Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:2830

2026-03-12 Bestuursrecht; Belastingrecht AWB - 25 _ 2570
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-03-12
Publicatiedatum
2026-03-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB - 25 _ 2570
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Onjuiste parkeerzone. Beroep op evenredigheidsbeginsel. Beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.947 tekens)
Rechtbank noord-holland


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/2570


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende


en


de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.




Procesverloop


Verweerder heeft aan [naam 1] op 9 april 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.



Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.



Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 mei 2025 de naheffingsaanslag gehandhaafd.



Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.



Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en stukken ingediend.



Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Belanghebbende is verschenen, vergezeld van haar dochters. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , vergezeld van [naam 3] .




Overwegingen



Feiten


1. Op 9 april 2025 omstreeks 12:38 uur stond de auto van [naam 1] met kenteken [#] (hierna: de auto) geparkeerd aan de Provincialeweg te Zaandam (zone-code 75040). Ter plaatse was op genoemde datum en genoemd tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. Met een scanauto is geconstateerd dat voor de auto in deze zone geen parkeerbelasting was betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 81,90, bestaande uit € 3,10 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten.



Geschil


2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

3. Belanghebbende stelt het volgende. Zij was in de veronderstelling dat zij rechtmatig geparkeerd stond. Belanghebbende heeft bij haar beroepschrift een uitdraai van een parkeeractie van Yellowbrick meegestuurd, waaruit blijkt dat voor de auto op 9 april 2025 voor de tijdsperiode van 12:22 uur tot 12:48 uur een bedrag van € 1,45 is voldaan voor parkeerzone Vurehout (zone-code 75066) te Zaandam. Belanghebbende parkeert hier vaker en het is steeds goed gegaan. Kennelijk heeft de app bij deze parkeeractie de verkeerde zone-code geselecteerd. Het lijkt belanghebbende redelijk dat zij het te weinig betaalde bedrag alsnog betaalt. De aanslag is niet in verhouding. Belanghebbende heeft een klein inkomen en hoopt op coulance. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

4. Verweerder is van mening dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft parkeerbelasting betaald voor het parkeren aan het Vurehout in Zaandam. Deze locatie ligt in een andere tariefzone dan de Provincialeweg in Zaandam en heeft een lager tarief. De parkeerapp is geen product van verweerder, maar een dienst die door derden wordt aangeboden om parkeerbelasting te voldoen. De parkeerder heeft volgens vaste rechtspraak een onderzoeksplicht voorafgaand aan het parkeren. Belanghebbende had bij aanmelding via de parkeerapp moeten controleren of de parkeeractie werd gestart voor de juiste zone. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.



Beoordeling van het geschil


5. De onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd aan [naam 1] als kentekenhouder van de auto. Tegen een aan de kentekenhouder opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting kan ook de feitelijke parkeerder (die niet de kentekenhouder is) bezwaar en beroep instellen (Hoge Raad 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508). Uit de stukken blijkt dat belanghebbende moet worden aangemerkt als de feitelijke parkeerder, op grond waarvan belanghebbende zelfstandig gerechtigd is om in bezwaar en beroep te gaan. Verweerder heeft een en ander ook niet betwist.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van het onderhavige parkeren parkeerbelasting moest worden betaald voor de Provincialeweg (zone-code 75040). Verder is niet in geschil dat belanghebbende de auto via de parkeerapp heeft aangemeld voor parkeren op de (verkeerde) locatie Vurehout (zone-code 75066). Blijkens het uitvoeringsbesluit behorende bij de Verordening parkeerbelastingen Zaanstad 2025 ligt de Provincialeweg in tariefzone II en het Vurehout in tariefzone III. De tarieven zijn opgenomen in de Tarieventabel bij de Verordening parkeerbelastingen Zaanstad 2025. Tariefzone II heeft een tarief van € 3,10 per uur en Tariefzone III heeft een tarief van € 2,50 per uur. Belanghebbende heeft dus een te laag bedrag aan parkeerbelasting voldaan.

7. De parkeerder heeft volgens vaste rechtspraak een onderzoeksplicht voorafgaand aan het parkeren (zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 29 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1211). Het lag op de weg van belanghebbende om bij aanmelding via de parkeerapp te controleren of de parkeeractie werd gestart voor de juiste zone. Dit geldt ook wanneer een zone automatisch door een parkeerapp wordt ingevuld (vergelijk de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:464). Dat de parkeerapp, naar belanghebbende stelt, kennelijk een andere parkeerzone aangaf, komt daarom voor rekening en risico van belanghebbende.

8. Belanghebbende ervaart de naheffingsaanslag als onredelijk, maar de naheffingsaanslag is geen boete en dus geen straf. Het doel is alsnog objectief verschuldigde parkeerbelasting naheffen. De rechtbank weegt niet mee of de parkeerder een vergissing heeft gemaakt. De aan- of afwezigheid van opzet of schuld speelt namelijk geen rol.

9. Bij een naheffingsaanslag wordt uit oogpunt van doelmatigheid de parkeerbelasting berekend over een parkeerduur van een uur tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan (artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet). Verweerder heeft dus terecht een bedrag van € 3,10 aan parkeerbelasting nageheven. Verweerder heeft ook kosten in rekening gebracht van € 78,80. Dit ziet op kosten die verweerder maakt voor het verhalen van parkeerbelasting. Het bedrag dat op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen in 2025 maximaal mag worden verhaald, bedraagt € 78,80. De gemeente Zaanstad heeft in artikel 9, eerste lid, van de Verordening Parkeerbelastingen Zaanstad 2025 bepaald dat de kosten
€ 78,80 bedragen. Dit bedrag is gelijk aan het maximaal toegestane bedrag en verweerder is dus bij het vaststellen van deze bepaling binnen de door de wet gestelde grenzen gebleven. De rechtbank concludeert dat verweerder de naheffingsaanslag naar het juiste bedrag heeft opgelegd.

10. Belanghebbende stelt dat het onevenredig is dat zo strikt de hand wordt gehouden aan de parkeerregels (“regels zijn regels”). Belanghebbende vraagt zich af waar de menselijke maat is gebleven en zij verzoekt om coulance. Zij biedt aan om het te weinig betaalde bedrag aan parkeerbelasting alsnog bij te betalen. De rechtbank leest in dit betoog (ook) een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Naheffingsaanslagen zijn echter gebonden beschikkingen. Dit betekent dat de wetgever ervoor heeft gekozen dat als parkeerbelasting verschuldigd is, de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag moet opleggen en daarbij naheffingskosten in rekening brengt. De heffingsambtenaar heeft dus geen beoordelingsvrijheid. Aangezien de heffingsambtenaar geen afweging mag maken bij het opleggen van de naheffingsaanslag, beoordeelt de rechtbank niet of het bedrag van de naheffingsaanslag redelijk is (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535, onder 5.6.5). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.

11. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt.



Proceskosten


12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.B. Filius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.









griffier rechter





Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:








Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).


U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).