Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:6356
2026-06-03
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/368757
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
toewijzing vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie in begeleidings- en huurovereenkomst door zorginstelling. Zorginstelling heeft zich onvoldoende heeft ingespannen om beeindiging van de overeenkomst te voorkomen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:853 Hoge Raad 06-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (37.165 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/368757 / HA ZA 25-492
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
, handelend in eigen naam en in hoedanigheid van bewindvoerder en mentor van [betrokkene 1],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] en [betrokkene 1],
advocaat: mr. M.R.S. Lieverse,
tegen
De ZorgSpecialist B.V.,
te Santpoort-Noord,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De ZorgSpecialist,
advocaat: mr. H.H.A. Lewin.
1De zaak in het kort
In deze zaak verklaart de Rechtbank voor recht dat De ZorgSpecialist toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een begeleidings- en huurovereenkomst met een (licht) verstandelijk beperkte jongvolwassene. De ZorgSpecialist heeft de begeleidings- en huurovereenkomst zonder het bestaan van de vereiste gewichtige redenen opgezegd en heeft ook niet alles gedaan dat redelijkerwijs van haar gevraagd kon worden om een beëindiging e voorkomen. De ZorgSpecialist moet daarom een schadevergoeding betalen. De Rechtbank oordeelt verder dat De ZorgSpecialist niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vader (tevens bewindvoerder), zodat de op die grond gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en waar partijen hun zaak aan de hand van overgelegde pleitnotities hebben toegelicht.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3Feiten
3.1.
[betrokkene 1] [eiser] (hierna: [betrokkene 1]) is een jongvolwassenen (thans 27 jaar oud) met een (licht) verstandelijke beperking. [betrokkene 1] beschikt over een zorgprofiel VG6, waardoor hij op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) recht heeft op verblijf met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering.
3.2.
Het zorgprofiel VG6 is blijkens de Regeling langdurige bedoeld voor cliënten die sociaal (zeer) beperkt zelfstandig functioneren, intensief begeleidingsbehoeftig zijn, vaak hulp, toezicht of sturing nodig hebben in verband met structurele, vaak cumulatieve gedragsproblematiek.
3.3.
[eiser] (hierna: [eiser]) is de vader van [betrokkene 1]. [eiser] is (samen met de moeder van [betrokkene 1], [moeder], hierna: [moeder]) tevens bewindvoerder en mentor van [betrokkene 1].
3.4.
De ZorgSpecialist is een zorginstelling met circa 500 medewerkers, die onder meer woonvoorzieningen biedt aan (jong)volwassenen die niet zelfstandig kunnen wonen. De directie van De ZorgSpecialist wordt gevormd door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), [betrokkene 3] en [betrokkene 4].
3.5.
Op 1 oktober 2023 heeft De ZorgSpecialist een nieuwe woonlocatie geopend in [plaats 2], [naam] (hierna: [naam]), met huisvesting voor dertien jongvolwassenen met een lichte verstandelijke beperking of een vorm van autisme.
3.6.
In verband met zijn interesse in een appartement voor [betrokkene 1] in [naam], heeft [eiser] op 26 mei 2023 een document met informatie over [betrokkene 1] naar De ZorgSpecialist gestuurd. In reactie hierop heeft de manager bij De ZorgSpecialist die verantwoordelijk is voor de selectie van bewoners op [naam], aan [eiser] gemaild dat ze na lezing van het zorgvuldig en complete document over [betrokkene 1] voor nu geen aanvullende vragen meer heeft.
3.7.
In het kader van het selectieproces heeft De ZorgSpecialist een kennismakingsgesprek gevoerd en telefonisch contact gehad met de voormalig ambulant begeleider van [betrokkene 1] bij de instelling ’s Heeren Loo.
3.8.
Bij e-mail van 23 juni 2023 heeft De ZorgSpecialist [eiser] geschreven dat op grond van de gesprekken met zowel [eiser] als met andere betrokkenen, de verwachting bestaat dat de begeleidingsbehoeften van [betrokkene 1] aansluiten bij de door [naam] geboden begeleiding en dat er een appartement voor [betrokkene 1] beschikbaar is.
3.9.
Op 23 september 2023 hebben partijen een begeleidings- en een huurovereenkomst gesloten, waarop onder andere de “Algemene voorwaarden voor zorg zonder verblijf van ActiZ en Zorgthuisnl 2022” van toepassing zijn verklaard.
3.10.
Op 11 november 2023 is [betrokkene 1] naar [naam] verhuisd.
3.11.
Eind november 2023 heeft De ZorgSpecialist [moeder] telefonisch laten weten dat zij zeer tevreden was over [betrokkene 1] en is [moeder] geïnformeerd over een (mogelijke) relatie tussen [betrokkene 1] en medebewoonster [betrokkene 5], tevens de dochter van directieleden [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. De ZorgSpecialist liet [moeder] weten dat zij voornemens was de relatie te ontmoedigen omdat dit niet de bedoeling was.
3.12.
In een door De ZorgSpecialist geïnitieerd gesprek op 15 december 2024 heeft [betrokkene 2] [eiser] verteld over de bijzondere kwetsbaarheid van [betrokkene 5] en is de inzet van relatiebegeleiding ter sprake gekomen.
3.13.
Op 28 december 2023 heeft De ZorgSpecialist [eiser] een whatsappbericht gestuurd, waarin werd medegedeeld dat [betrokkene 1] de avond ervoor boos was geworden en met de deur had geslagen.
3.14.
Op 17 januari 2024 heeft een door [eiser] geïnitieerd voortgangsgesprek plaatsgevonden. Daarin heeft De ZorgSpecialist bij [eiser] en [moeder] haar zorg geuit over onhanteerbaar gedrag van [betrokkene 1] en de veiligheid van [betrokkene 1] en de medebewoners, en heeft zij aangekondigd een gedragsdeskundige op de groep in te zetten om te onderzoeken of de geboden begeleiding aansluit bij de begeleieings behoeftes van [betrokkene 1]. Verder is aan de ouders van [betrokkene 1] verteld dat [betrokkene 1] de door De ZorgSpecialist voorgestelde dagbestedingsplekken had afgewezen, waarna [eiser] heeft aangeboden te helpen bij het vinden van geschikte dagbesteding.
3.15.
Op 18 januari 2024 heeft [eiser] [betrokkene 1] naar diens moeder gebracht.
3.16.
Bij e-mail van 22 januari 2024 heeft [eiser] gereageerd op het gespreksverslag dat De ZorgSpecialist van het voortgangsgesprek had gemaakt (zie 3.12 hiervoor). Daarin heeft hij benoemd dat hij verrast was over de door De ZorgSpecialist aangekaarte maar niet eerder gemelde gedragsproblemen. Verder heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij graag samen wil optrekken om op korte termijn daginvulling voor [betrokkene 1] te realiseren.
3.17.
Bij e-mail van 24 januari 2024 heeft [eiser] De ZorgSpecialist gevraagd om een vervolggesprek, omdat [betrokkene 1] graag weer terug wil naar [naam]. [eiser] heeft daarbij aangekaart dat [betrokkene 1] zich niet meer veilig voelt bij zijn persoonlijk begeleidster omdat deze ook de begeleidster van [betrokkene 5] is en [betrokkene 1] en [betrokkene 5] het gevoel hebben dat hun relatie constant onder een vergrootglas ligt.
3.18.
Op 25 januari 2024 en 1 februari 2025 hebben [eiser] en De ZorgSpecalist opnieuw met elkaar gesproken. Tijdens laatstgenoemde bespreking had [eiser] aanvullende documentatie en contactgegevens van ’s Heeren Loo voor De ZorgSpecialist meegenomen. Daar was (voor het eerst eind december 2023) door De ZorgSpecialist om verzocht om psychomotorische therapie (PMT) te kunnen opstarten.
3.19.
Bij brief van 14 februari 2024 heeft De ZorgSpecialist de zorg en begeleiding van [betrokkene 1] opgeschort in verband met een verdiepend onderzoek naar de vraag of [naam] een passende woonplek is voor [betrokkene 1], mede gelet op het belang van de veiligheid van alle bewoners. De ZorgSpecialist heeft [eiser] verzocht om documentatie te verstrekken van een andere instelling waar [betrokkene 1] in het verleden had gelogeerd.
3.20.
Bij e-mail van 19 februari 2024 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de opschorting.
3.21.
Vanaf 1 april 2024 heeft De ZorgSpecialist geen huurpenningen meer geïnd.
3.22.
In een gesprek op 2 april 2024 hebben partijen ter voorziening in de behoeften van [betrokkene 1] aan zorg en huisvesting meerdere scenario’s besproken. Daarbij heeft [betrokkene 2] de ontbinding van de lopende overeenkomst aangekaart. [eiser] heeft (blijkens het gespreksverslag) toen aangegeven daarop terug te komen en partijen hebben een vervolg
…0overleg ingepland voor 2 mei 2024.
3.23.
Bij brief van 5 april 2024 heeft De ZorgSpecialist de begeleidings- en huurovereenkomst opgezegd per 5 mei 2024 op de grond dat [naam] geen passende woonplek is voor [betrokkene 1].
3.24.
Bij brief van 22 april 2024 heeft [eiser] De ZorgSpecialist (bij monde van zijn toenmalige gemachtigde) aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van wanprestatie.
3.25.
Bij brief van 30 april 2024 heeft De ZorgSpecialist aansprakelijkheid van de hand gewezen. De ZorgSpecialist heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de overeenkomst onder onjuiste voorstellingen is aangegaan doordat [eiser] haar cruciale informatie heeft onthouden, waardoor de woongroep is blootgesteld aan grensoverschrijdend en onveilig gedrag van [betrokkene 1].
3.26.
In de daaropvolgende periode hebben partijen hun standpunten schriftelijk uitgewisseld zonder dat overeenstemming is bereikt.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad vonnis:
I. voor recht verklaart dat De ZorgSpecialist toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de begeleidings- en huurovereenkomst die met [betrokkene 1] op 26 september 2023 is overeengekomen;
II. De ZorgSpecialist veroordeelt tot vergoeding van de door [betrokkene 1] geleden en nog te lijden schade, bestaande uit een bedrag van € 11.988,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;
III. voor recht verklaart dat De ZorgSpecialist onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] in diens hoedanigheid als bewindvoerder/mentor en De ZorgSpecialist veroordeelt tot vergoeding van de door hem geleden schade ten bedrage van € 23.142,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis tot de dag van volledige betaling;
IV. De ZorgSpecialist veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.126,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis tot de dag van volledige betaling;
V. De ZorgSpecialist veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en rente.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat De ZorgSpecialist aansprakelijk is voor de door [betrokkene 1] geleden schade als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst. Volgens [eiser] is De ZorgSpecialist -kort samengevat- tekortgeschoten: (1) in de zorgverlening g edurende het verblijf van [betrokkene 1] bij [naam], ; (2) in de (na)zorg en zorgvuldigheid in de aanloop naar de opzegging; en (3) bij de opzegging van de overeenkomst. Verder wordt schadevergoeding gevorderd op grond van een onrechtmatige daad, eruit bestaande dat [eiser] opzettelijke informatie heeft achtergehouden.
4.3.
De ZorgSpecialist voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De ZorgSpecialist betwist dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst en ook dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Voor zover De ZorgSpecialist wel schadeplichtig zou zijn, komen de gevorderde schadeposten niet, althans niet alle (volledig) voor vergoeding in aanmerking.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
De kern van het geschil is of De ZorgSpecialist schadeplichtig is wegens toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst met [betrokkene 1] en wegens een onrechtmatige daad jegens [eiser].
De ZorgSpecialist is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
5.2.
De Rechtbank is van oordeel dat De ZorgSpecialist toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, waardoor zij schadeplichtig is. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
Er is onrechtmatige opgezegd wegens het ontbreken van gewichtige redenen
5.3.
De Rechtbank volgt [eiser] in zijn standpunt dat De ZorgSpecialist de begeleidingsovereenkomst onrechtmatig, want zonder het bestaan van gewichtige redenen, heeft opgezegd. Daardoor is ook de huurovereenkomst, die door een koppelbeding nauw verbonden is aan de begeleidingsovereenkomst, onrechtmatig beëindigd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.4.
De Rechtbank stelt voorop dat partijen een begeleidings- en een huurovereenkomst hebben gesloten, waarin het zorgelement overheerst. De begeleidingsovereenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzage geneeskundige behandeling. Het beëindigen van een geneeskundige behandelingsovereenkomst mag alleen als daarvoor gewichtige redenen bestaan. Wat onder ‘gewichtige redenen’ moet worden verstaan, hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.5.
In de KNMG-richtlijn ‘Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ (hierna: de Richtlijn), waaraan De ZorgSpecialist gebonden is, staan aandachtspunten voor zorginstellingen met betrekking tot de beëindigingsredenen en de bij de beëindiging in acht te nemen zorgvuldigheidseisen. In de Richtlijn wordt benadrukt dat de zorginstelling terughoudend moet zijn met het beëindigen van een behandelingsovereenkomst. De zorginstelling moet alles doen wat redelijkerwijs van haar kan worden gevraagd om beëindiging van de behandelingsovereenkomst te voorkomen en zij moet ‘uiterst gewichtige redenen’ voor een beëindiging hebben. Verder moet de zorginstelling een ‘uiterst zorgvuldige procedure’ volgen voordat er op grond van die gewichtige reden kan worden opgezegd. Ook in het ‘Voorschrift Zorgtoewijzing januari 2024’ (van toepassing op Wlz-zorg zoals De ZorgSpecialist die verleent) is vastgelegd dat een beëindiging van zorg als de onderhavige slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een van de zorgbehoeftige uitgaande ernstige bedreiging of intimidatie, een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie of het (ook na herhaalde waarschuwingen) niet nakomen van essentiële verplichtingen of regels, waarbij ook in de afweging moet worden betrokken of het gedrag van de cliënt niet (mede) wordt veroorzaakt door de aandoening. Op grond van artikel 150 Rv draagt De ZorgSpecialist, als opzeggende partij, de bewijslast voor het bestaan van gewichtige redenen.
5.6.
De ZorgSpecialist heeft aangevoerd dat zij de overeenkomst op 5 april 2024 mocht opzeggen, omdat op 2 april 2024 gezamenlijk was geconcludeerd dat [betrokkene 1] niet bij [naam] zou terugkeren (6.1.b van de Algemene Voorwaarden) en omdat De ZorgSpecialist de zorg die [betrokkene 1] nodig heeft niet kan verlenen (6.2 van de Algemene Voorwaarden). De ZorgSpecialist heeft in dat verband gewezen op de omstandigheden dat [betrokkene 1] ten tijde van de opzegging al 2,5 maand niet meer op [naam] woonde, dat er in die periode intensief contact is geweest tussen partijen, dat de familie [eiser] het vertrouwen had opgezegd in de begeleiding door [naam] en dat [naam] sinds 18 januari 2023 geen inkomsten vanuit het ZIN-budget meer voor [betrokkene 1] ontving, terwijl zij het appartement ook niet aan iemand anders kon verhuren.
Geen beëindiging met wederzijds goedvinden
5.7.
Voor zover dit betoog inhoudt dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, wordt dat standpunt verworpen. [eiser] heeft dit betwist en het blijkt niet uit het dossier. In het gespreksverslag van 4 april 2024 staat juist dat [eiser] had aangegeven dat hij nog zou terugkomen op de wens van De ZorgSpecialist om tot een beëindiging van de overeenkomst te komen, waarna partijen een vervolggesprek voor 2 mei 2024 hebben ingepland. Het is De ZorgSpecialist geweest die vervolgens op 5 april 2024 de overeenkomst heeft opgezegd. Die opzegging zou onnodig zijn geweest als daadwerkelijk gezamenlijk was afgesproken de overeenkomst te beëindigen.
5.8.
[eiser] heeft erkend dat het op 2 april 2024 wél vaststond dat [betrokkene 1] niet meer naar [naam] zou terugkeren. Ook staat vast dat [betrokkene 1] vanaf 18 januari 2024 niet meer op [naam] woonde, [naam] vanaf die datum ZIN-budget meer ontving en er vanaf april 2024 geen huur meer werd betaald. Die omstandigheden leveren echter geen gewichtige reden voor opzegging op. De op 2 april ontstane situatie is het gevolg van het feit dat De ZorgSpecialist op 17 januari 2024 te kennen had gegeven dat het gedrag van [betrokkene 1] onhanteerbaar was, zij vervolgens op 14 februari 2024 de zorg aan [betrokkene 1] heeft opgeschort en in de vervolggesprekken op 18 maart en 2 april 2024 heeft aangestuurd op beëindiging van de begeleidingsovereenkomst. Onder die omstandigheden is het begrijpelijk dat de ouders van [betrokkene 1] begin april 2024 terugkeer van [betrokkene 1] naar [naam] niet meer als reële optie zagen en geen vertrouwen meer hadden in de begeleiding door [naam]. Deze feitelijkheden geven geen steun aan de opzegging maar aan het verzuim in de nakoming.
Niet is gebleken dat [betrokkene 1] niet de zorg kan worden geboden die hij nodig heeft
5.9.
De tweede opzeggingsgrond levert naar het oordeel van de Rechtbank ook geen gewichtige reden op. De ZorgSpecialist heeft onvoldoende onderbouwd dat zij [betrokkene 1] niet de zorg kan geven die hij nodig heeft. Bovendien is niet gebleken dat De ZorgSpecialist alles heeft gedaan dat redelijkerwijs van haar gevraagd kon worden om een beëindiging te voorkomen (zie 5.12 en verder).
5.10.
Gelet op de verstrekkende gevolgen van de beëindiging van een begeleidingsovereenkomst, had van De ZorgSpecialist een deugdelijke onderbouwing verwacht mogen worden van de door haar ingenomen stelling dat zij de door [betrokkene 1] benodigde zorg niet kan geven. Dit spreekt temeer waar De ZorgSpecialist in september 2023 had geconcludeerd dat de begeleidingsbehoeften van [betrokkene 1] wél aansluiten bij de door haar geboden begeleiding. De Zorgspecialist had haar stelling bijvoorbeeld kunnen onderbouwen met een rapport van de gedragsdeskundige, die De ZorgSpecialist blijkens het gespreksverslag van 17 januari 2024 zou inzetten om te onderzoeken of de begeleiding in [naam] aansluit bij de begeleidingsbehoeftes van [betrokkene 1]. Een dergelijk rapport ontbreekt echter en het is de Rechtbank niet duidelijk geworden of er een gedragsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.
De ZorgSpecialist is verantwoordelijk voor haar eigen selectieproces
5.11.
De ZorgSpecialist heeft aangevoerd dat zij bij het aannameproces op het verkeerde been is gezet, doordat [eiser] bewust cruciale informatie over [betrokkene 1] voor haar heeft achtergehouden. De Rechtbank acht dit verwijt onterecht. Als professionele zorginstelling is De ZorgSpecialist zelf verantwoordelijk voor haar selectie. De ZorgSpecialist heeft de door [eiser] verstrekte informatie destijds als volledig en compleet bestempeld. Hoewel in die documentatie werd verwezen naar onderzoeksrapporten, heeft De ZorgSpecialist ervoor gekozen [betrokkene 1] te plaatsen zonder de inhoud van die rapporten te kennen. Die omstandigheid komt voor haar rekening en risico. Dat [eiser] tijdens het selectieproces desgevraagd zou hebben geweigerd de rapporten te verstrekken, zoals De ZorgSpecialist heeft aangevoerd, is door [eiser] betwist en is tegenover die betwisting niet verder onderbouwd. Blijkens het dossier heeft De ZorgSpecialist pas ruim nadat [betrokkene 1] door [naam] was geselecteerd om aanvullende documentatie gevraagd.
De ZorgSpecialist heeft onvoldoende gedaan om beëindiging te voorkomen
5.12.
De stelling van De ZorgSpecialist dat zij [betrokkene 1] niet de zorg kan geven die hij nodig heeft, lijkt te zijn ingegeven door incidenten die zich eind december en medio januari 2024 hebben voorgedaan. Volgens De ZorgSpecialist liet [betrokkene 1] toen onhanteerbaar gedrag zien; hij is boos geworden en heeft met deuren geslagen en gescholden omdat hij moeite had met bepaalde (huis-)regels. De incidenten kunnen de verstrekkende conclusie die De ZorgSpecialist eraan verbonden heeft niet dragen. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat [betrokkene 1] zich ten tijde van de incidenten nog in een gewenningsproces bevond, er nog geen (definitief) zorgplan was opgesteld en de PMT nog niet was opgestart. Tot slot was er nog geen passende dagbesteding waardoor [betrokkene 1] grote delen van de dag alleen op [naam] doorbracht. Het door De ZorgSpecialist omschreven gedrag komt de Rechtbank gegeven deze omstandigheden en de VG6 indicatie ook niet zo uitzonderlijk voor dat een professionele zorginstelling, die ook zorg verleent aan mensen met een VG6 indicatie, dat niet zou kunnen hanteren.
5.13.
De Rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat De ZorgSpecialist onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij er alles aan heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar gevraagd kon worden om beëindiging van de begeleidingsovereenkomst te voorkomen. De ZorgSpecialist heeft weliswaar naar voren gebracht dat er in de periode na 18 januari 2024 wel intensief contact tussen partijen is geweest. Daaruit kan echter niet worden afgeleid wat De ZorgSpecialist concreet heeft ondernomen om het verblijf van [betrokkene 1] bij [naam] alsnog tot een succes te maken.
5.14.
In het gesprek op 17 januari 2024 heeft De ZorgSpecialist voor het eerst een (formeel) signaal over het gedrag van [betrokkene 1] afgegeven. Tot die tijd was er geen officiële communicatie over [betrokkene 1] (de ouders hadden ook geen toegang tot een digitaal clientdossier) en was er ook nog geen zorg-/begeleidingsplan opgesteld. Dit gesprek had voor De ZorgSpecialist het startpunt moeten zijn om samen met de ouders van [betrokkene 1] een plan van aanpak te maken om de gerezen uitdagingen het hoofd te bieden. Zo had een gedragsdeskundige op de groep ingezet kunnen worden en een relatiebegeleider om de relatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] te begeleiden. Dat laatste lag voor de hand nu de incidenten met [betrokkene 1] vooral verband hielden met pogingen van De ZorgSpecialist (of [betrokkene 2]?) om de relatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] te ontmoedigen. Ook had De ZorgSpecialist wellicht tegemoet kunnen komen aan de wens van [betrokkene 1] om een andere persoonlijk begeleider te krijgen, vanwege de nauwe contacten van die begeleider met [betrokkene 5] en haar ouders. De ZorgSpecialist heeft niet toegelicht waarom zij aan die wens niet tegemoet is gekomen. Verder moest ten tijde van het gesprek op 17 januari 2024 de PMT (die [betrokkene 1] kon helpen met emotieregulering) nog worden opgestart en moest [betrokkene 1] nog aan passende dagbesteding worden geholpen. De Rechtbank acht het niet uitgesloten dat met de inzet van deze inventies het verblijf van [betrokkene 1] wel een succes zou zijn geworden. Dat geldt te meer nu [naam] tijdens de eerste weken van zijn verblijf heel positief was over [betrokkene 1].
5.15.
Alles bij elkaar genomen vindt de Rechtbank dat De ZorgSpecialist te vroeg heeft geconcludeerd dat zij [betrokkene 1] niet de benodigde zorg kon verlenen, waardoor [betrokkene 1] onvoldoende kans heeft gekregen om in zijn nieuwe woonomgeving ‘te groeien’.
Ongewenste belangenverstrengeling
5.16.
Naar in de zorg geldende governance opvattingen rust op zorgbestuurders de plicht om elke vorm van ongewenste belangenverstrengeling te voorkomen en de schijn ervan te vermijden. Van ongewenste belangenverstrengeling is sprake wanneer de verschillende belangen of posities een zodanige invloed op elkaar hebben dat de onafhankelijkheid, objectiviteit of integriteit van een bestuurder met betrekking tot een belangenafweging in het geding komt. Een bestuurder dient zich te onthouden van deelneming aan beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft.
5.17.
[betrokkene 2] heeft ter zitting benadrukt dat zij haar rollen als bestuurder van De ZorgSpecialist en moeder (en mentor) van [betrokkene 5] altijd heel goed en bewust gescheiden heeft gehouden. De Rechtbank kan zich evenwel moeilijk aan de indruk onttrekken dat de dubbelrol van [betrokkene 2] bij de handelwijze van De ZorgSpecialist wel degelijk een rol heeft gespeeld.
5.18.
De Rechtbank heeft begrip voor het zwaarwegende belang van [betrokkene 2] om haar kwetsbare dochter [betrokkene 5] te beschermen. Dat laat echter onverlet dat op [betrokkene 2] als bestuurder van De ZorgSpecialist een vergaande (inspannings-)verplichting rust om haar cliënt [betrokkene 1] passende zorg te verlenen. [betrokkene 2] heeft onvoldoende (kenbaar) onderkend dat deze belangen kunnen botsen en (daardoor) van invloed (kunnen) zijn op haar objectiviteit met betrekking tot de belangenafweging. [betrokkene 2] had deze (schijn van) belangenverstrengeling moeten voorkomen door zich aan de besluitvorming over [betrokkene 1] te onttrekken. In plaats daarvan heeft zij aan meerdere gesprekken over de zorg aan [betrokkene 1] deelgenomen en de beslissing genomen om de zorg aan [betrokkene 1] op te schorten en (vervolgens) de begeleidingsovereenkomst op te zeggen. Ook dit brengt mee dat aan de beëindiging van deze overeenkomst gebreken kleven.
Onrechtmatige daad jegens [eiser]?
5.19.
De Rechtbank is van oordeel dat De ZorgSpecialist jegens [eiser] niet onrechtmatig heeft gehandeld door hem verantwoordelijk te houden voor het volgens haar onder onjuiste voorstellingen aangaan van de begeleidings- en huurovereenkomst. Hoewel hiervoor is overwogen dat dit verwijt onterecht is, levert het (in correspondentie tussen partijen) innemen van een onjuist standpunt nog geen onrechtmatige daad op. Van het opzettelijk schaden van de reputatie of waardigheid van [eiser] door middel van smaad of laster is geen sprake geweest. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
De ZorgSpecialist moet schadevergoeding betalen
5.20.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat De ZorgSpecialist toerekenbaar tekort is geschoten in nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst, is zij aansprakelijk voor daardoor geleden schade.
5.21.
De ZorgSpecialist wordt veroordeeld om de over februari en maart 2024 ontvangen huurpenningen terug te betalen. [betrokkene 1] heeft in die maanden immers door de tekortkomingen van De ZorgSpecialist geen zorg gehad en niet op [naam] kunnen wonen (zie 5.8 hiervoor). Het verweer van De ZorgSpecialist dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen om [betrokkene 1] op 18 januari 2024 op te halen voor een time-out, wordt verworpen. [eiser] heeft toegelicht dat op die datum slechts een kort verblijf bij de moeder van [betrokkene 1] gepland stond, maar dat [betrokkene 1] vervolgens niet naar [naam] kon terugkeren omdat hij er niet meer welkom was. Dit wordt ondersteund door e-mailcorrespondentie waarin [eiser] meermaals vraagt om een vervolggesprek omdat [betrokkene 1] graag terug naar [naam] wil. Dat De ZorgSpecialist vanaf 18 januari 2024 geen ZIN-budget meer voor [betrokkene 1] heeft ontvangen, is een omstandigheid die voor haar rekening blijft, en doet aan het voorgaande niet af.
5.22.
De gevorderde schilder,-verhuis en opslagkosten worden toegewezen, omdat deze in voldoende verband staan met de tekortkomingen. De schilderkosten zijn nodeloos gemaakt, doordat De ZorgSpecialist de overeenkomst op ontoereikende gronden onverwacht snel heeft opgezegd. De opslagkosten waren noodzakelijk omdat de overeenkomst al was beëindigd voordat een nieuwe zorginstelling voor [betrokkene 1] was gevonden en ook de verhuiskosten zijn in de gegeven omstandigheden redelijk. Het gevorderde bedrag van € 1.335,97 (tegen de hoogte waarvan geen verweer is gevoerd) wordt toegewezen.
5.23.
De immateriële schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Mede gelet op wat [betrokkene 1] zelf om de zitting heeft opgemerkt acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de handelwijze van De ZorgSpecialist veel impact op [betrokkene 1] heeft gehad en veel stress en verdriet heeft veroorzaakt. De aard en de ernst van de normschending brengen in dit geval met zich dat de nadelige gevolgen daarvan voor [betrokkene 1] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon moet worden aangenomen.
5.24.
De gevorderde jaarbeloning voor bewindvoerders wordt eveneens toegewezen. De ZorgSpecialist heeft niet weersproken dat [eiser] niet eerder aanspraak op deze beloning heeft gemaakt, maar dat nu wel heeft gedaan omdat hij door de handelwijze van De ZorgSpecialist veel tijd kwijt is geweest aan de begeleiding van [betrokkene 1]. De Rechtbank acht het aannemelijk dat [eiser] uitsluitend als gevolg van de tekortkomingen van De ZorgSpecialist een beroep op deze beloning heeft gedaan. Het hiervoor gevorderde bedrag van € 5.460,- wordt als onbetwist toegewezen.
5.25.
De ZorgSpecialist zal ook worden veroordeeld om vermogensschade te vergoeden die [eiser] heeft geleden door de tekortkomingen van De ZorgSpecialist. [eiser] heeft een eigen recht op vergoeding, dat bestaat op grond van de aansprakelijkheid van De ZorgSpecialist jegens [betrokkene 1] (‘verplaatste schade’). Voor vergoeding komt in aanmerking de tijd die [eiser] kosteloos heeft besteed aan zorg- en bijstand voor [betrokkene 1], voor zover het normaal en gebruikelijk is daarvoor tegen vergoeding derden in te schakelen.
5.26.
[eiser] heeft nagelaten inzichtelijk te maken wat een gebruikelijke vergoeding zou zijn geweest wanneer voor deze zorg en begeleiding professionals zouden zijn ingeschakeld. In plaats daarvan gaat hij in zijn schadeberekening – naar het oordeel van de Rechtbank ten onrechte - uit van zijn eigen (commerciële) uurtarief van € 175,-. De Rechtbank zal bij het begroten van de schade uitgaan van een uurtarief van € 70,-. Voor wat betreft de bestede tijd heeft [eiser] een urenoverzicht overgelegd met in totaal 268 bestede uren. De ZorgSpecialist heeft terecht opgemerkt dat hierin ook tijd is opgenomen die is besteed aan het buitengerechtelijke incassotraject en voorbereidingen ten behoeve van deze procedure. Vergoeding voor die tijd wordt geacht te zijn inbegrepen in de incassokosten en proceskostenveroordeling. [eiser] lijkt hier al rekening mee te hebben gehouden door in deze procedure vergoeding te vorderen van 197 uren in plaats van het totaal van 268 uren. Uitgaande van de gevorderde 197 uren (waartegen door De ZorgSpecialist geen specifiek verweer is gevoerd), een uurtarief van € 70,- en een forfaitair belastingpercentage van 37% wijst de Rechtbank een bedrag van € 8.687,70 toe.
De ZorgSpecialist moet buitengerechtelijke incassokosten vergoeden
5.27.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft onbetwist gesteld (en onderbouwd) dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom bestaat recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. De kantonrechter zal de vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. Dit komt neer op een bedrag van € 1.149,30.
Proceskosten
5.28.
Omdat De ZorgSpecialist (grotendeels) in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 2.750,04, bestaande uit € 148,04 aan verschotten, € 1.374,- aan griffiegeld en € 1.228,- (tarief van € 614,- x 2 punten) aan salaris advocaat.
6De beslissing
De Rechtbank:
6.1.
verklaart voor recht dat De ZorgSpecialist tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de begeleidings- en huurovereenkomst met [betrokkene 1];
6.2.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling aan [betrokkene 1] van een bedrag van € 8.795,97 aan schadevergoeding;
6.3.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.687,70 aan schadevergoeding;
6.4.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling aan [betrokkene 1] van een bedrag van € 1.149,30 aan buitengerechtelijke incassokosten;
6.5.
veroordeelt De ZorgSpecialist in de proceskosten die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.750,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
6.6.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling van € 173,-, te vermeerderen met € 90 betekeningskosten, voor zover deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt;
6.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 7:460 BW.
Zie 3.14 bij Feiten.
Blijkens de brief van De ZorgSpecialist van 30 april 2024 is haar ‘selectieproces zorgvuldig en veelomvattend en kent het verschillende fasen, van oriënterend contact naar verdiepend onderzoek (…)’.
Zie 3.6 bij Feiten.
Zie 3.18 bij Feiten.
De Rechtbank leidt dit af uit het gespreksverslag van 17 januari 2024, zie 3.14 bij Feiten.
[betrokkene 1] woonde toen circa 4-6 weken bij [naam], nadat hij 27 jaar in een beschermde omgeving bij zijn moeder had gewoond.
Zie 3.2 bij Feiten.
Zoals De ZorgSpecialist op 17 januari 2024 had aangekondigd.
Zie 3.12 bij Feiten.
Zie 3.17 bij Feiten.
Zie 3.11 bij Feiten.
Artikel 6:106 onder b BW.
Zie 3.17 bij Feiten.
Artikel 6:106 onder b BW.
Artikel 6:107 lid 1 onder a BW.
HR 28 mei 1999, ECLI:NL:1999:ZC2912 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:853.
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/368757 / HA ZA 25-492
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
, handelend in eigen naam en in hoedanigheid van bewindvoerder en mentor van [betrokkene 1],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] en [betrokkene 1],
advocaat: mr. M.R.S. Lieverse,
tegen
De ZorgSpecialist B.V.,
te Santpoort-Noord,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De ZorgSpecialist,
advocaat: mr. H.H.A. Lewin.
1De zaak in het kort
In deze zaak verklaart de Rechtbank voor recht dat De ZorgSpecialist toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een begeleidings- en huurovereenkomst met een (licht) verstandelijk beperkte jongvolwassene. De ZorgSpecialist heeft de begeleidings- en huurovereenkomst zonder het bestaan van de vereiste gewichtige redenen opgezegd en heeft ook niet alles gedaan dat redelijkerwijs van haar gevraagd kon worden om een beëindiging e voorkomen. De ZorgSpecialist moet daarom een schadevergoeding betalen. De Rechtbank oordeelt verder dat De ZorgSpecialist niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vader (tevens bewindvoerder), zodat de op die grond gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 januari 2026
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en waar partijen hun zaak aan de hand van overgelegde pleitnotities hebben toegelicht.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3Feiten
3.1.
[betrokkene 1] [eiser] (hierna: [betrokkene 1]) is een jongvolwassenen (thans 27 jaar oud) met een (licht) verstandelijke beperking. [betrokkene 1] beschikt over een zorgprofiel VG6, waardoor hij op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) recht heeft op verblijf met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering.
3.2.
Het zorgprofiel VG6 is blijkens de Regeling langdurige bedoeld voor cliënten die sociaal (zeer) beperkt zelfstandig functioneren, intensief begeleidingsbehoeftig zijn, vaak hulp, toezicht of sturing nodig hebben in verband met structurele, vaak cumulatieve gedragsproblematiek.
3.3.
[eiser] (hierna: [eiser]) is de vader van [betrokkene 1]. [eiser] is (samen met de moeder van [betrokkene 1], [moeder], hierna: [moeder]) tevens bewindvoerder en mentor van [betrokkene 1].
3.4.
De ZorgSpecialist is een zorginstelling met circa 500 medewerkers, die onder meer woonvoorzieningen biedt aan (jong)volwassenen die niet zelfstandig kunnen wonen. De directie van De ZorgSpecialist wordt gevormd door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), [betrokkene 3] en [betrokkene 4].
3.5.
Op 1 oktober 2023 heeft De ZorgSpecialist een nieuwe woonlocatie geopend in [plaats 2], [naam] (hierna: [naam]), met huisvesting voor dertien jongvolwassenen met een lichte verstandelijke beperking of een vorm van autisme.
3.6.
In verband met zijn interesse in een appartement voor [betrokkene 1] in [naam], heeft [eiser] op 26 mei 2023 een document met informatie over [betrokkene 1] naar De ZorgSpecialist gestuurd. In reactie hierop heeft de manager bij De ZorgSpecialist die verantwoordelijk is voor de selectie van bewoners op [naam], aan [eiser] gemaild dat ze na lezing van het zorgvuldig en complete document over [betrokkene 1] voor nu geen aanvullende vragen meer heeft.
3.7.
In het kader van het selectieproces heeft De ZorgSpecialist een kennismakingsgesprek gevoerd en telefonisch contact gehad met de voormalig ambulant begeleider van [betrokkene 1] bij de instelling ’s Heeren Loo.
3.8.
Bij e-mail van 23 juni 2023 heeft De ZorgSpecialist [eiser] geschreven dat op grond van de gesprekken met zowel [eiser] als met andere betrokkenen, de verwachting bestaat dat de begeleidingsbehoeften van [betrokkene 1] aansluiten bij de door [naam] geboden begeleiding en dat er een appartement voor [betrokkene 1] beschikbaar is.
3.9.
Op 23 september 2023 hebben partijen een begeleidings- en een huurovereenkomst gesloten, waarop onder andere de “Algemene voorwaarden voor zorg zonder verblijf van ActiZ en Zorgthuisnl 2022” van toepassing zijn verklaard.
3.10.
Op 11 november 2023 is [betrokkene 1] naar [naam] verhuisd.
3.11.
Eind november 2023 heeft De ZorgSpecialist [moeder] telefonisch laten weten dat zij zeer tevreden was over [betrokkene 1] en is [moeder] geïnformeerd over een (mogelijke) relatie tussen [betrokkene 1] en medebewoonster [betrokkene 5], tevens de dochter van directieleden [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. De ZorgSpecialist liet [moeder] weten dat zij voornemens was de relatie te ontmoedigen omdat dit niet de bedoeling was.
3.12.
In een door De ZorgSpecialist geïnitieerd gesprek op 15 december 2024 heeft [betrokkene 2] [eiser] verteld over de bijzondere kwetsbaarheid van [betrokkene 5] en is de inzet van relatiebegeleiding ter sprake gekomen.
3.13.
Op 28 december 2023 heeft De ZorgSpecialist [eiser] een whatsappbericht gestuurd, waarin werd medegedeeld dat [betrokkene 1] de avond ervoor boos was geworden en met de deur had geslagen.
3.14.
Op 17 januari 2024 heeft een door [eiser] geïnitieerd voortgangsgesprek plaatsgevonden. Daarin heeft De ZorgSpecialist bij [eiser] en [moeder] haar zorg geuit over onhanteerbaar gedrag van [betrokkene 1] en de veiligheid van [betrokkene 1] en de medebewoners, en heeft zij aangekondigd een gedragsdeskundige op de groep in te zetten om te onderzoeken of de geboden begeleiding aansluit bij de begeleieings behoeftes van [betrokkene 1]. Verder is aan de ouders van [betrokkene 1] verteld dat [betrokkene 1] de door De ZorgSpecialist voorgestelde dagbestedingsplekken had afgewezen, waarna [eiser] heeft aangeboden te helpen bij het vinden van geschikte dagbesteding.
3.15.
Op 18 januari 2024 heeft [eiser] [betrokkene 1] naar diens moeder gebracht.
3.16.
Bij e-mail van 22 januari 2024 heeft [eiser] gereageerd op het gespreksverslag dat De ZorgSpecialist van het voortgangsgesprek had gemaakt (zie 3.12 hiervoor). Daarin heeft hij benoemd dat hij verrast was over de door De ZorgSpecialist aangekaarte maar niet eerder gemelde gedragsproblemen. Verder heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij graag samen wil optrekken om op korte termijn daginvulling voor [betrokkene 1] te realiseren.
3.17.
Bij e-mail van 24 januari 2024 heeft [eiser] De ZorgSpecialist gevraagd om een vervolggesprek, omdat [betrokkene 1] graag weer terug wil naar [naam]. [eiser] heeft daarbij aangekaart dat [betrokkene 1] zich niet meer veilig voelt bij zijn persoonlijk begeleidster omdat deze ook de begeleidster van [betrokkene 5] is en [betrokkene 1] en [betrokkene 5] het gevoel hebben dat hun relatie constant onder een vergrootglas ligt.
3.18.
Op 25 januari 2024 en 1 februari 2025 hebben [eiser] en De ZorgSpecalist opnieuw met elkaar gesproken. Tijdens laatstgenoemde bespreking had [eiser] aanvullende documentatie en contactgegevens van ’s Heeren Loo voor De ZorgSpecialist meegenomen. Daar was (voor het eerst eind december 2023) door De ZorgSpecialist om verzocht om psychomotorische therapie (PMT) te kunnen opstarten.
3.19.
Bij brief van 14 februari 2024 heeft De ZorgSpecialist de zorg en begeleiding van [betrokkene 1] opgeschort in verband met een verdiepend onderzoek naar de vraag of [naam] een passende woonplek is voor [betrokkene 1], mede gelet op het belang van de veiligheid van alle bewoners. De ZorgSpecialist heeft [eiser] verzocht om documentatie te verstrekken van een andere instelling waar [betrokkene 1] in het verleden had gelogeerd.
3.20.
Bij e-mail van 19 februari 2024 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de opschorting.
3.21.
Vanaf 1 april 2024 heeft De ZorgSpecialist geen huurpenningen meer geïnd.
3.22.
In een gesprek op 2 april 2024 hebben partijen ter voorziening in de behoeften van [betrokkene 1] aan zorg en huisvesting meerdere scenario’s besproken. Daarbij heeft [betrokkene 2] de ontbinding van de lopende overeenkomst aangekaart. [eiser] heeft (blijkens het gespreksverslag) toen aangegeven daarop terug te komen en partijen hebben een vervolg
…0overleg ingepland voor 2 mei 2024.
3.23.
Bij brief van 5 april 2024 heeft De ZorgSpecialist de begeleidings- en huurovereenkomst opgezegd per 5 mei 2024 op de grond dat [naam] geen passende woonplek is voor [betrokkene 1].
3.24.
Bij brief van 22 april 2024 heeft [eiser] De ZorgSpecialist (bij monde van zijn toenmalige gemachtigde) aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van wanprestatie.
3.25.
Bij brief van 30 april 2024 heeft De ZorgSpecialist aansprakelijkheid van de hand gewezen. De ZorgSpecialist heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de overeenkomst onder onjuiste voorstellingen is aangegaan doordat [eiser] haar cruciale informatie heeft onthouden, waardoor de woongroep is blootgesteld aan grensoverschrijdend en onveilig gedrag van [betrokkene 1].
3.26.
In de daaropvolgende periode hebben partijen hun standpunten schriftelijk uitgewisseld zonder dat overeenstemming is bereikt.
4Het geschil
4.1.
[eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad vonnis:
I. voor recht verklaart dat De ZorgSpecialist toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de begeleidings- en huurovereenkomst die met [betrokkene 1] op 26 september 2023 is overeengekomen;
II. De ZorgSpecialist veroordeelt tot vergoeding van de door [betrokkene 1] geleden en nog te lijden schade, bestaande uit een bedrag van € 11.988,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;
III. voor recht verklaart dat De ZorgSpecialist onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] in diens hoedanigheid als bewindvoerder/mentor en De ZorgSpecialist veroordeelt tot vergoeding van de door hem geleden schade ten bedrage van € 23.142,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis tot de dag van volledige betaling;
IV. De ZorgSpecialist veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.126,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na datum vonnis tot de dag van volledige betaling;
V. De ZorgSpecialist veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en rente.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat De ZorgSpecialist aansprakelijk is voor de door [betrokkene 1] geleden schade als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst. Volgens [eiser] is De ZorgSpecialist -kort samengevat- tekortgeschoten: (1) in de zorgverlening g edurende het verblijf van [betrokkene 1] bij [naam], ; (2) in de (na)zorg en zorgvuldigheid in de aanloop naar de opzegging; en (3) bij de opzegging van de overeenkomst. Verder wordt schadevergoeding gevorderd op grond van een onrechtmatige daad, eruit bestaande dat [eiser] opzettelijke informatie heeft achtergehouden.
4.3.
De ZorgSpecialist voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De ZorgSpecialist betwist dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst en ook dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Voor zover De ZorgSpecialist wel schadeplichtig zou zijn, komen de gevorderde schadeposten niet, althans niet alle (volledig) voor vergoeding in aanmerking.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
De kern van het geschil is of De ZorgSpecialist schadeplichtig is wegens toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst met [betrokkene 1] en wegens een onrechtmatige daad jegens [eiser].
De ZorgSpecialist is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
5.2.
De Rechtbank is van oordeel dat De ZorgSpecialist toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, waardoor zij schadeplichtig is. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
Er is onrechtmatige opgezegd wegens het ontbreken van gewichtige redenen
5.3.
De Rechtbank volgt [eiser] in zijn standpunt dat De ZorgSpecialist de begeleidingsovereenkomst onrechtmatig, want zonder het bestaan van gewichtige redenen, heeft opgezegd. Daardoor is ook de huurovereenkomst, die door een koppelbeding nauw verbonden is aan de begeleidingsovereenkomst, onrechtmatig beëindigd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.4.
De Rechtbank stelt voorop dat partijen een begeleidings- en een huurovereenkomst hebben gesloten, waarin het zorgelement overheerst. De begeleidingsovereenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst inzage geneeskundige behandeling. Het beëindigen van een geneeskundige behandelingsovereenkomst mag alleen als daarvoor gewichtige redenen bestaan. Wat onder ‘gewichtige redenen’ moet worden verstaan, hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.5.
In de KNMG-richtlijn ‘Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ (hierna: de Richtlijn), waaraan De ZorgSpecialist gebonden is, staan aandachtspunten voor zorginstellingen met betrekking tot de beëindigingsredenen en de bij de beëindiging in acht te nemen zorgvuldigheidseisen. In de Richtlijn wordt benadrukt dat de zorginstelling terughoudend moet zijn met het beëindigen van een behandelingsovereenkomst. De zorginstelling moet alles doen wat redelijkerwijs van haar kan worden gevraagd om beëindiging van de behandelingsovereenkomst te voorkomen en zij moet ‘uiterst gewichtige redenen’ voor een beëindiging hebben. Verder moet de zorginstelling een ‘uiterst zorgvuldige procedure’ volgen voordat er op grond van die gewichtige reden kan worden opgezegd. Ook in het ‘Voorschrift Zorgtoewijzing januari 2024’ (van toepassing op Wlz-zorg zoals De ZorgSpecialist die verleent) is vastgelegd dat een beëindiging van zorg als de onderhavige slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een van de zorgbehoeftige uitgaande ernstige bedreiging of intimidatie, een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie of het (ook na herhaalde waarschuwingen) niet nakomen van essentiële verplichtingen of regels, waarbij ook in de afweging moet worden betrokken of het gedrag van de cliënt niet (mede) wordt veroorzaakt door de aandoening. Op grond van artikel 150 Rv draagt De ZorgSpecialist, als opzeggende partij, de bewijslast voor het bestaan van gewichtige redenen.
5.6.
De ZorgSpecialist heeft aangevoerd dat zij de overeenkomst op 5 april 2024 mocht opzeggen, omdat op 2 april 2024 gezamenlijk was geconcludeerd dat [betrokkene 1] niet bij [naam] zou terugkeren (6.1.b van de Algemene Voorwaarden) en omdat De ZorgSpecialist de zorg die [betrokkene 1] nodig heeft niet kan verlenen (6.2 van de Algemene Voorwaarden). De ZorgSpecialist heeft in dat verband gewezen op de omstandigheden dat [betrokkene 1] ten tijde van de opzegging al 2,5 maand niet meer op [naam] woonde, dat er in die periode intensief contact is geweest tussen partijen, dat de familie [eiser] het vertrouwen had opgezegd in de begeleiding door [naam] en dat [naam] sinds 18 januari 2023 geen inkomsten vanuit het ZIN-budget meer voor [betrokkene 1] ontving, terwijl zij het appartement ook niet aan iemand anders kon verhuren.
Geen beëindiging met wederzijds goedvinden
5.7.
Voor zover dit betoog inhoudt dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, wordt dat standpunt verworpen. [eiser] heeft dit betwist en het blijkt niet uit het dossier. In het gespreksverslag van 4 april 2024 staat juist dat [eiser] had aangegeven dat hij nog zou terugkomen op de wens van De ZorgSpecialist om tot een beëindiging van de overeenkomst te komen, waarna partijen een vervolggesprek voor 2 mei 2024 hebben ingepland. Het is De ZorgSpecialist geweest die vervolgens op 5 april 2024 de overeenkomst heeft opgezegd. Die opzegging zou onnodig zijn geweest als daadwerkelijk gezamenlijk was afgesproken de overeenkomst te beëindigen.
5.8.
[eiser] heeft erkend dat het op 2 april 2024 wél vaststond dat [betrokkene 1] niet meer naar [naam] zou terugkeren. Ook staat vast dat [betrokkene 1] vanaf 18 januari 2024 niet meer op [naam] woonde, [naam] vanaf die datum ZIN-budget meer ontving en er vanaf april 2024 geen huur meer werd betaald. Die omstandigheden leveren echter geen gewichtige reden voor opzegging op. De op 2 april ontstane situatie is het gevolg van het feit dat De ZorgSpecialist op 17 januari 2024 te kennen had gegeven dat het gedrag van [betrokkene 1] onhanteerbaar was, zij vervolgens op 14 februari 2024 de zorg aan [betrokkene 1] heeft opgeschort en in de vervolggesprekken op 18 maart en 2 april 2024 heeft aangestuurd op beëindiging van de begeleidingsovereenkomst. Onder die omstandigheden is het begrijpelijk dat de ouders van [betrokkene 1] begin april 2024 terugkeer van [betrokkene 1] naar [naam] niet meer als reële optie zagen en geen vertrouwen meer hadden in de begeleiding door [naam]. Deze feitelijkheden geven geen steun aan de opzegging maar aan het verzuim in de nakoming.
Niet is gebleken dat [betrokkene 1] niet de zorg kan worden geboden die hij nodig heeft
5.9.
De tweede opzeggingsgrond levert naar het oordeel van de Rechtbank ook geen gewichtige reden op. De ZorgSpecialist heeft onvoldoende onderbouwd dat zij [betrokkene 1] niet de zorg kan geven die hij nodig heeft. Bovendien is niet gebleken dat De ZorgSpecialist alles heeft gedaan dat redelijkerwijs van haar gevraagd kon worden om een beëindiging te voorkomen (zie 5.12 en verder).
5.10.
Gelet op de verstrekkende gevolgen van de beëindiging van een begeleidingsovereenkomst, had van De ZorgSpecialist een deugdelijke onderbouwing verwacht mogen worden van de door haar ingenomen stelling dat zij de door [betrokkene 1] benodigde zorg niet kan geven. Dit spreekt temeer waar De ZorgSpecialist in september 2023 had geconcludeerd dat de begeleidingsbehoeften van [betrokkene 1] wél aansluiten bij de door haar geboden begeleiding. De Zorgspecialist had haar stelling bijvoorbeeld kunnen onderbouwen met een rapport van de gedragsdeskundige, die De ZorgSpecialist blijkens het gespreksverslag van 17 januari 2024 zou inzetten om te onderzoeken of de begeleiding in [naam] aansluit bij de begeleidingsbehoeftes van [betrokkene 1]. Een dergelijk rapport ontbreekt echter en het is de Rechtbank niet duidelijk geworden of er een gedragsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.
De ZorgSpecialist is verantwoordelijk voor haar eigen selectieproces
5.11.
De ZorgSpecialist heeft aangevoerd dat zij bij het aannameproces op het verkeerde been is gezet, doordat [eiser] bewust cruciale informatie over [betrokkene 1] voor haar heeft achtergehouden. De Rechtbank acht dit verwijt onterecht. Als professionele zorginstelling is De ZorgSpecialist zelf verantwoordelijk voor haar selectie. De ZorgSpecialist heeft de door [eiser] verstrekte informatie destijds als volledig en compleet bestempeld. Hoewel in die documentatie werd verwezen naar onderzoeksrapporten, heeft De ZorgSpecialist ervoor gekozen [betrokkene 1] te plaatsen zonder de inhoud van die rapporten te kennen. Die omstandigheid komt voor haar rekening en risico. Dat [eiser] tijdens het selectieproces desgevraagd zou hebben geweigerd de rapporten te verstrekken, zoals De ZorgSpecialist heeft aangevoerd, is door [eiser] betwist en is tegenover die betwisting niet verder onderbouwd. Blijkens het dossier heeft De ZorgSpecialist pas ruim nadat [betrokkene 1] door [naam] was geselecteerd om aanvullende documentatie gevraagd.
De ZorgSpecialist heeft onvoldoende gedaan om beëindiging te voorkomen
5.12.
De stelling van De ZorgSpecialist dat zij [betrokkene 1] niet de zorg kan geven die hij nodig heeft, lijkt te zijn ingegeven door incidenten die zich eind december en medio januari 2024 hebben voorgedaan. Volgens De ZorgSpecialist liet [betrokkene 1] toen onhanteerbaar gedrag zien; hij is boos geworden en heeft met deuren geslagen en gescholden omdat hij moeite had met bepaalde (huis-)regels. De incidenten kunnen de verstrekkende conclusie die De ZorgSpecialist eraan verbonden heeft niet dragen. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat [betrokkene 1] zich ten tijde van de incidenten nog in een gewenningsproces bevond, er nog geen (definitief) zorgplan was opgesteld en de PMT nog niet was opgestart. Tot slot was er nog geen passende dagbesteding waardoor [betrokkene 1] grote delen van de dag alleen op [naam] doorbracht. Het door De ZorgSpecialist omschreven gedrag komt de Rechtbank gegeven deze omstandigheden en de VG6 indicatie ook niet zo uitzonderlijk voor dat een professionele zorginstelling, die ook zorg verleent aan mensen met een VG6 indicatie, dat niet zou kunnen hanteren.
5.13.
De Rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat De ZorgSpecialist onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij er alles aan heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar gevraagd kon worden om beëindiging van de begeleidingsovereenkomst te voorkomen. De ZorgSpecialist heeft weliswaar naar voren gebracht dat er in de periode na 18 januari 2024 wel intensief contact tussen partijen is geweest. Daaruit kan echter niet worden afgeleid wat De ZorgSpecialist concreet heeft ondernomen om het verblijf van [betrokkene 1] bij [naam] alsnog tot een succes te maken.
5.14.
In het gesprek op 17 januari 2024 heeft De ZorgSpecialist voor het eerst een (formeel) signaal over het gedrag van [betrokkene 1] afgegeven. Tot die tijd was er geen officiële communicatie over [betrokkene 1] (de ouders hadden ook geen toegang tot een digitaal clientdossier) en was er ook nog geen zorg-/begeleidingsplan opgesteld. Dit gesprek had voor De ZorgSpecialist het startpunt moeten zijn om samen met de ouders van [betrokkene 1] een plan van aanpak te maken om de gerezen uitdagingen het hoofd te bieden. Zo had een gedragsdeskundige op de groep ingezet kunnen worden en een relatiebegeleider om de relatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] te begeleiden. Dat laatste lag voor de hand nu de incidenten met [betrokkene 1] vooral verband hielden met pogingen van De ZorgSpecialist (of [betrokkene 2]?) om de relatie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] te ontmoedigen. Ook had De ZorgSpecialist wellicht tegemoet kunnen komen aan de wens van [betrokkene 1] om een andere persoonlijk begeleider te krijgen, vanwege de nauwe contacten van die begeleider met [betrokkene 5] en haar ouders. De ZorgSpecialist heeft niet toegelicht waarom zij aan die wens niet tegemoet is gekomen. Verder moest ten tijde van het gesprek op 17 januari 2024 de PMT (die [betrokkene 1] kon helpen met emotieregulering) nog worden opgestart en moest [betrokkene 1] nog aan passende dagbesteding worden geholpen. De Rechtbank acht het niet uitgesloten dat met de inzet van deze inventies het verblijf van [betrokkene 1] wel een succes zou zijn geworden. Dat geldt te meer nu [naam] tijdens de eerste weken van zijn verblijf heel positief was over [betrokkene 1].
5.15.
Alles bij elkaar genomen vindt de Rechtbank dat De ZorgSpecialist te vroeg heeft geconcludeerd dat zij [betrokkene 1] niet de benodigde zorg kon verlenen, waardoor [betrokkene 1] onvoldoende kans heeft gekregen om in zijn nieuwe woonomgeving ‘te groeien’.
Ongewenste belangenverstrengeling
5.16.
Naar in de zorg geldende governance opvattingen rust op zorgbestuurders de plicht om elke vorm van ongewenste belangenverstrengeling te voorkomen en de schijn ervan te vermijden. Van ongewenste belangenverstrengeling is sprake wanneer de verschillende belangen of posities een zodanige invloed op elkaar hebben dat de onafhankelijkheid, objectiviteit of integriteit van een bestuurder met betrekking tot een belangenafweging in het geding komt. Een bestuurder dient zich te onthouden van deelneming aan beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft.
5.17.
[betrokkene 2] heeft ter zitting benadrukt dat zij haar rollen als bestuurder van De ZorgSpecialist en moeder (en mentor) van [betrokkene 5] altijd heel goed en bewust gescheiden heeft gehouden. De Rechtbank kan zich evenwel moeilijk aan de indruk onttrekken dat de dubbelrol van [betrokkene 2] bij de handelwijze van De ZorgSpecialist wel degelijk een rol heeft gespeeld.
5.18.
De Rechtbank heeft begrip voor het zwaarwegende belang van [betrokkene 2] om haar kwetsbare dochter [betrokkene 5] te beschermen. Dat laat echter onverlet dat op [betrokkene 2] als bestuurder van De ZorgSpecialist een vergaande (inspannings-)verplichting rust om haar cliënt [betrokkene 1] passende zorg te verlenen. [betrokkene 2] heeft onvoldoende (kenbaar) onderkend dat deze belangen kunnen botsen en (daardoor) van invloed (kunnen) zijn op haar objectiviteit met betrekking tot de belangenafweging. [betrokkene 2] had deze (schijn van) belangenverstrengeling moeten voorkomen door zich aan de besluitvorming over [betrokkene 1] te onttrekken. In plaats daarvan heeft zij aan meerdere gesprekken over de zorg aan [betrokkene 1] deelgenomen en de beslissing genomen om de zorg aan [betrokkene 1] op te schorten en (vervolgens) de begeleidingsovereenkomst op te zeggen. Ook dit brengt mee dat aan de beëindiging van deze overeenkomst gebreken kleven.
Onrechtmatige daad jegens [eiser]?
5.19.
De Rechtbank is van oordeel dat De ZorgSpecialist jegens [eiser] niet onrechtmatig heeft gehandeld door hem verantwoordelijk te houden voor het volgens haar onder onjuiste voorstellingen aangaan van de begeleidings- en huurovereenkomst. Hoewel hiervoor is overwogen dat dit verwijt onterecht is, levert het (in correspondentie tussen partijen) innemen van een onjuist standpunt nog geen onrechtmatige daad op. Van het opzettelijk schaden van de reputatie of waardigheid van [eiser] door middel van smaad of laster is geen sprake geweest. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
De ZorgSpecialist moet schadevergoeding betalen
5.20.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat De ZorgSpecialist toerekenbaar tekort is geschoten in nakoming van de begeleidings- en huurovereenkomst, is zij aansprakelijk voor daardoor geleden schade.
5.21.
De ZorgSpecialist wordt veroordeeld om de over februari en maart 2024 ontvangen huurpenningen terug te betalen. [betrokkene 1] heeft in die maanden immers door de tekortkomingen van De ZorgSpecialist geen zorg gehad en niet op [naam] kunnen wonen (zie 5.8 hiervoor). Het verweer van De ZorgSpecialist dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen om [betrokkene 1] op 18 januari 2024 op te halen voor een time-out, wordt verworpen. [eiser] heeft toegelicht dat op die datum slechts een kort verblijf bij de moeder van [betrokkene 1] gepland stond, maar dat [betrokkene 1] vervolgens niet naar [naam] kon terugkeren omdat hij er niet meer welkom was. Dit wordt ondersteund door e-mailcorrespondentie waarin [eiser] meermaals vraagt om een vervolggesprek omdat [betrokkene 1] graag terug naar [naam] wil. Dat De ZorgSpecialist vanaf 18 januari 2024 geen ZIN-budget meer voor [betrokkene 1] heeft ontvangen, is een omstandigheid die voor haar rekening blijft, en doet aan het voorgaande niet af.
5.22.
De gevorderde schilder,-verhuis en opslagkosten worden toegewezen, omdat deze in voldoende verband staan met de tekortkomingen. De schilderkosten zijn nodeloos gemaakt, doordat De ZorgSpecialist de overeenkomst op ontoereikende gronden onverwacht snel heeft opgezegd. De opslagkosten waren noodzakelijk omdat de overeenkomst al was beëindigd voordat een nieuwe zorginstelling voor [betrokkene 1] was gevonden en ook de verhuiskosten zijn in de gegeven omstandigheden redelijk. Het gevorderde bedrag van € 1.335,97 (tegen de hoogte waarvan geen verweer is gevoerd) wordt toegewezen.
5.23.
De immateriële schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Mede gelet op wat [betrokkene 1] zelf om de zitting heeft opgemerkt acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de handelwijze van De ZorgSpecialist veel impact op [betrokkene 1] heeft gehad en veel stress en verdriet heeft veroorzaakt. De aard en de ernst van de normschending brengen in dit geval met zich dat de nadelige gevolgen daarvan voor [betrokkene 1] zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon moet worden aangenomen.
5.24.
De gevorderde jaarbeloning voor bewindvoerders wordt eveneens toegewezen. De ZorgSpecialist heeft niet weersproken dat [eiser] niet eerder aanspraak op deze beloning heeft gemaakt, maar dat nu wel heeft gedaan omdat hij door de handelwijze van De ZorgSpecialist veel tijd kwijt is geweest aan de begeleiding van [betrokkene 1]. De Rechtbank acht het aannemelijk dat [eiser] uitsluitend als gevolg van de tekortkomingen van De ZorgSpecialist een beroep op deze beloning heeft gedaan. Het hiervoor gevorderde bedrag van € 5.460,- wordt als onbetwist toegewezen.
5.25.
De ZorgSpecialist zal ook worden veroordeeld om vermogensschade te vergoeden die [eiser] heeft geleden door de tekortkomingen van De ZorgSpecialist. [eiser] heeft een eigen recht op vergoeding, dat bestaat op grond van de aansprakelijkheid van De ZorgSpecialist jegens [betrokkene 1] (‘verplaatste schade’). Voor vergoeding komt in aanmerking de tijd die [eiser] kosteloos heeft besteed aan zorg- en bijstand voor [betrokkene 1], voor zover het normaal en gebruikelijk is daarvoor tegen vergoeding derden in te schakelen.
5.26.
[eiser] heeft nagelaten inzichtelijk te maken wat een gebruikelijke vergoeding zou zijn geweest wanneer voor deze zorg en begeleiding professionals zouden zijn ingeschakeld. In plaats daarvan gaat hij in zijn schadeberekening – naar het oordeel van de Rechtbank ten onrechte - uit van zijn eigen (commerciële) uurtarief van € 175,-. De Rechtbank zal bij het begroten van de schade uitgaan van een uurtarief van € 70,-. Voor wat betreft de bestede tijd heeft [eiser] een urenoverzicht overgelegd met in totaal 268 bestede uren. De ZorgSpecialist heeft terecht opgemerkt dat hierin ook tijd is opgenomen die is besteed aan het buitengerechtelijke incassotraject en voorbereidingen ten behoeve van deze procedure. Vergoeding voor die tijd wordt geacht te zijn inbegrepen in de incassokosten en proceskostenveroordeling. [eiser] lijkt hier al rekening mee te hebben gehouden door in deze procedure vergoeding te vorderen van 197 uren in plaats van het totaal van 268 uren. Uitgaande van de gevorderde 197 uren (waartegen door De ZorgSpecialist geen specifiek verweer is gevoerd), een uurtarief van € 70,- en een forfaitair belastingpercentage van 37% wijst de Rechtbank een bedrag van € 8.687,70 toe.
De ZorgSpecialist moet buitengerechtelijke incassokosten vergoeden
5.27.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft onbetwist gesteld (en onderbouwd) dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom bestaat recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. De kantonrechter zal de vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. Dit komt neer op een bedrag van € 1.149,30.
Proceskosten
5.28.
Omdat De ZorgSpecialist (grotendeels) in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 2.750,04, bestaande uit € 148,04 aan verschotten, € 1.374,- aan griffiegeld en € 1.228,- (tarief van € 614,- x 2 punten) aan salaris advocaat.
6De beslissing
De Rechtbank:
6.1.
verklaart voor recht dat De ZorgSpecialist tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de begeleidings- en huurovereenkomst met [betrokkene 1];
6.2.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling aan [betrokkene 1] van een bedrag van € 8.795,97 aan schadevergoeding;
6.3.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.687,70 aan schadevergoeding;
6.4.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling aan [betrokkene 1] van een bedrag van € 1.149,30 aan buitengerechtelijke incassokosten;
6.5.
veroordeelt De ZorgSpecialist in de proceskosten die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.750,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
6.6.
veroordeelt De ZorgSpecialist tot betaling van € 173,-, te vermeerderen met € 90 betekeningskosten, voor zover deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt;
6.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 7:460 BW.
Zie 3.14 bij Feiten.
Blijkens de brief van De ZorgSpecialist van 30 april 2024 is haar ‘selectieproces zorgvuldig en veelomvattend en kent het verschillende fasen, van oriënterend contact naar verdiepend onderzoek (…)’.
Zie 3.6 bij Feiten.
Zie 3.18 bij Feiten.
De Rechtbank leidt dit af uit het gespreksverslag van 17 januari 2024, zie 3.14 bij Feiten.
[betrokkene 1] woonde toen circa 4-6 weken bij [naam], nadat hij 27 jaar in een beschermde omgeving bij zijn moeder had gewoond.
Zie 3.2 bij Feiten.
Zoals De ZorgSpecialist op 17 januari 2024 had aangekondigd.
Zie 3.12 bij Feiten.
Zie 3.17 bij Feiten.
Zie 3.11 bij Feiten.
Artikel 6:106 onder b BW.
Zie 3.17 bij Feiten.
Artikel 6:106 onder b BW.
Artikel 6:107 lid 1 onder a BW.
HR 28 mei 1999, ECLI:NL:1999:ZC2912 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:853.