Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:3211
2026-03-06
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/374911 / JU RK 26-302
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee minderjarigen voor de duur van één jaar. Omdat er signalen zijn dat de minderjarigen bij de vader opgroeien in een onveilige gezinssituatie en de vader tot op heden niet meewerkt met de hulpverlening is het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de moeder toegewezen voor de duur van een jaar. De komende periode is het van belang dat er onderzoek wordt gedaan naar de opvoedsituatie bij de vader en dat de vader mee gaat werken met de hulpverlening, zodat beide ouders uiteindelijk volwaardig verantwoordelijk kunnen zijn voor de opvoeding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.438 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374911 / JU RK 26-302
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J. Werner, kantoorhoudende te Amsterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. S.L. Prass, kantoorhoudende te Amsterdam,
de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Velserbroek,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2026;
het raadsrapport van 26 februari 2026, met bijlagen;
de schriftelijke reactie van de vader op het raadsrapport van 2 maart 2026, ontvangen op 3 maart 2026;
de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2026 over de (spoed)uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , ingediend door de Raad op 4 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder (via videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader en de moeder zijn ter zitting bijgestaan door een tolk [taal] .
2De feiten
2.1.
De vader, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben de Nederlandse nationaliteit, de moeder heeft de Ghanese nationaliteit.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij beschikking van 17 juli 2024 onder
toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
welke ondertoezichtstelling liep tot 17 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 15 december 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 maart 2026. Bij deze heeft de kinderrechter ook een
spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen, die is verlengd tot 15 maart 2026. Deze beslissing is bij beschikking het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2026 bekrachtigd.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben een belast verleden. Zij groeien al langere tijd op in een zeer conflictueuze situatie tussen de ouders. Zij hebben veel wisselingen in woonplek doorgemaakt en zijn naar alle waarschijnlijkheid geconfronteerd geweest met ruzies en spanningen tussen de ouders. Vanwege strijd over de omgang heeft de vader de kinderen een aantal maanden contact met de moeder onthouden en de hulpverlening buiten de deur gehouden. Er is gebrek aan zicht op de opvoedsituatie bij de vader en er zijn signalen dat het bij hem thuis niet ontspannen en veilig is. [de minderjarige 1] heeft uitgesproken dat ze in de thuissituatie bij de vader werd geslagen. Sinds 16 december 2025 wonen de kinderen bij de moeder.
De ouders hebben beiden aangegeven open te staan voor hulpverlening, maar de realiteit wijst uit dat dit niet van de grond komt; met name de vader is vooralsnog niet in staat gebleken om hulpverlening te accepteren. Het is van groot belang dat er, samen met de ouders en de hulpverlening, gekeken gaat worden hoe het contact tussen de kinderen en de ouders wordt vormgegeven en welke hulpverlening er ingezet moet worden om te zorgen voor een goede en veilige ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar lijkt de Raad passend, gezien de aard en ernst van de zorgen binnen het gezin. Zowel bij [de minderjarige 1] als bij [de minderjarige 2] zijn er zorgen over hun taalontwikkeling. [de minderjarige 1] blijkt grote angst te hebben voor haar vader en zij geeft aan niet meer terug te willen naar hem. Ook wil zij hem niet zien en niet bij hem slapen. [de minderjarige 2] kan zich vanwege zijn spraakachterstand niet uitspreken. Daarom wordt ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk geacht.
4De standpunten
4.1.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij het belangrijk vindt dat de kinderen worden verzorgd door hun beide ouders en zo snel mogelijk weer naar school gaan. Hij is bereid om contact te houden en mee te werken met de geboden hulpverlening en wil actief betrokken blijven als vader. Hij wil werken aan terugplaatsing van de kinderen bij hem. De vader ontkent dat er sprake is geweest van seksueel geweld tegen de moeder.
4.2.
Namens de moeder heeft de advocaat naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Zij heeft eerder aangifte gedaan jegens vader van mishandelingen en seksueel geweld. Het is positief dat de vader zich inmiddels langzaamaan iets meer openstelt voor hulpverlening. Desondanks zijn de actuele zorgen ernstig en reëel, en dient de veiligheid van de kinderen voorop te staan. De moeder kan hen de veiligheid bieden, die er de afgelopen jaren bij de vader niet is geweest. De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat met de kinderen en dat ze gelukkig en blij zijn.
4.3.
Namens de GI is naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de Raad staat. De uithuisplaatsing heeft een grote impact gehad op de kinderen. [de minderjarige 1] reageert stressvol op het wekelijkse videobelmoment met haar vader. Zij geeft aan dat ze bij haar moeder wil wonen en niet terug wil naar de vader. Zij heeft meerdere malen verteld dat zij en haar broertje [de minderjarige 2] door haar vader en een vrouw zouden zijn geslagen. [de minderjarige 1] zit inmiddels in [plaats] op school en voor [de minderjarige 2] wordt nog naar een passende plek voor onderwijs gezocht. Het doel is om meer inzicht te krijgen in de opvoedsituatie bij de vader en hulp te bieden daar waar het nodig is. Daarnaast dient er voor [de minderjarige 1] ook hulp te komen, zodat zij zich weer veiliger gaat voelen.
5De beoordeling
rechtsmacht
5.1.
Door de omstandigheid dat de vader, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de Nederlandse nationaliteit hebben en de moeder de Ghanese nationaliteit, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de Raad. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake van het verzoek.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht.
inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat er signalen zijn dat zij bij de vader opgroeien in een onveilige gezinssituatie, terwijl niemand zicht krijgt op wat zich in die situatie afspeelt. [de minderjarige 1] heeft op verschillende plekken op verschillende momenten uitlatingen gedaan op basis waarvan het vermoeden is ontstaan dat de vader zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] fysiek heeft mishandeld. Zij reageert angstig en stressvol op haar vader en wil hem niet ontmoeten. De kinderrechter ziet geen enkele reden om deze uitingen van [de minderjarige 1] niet serieus te nemen nu zij al eerder uitspraken heeft gedaan over de veiligheid bij de vader thuis. Daarnaast is bij [de minderjarige 2] een sprake van een spraakachterstand.
Het is van belang dat onderzoek wordt gedaan naar de uitspraken van [de minderjarige 1] over de fysieke mishandeling door de vader alsook naar de opvoedsituatie van de kinderen bij de vader thuis. Daarbij is het van belang dat de vader bereikbaar is en goed samenwerkt met de hulpverlening, scholen en andere instanties, en inzicht geeft in zijn situatie. Zo kan worden beoordeeld welke hulp nodig is om de situatie tot stand de brengen dat de ouders samen volwaardig verantwoordelijk kunnen zijn voor de opvoeding van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] en hen een veilige thuissituatie kunnen bieden.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader tot op heden niet open heeft gestaan voor hulp en niet heeft meegewerkt met (hulpverlenende) instanties. Er is vele malen geprobeerd om met vader in contact te komen om zicht te krijgen op zijn situatie en hem ondersteuning te bieden, maar hij houdt alle contacten af. Daarbij komt dat de vader zeer wisselend is in het gedrag dat hij laat zien aan hulpverlenende instanties en de school. Hij zegt mee te willen werken, maar uiteindelijk blijkt hij daarvoor nauwelijks open te staan. Ter zitting heeft de vader aangegeven open te staan voor feedback. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de vader zijn bereidheid tot medewerking na zal komen.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Gedurende het onderzoek naar de opvoedsituatie bij de vader is het noodzakelijk dat de veiligheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gewaarborgd is. De bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kan worden weggenomen als zij zich in een veilige, rustige en positieve omgeving bevinden en die situatie kan de moeder hen bieden. De GI heeft geen zorgen over de thuissituatie bij de moeder. Gelet op het voorgaande is een uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder op dit moment noodzakelijk. Vanwege de ernst van de zorgen en het langdurige patroon waarbij de vader geen hulpverlening accepteert en openheid van zaken geeft, zal ook het verzoek tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar worden toegewezen.
5.7.
De beslissing over de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering met ingang van 6 maart 2026 tot 6 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder met ingang van 6 maart 2026 tot 6 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 10:113 BW jo. artikel 7 Brussel II ter.
Artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374911 / JU RK 26-302
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J. Werner, kantoorhoudende te Amsterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. S.L. Prass, kantoorhoudende te Amsterdam,
de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Velserbroek,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2026;
het raadsrapport van 26 februari 2026, met bijlagen;
de schriftelijke reactie van de vader op het raadsrapport van 2 maart 2026, ontvangen op 3 maart 2026;
de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2026 over de (spoed)uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , ingediend door de Raad op 4 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder (via videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader en de moeder zijn ter zitting bijgestaan door een tolk [taal] .
2De feiten
2.1.
De vader, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben de Nederlandse nationaliteit, de moeder heeft de Ghanese nationaliteit.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij beschikking van 17 juli 2024 onder
toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
welke ondertoezichtstelling liep tot 17 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 15 december 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 maart 2026. Bij deze heeft de kinderrechter ook een
spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen, die is verlengd tot 15 maart 2026. Deze beslissing is bij beschikking het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2026 bekrachtigd.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben een belast verleden. Zij groeien al langere tijd op in een zeer conflictueuze situatie tussen de ouders. Zij hebben veel wisselingen in woonplek doorgemaakt en zijn naar alle waarschijnlijkheid geconfronteerd geweest met ruzies en spanningen tussen de ouders. Vanwege strijd over de omgang heeft de vader de kinderen een aantal maanden contact met de moeder onthouden en de hulpverlening buiten de deur gehouden. Er is gebrek aan zicht op de opvoedsituatie bij de vader en er zijn signalen dat het bij hem thuis niet ontspannen en veilig is. [de minderjarige 1] heeft uitgesproken dat ze in de thuissituatie bij de vader werd geslagen. Sinds 16 december 2025 wonen de kinderen bij de moeder.
De ouders hebben beiden aangegeven open te staan voor hulpverlening, maar de realiteit wijst uit dat dit niet van de grond komt; met name de vader is vooralsnog niet in staat gebleken om hulpverlening te accepteren. Het is van groot belang dat er, samen met de ouders en de hulpverlening, gekeken gaat worden hoe het contact tussen de kinderen en de ouders wordt vormgegeven en welke hulpverlening er ingezet moet worden om te zorgen voor een goede en veilige ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar lijkt de Raad passend, gezien de aard en ernst van de zorgen binnen het gezin. Zowel bij [de minderjarige 1] als bij [de minderjarige 2] zijn er zorgen over hun taalontwikkeling. [de minderjarige 1] blijkt grote angst te hebben voor haar vader en zij geeft aan niet meer terug te willen naar hem. Ook wil zij hem niet zien en niet bij hem slapen. [de minderjarige 2] kan zich vanwege zijn spraakachterstand niet uitspreken. Daarom wordt ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk geacht.
4De standpunten
4.1.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij het belangrijk vindt dat de kinderen worden verzorgd door hun beide ouders en zo snel mogelijk weer naar school gaan. Hij is bereid om contact te houden en mee te werken met de geboden hulpverlening en wil actief betrokken blijven als vader. Hij wil werken aan terugplaatsing van de kinderen bij hem. De vader ontkent dat er sprake is geweest van seksueel geweld tegen de moeder.
4.2.
Namens de moeder heeft de advocaat naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Zij heeft eerder aangifte gedaan jegens vader van mishandelingen en seksueel geweld. Het is positief dat de vader zich inmiddels langzaamaan iets meer openstelt voor hulpverlening. Desondanks zijn de actuele zorgen ernstig en reëel, en dient de veiligheid van de kinderen voorop te staan. De moeder kan hen de veiligheid bieden, die er de afgelopen jaren bij de vader niet is geweest. De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat met de kinderen en dat ze gelukkig en blij zijn.
4.3.
Namens de GI is naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de Raad staat. De uithuisplaatsing heeft een grote impact gehad op de kinderen. [de minderjarige 1] reageert stressvol op het wekelijkse videobelmoment met haar vader. Zij geeft aan dat ze bij haar moeder wil wonen en niet terug wil naar de vader. Zij heeft meerdere malen verteld dat zij en haar broertje [de minderjarige 2] door haar vader en een vrouw zouden zijn geslagen. [de minderjarige 1] zit inmiddels in [plaats] op school en voor [de minderjarige 2] wordt nog naar een passende plek voor onderwijs gezocht. Het doel is om meer inzicht te krijgen in de opvoedsituatie bij de vader en hulp te bieden daar waar het nodig is. Daarnaast dient er voor [de minderjarige 1] ook hulp te komen, zodat zij zich weer veiliger gaat voelen.
5De beoordeling
rechtsmacht
5.1.
Door de omstandigheid dat de vader, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de Nederlandse nationaliteit hebben en de moeder de Ghanese nationaliteit, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de Raad. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake van het verzoek.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht.
inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat er signalen zijn dat zij bij de vader opgroeien in een onveilige gezinssituatie, terwijl niemand zicht krijgt op wat zich in die situatie afspeelt. [de minderjarige 1] heeft op verschillende plekken op verschillende momenten uitlatingen gedaan op basis waarvan het vermoeden is ontstaan dat de vader zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] fysiek heeft mishandeld. Zij reageert angstig en stressvol op haar vader en wil hem niet ontmoeten. De kinderrechter ziet geen enkele reden om deze uitingen van [de minderjarige 1] niet serieus te nemen nu zij al eerder uitspraken heeft gedaan over de veiligheid bij de vader thuis. Daarnaast is bij [de minderjarige 2] een sprake van een spraakachterstand.
Het is van belang dat onderzoek wordt gedaan naar de uitspraken van [de minderjarige 1] over de fysieke mishandeling door de vader alsook naar de opvoedsituatie van de kinderen bij de vader thuis. Daarbij is het van belang dat de vader bereikbaar is en goed samenwerkt met de hulpverlening, scholen en andere instanties, en inzicht geeft in zijn situatie. Zo kan worden beoordeeld welke hulp nodig is om de situatie tot stand de brengen dat de ouders samen volwaardig verantwoordelijk kunnen zijn voor de opvoeding van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] en hen een veilige thuissituatie kunnen bieden.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader tot op heden niet open heeft gestaan voor hulp en niet heeft meegewerkt met (hulpverlenende) instanties. Er is vele malen geprobeerd om met vader in contact te komen om zicht te krijgen op zijn situatie en hem ondersteuning te bieden, maar hij houdt alle contacten af. Daarbij komt dat de vader zeer wisselend is in het gedrag dat hij laat zien aan hulpverlenende instanties en de school. Hij zegt mee te willen werken, maar uiteindelijk blijkt hij daarvoor nauwelijks open te staan. Ter zitting heeft de vader aangegeven open te staan voor feedback. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de vader zijn bereidheid tot medewerking na zal komen.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Gedurende het onderzoek naar de opvoedsituatie bij de vader is het noodzakelijk dat de veiligheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gewaarborgd is. De bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kan worden weggenomen als zij zich in een veilige, rustige en positieve omgeving bevinden en die situatie kan de moeder hen bieden. De GI heeft geen zorgen over de thuissituatie bij de moeder. Gelet op het voorgaande is een uithuisplaatsing van de kinderen bij de moeder op dit moment noodzakelijk. Vanwege de ernst van de zorgen en het langdurige patroon waarbij de vader geen hulpverlening accepteert en openheid van zaken geeft, zal ook het verzoek tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar worden toegewezen.
5.7.
De beslissing over de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering met ingang van 6 maart 2026 tot 6 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder met ingang van 6 maart 2026 tot 6 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam en S.M.J. Boon als griffiers, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 10:113 BW jo. artikel 7 Brussel II ter.
Artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.