT-contacten en hoe de begeleiding vanuit Beschermd Thuis er uit gaat zien. Onduidelijk is verder hoe dat (lees: de begeleiding vanuit de Wmo) ervoor kan zorgen dat het overlastgevende gedrag zal stoppen. Gelet hierop leggen de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde], hoe invoelbaar ook, onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat de gevorderde ontruiming niet gerechtvaardigd is. Daarvoor is de overlast te ernstig en te langdurig. Gezien het voorgaande kan met grote mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat de bodemrechter op grond van de ernst en duur van de overlast de huurovereenkomst zal ontbinden. De gevorderde ontruiming is daarom toewijsbaar.
4.10.
De kantonrechter ziet wel aanleiding om de termijn van de ontruiming te bepalen op twee maanden na betekening van het vonnis. Dit heeft ermee te maken dat aan het professioneel netwerk van [gedaagde] nog enige tijd moet worden gegeven om passende woonruimte – in de vorm van beschermd wonen – voor hem ([gedaagde]) te regelen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat bij een toewijzend vonnis (een ontruiming dus) zal worden gekeken of [gedaagde] met voorrang ergens geplaatst kan worden. Die tijd moet [gedaagde] nog worden gegeven. Onder deze omstandigheden weegt het belang van [gedaagde] om nog enige tijd in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder dan het belang van Stichting Pré Wonen om de woning zo snel mogelijk te kunnen ontruimen.
4.11.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Vanwege de (psychische) problematiek van [gedaagde] vindt de kantonrechter het niet passend om een dwangsom op te leggen als prikkel voor haar om tot ontruiming over te gaan. Daarbij is van belang dat Stichting Pré Wonen zo nodig zelf met behulp van de deurwaarder de ontruiming van de woning kan bewerkstelligen.
4.12.
De gevorderde vergoeding voor de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming is niet toewijsbaar, omdat de met de ontruiming gemoeide kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, wat niet op voorhand kan worden beoordeeld.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Pré Wonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,75
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.304,75
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Stichting Pré Wonen dat eist. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart Stichting Pré Wonen niet-ontvankelijk in haar vordering jegens [gedaagde],
5.2.
veroordeelt Verder Bewind Midden B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde], om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de woning aan [adres 1] te ([plaats 2]) [plaats 1] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Pré Wonen zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Pré Wonen,
5.3.
veroordeelt Verder Bewind Midden B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde], in de proceskosten van € 1.304,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
Artikel 1:1441 lid 1 BW.
Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525.
Artikel 7:213 BW, artikel 3 van de Allonge en artikel 6.2 van de algemene voorwaarden.
Artikel 233 Rv.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12244328 \ VV EXPL 26-76
Vonnis in kort geding van 13 juli 2026
in de zaak van
STICHTING PRÉ WONEN,
te Velserbroek,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Pré Wonen,
gemachtigden: mr. D.A. Fransen en mr. E.C. Meijer,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 1],
VERDER BEWIND MIDDEN B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde],
te Houten
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M. Baadoudi.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert de verhuurder ontruiming van de woning, omdat de huurder structureel ernstige overlast aan omwonende(n) veroorzaakt. De kantonrechter wijst de vordering toe. De huurder handelt in strijd met zijn verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Deze tekortkoming is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zo ernstig dat deze de ontruiming rechtvaardigt. De verhuurder moet ook de belangen van haar overige huurders beschermen en hun woongenot waarborgen. Dat de overlast het gevolg is van psychische problemen van de huurder en dat recent (wederom) een zorgmachtiging is afgegeven, leidt niet tot een ander oordeel. Er is onvoldoende concreet zicht – ook met de inzet van extra begeleiding – op verbetering om van de verhuurder te mogen verwachten dat zij de situatie laat voortduren. Zij heeft aan de huurder veel kansen geboden, waaronder meerdere gedragsaanwijzingen, en heeft veel begrip gehad voor de situatie van de huurder. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de ontruimingstermijn te bepalen op twee maanden na betekening van het vonnis. Dit heeft ermee te maken dat aan het professioneel netwerk van de huurder nog enige tijd moet worden gegeven om passende woonruimte voor hem (de huurder) te regelen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juni 2026, met 38 producties;- de nadere producties van Stichting Pré Wonen, producties 39-42; - de producties van [gedaagde]; - de mondelinge behandeling van 29 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van Stichting Pré Wonen- de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 28 februari 2005 van (de rechtsvoorganger van) Stichting Pré Wonen de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ([plaats 2]) [plaats 1]. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
De woning maakt onderdeel uit van een pand met negen appartementen. [gedaagde] deelt de opgang van de straat met de bewoner van [adres 2] (hierna: de onderbuurman).
2.3.
[gedaagde] veroorzaakt sinds 2010 (ernstige) overlast. Op 29 april 2021 hebben partijen een allonge (in de vorm van een laatste kansovereenkomst) gesloten. In deze overeenkomst is opgenomen aan welke voorwaarden [gedaagde] zich moet houden om in de woning te kunnen blijven wonen en ook is afgesproken dat [gedaagde] zich onder behandeling laat stellen bij het FACT-team van GGZ inGeest.
2.4.
Stichting Pré Wonen heeft [gedaagde] eind 2021 in rechte betrokken. Zij heeft toen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak hebben partijen een regeling getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal van schikking.
2.5.
Vanaf eind 2022 tot november 2024 is het rustig geweest. Sinds november 2024 veroorzaakt [gedaagde] weer (structureel) overlast en ook weigert hij om mee te werken aan noodzakelijke werkzaamheden in de woning. In mei 2025 heeft Stichting Pré Wonen [gedaagde] gesommeerd om met het overlastgevende gedrag te stoppen. Ook heeft zij [gedaagde] verzocht om mee te werken aan de noodzakelijke werkzaamheden in de woning.
2.6.
Stichting Pré Wonen heeft in september 2025 en in februari 2026 huisbezoeken bij [gedaagde] afgelegd om de aanhoudende overlastmeldingen te bespreken. Van het gesprek in september 2025 is een gespreksverslag opgemaakt, waarin is bevestigd dat er geen geluidsoverlast mag zijn tussen 22:00 uur en 07:00 uur en dat [gedaagde] geen logees mag hebben. Daarnaast diende [gedaagde] mee te werken aan verzoeken van aannemers van Stichting Pré Wonen en toegang te blijven verlenen aan de medewerkers van zowel GGZ inGeest als van Stichting Pré Wonen.
2.7.
Op 24 februari 2026 heeft Stichting Pré Wonen de volgende brief naar [gedaagde] gestuurd:
“(…) Op dinsdag 17 februari jl. hebben wij samen met uw begeleiders van GGZ inGeest een gesprek gehad over uw gezondheid en uw woonsituatie. Tijdens dit gesprek heeft u aangegeven dat u momenteel veel onrust ervaart en dat u hiervoor extra medicatie nodig heeft. (…)
Ook hebben wij besproken over hoe de woning er op dit moment uitziet. (…) Ik vind dat de woning nodig opgeruimd, schoongemaakt en misschien ook opgeknapt moet worden. (…)
Samen hebben wij gekeken naar het warme water, de cv-ketel en de meterkast. Tijdens de inspectie heeft u verteld dat u aan de Cv-ketels heeft gezeten en ook heeft u een aantal dingen gedaan in de meterkast.
Daar maak ik me grote zorgen over.
* U heeft aan uw Cv-installatie gezeten.
* U heeft ook aan de Cv-installatie van uw buurman gezeten.
* U heeft in de meterkast van uw buurman de nieuwe slimme meter kapotgemaakt en zijn stoppen eruit gedraaid waardoor hij geen elektra in zijn woning had.
U mag niet aan de Cv-installaties komen of aan de groepenkasten in de meterkast. Dit is gevaarlijk en het kan brand of ernstige schade veroorzaken, voor uzelf en voor uw buren. (…)
Na ons huisbezoek heb ik uw buurman nog gesproken. Hij gaf aan dat u ’s nachts aan het timmeren bent. Dit mag niet. Tussen 22.00 uur en 07.00 uur geldt de nachtrust, en geluidsoverlast is dan niet toegestaan.
2.8.
[gedaagde] heeft op 4 april 2026 de elektriciteitsmeter (de slimme meter) van de onderbuurman verder vernield. Ook heeft hij toen de elektrakabels bij de voordeur van zijn onderbuurman uit de muur getrokken. De politie en Liander zijn toen ter plaatse geweest. Liander sprak van een zeer (brand)gevaarlijke situatie. De situatie zag er als volgt uit:
2.9.
Op 30 april 2026 heeft [gedaagde] zijn onderbuurman met de dood bedreigd.
2.10.
[gedaagde] is op 13 mei 2026 verzocht om de huurovereenkomst op te zeggen. Dit heeft hij niet gedaan.
3Het geschil
3.1.
Stichting Pré Wonen vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde op straffe van een dwangsom en tot betaling van de proceskosten.
3.2.
Stichting Pré Wonen legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] door het veroorzaken van structurele ernstige overlast tekortschiet in de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. Ondanks meerdere gedragsaanwijzingen, (zeer) intensieve hulp van Stichting Pré Wonen en andere instanties dan wel hulpverleners is geen zicht op structurele verbetering van de situatie. Hoewel de situatie (enigszins) was verbeterd, blijven er sinds november 2024 weer herhaaldelijk meldingen over [gedaagde] binnen komen. De onderbuurman ondervindt al bijna twee jaar lang overlast en wordt bijna dagelijks in zijn nachtrust gestoord. Mede gezien de recente gebeurtenissen, te weten de vernielingen aan de elektrische voorzieningen en de doodsbedreiging, kan van Stichting Pré Wonen niet worden verlangd om de huurovereenkomst met [gedaagde] voort te zetten. De overlast is daarvoor te ernstig. Vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure heeft Stichting Pré Wonen daarom belang bij ontruiming van het gehuurde in kort geding. Dat recentelijk een zorgmachtiging is afgegeven maakt het niet anders.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Stichting Pré Wonen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Pré Wonen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Stichting Pré Wonen in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
De formele procespartij
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat een vordering die een persoon betreft wiens goederen onder bewind zijn gesteld, moet worden ingesteld tegen de bewindvoerder ter zake van kwesties die de onder het bewind gestelde goederen betreffen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten goederen zijn in de hiervoor bedoelde zin. Stichting Pré Wonen zal daarom in haar vordering jegens [gedaagde] niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij is wel ontvankelijk in haar vordering jegens de bewindvoerder. In het vervolg zal echter over [gedaagde] zelf worden gesproken (die ook zelf het woord heeft gedaan op de zitting).
Spoedeisend belang
4.2.
Stichting Pré Wonen heeft, anders dan [gedaagde] meent, een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning. Dit belang is gelegen in de verplichting haar (andere) huurders het rustige woongenot te verschaffen en hen te vrijwaren van overlast veroorzaakt door [gedaagde].
Toetsingskader
4.3.
De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de door Stichting Pré Wonen gevorderde ontruiming toewijsbaar is. Daarbij wordt meegewogen wat partijen (ter zitting) naar voren hebben gebracht. Een ontruiming is ingrijpend. Een vordering tot ontruiming wordt in kort geding daarom alleen toegewezen als de overlast die [gedaagde] heeft veroorzaakt zo ernstig is, dat de kans heel groot is dat een rechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst vanwege die overlast zal ontbinden.
4.4.
De vordering tot ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat de gevolgen hiervan voor [gedaagde] groot zijn, maar de belangen van Stichting Pré Wonen en de buurtbewoners wegen zwaarder. Daartoe is het volgende redengevend.
Er is sprake van ernstige structurele overlast
4.5.
Voorop staat dat een huurder gehouden is zich als goed huurder te gedragen. Dit betekent onder meer dat hij geen overlast voor omwonenden mag veroorzaken. Als de huurder dat toch doet, is sprake van een tekortkoming. Om de huurder te kunnen veroordelen tot ontruiming van de woning, moet de overlast ernstig en structureel zijn. Ook moet de verhuurder zich hebben ingespannen, door bijvoorbeeld gesprekken, om de overlastgever zijn gedrag te laten veranderen.
4.6.
Uit de overgelegde correspondentie en de filmpjes blijkt voldoende dat [gedaagde] in ieder geval sinds november 2024 weer herhaaldelijk overlast aan de omwonenden van de [adres 2] veroorzaakt, in het bijzonder zijn onderbuurman. Die overlast bestaat niet alleen uit het maken van teveel geluid – ook tijdens de nachtelijke uren –, maar ook uit het uiten van allerlei bedreigingen, het barricaderen van de deur en de opslagruimte van de onderbuurman en het vernielen van spullen. Daarbij heeft [gedaagde] op 4 april 2026 de elektrakabels van de onderbuurman uit de muur getrokken en heeft hij de elektriciteitsmeter van de onderbuurman verder vernield (zie rechtsoverweging 2.8). In februari 2026 heeft [gedaagde] ook al eens aan de elektriciteitsmeter van de onderbuurman gezeten. [gedaagde] is daarvoor gewaarschuwd (zie rechtsoverweging 2.7). Dit gedrag hoeft Stichting Pré Wonen niet van [gedaagde] te tolereren.
4.7.
[gedaagde] ontkent de door hem veroorzaakte overlast niet, althans onvoldoende. Gelet op het voorgaande gedraagt [gedaagde] zich zodanig dat het huurgenot van buurtbewoner(s) is aangetast. De onderbuurman voelt zich – gezien de doodsbedreigingen – al geruime tijd niet meer veilig in de woning en wordt herhaaldelijk (bijna dagelijks) in zijn nachtrust gestoord. Vast staat dat [gedaagde] meerdere keren voor zijn gedrag is gewaarschuwd. Voor het eerst in 2021 toen [gedaagde] met Stichting Pré Wonen een laatste kansovereenkomst is aangegaan. Vervolgens begin 2022 toen [gedaagde] en Stichting Pré Wonen hangende een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde afspraken hebben gemaakt die zijn vastgelegd in een proces-verbaal van schikking. Met het ondertekenen van deze documenten heeft [gedaagde] de verplichting om zich als goed huurder te gedragen en geen overlast te veroorzaken (welke verplichting ook dus al uit de huurovereenkomst en de wet voortvloeien), nog eens uitdrukkelijk aanvaard. Hoewel het enige tijd rustig is geweest, is zijn gedrag niet – in weerwil van de tussen partijen gemaakte afspraken – structureel verbeterd. Daarbij heeft Stichting Pré Wonen samen met GGZ inGeest meerdere huisbezoeken bij [gedaagde] afgelegd en hem (herhaaldelijk) gesommeerd om de overlast te stoppen. Stichting Pré Wonen heeft gezien het voorgaande veel geduld en begrip gehad voor de situatie van [gedaagde]. Van haar kan in de gegeven omstandigheden niets meer worden gevergd.
[gedaagde] moet het gehuurde ontruimen
4.8.
[gedaagde] vraagt om een allerlaatste kans. In juni 2026 is een zorgmachtiging aangevraagd en verkregen tot en met december 2026. [gedaagde] is in juni 2026 voor korte tijd opgenomen geweest en is inmiddels gestart met medicatie, ook voor zijn verslavingsproblematiek. De situatie is aldus gestabiliseerd. In het verleden (van eind 2022 tot en met eind 2024) is ook lange tijd sprake geweest van een stabiele situatie. Kans op verbetering van de situatie is dus aannemelijk, zeker als de medicatie niet wordt afgebouwd. Om te zorgen dat de situatie stabiel blijft, is extra begeleiding aangevraagd. [gedaagde] is aangemeld voor een indicatie Beschermd Thuis. Dit wordt geregeld vanuit de Wmo. Hoewel door de Wmo nog geen beschikking is afgegeven, zijn er wel toezeggingen gedaan dat dit traject (snel) kan worden opgestart. [gedaagde] heeft dan wel een woning nodig. Verder is [gedaagde] (zekerheidshalve) aangemeld voor beschermd wonen. Hij staat op een wachtlijst. Dit kan enige tijd duren.
4.9.
De kantonrechter onderkent dat ontruiming van de woning ingrijpend voor [gedaagde] is. [gedaagde] kampt met ernstige (psychische) problemen en het is aannemelijk dat de overlast die hij veroorzaakt te maken heeft met deze problemen. Ontruiming van de woning heeft dan ook mogelijkerwijs gevolgen voor de hulpverlening. Maar tegenover de belangen van [gedaagde] staan de belangen van Stichting Pré Wonen. Stichting Pré Wonen heeft als verhuurder de taak om het woongenot van omwonenden te (blijven) beschermen en te zorgen voor een veilige woonomgeving. Van Stichting Pré Wonen en de buurtbewoners kan niet – mede gezien de recente gebeurtenissen in april 2026 – worden verwacht langer in onveiligheid te verkeren en het overlastgevende gedrag te dulden. Dat nu door de recentelijk verkregen zorgmachtiging uitzicht is op een stabiele situatie is vooralsnog niet (voldoende) gebleken. Deze is in de eerste plaats geldig tot en met 5 december 2026. Of de zorgmachtiging wordt verlengd is niet zeker. Ook is niet duidelijk wat de frequentie is van de FACT-contacten en hoe de begeleiding vanuit Beschermd Thuis er uit gaat zien. Onduidelijk is verder hoe dat (lees: de begeleiding vanuit de Wmo) ervoor kan zorgen dat het overlastgevende gedrag zal stoppen. Gelet hierop leggen de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde], hoe invoelbaar ook, onvoldoende gewicht in de schaal om te concluderen dat de gevorderde ontruiming niet gerechtvaardigd is. Daarvoor is de overlast te ernstig en te langdurig. Gezien het voorgaande kan met grote mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen dat de bodemrechter op grond van de ernst en duur van de overlast de huurovereenkomst zal ontbinden. De gevorderde ontruiming is daarom toewijsbaar.
4.10.
De kantonrechter ziet wel aanleiding om de termijn van de ontruiming te bepalen op twee maanden na betekening van het vonnis. Dit heeft ermee te maken dat aan het professioneel netwerk van [gedaagde] nog enige tijd moet worden gegeven om passende woonruimte – in de vorm van beschermd wonen – voor hem ([gedaagde]) te regelen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat bij een toewijzend vonnis (een ontruiming dus) zal worden gekeken of [gedaagde] met voorrang ergens geplaatst kan worden. Die tijd moet [gedaagde] nog worden gegeven. Onder deze omstandigheden weegt het belang van [gedaagde] om nog enige tijd in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder dan het belang van Stichting Pré Wonen om de woning zo snel mogelijk te kunnen ontruimen.
4.11.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Vanwege de (psychische) problematiek van [gedaagde] vindt de kantonrechter het niet passend om een dwangsom op te leggen als prikkel voor haar om tot ontruiming over te gaan. Daarbij is van belang dat Stichting Pré Wonen zo nodig zelf met behulp van de deurwaarder de ontruiming van de woning kan bewerkstelligen.
4.12.
De gevorderde vergoeding voor de kosten van een eventuele gedwongen ontruiming is niet toewijsbaar, omdat de met de ontruiming gemoeide kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, wat niet op voorhand kan worden beoordeeld.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Pré Wonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,75
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.304,75
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Stichting Pré Wonen dat eist. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart Stichting Pré Wonen niet-ontvankelijk in haar vordering jegens [gedaagde],
5.2.
veroordeelt Verder Bewind Midden B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde], om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de woning aan [adres 1] te ([plaats 2]) [plaats 1] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting Pré Wonen zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting Pré Wonen,
5.3.
veroordeelt Verder Bewind Midden B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [gedaagde], in de proceskosten van € 1.304,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
Artikel 1:1441 lid 1 BW.
Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525.
Artikel 7:213 BW, artikel 3 van de Allonge en artikel 6.2 van de algemene voorwaarden.
Artikel 233 Rv.