Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:7237
Inhoudsindicatie
Luchtvaart. De vervoerder komt in verzet tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot het compenseren van de passagiers voor een vertraagde vlucht en een gemiste overstap. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit verweer slaagt. Hij heeft daarnaast voldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken, onder meer door de passagiers de keuze te geven tussen terugbetaling en omboeking. De aanvullende grondslag die de passagiers aan de vordering hebben toegevoegd, namelijk dat de vervoerder hen onvoldoende bijstand heeft geboden, slaagt daarom evenmin. Het verzet is gegrond en het verstekvonnis wordt vernietigd.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2023:454
- ECLI:NL:HR:2004:AN7327 Hoge Raad 30-01-2004
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.790 tekens)
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11834087 \ CV EXPL 25-5226
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging
United Airlines Inc.
gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten
eiser in het verzethierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. R.L.S.M. Pessers en mr. G.D. Baboolal (Van Traa Advocaten N.V.)
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonende te [plaats]
gedaagden in het verzethierna te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
De zaak in het kort
De vervoerder komt in verzet tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot het compenseren van de passagiers voor een vertraagde vlucht en een gemiste overstap. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit verweer slaagt. Hij heeft daarnaast voldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken, onder meer door de passagiers de keuze te geven tussen terugbetaling en omboeking. De aanvullende grondslag die de passagiers aan de vordering hebben toegevoegd, namelijk dat de vervoerder hen onvoldoende bijstand heeft geboden, slaagt daarom evenmin. Het verzet is gegrond en het verstekvonnis wordt vernietigd.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 25 juni 2025;
- de verzetdagvaarding;
- de conclusie van antwoord in het verzet, tevens wijziging eis;
- de conclusie van repliek in het verzet;
- het tussenvonnis van 4 februari 2026 waarin mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van 15 mei 2026 met aanvullende producties van de passagiers;
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 23 mei 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via San Francisco, Verenigde Staten, naar Salt Lake City, Verenigde Staten, met vluchtcombinatie UA969 en UA5590.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht UA969 van Amsterdam naar San Francisco (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
3Het geschil
3.1.
Bij inleidende dagvaarding vorderen de passagiers dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vorderingen op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.
3.3.
De vorderingen zijn, behalve een gedeelte van de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten, bij verstek toegewezen.
3.4.
De vervoerder is tegen het verstekvonnis in verzet gekomen en vraagt om de vorderingen van de passagiers alsnog af te wijzen. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vertraging was het gevolg van de buitengewone omstandigheden en de vervoerder heeft alle redelijke maatregelen getroffen om deze te beperken
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht San Francisco – Amsterdam – San Francisco (vluchtnummers UA968 en UA969). Vlucht UA968 van San Francisco naar Amsterdam moest onderweg uitwijken naar een tussengelegen luchthaven omdat een passagier onwel werd. Deze passagier moest van boord gaan zodat hem medische zorg kon worden verleend. Vervolgens is vlucht UA968 hervat en doorgevlogen naar Amsterdam, waar deze met een vertraging van 5 uur en 40 minuten aankwam. Deze vertraging werkte (gedeeltelijk) door op de vlucht in kwestie. Daardoor is de vlucht in kwestie met een vertraging van 2 uur en 56 minuten vertrokken en met een vertraging van 3 uur en 6 minuten aangekomen. De passagiers hebben dit niet weersproken. Daarmee staat vast dat de vertraging van de vlucht in kwestie – en daarmee het missen van de aansluitende vlucht – het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden.
4.4.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vervoerder voert aan dat hij geen invloed had op het medische incident en het daardoor moeten uitwijken naar een andere luchthaven tijdens de uitvoering van vlucht UA968 van San Francisco naar Amsterdam. Wel heeft hij de vertraging zo veel mogelijk proberen te beperken. Na aankomst heeft hij de passagiers omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vlucht naar de eindbestemming.
4.5.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat vlucht UA968 van San Francisco naar Amsterdam door het medische incident dermate langdurig vertraagd was dat de vervoerder al voorafgaand aan het vertrek van de vlucht in kwestie redelijkerwijs kon verwachten dat zij de overstap op hun aansluitende vlucht zouden missen. Daarom had hij hen op dat moment bijstand moeten bieden door hen de keuze te geven tussen omboeking naar een alternatieve vlucht of terugbetaling van de prijs van de vliegtickets. Door dit na te laten heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te beperken.
4.6.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat het voorafgaand aan de uitvoering van de vlucht in kwestie nog niet zeker was dat de passagiers de aansluitende vlucht zouden missen. Op dat moment stond immers nog niet vast hoe veel van de vertraging van de voorgaande vlucht zou doorwerken op de vlucht in kwestie. Soms is het mogelijk onderweg tijd in te lopen. Daarnaast was het denkbaar dat de aansluitende vlucht eveneens vertraging op zou lopen, waardoor de overstap alsnog haalbaar zou zijn. Na het missen van de overstap heeft hij de passagiers op de luchthaven van San Francisco de keuze geboden tussen terugbetaling en omboeking, waarbij de passagiers hebben gekozen voor omboeking. Er was dezelfde dag geen andere vlucht meer beschikbaar. Daarom heeft hij hen omgeboekt naar een vlucht op de volgende dag en hen een hotelovernachting en maaltijdvouchers verstrekt. Daarmee heeft hij hen de vereiste bijstand geboden.
4.7.
Het verweer slaagt. Gelet op de omstandigheid dat de vlucht in kwestie met een vertraging van 2 uur en 56 minuten (dan wel van 3 uur en 24 minuten, afhankelijk van de berekeningswijze) is vertrokken, kon de vervoerder op dat moment niet redelijkerwijze verwachten dat hierdoor voor de passagiers een vertraging van vijf uur of meer zou ontstaan. Zoals de vervoerder terecht aanvoert kan het zich immers voordoen dat er onderweg of tijdens de omdraaitijd vertraging wordt ingehaald en was het ook mogelijk dat de aansluitende vlucht eveneens met vertraging zou vertrekken, waarmee de passagiers de aansluiting alsnog hadden kunnen halen. Bovendien is het naar het oordeel van de kantonrechter te vergaand om luchtvaartmaatschappijen te verplichten passagiers al bij elke mogelijkheid van het missen van een overstap de keuze te geven tussen terugbetaling of proactieve omboeking vanaf de luchthaven van vertrek.
4.8.
Daarnaast hebben de passagiers onvoldoende gemotiveerd betwist dat de vervoerder hen na aankomst op de luchthaven van San Francisco alsnog de keuze heeft geboden tussen terugbetaling en omboeking naar een alternatieve vlucht. Hoewel uit de door de vervoerder overgelegde schermafbeelding uit zijn interne systeem niet direct blijkt dat hij hen, naast een alternatieve vlucht en hotel- en maaltijdvouchers ook de keuze heeft geboden voor terugbetaling van de ticketkosten, heeft hij op de mondelinge behandeling voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat een medewerker van de servicebalie hen ook deze mogelijkheid heeft aangeboden, waarbij zij zelf hebben gekozen voor omboeking. Het had op de weg van de passagiers gelegen om hun betwisting op dit punt nader te concretiseren/motiveren, bijvoorbeeld door aan te voeren hoe de gesprekken met de medewerker van de vervoerder op de luchthaven precies zouden zijn gegaan. Omdat zij dit niet hebben gedaan, moet het ervoor gehouden worden dat de vervoerder hen ook de keuze heeft geboden voor terugbetaling. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van hem mocht worden verwacht. Daarmee heeft hij alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken.
De aanvullende grondslag van de vorderingen slaagt evenmin
4.9.
Ook de aanvullende grondslag die de passagiers bij antwoord in het verzet aan hun vorderingen hebben toegevoegd, kan op grond van het voorgaande niet slagen. Deze grondslag is immers eveneens gebaseerd op het betoog dat de vervoerder al voorafgaand aan het vertrek van de vlucht in kwestie kon verwachten dat zij de aansluitende vlucht zouden missen en daardoor met ten minste vijf uur vertraging op de eindbestemming zouden aankomen en dat hij hen daarom al op dat moment de keuze had moeten bieden tussen omboeking of terugbetaling, hetgeen, zoals hiervoor overwogen, in dit geval niet van hem kon worden vereist.
4.10.
Bovendien baseren zij deze vordering op een arrest waarin het Hof heeft geoordeeld dat een passagier van een geannuleerde vlucht zich, om compensatie te verkrijgen, kan beroepen op de niet-nakoming door de luchtvaartmaatschappij van onder meer haar verplichting om bijstand te bieden, waaronder ook haar plicht valt om informatie te verstrekken, en dat deze compensatie is beperkt tot hetgeen, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, noodzakelijk, passend en redelijk is om het verzuim van de luchtvaartmaatschappij om bijstand te bieden, goed te maken.
4.11.
Dit arrest ging echter om een geval waarin een passagier extra kosten moest maken omdat de luchtvaartmaatschappij hem, na de annulering van zijn vlucht, geen alternatieve vlucht naar de bestemming aanbood en de passagier daarom zelf een alternatief moest boeken. Het onderhavige geval is daar niet mee vergelijkbaar omdat de passagiers niet hebben gesteld dat zij door het eventuele verzuim van de vervoerder om bijstand te bieden, enige extra kosten hebben gemaakt. Zij zijn immers meegevlogen met de door de vervoerder aangeboden alternatieve vlucht en hebben gebruik gemaakt van de aangeboden hotel- en maaltijdvouchers. Daarmee hebben zij eveneens onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat een bedrag van € 1.200,- op enige manier noodzakelijk, passend en redelijk zou zijn om het eventuele verzuim van de vervoerder om bijstand te bieden, goed te maken.
4.12.
De conclusie is dat het verzet gegrond is. Het verstekvonnis kan daarom niet in stand blijven. De oorspronkelijke vorderingen zullen alsnog worden afgewezen.
De vordering tot terugbetaling van hetgeen de vervoerder naar aanleiding van het verstekvonnis aan de passagiers heeft betaald wordt toegelaten en toegewezen
4.13.
Bij repliek in het verzet heeft de vervoerder een eis toegevoegd. Hij vordert om de passagiers te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen hij naar aanleiding van het verstekvonnis aan hen heeft betaald. Hij legt aan deze vordering ten grondslag dat hij ter uitvoering van het verstekvonnis een bedrag van € 2.411,51 aan de passagiers heeft betaald. Door de vernietiging van het verstekvonnis vervalt de grondslag voor deze betaling en heeft hij deze onverschuldigd gedaan. De passagiers hebben niet weersproken dat zij het bedrag bij de vernietiging van het verstekvonnis moeten terugbetalen.
4.14.
De kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel deze vordering een reconventionele vordering betreft en daarom al bij verzetdagvaarding had moeten worden ingediend, is deze naar het oordeel van de kantonrechter in de onderhavige situatie desondanks toelaatbaar. Bij vernietiging van het verstekvonnis vervalt immers de rechtsgrond aan de door de vervoerder gedane betaling aan de passagiers. Tijdens de bespreking op de mondelinge behandeling hebben de passagiers desgevraagd erkend in geval van vernietiging van het verstekvonnis gehouden te zijn tot terugbetaling en dit is daarmee ook niet in geschil. Over deze vordering is derhalve geen enkele discussie tussen partijen te verwachten. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om deze vermeerdering van eis bij uitzondering toe te staan en de vervoerder dus niet te verplichten om voor dit gedeelte van de vordering een afzonderlijke procedure op te starten. Daarmee zou immers geen enkel (proces)belang worden gediend. Deze ‘eisvermeerdering’ is dan ook niet in strijd met de goede procesorde en het strookt in dit geval dan ook ook met de eisen van een goede en efficiënte rechtspleging om deze vordering tot ongedaanmaking desondanks toe te laten.
4.15.
Gelet op het voorgaande is de vordering tot terugbetaling ook als onweersproken toewijsbaar. Dit geldt echter niet voor de daarover gevorderde wettelijke rente en ‘kosten’. De vervoerder heeft immers niet gesteld vanaf wanneer de passagiers met de betaling hiervan in verzuim zijn en evenmin wat de door hem gevorderde ‘kosten’ inhouden. De gevorderde wettelijke rente en kosten over de vordering tot terugbetaling zullen daarom worden afgewezen.
De passagiers worden veroordeeld in de proceskosten
4.16.
De passagiers zullen grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van het verzet, behalve dat de (betekenings)kosten van de verzetdagvaarding door de vervoerder zelf gedragen moeten worden. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
5De beslissing De kantonrechter:
5.1.
verklaart het verzet gegrond en vernietigt het verstekvonnis van 23 juni 2025 met zaaknr./rolnr. 11716350 \ CV EXPL 25-3242;
5.2.
wijst de oorspronkelijke vorderingen van de passagiers alsnog af;
5.3.
veroordeelt de passagiers tot (terug)betaling van hetgeen de vervoerder ter uitvoering van het verstekvonnis aan hen heeft betaald;
5.4.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 651,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder, en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
5.5.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Voor het eerdere procesverloop wordt verwezen naar dit vonnis.
Artikel 7 van de Verordening.
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
Op grond van artikel 6 lid 1 sub c onder iii, in verbinding met artikel 8 van de Verordening.
Zoals bedoeld in artikel 8 van de Verordening.
HvJEU 8 juni 2023, C-49/22, ECLI:EU:C:2023:454.
Artikel 137, gelezen in verbinding met artikel 147 Rv.
Zie, naar analogie, HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327, ro. 3.3.