Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:8081

2026-06-17 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/4101/11919614
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/4101/11919614
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In deze zaak vordert opdrachtgever schadevergoeding van een opdrachtnemer. Volgens opdrachtgever heeft de opdrachtnemer schade aan een gietvloer veroorzaakt door de materialen van de gietvloer niet goed te mengen. De kantonrechter wijst de vordering gedeeltelijk toe.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.852 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: 11919614 \ CV EXPL 25-3776 (SJ)




Vonnis van 17 juni 2026




in de zaak van




Loos Betonreparaties B.V.,
te Obdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Loos,
gemachtigde: K.W.A. van der Meer,



tegen





[gedaagde] , h.o.d.n. [naam 1],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [naam 2] .





De zaak in het kort




In deze zaak vordert opdrachtgever schadevergoeding van een opdrachtnemer. Volgens opdrachtgever heeft de opdrachtnemer schade aan een gietvloer veroorzaakt door de materialen van de gietvloer niet goed te mengen. De kantonrechter wijst de vordering gedeeltelijk toe.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 december 2025;
- de nadere producties 14 tot en met 16 van Loos;
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.








2De feiten


2.1.
Loos is een onderneming die zich bezighoudt met het repareren van betonvloeren en betonwanden en het in- en uitlenen van personeel. [gedaagde] is een eenmanszaak voor burgerlijke en utiliteitsbouw.



2.2.
Op 20 januari 2022 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten waarbij [gedaagde] in opdracht van Loos werkzaamheden zou verrichten, te weten: renoveren en behandelen van vloeren.



2.3.
Op 5 en 6 oktober 2023 (week 40) heeft [gedaagde] voorbereidende werkzaamheden verricht aan het bouwproject aan de [adres] (hierna: het bouwproject) en op 12 oktober 2023 (week 41) heeft [gedaagde] mengwerkzaamheden verricht voor de applicatie van een gietvloer. Voor deze werkzaamheden zijn partijen een vergoeding van € 37,- per uur overeengekomen.



2.4.
In een brief van 10 januari 2024 heeft Loos [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de herstelwerkzaamheden in week 48 en 49 aan de gietvloer van het bouwproject en hem een factuur ten bedrage van € 14.679,32 gestuurd.



2.5.
In een ongedateerde e-mail is namens [gedaagde] gereageerd dat niet duidelijk is wie schuldig is omdat hij met vijf andere collega’s werkte aan de gietvloer.



2.6.
In een e-mail van 19 maart 2024 heeft Loos aan [gedaagde] verzocht om de factuur te betalen.



2.7.
In een e-mail van 29 maart 2024 heeft [gedaagde] aan Loos geschreven dat zijn standpunt niet is gewijzigd.



2.8.
In de brieven/e-mails van 3, 15 april en 6 mei 2024 heeft (de gemachtigde van) Loos aangemaand [gedaagde] om de factuur te betalen.



2.9.
In een e-mail van 10 mei 2024 heeft [gedaagde] aan de gemachtigde van Loos onder meer geschreven dat hij niet de enige was die beton mengde, dat hij niet verantwoordelijk was voor het leggen van de gietvloer en dat Loos de fout heeft hersteld voordat er een onafhankelijk deskundigenadvies was uitgebracht, zodat het moeilijk is om vast te stellen wie verantwoordelijk is voor de fout.



2.10.
In een e-mail van 17 mei 2024 heeft de gemachtigde van Loos aan [gedaagde] geschreven dat het niet ging om het mengen van beton maar het mengen van een kunststof gietvloer, dat de vloer nooit optimaal is uitgehard, dat dit is te wijten aan een foutief mengproces, dat collega’s verklaren dat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de menginstructies en dat Loos genoodzaakt was op de zachte plekken op korte termijn te herstellen. En omdat de contouren van de reparaties in een gietvloer altijd zichtbaar blijven, wilde de opdrachtgever van Loos dat er een nieuwe laag overheen kwam.





3Het geschil


3.1.
Loos vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 19.855,89, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 16.315,34 vanaf 24 september 2025 tot de dag van algehele betaling en tot betaling van de proceskosten. Loos wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.



3.2.
Loos stelt ter onderbouwing van haar vordering – kort weergegeven – dat [gedaagde] de werkzaamheden (het mengen van het materiaal voor een gietvloer), die hij in opdracht van Loos heeft verricht, niet naar behoren heeft uitgevoerd en dat als gevolg daarvan schade is ontstaan. Volgens Loos mocht zij ervan uitgaan dat [gedaagde] voldoende ervaring had om op een juiste wijze een vloer te mengen. Loos stelt dat zij naast de herstelkosten van € 14.679,32 nog € 1.636,02 extra kosten heeft gemaakt. Verder vordert Loos € 921,79 aan de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente, die tot en met 22 september 2025 € 2.618,76 bedraagt.



3.3.

[gedaagde] betwist – kort weergegeven – dat hij schade heeft veroorzaakt tijdens het verrichten van de werkzaamheden en dat de schade aan hem is toe te rekenen. Loos heeft dat ook niet aannemelijk gemaakt. Volgens [gedaagde] heeft hij zich gehouden aan de hem verstrekte opdracht en de gietvloer op correcte wijze gemengd, waarbij de consistentie van het materiaal juist was. Daarbij was hij niet de enige die heeft staan mengen. Voor zover er tijdens de werkzaamheden was geconstateerd dat [gedaagde] zijn taken onvoldoende zou hebben uitgevoerd, dan rust op Loos de plicht om de werkzaamheden te staken ter voorkoming van schade en dat is niet gebeurd. Loos heeft hem ook niet in gebreke gesteld en gelegenheid geboden om de schade zelf te herstellen. Verder heeft Loos nagelaten een onafhankelijke expert in te schakelen om de schade vast te stellen en de herstelkosten te begroten. [gedaagde] betwist de omvang van de schade en de noodzaak voor het inzetten van de vermelde hoeveelheid materiaal en arbeid.





4De beoordeling



Kern van het geschil




4.1.
Dit geschil vindt zijn oorsprong in schade als gevolg van het niet goed uitharden van een gietvloer in een bedrijfspand. Volgens Loos kon de gietvloer niet goed uitharden omdat [gedaagde] het gietmateriaal niet goed heeft gemengd. De schade betreft de kosten van het opnieuw gieten van de vloer. Het gaat, zo is bevestigd namens Loos op de zitting, niet om schade wegens scheurvorming in de gietvloer. Gelet op het voorgaande gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer van [gedaagde] over (de oorzaak van) scheurvorming.



4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] een deel van de schade moet vergoeden. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.



Schade vloer gevolg van niet goed mengen





4.3.
De kantonrechter stelt op basis van de foto’s van de vloer van 13 oktober 2023 vast dat de gietvloer gebrekkig is opgeleverd. Op deze foto’s is te zien dat de vloer niet egaal is en dat er kamsporen zijn. Ook is op de foto’s te zien dat de vloer nog nat afgeeft. Deze foto’s zijn op gelijke datum en op 16 oktober 2023 tussen [uitvoerder] (uitvoerder) en [werknemer] (werknemer van Loos) gedeeld. In de bijgestuurde berichten is opgemerkt dat er circa 16 plekken zijn waar de coating niet is uitgehard of doorgehard, met tussen haakjes: “niet goed gemengd!!!” De constatering dat het niet juist mengen van de componenten ertoe leidt dat de vloer niet volledig uithardt, vindt verder steun in de door Loos overgelegde verklaring van Remmers B.V., de leverancier van de gebruikte materialen.



4.4.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Loos haar stelling dat het niet goed uitharden van de vloer het gevolg is van het niet goed mengen van de materialen voldoende heeft onderbouwd. Weliswaar heeft Loos geen deskundigenverklaring op dit punt overgelegd, en is een dergelijk onderzoek ook niet meer mogelijk. Echter, [gedaagde] heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten aangevoerd om aan te nemen dat de schadeplekken in de vloer een andere oorzaak hebben.



Tekortkoming





4.5.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] door Loos was ingehuurd voor het mengen van de materialen voor een gietvloer. Zijn prestatie is dus het goed mengen van de materialen. Omdat, zo bleek hiervoor, de schade het gevolg is van het niet mengen van het gietmateriaal is sprake van een tekortkoming van [gedaagde] .



Verzuim





4.6.

[gedaagde] voert als het meest verstrekkende verweer dat hem geen gelegenheid is geboden om de schade te herstellen, zodat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend en geen sprake is van verzuim.



4.7.
Loos heeft erkend dat [gedaagde] niet in gebreke heeft gesteld. Loos heeft evenwel gemotiveerd uiteengezet dat het verzuim van rechtswege is ingetreden omdat bij het zichtbaar worden van de schade al vaststond dat [gedaagde] dit niet meer kon herstellen. Het “leggen” van een gietvloer is een doorlopend proces is; iemand staat te mengen en het materiaal wordt direct gegoten. Daarna moet de vloer uitharden. Tussentijds ingrijpen kan niet en een eenmaal gegoten vloer kan qua mengen niet worden hersteld. De juistheid van deze toelichting is onvoldoende bestreden.



4.8.
De kantonrechter begrijpt het standpunt van Loos aldus dat zij beroep doet op de regel dat als nakoming blijvend onmogelijk is, dan geen ingebrekestelling is vereist voor het intreden van het verzuim. Gelet op bovenstaande toelichting volgt de kantonrechter Loos in dit standpunt. Dit betekent dat het verweer van [gedaagde] op dit punt niet slaagt.





Schadevergoedingsplicht





4.9.
De tussentijdse conclusie is dat [gedaagde] verplicht is de door Loos geleden schade te vergoeden. Vervolgens dient te worden beoordeeld of [gedaagde] , aansprakelijk kan worden gehouden voor alle schade die voortvloeit uit het niet goed mengen van de materialen. [gedaagde] heeft dat gemotiveerd bestreden.



4.10.

[gedaagde] voert aan dat alleen de zachte/lelijke plekken en niet de gehele vloer hoefde te worden hersteld. Loos stelt daar tegenover dat de contouren van de reparaties van de zachte/lelijke plekken altijd zichtbaar blijven en dat zij daarom de gehele vloer (1000 m2) moest herstellen. De kantonrechter ziet in dat Loos op zich was gehouden om de gehele vloer te herstellen. Aan de andere kant heeft Loos het verweer van [gedaagde] op de zitting dat de werkzaamheden aan de vloer niet konden worden afgerond op 12 oktober 2023 omdat er niet genoeg materiaal was en dat hij niet betrokken was bij het afmaken van de vloer, niet gemotiveerd betwist. Verder voert [gedaagde] aan dat [medewerker 1] , een andere medewerker, ook heeft gemengd. Ook dit heeft Loos niet voldoende gemotiveerd weersproken. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] niet als enige aansprakelijk kan worden gehouden voor de kosten van het vervangen van de gehele vloer.



4.11.
Geen van beide partijen heeft de werkelijke omvang van [gedaagde] aandeel in de mengwerkzaamheden duidelijk gemaakt. De kantonrechter zal met inachtneming van alle omstandigheden de schadevergoedingsplicht van [gedaagde] daarom billijkheidshalve vaststellen op een bedrag van € 6.500,00, wat ongeveer neerkomt op een derde van de kosten.



4.12.

[gedaagde] voert nog aan dat uit de door Loos overgelegde verklaring van [medewerker 2] , een andere medewerker, blijkt dat Loos niet schadebeperkend heeft gehandeld. Zoals hiervoor al bleek kunnen de gietwerkzaamheden niet stoppen als deze eenmaal zijn begonnen. Gelet op de verwerkingstijd van het mengsel is het feitelijk niet mogelijk om eerder in te grijpen. Dit betekent dat geen sprake is van eigen schuld die maakt dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] nog verder moet worden verminderd. [gedaagde] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 6.500,00 aan Loos.



Wettelijke (handels)rente





4.13.
Loos heeft een bedrag aan vervallen wettelijke handelsrente gevorderd. De wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW heeft echter uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot vergoeding van schade kan daartoe niet worden gerekend. Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (30 september 2025).




Buitengerechtelijke kosten





4.14.
Ook vordert Loos vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten toewijzen tot het wettelijk tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Dat komt neer op € 847,00 inclusief btw.



Proceskosten





4.15.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Loos worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


123,73







- griffierecht


€


543,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.530,73













5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Loos van € 6.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2025 tot de dag van algehele betaling;



5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Loos te betalen een bedrag van € 847,00 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten;



5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.530,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.5.
wijst de vordering voor het overige af.


Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.




Zie artikel 6:74 lid 2 en 6:81 van het Burgerlijk Wetboek.


Zie artikel 6:101 BW.


ECLI:NL:HR:2013:40 vgl. de considerans onder 13 van van Richtlijn 2000/35/EG, waarop art. 119a stoelt, alsmede Kamerstukken II 2001-2002, 28 239, nr. 3, p. 10