Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:4264
2026-03-25
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11448216 \ CV EXPL 24-8698
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Luchtvaart. Bevoegdheid ktr. Uitvoerende LVM. Buitengewone omstandigheden.
Citeert (2)
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.890 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11448216 \ CV EXPL 24-8698
Uitspraakdatum: 25 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], 2. [eiser 2],
3. [eiser 3], allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. B.W. Floris
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Delta Air Lines Inc.
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 8 september 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Toronto (Canada), via New York (Verenigde Staten van Amerika), met vluchtcombinatie KL645 en KL6544.
2.2.
Vlucht KL6544 van New York naar Toronto (hierna: de vlucht) zou feitelijk worden uitgevoerd door de vervoerder onder het vluchtnummer DL4990.
2.3.
De vlucht is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht en met een vertraging van 35 uur en 29 minuten aangekomen op de eindbestemming.
2.4.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3Het geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 326,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4De beoordeling
De kantonrechter is bevoegd om van het geschil kennis te nemen
4.1.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet in de eerste plaats worden gekeken naar de bepalingen van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), hierna: Brussel I bis. Uitgangspunt is dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. Rechtspersonen hebben voor de toepassing van de verordening woonplaats op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging. In dit geval is de vervoerder gevestigd in Wilmington in de Verenigde Staten van Amerika en heeft deze dus geen woonplaats in een lidstaat. Dan geldt dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht. Brussel I bis biedt ook geen alternatieve bevoegdheidsgrond. Daarbij is van belang dat sprake is van een vervoerovereenkomst en dat uit artikel 17 lid 3 van de Brussel I bis-Verordening volgt dat afdeling 4 (betreffende de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten) niet van toepassing is op vervoerovereenkomsten.
4.2.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats van een rechtspersoon is daar waar hij zijn statutaire zetel heeft. Vast staat dat de statutaire zetel van de vervoerder is gelegen in Wilmington (Verenigde Staten van Amerika), zodat hij geen woonplaats heeft in Nederland. Evenmin is gebleken dat de vervoerder mede woonplaats heeft te Schiphol. De kantonrechter kan dan ook geen bevoegdheid ontlenen aan voornoemde artikelen.
4.3.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6a aanhef en sub b Rv is voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Ook een luchtvervoerovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot verstrekking van diensten. Als de plaats van verstrekking van diensten geldt zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van de vlucht.
4.4.
In geschil is wat in dit geval als ‘plaats van vertrek’ moet worden aangemerkt. De vervoerder betoogt dat dit New York is. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de vervoerder meent dat de vlucht van Amsterdam naar New York als een afzonderlijke vervoersdienst moet worden aangemerkt. De kantonrechter volgt dit niet. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de vluchten in één boeking (met reserveringsnummer RMIUZ6) zijn aangekocht. Dit betekent dat in het onderhavige geval het eerste gedeelte van de vlucht als rechtstreekse aansluiting onderdeel is geworden van het traject Amsterdam – Toronto en dat Amsterdam als vertrekpunt heeft te gelden. Gelet op het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu de luchthaven van Amsterdam als plaats van vertrek heeft te gelden en daarmee, gelet op het Rehder-arrest, als plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt dit overigens ook gelijk het aanknopingspunt voor de relatieve bevoegdheid. Nu in Amsterdam slechts de luchthaven Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) gelegen is, kan alleen de rechtbank Noord-Holland relatief bevoegd zijn.
De vervoerder is de uitvoerende luchtvaartmaatschappij van de vlucht
4.5.
De vervoerder voert aan dat de passagiers met KLM een vervoerovereenkomst hebben gesloten voor de vluchtcombinatie van Amsterdam naar Toronto en dat de vervoerder niet betrokken is geweest bij de vlucht vanaf de luchthaven van Amsterdam. De kantonrechter overweegt als volgt.
4.6.
In de beschikking van het Hof is het volgende overwogen: “Wat de vraag betreft wie aansprakelijk is voor de betaling van de compensatie die verschuldigd is in geval van langdurige vertraging bij aankomst van rechtstreeks aansluitende vluchten, zoals die in het hoofdgeding, heeft het Hof verduidelijkt dat elke luchtvaartmaatschappij die ten minste één van deze rechtstreeks aansluitende vluchten heeft uitgevoerd deze compensatie verschuldigd is, ongeacht of de door haar uitgevoerde vlucht al dan niet aan de basis lag van de langdurige vertraging waarmee de passagier op zijn eindbestemming is aangekomen (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, České aerolinie, C502/18, EU:C:2019:604, punten 2026)”.
4.7.
Vaststaat dat ten minste een gedeelte van de reis (de vlucht van New York naar Toronto) feitelijk zou worden uitgevoerd door de vervoerder en dat de vlucht is geannuleerd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vervoerder - als uitvoerende luchtvaartmaatschappij - aansprakelijk kan worden gehouden voor de compensatie die mogelijk verschuldigd is als gevolg van de vertraging die de passagiers tijdens de uitvoering van deze vlucht hebben opgelopen. Verder wordt overwogen dat de bedoeling van de Verordening is om een hoge en effectieve mate van bescherming van de rechten van passagiers te realiseren. In dat kader is geabstraheerd van contractuele verhoudingen: passagiers die in het bezit zijn van een bevestigde boeking voor een vlucht kunnen ingeval die vlucht is vertraagd die luchtvaartmaatschappij die deze zou uitvoeren aanspreken, ongeacht of zij daarmee rechtstreeks een overeenkomst zijn aangegaan. De luchtvaartmaatschappij kan in voorkomende gevallen vervolgens verhaal zoeken bij de touroperator, (of in dit geval KLM).
Het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt niet
4.8.
Vaststaat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
4.9.
De vervoerder voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg is van slechte weersomstandigheden op de luchthaven van New York, bestaande uit onweer en bliksem. Ter onderbouwing heeft de vervoerder onder meer een meteorologisch rapport overgelegd, waarin metingen staan over de periode 17:51 uur UTC en 21:51 uur UTC op 8 september 2023. Ook had de luchtverkeersleiding het aantal vluchten als gevolg van de slechte weersomstandigheden naar beneden bijgesteld, aldus de vervoerder.
4.10.
Wat hier ook van zij, vaststaat dat de passagiers met een vertraging van meer dan 24 uur zijn aangekomen op de eindbestemming. Het is in beginsel geen redelijke maatregel, indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Hierbij gaat de kantonrechter, voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’, uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Gesteld noch gebleken is dat zich één van deze uitzonderingssituaties voordeed.
4.11.
De passagiers stellen dat zij onder meer met DL5017, AC8553, DL3875 of DL4990 eerder op de eindbestemming zouden zijn aangekomen. De passagiers zijn volgens de vervoerder omgeboekt naar de eerstvolgende beschikbare vlucht. Het had echter op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen waarom hij de passagier niet op een van deze vluchten heeft omgeboekt. De enkele blote stelling dat die vluchten vol zaten is daartoe onvoldoende. De vervoerder heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken.
4.12.
Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder gehouden is de passagiers te compenseren in verband met de vertraging van de passagiers van meer dan 24 uur op de eindbestemming.
4.13.
Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen.
4.14.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt het volgende overwogen. De passagiers hebben de wettelijke rente gevorderd met ingang “vanaf datum vlucht”. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 8 september 2023, zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming had moeten aankomen.
4.15.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.16.
De vervoerder zal grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 september 2023 tot aan de dag van voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 434,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 63 Brussel I bis
Op grond van artikel 6 van Brussel I bis.
Artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Ingevolge artikel 1:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
op grond van artikel 1:10 lid 2 BW jo artikel 2 Rv.
Op grond van artikel 1:14 BW.
Op grond van artikel 6, aanhef en sub a Rv.
(zie HvJ 9 juli 2009, C-204/08, NJ 2013/314 (Rehder) en HvJ 7 maart 2018, gevoegde zaken C-274/16, C-447/16 en C-448/16, ECLI:EU:C:2018:160, NJ 2018/190 (flightright GmbH)).
Artikel 6, aanhef en onder a Rv.
Het Hof, 12 november 2020 (C-367/20, ECLI:EU:C:2020:909).
Op grond van artikel 13 van de Verordening.
Gelet op het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19).
Gelet op artikel 6:83 sub b BW.
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11448216 \ CV EXPL 24-8698
Uitspraakdatum: 25 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1], 2. [eiser 2],
3. [eiser 3], allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. B.W. Floris
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Delta Air Lines Inc.
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 8 september 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Toronto (Canada), via New York (Verenigde Staten van Amerika), met vluchtcombinatie KL645 en KL6544.
2.2.
Vlucht KL6544 van New York naar Toronto (hierna: de vlucht) zou feitelijk worden uitgevoerd door de vervoerder onder het vluchtnummer DL4990.
2.3.
De vlucht is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht en met een vertraging van 35 uur en 29 minuten aangekomen op de eindbestemming.
2.4.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3Het geschil
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 326,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4De beoordeling
De kantonrechter is bevoegd om van het geschil kennis te nemen
4.1.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet in de eerste plaats worden gekeken naar de bepalingen van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), hierna: Brussel I bis. Uitgangspunt is dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. Rechtspersonen hebben voor de toepassing van de verordening woonplaats op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging. In dit geval is de vervoerder gevestigd in Wilmington in de Verenigde Staten van Amerika en heeft deze dus geen woonplaats in een lidstaat. Dan geldt dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht. Brussel I bis biedt ook geen alternatieve bevoegdheidsgrond. Daarbij is van belang dat sprake is van een vervoerovereenkomst en dat uit artikel 17 lid 3 van de Brussel I bis-Verordening volgt dat afdeling 4 (betreffende de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten) niet van toepassing is op vervoerovereenkomsten.
4.2.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats van een rechtspersoon is daar waar hij zijn statutaire zetel heeft. Vast staat dat de statutaire zetel van de vervoerder is gelegen in Wilmington (Verenigde Staten van Amerika), zodat hij geen woonplaats heeft in Nederland. Evenmin is gebleken dat de vervoerder mede woonplaats heeft te Schiphol. De kantonrechter kan dan ook geen bevoegdheid ontlenen aan voornoemde artikelen.
4.3.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6a aanhef en sub b Rv is voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Ook een luchtvervoerovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot verstrekking van diensten. Als de plaats van verstrekking van diensten geldt zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van de vlucht.
4.4.
In geschil is wat in dit geval als ‘plaats van vertrek’ moet worden aangemerkt. De vervoerder betoogt dat dit New York is. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de vervoerder meent dat de vlucht van Amsterdam naar New York als een afzonderlijke vervoersdienst moet worden aangemerkt. De kantonrechter volgt dit niet. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de vluchten in één boeking (met reserveringsnummer RMIUZ6) zijn aangekocht. Dit betekent dat in het onderhavige geval het eerste gedeelte van de vlucht als rechtstreekse aansluiting onderdeel is geworden van het traject Amsterdam – Toronto en dat Amsterdam als vertrekpunt heeft te gelden. Gelet op het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu de luchthaven van Amsterdam als plaats van vertrek heeft te gelden en daarmee, gelet op het Rehder-arrest, als plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt dit overigens ook gelijk het aanknopingspunt voor de relatieve bevoegdheid. Nu in Amsterdam slechts de luchthaven Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) gelegen is, kan alleen de rechtbank Noord-Holland relatief bevoegd zijn.
De vervoerder is de uitvoerende luchtvaartmaatschappij van de vlucht
4.5.
De vervoerder voert aan dat de passagiers met KLM een vervoerovereenkomst hebben gesloten voor de vluchtcombinatie van Amsterdam naar Toronto en dat de vervoerder niet betrokken is geweest bij de vlucht vanaf de luchthaven van Amsterdam. De kantonrechter overweegt als volgt.
4.6.
In de beschikking van het Hof is het volgende overwogen: “Wat de vraag betreft wie aansprakelijk is voor de betaling van de compensatie die verschuldigd is in geval van langdurige vertraging bij aankomst van rechtstreeks aansluitende vluchten, zoals die in het hoofdgeding, heeft het Hof verduidelijkt dat elke luchtvaartmaatschappij die ten minste één van deze rechtstreeks aansluitende vluchten heeft uitgevoerd deze compensatie verschuldigd is, ongeacht of de door haar uitgevoerde vlucht al dan niet aan de basis lag van de langdurige vertraging waarmee de passagier op zijn eindbestemming is aangekomen (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, České aerolinie, C502/18, EU:C:2019:604, punten 2026)”.
4.7.
Vaststaat dat ten minste een gedeelte van de reis (de vlucht van New York naar Toronto) feitelijk zou worden uitgevoerd door de vervoerder en dat de vlucht is geannuleerd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vervoerder - als uitvoerende luchtvaartmaatschappij - aansprakelijk kan worden gehouden voor de compensatie die mogelijk verschuldigd is als gevolg van de vertraging die de passagiers tijdens de uitvoering van deze vlucht hebben opgelopen. Verder wordt overwogen dat de bedoeling van de Verordening is om een hoge en effectieve mate van bescherming van de rechten van passagiers te realiseren. In dat kader is geabstraheerd van contractuele verhoudingen: passagiers die in het bezit zijn van een bevestigde boeking voor een vlucht kunnen ingeval die vlucht is vertraagd die luchtvaartmaatschappij die deze zou uitvoeren aanspreken, ongeacht of zij daarmee rechtstreeks een overeenkomst zijn aangegaan. De luchtvaartmaatschappij kan in voorkomende gevallen vervolgens verhaal zoeken bij de touroperator, (of in dit geval KLM).
Het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt niet
4.8.
Vaststaat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
4.9.
De vervoerder voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg is van slechte weersomstandigheden op de luchthaven van New York, bestaande uit onweer en bliksem. Ter onderbouwing heeft de vervoerder onder meer een meteorologisch rapport overgelegd, waarin metingen staan over de periode 17:51 uur UTC en 21:51 uur UTC op 8 september 2023. Ook had de luchtverkeersleiding het aantal vluchten als gevolg van de slechte weersomstandigheden naar beneden bijgesteld, aldus de vervoerder.
4.10.
Wat hier ook van zij, vaststaat dat de passagiers met een vertraging van meer dan 24 uur zijn aangekomen op de eindbestemming. Het is in beginsel geen redelijke maatregel, indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Hierbij gaat de kantonrechter, voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’, uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Gesteld noch gebleken is dat zich één van deze uitzonderingssituaties voordeed.
4.11.
De passagiers stellen dat zij onder meer met DL5017, AC8553, DL3875 of DL4990 eerder op de eindbestemming zouden zijn aangekomen. De passagiers zijn volgens de vervoerder omgeboekt naar de eerstvolgende beschikbare vlucht. Het had echter op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen waarom hij de passagier niet op een van deze vluchten heeft omgeboekt. De enkele blote stelling dat die vluchten vol zaten is daartoe onvoldoende. De vervoerder heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken.
4.12.
Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder gehouden is de passagiers te compenseren in verband met de vertraging van de passagiers van meer dan 24 uur op de eindbestemming.
4.13.
Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen.
4.14.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt het volgende overwogen. De passagiers hebben de wettelijke rente gevorderd met ingang “vanaf datum vlucht”. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 8 september 2023, zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming had moeten aankomen.
4.15.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.16.
De vervoerder zal grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 september 2023 tot aan de dag van voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 248,00;salaris gemachtigde € 434,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 63 Brussel I bis
Op grond van artikel 6 van Brussel I bis.
Artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Ingevolge artikel 1:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
op grond van artikel 1:10 lid 2 BW jo artikel 2 Rv.
Op grond van artikel 1:14 BW.
Op grond van artikel 6, aanhef en sub a Rv.
(zie HvJ 9 juli 2009, C-204/08, NJ 2013/314 (Rehder) en HvJ 7 maart 2018, gevoegde zaken C-274/16, C-447/16 en C-448/16, ECLI:EU:C:2018:160, NJ 2018/190 (flightright GmbH)).
Artikel 6, aanhef en onder a Rv.
Het Hof, 12 november 2020 (C-367/20, ECLI:EU:C:2020:909).
Op grond van artikel 13 van de Verordening.
Gelet op het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19).
Gelet op artikel 6:83 sub b BW.