Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12116

2026-06-24 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/15/374966
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-24
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/374966
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De vrouw vordert in deze procedure (terug)betaling van twee geldbedragen die de man heeft ontvangen. De rechtbank wijst de vordering af.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.489 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/374966 / HA ZA 26-111




Vonnis van 24 juni 2026




in de zaak van





[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. L.A.A. Moeijes.




De zaak in het kort




Partijen hebben een affectieve relatie gehad. [eiser] vordert in deze procedure (terug)betaling van twee geldbedragen die [gedaagde] heeft ontvangen: een bedrag van € 50.000 en een bedrag van (na vermindering van eis) € 19.000. Volgens [eiser] hebben partijen afgesproken dat zij in de [bedrijf 1] zou investeren en heeft [gedaagde] om die reden een bedrag van € 50.000 van haar ontvangen. [eiser] stelt dat [gedaagde] heeft nagelaten dit bedrag daadwerkelijk te investeren, althans uitleg te geven over wat er met het geld is gebeurd. Daarnaast vordert [eiser] terugbetaling van een bedrag van € 19.000, omdat dit zonder rechtsgrond zou zijn ontvangen door [gedaagde]. [eiser] vordert, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van € 50.000, inzage in en afschrift van bepaalde gegevens.




[gedaagde] verzoekt de rechtbank de vorderingen af te wijzen. Het eerste bedrag, van € 50.000, is door een vennootschap aan hem overgemaakt en die vennootschap is geen partij in deze procedure. Voor betaling aan [gedaagde] van het bedrag van € 19.000 bestond wel een rechtsgrond. De vordering tot inzage in en afschrift van bepaalde gegevens moet volgens [gedaagde] worden afgewezen wegens het ontbreken van een rechtmatig belang en van een rechtsbetrekking tussen [bedrijf 1] en [eiser].



De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 22 april 2026;


de akte herstel rechtsgrond van 8 mei 2026 met aanvullende producties genummerd 5 t/m 11 van [eiser];


de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarbij beide advocaten spreekaantekeningen hebben overgelegd en voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen hebben gedurende een aantal jaar een affectieve relatie gehad.



2.2.


[gedaagde] was enig aandeelhouder en enig bestuurder van de [bedrijf 1]
(hierna: [bedrijf 1]). [bedrijf 1] is op 1 juni 2023 opgericht en op 31 december 2023 bij aandeelhoudersbesluit ontbonden.




2.3.

Op 9 maart 2024 heeft de vennootschap [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3])
een bedrag van € 50.000 overgemaakt aan [gedaagde]. De betalingsomschrijving vermeldt: “Paymaster reference GEYvdR – BH regarding [bedrijf 1]”.




2.4.

Op 16 april 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 20.000 aan [eiser]
overgemaakt. De betalingsomschrijving vermeldt: “Lening om je Porsche lening af te betalen”.




2.5.

Op 1 augustus 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 4.000 aan [eiser]
overgemaakt. De betalingsomschrijving vermeldt: “4000 als overbrugging zoals whatsapp besproken”.




2.6.

In een bericht van augustus 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bevestigd dat
zij hem € 26.000 zal betalen zodra haar Porsche is verkocht:



“Hierbij bevestig ik dat ik indien mijn Porsche verkocht is, ik [gedaagde] 20.000 euro lening, 4000 euro plus 1500 plus 500 euro voor de kleding kast terug zal betalen. Dankbaar ben ik voor al je hulp!”




2.7.

In een bericht van 3 september 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] het
volgende geschreven:



““(…) betaal mij mijn (!) 25.000 terug die ik met jouw Porsche als onderpand heb gegeven (…)”




2.8.

Op 13 september 2024 heeft de vennootschap [bedrijf 2] V.O.F. een bedrag
van € 45.000 aan [gedaagde] overgemaakt in verband met de verkoop van de Porsche. Op dezelfde dag heeft [gedaagde] een bedrag van € 20.000 overgemaakt aan de dochter van [eiser] (hierna: de dochter). De betalingsomschrijving vermeldt: “E20k retour ivm te veel overgeboekte E45K (van [bedrijf 2]). Overbruggingskrediet was E25K dit tbv aflossing lening L549SK [eiser]”.




2.9.

In een bericht van 2 oktober 2024 heeft [gedaagde] aan de dochter het volgende
geschreven:



“Wat ik ga doen is de auto aanschaffen, en als je terug zal zijn in Nederland mag jij hem overnemen en zal ik hem op jouw naam zetten. Heb je eindelijk die Z4 van je moeder ;-)”




2.10.

In een bericht van 24 oktober 2024 heeft [gedaagde] aan de dochter het volgende
geschreven:



“(…) zou jij in delen alvast kunnen beginnen met het betalen van de 18.500 die ik je moeder heb voorgeschoten?”




2.11.

In een bericht van 7 november 2024 heeft [gedaagde] aan de dochter het volgende
geschreven:



“Had je al kans gezien om de eerste bedragen voor de auto over te boeken?”







3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert na vermindering van eis ter zitting – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,


i) [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 50.000;


ii) [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen € 19.000;


telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van het bedrag door [gedaagde];
( iii) voor recht verklaart:

primair

a. dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de investering van € 50.000 in [bedrijf 1];

subsidiair

dat de betalingen van de bedragen van € 50.000 en € 19.000 onverschuldigd zijn verricht in de zin van artikel 6:203 BW;

meer subsidiair

dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser] in de zin van artikel 6:212 BW;

meer subsidiair


dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW, althans artikel 6:162 BW;
iv) voorwaardelijk, indien de rechtbank de geldvorderingen onder (i) niet volledig toewijst, [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] inzage te verschaffen in en afschrift te verstrekken van:


a. de bankafschriften waarop het bedrag van € 50.000 is ontvangen;
b. de bankafschriften van [bedrijf 1] over de periode maart 2024 tot de datum van de dagvaarding;
c. de financiële administratie van [bedrijf 1];
d. stukken waaruit blijkt of en in welke omvang [gedaagde] zelf gelden in [bedrijf 1] heeft ingebracht;

( v) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.

[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft van [eiser] twee bedragen ontvangen: (i) een bedrag van € 50.000 en (ii) een bedrag van € 19.000. Het bedrag van € 50.000 was een investering van [eiser] in [bedrijf 1]. Partijen hebben afgesproken dat [eiser] € 50.000 zou investeren in [bedrijf 1], maar [gedaagde] heeft nagelaten dit bedrag dat hij wel van [eiser] heeft ontvangen daadwerkelijk te investeren, althans uitleg te geven over wat er met het geld is gebeurd. [gedaagde] is daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen. Het bedrag van € 19.000 is de verkoopopbrengst van de Porsche (€ 45.000) minus de aflossing van de lening van € 26.000. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] dit bedrag zonder rechtsgrond ontvangen en zij vordert (terug)betaling daarvan op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW), althans ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), althans onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) door misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW), althans onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Voor zover de rechtbank zou oordelen dat de afspraken tussen partijen met betrekking tot de investering niet zijn komen vast te staan, vordert [eiser] (terug)betaling van het bedrag van € 50.000 op dezelfde gronden als hiervoor genoemd.



3.3.
Aan de voorwaardelijke vordering tot inzage in en afschrift van bepaalde bescheiden op grond van artikel 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) legt [eiser] het volgende ten grondslag. Indien de rechtbank zou oordelen dat nadere duiding van de rechtsverhouding tussen partijen, dan wel de bestemming van het bedrag van € 50.000, noodzakelijk is, heeft [eiser] een rechtmatig belang bij inzage in en afschrift van bepaalde gegevens. Deze bescheiden betreffen een rechtsbetrekking waarbij [eiser] partij is geweest, althans die rechtstreeks houdt verband met de door haar verrichte betaling en de daarop gebaseerde vorderingen. Inzage in de bescheiden is noodzakelijk om de rechtsgrond van de vordering van [eiser] nader te onderbouwen en, indien nodig, te preciseren of te wijzigen.



3.4.


[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de integrale kosten van deze procedure. [gedaagde] voert – samengevat – het volgende aan. Het bedrag van € 50.000 is niet door [eiser] maar door [bedrijf 3] overgemaakt. [gedaagde] heeft in het verleden bedragen naar [bedrijf 3] overgemaakt om investeringen te doen. [bedrijf 3] heeft in dat kader diverse bedragen aan [gedaagde] overgemaakt als terugbetaling van zijn investering en het rendement daarop.
De verkoopopbrengst van de Porsche heeft [gedaagde] ontvangen op zijn bankrekening en daarmee heeft hij de openstaande lening van [eiser] afgelost. [gedaagde] heeft vervolgens op dezelfde dag een bedrag van € 20.000 overgemaakt aan de dochter.
De voorwaardelijke vordering moet volgens [gedaagde] worden afgewezen, omdat [eiser] geen rechtmatig belang heeft bij de gevorderde gegevens; het gaat om gegevens van [bedrijf 1] en er bestaat geen rechtsverhouding tussen [eiser] en [bedrijf 1]. Bovendien is het bedrag van € 50.000 door [bedrijf 3] overgemaakt en niet door [eiser].
Tot slot verzoekt [gedaagde] de rechtbank om [eiser] te veroordelen in de integrale proceskosten, omdat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv. [eiser] heeft het in haar dagvaarding namelijk doen voorkomen alsof zij het bedrag van € 50.000 aan [gedaagde] heeft overgemaakt.




3.5.
De rechtbank gaat hierna, voor zover nodig, nader in op de stellingen van partijen.






4De beoordeling



Afwijzing verklaringen voor recht en vorderingen tot (terug)betaling van de bedragen € 50.000 en € 19.000




4.1.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] niet gehouden is de ontvangen
bedragen van € 50.000 en € 19.000 aan [eiser] (terug) te betalen. De rechtbank licht dit hierna toe.




Het bedrag van € 50.000





4.2.

Vast staat dat [gedaagde] op 9 maart 2024 een bedrag van € 50.000 heeft ontvangen
en dat dit bedrag niet door [eiser], maar door [bedrijf 3] is overgemaakt. [bedrijf 3] is geen partij in deze procedure en [eiser] heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt op grond waarvan zij aanspraak kan maken op terugbetaling van een bedrag dat door een andere rechtspersoon is betaald. Dat er sprake zou zijn van vereenzelviging heeft [eiser] niet gesteld. In dit verband merkt de rechtbank op dat [gedaagde] onbestreden heeft aangevoerd dat ook andere personen geldbedragen hebben overgemaakt aan [bedrijf 3]. Tegen die achtergrond kan niet worden aangenomen dat het bedrag dat door [bedrijf 3] is overgemaakt afkomstig is van [eiser]. De stelling van [eiser] dat [bedrijf 3] als beheerder van haar gelden fungeerde, is – los van het gegeven dat deze stelling niet nader is geconcretiseerd en onderbouwd – onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] bevoegd is in eigen naam terugbetaling van het bedrag te vorderen. De vordering tot (terug)betaling van het bedrag van € 50.000 en de gevorderde verklaringen voor recht die zien op het bedrag van € 50.000 kunnen daarom niet worden toegewezen.




Het bedrag van € 19.000





4.3.


[eiser] heeft in de dagvaarding terugbetaling gevorderd van een bedrag van
€ 45.000. Dit bedrag is de verkoopopbrengst van de Porsche die [bedrijf 2] V.O.F. aan [gedaagde] heeft overgemaakt. In de dagvaarding heeft [eiser] zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat [gedaagde] dit gehele bedrag zonder rechtsgrond heeft ontvangen. [gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord toegelicht dat hij vanuit de verkoopopbrengst van de Porsche de lening heeft afgelost die hij aan [eiser] had verstrekt. Hoewel in de stukken valt te lezen dat het een lening van € 26.000 was, heeft [gedaagde] ter aflossing van de lening € 25.000 behouden en het resterende deel van de verkoopopbrengst van de Porsche (een bedrag van € 20.000) op dezelfde dag aan de dochter overgemaakt. Dit gebeurde volgens [gedaagde] op verzoek van [eiser]. Dit laatste is door [eiser] niet weersproken. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat [gedaagde] haar een lening van € 26.000 heeft verstrekt en dat deze lening vanuit de verkoopopbrengst van de Porsche is afgelost. [eiser] heeft vervolgens haar eis verminderd tot (terug)betaling van een bedrag van € 19.000 (de verkoopopbrengst van de Porsche van € 45.000 minus de lening van € 26.000).



4.4.


[eiser] heeft aan de vordering tot (terug)betaling van het bedrag van
€ 19.000 ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op een later moment weer een bedrag heeft ontvangen van de dochter zonder rechtsgrond. [gedaagde] heeft daartegenover aangevoerd dat hij inderdaad geldbedragen van de dochter heeft ontvangen, maar dat dat verband hield met de aanschaf van een andere auto. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij in oktober 2024 een bedrag van € 18.500 heeft voorgeschoten aan [eiser] voor de aankoop van een nieuwe auto en dat de dochter dit bedrag in delen aan hem heeft terugbetaald. De toelichting van [gedaagde] vindt steun in de overgelegde correspondentie. Daaruit kan namelijk worden afgeleid dat [gedaagde] en de dochter in oktober en november 2024 contact hebben gehad over de aankoop van een auto en dat [gedaagde] daarvoor een bedrag van € 18.500 heeft voorgeschoten. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser] haar stelling dat [gedaagde] het bedrag zonder rechtsgrond heeft ontvangen onvoldoende onderbouwd. De vordering tot (terug)betaling van het bedrag van € 19.000 en de gevorderde verklaringen voor recht die zien op het bedrag van € 19.000 kunnen daarom niet worden toegewezen.




Afwijzing voorwaardelijke vordering tot inzage in en afschrift van bepaalde gegevens





4.5.

De rechtbank wijst de vordering tot inzage in en afschrift van bepaalde gegevens af
en legt dat hierna uit.




Toetsingskader





4.6.

In artikel 195 Rv is – kort gezegd – bepaald dat een partij de rechter kan verzoeken
de wederpartij te bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Voor toewijzing van de vordering moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan:



de partij die informatie van een ander wil moet partij zijn bij een rechtsbetrekking;


de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn;


de verzoekende partij moet voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek; en


degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie beschikken.




Als aan alle eisen wordt voldaan, kan de vordering tot het verstrekken van gegevens alsnog worden afgewezen als sprake is van gewichtige redenen die zich tegen het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel verzetten.




Geen rechtsbetrekking en ontbreken voldoende belang





4.7.


[eiser] vordert inzage in en afschrift van gegevens die verband houden met

[bedrijf 1]. Aan de vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat de gegevens een rechtsbetrekking betreffen waarbij zij partij is geweest, althans die rechtstreeks verband houdt met een door haar verrichte betaling en de daarop gebaseerde vorderingen. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Gelet op de informatie die door partijen is verstrekt en de stukken in het dossier is er onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen [eiser] en [bedrijf 1] of van een voldoende belang van [eiser]. De vordering houdt immers verband met betaling van het bedrag van € 50.000, maar dit bedrag is door [bedrijf 3] aan [gedaagde] overgemaakt en niet door [eiser].




Proceskosten





4.8.


[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief
nakosten) betalen. [gedaagde] heeft verzocht om [eiser] in de integrale proceskosten te veroordelen, omdat zij het in haar dagvaarding heeft doen voorkomen alsof zij (en niet [bedrijf 3]) het bedrag van € 50.000 aan [gedaagde] heeft overgemaakt. De vordering tot betaling van de volledige proceskosten wijst de rechtbank af. Een vergoeding van volledige proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Naar het oordeel van de rechtbank wordt die hoge drempel niet gehaald. Weliswaar heeft [eiser] inderdaad onvolledige informatie verstrekt in de dagvaarding door niet te vermelden dat het bedrag van € 50.000 door [bedrijf 3] aan [gedaagde] was overgemaakt, maar de rechtbank volstaat in dit geval met de constatering dat artikel 21 Rv is geschonden. Deze schending van artikel 21 Rv rechtvaardigt in dit geval niet de sanctie van een volledige proceskostenvergoeding omdat [gedaagde] niet in zijn verdediging is geschaad. Los daarvan merkt de rechtbank op dat [gedaagde] niet inzichtelijk heeft gemaakt welke proceskosten hij heeft gemaakt. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten overeenkomstig het liquidatietarief.




4.9.
De rechtbank begroot de proceskosten van [gedaagde] :









- griffierecht


€


1.414,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.183,00














5De beslissing


De rechtbank



5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.183,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. D.I. Zijsling en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.