Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:12058

2026-09-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12172635 \ CV EXPL 26-2242
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Tussenuitspraak
Zaaknummer
12172635 \ CV EXPL 26-2242
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing. Verstek. Tussenvonnis. Eisende partij krijgt de gelegenheid hoe zij heeft voldaan aan haar informatieplichten en of zij de kredietwaardigheid van de gedaagde partij heeft getoetst. Te hoge kredietvergoeding in strijd met dwingend recht. Incassokostenbeding voorlopig oneerlijk bevonden.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.587 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem


Zaaknr./rolnr.: 12172635 \ CV EXPL 26-2242
Uitspraakdatum: 9 september 2026




Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:






[eiser]


te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: mr. J.R.V. van der Vinne



tegen





[gedaagde]

te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen





1De procedure


1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. De eisende partij heeft haar eis gewijzigd.





2De beoordeling


2.1.
De eisende partij vordert, na wijziging van eis, veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 11.900,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, een contractuele boete van € 50,- per dag, de beslagkosten, de wettelijke rente en de proceskosten.



2.2.
De vordering van de eisende partij is gebaseerd op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst. Op deze overeenkomst zijn van toepassing de bepalingen van Titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de Richtlijn consumentenkrediet 2008/48 (hierna: de richtlijn). Uit productie 1 blijkt immers dat de eisende partij valt onder de definitie van ‘kredietgever’ als bedoeld in artikel 7:57 lid i sub b BW. Verder blijkt uit de stukken dat de gedaagde partij consument is. Hij had het geld nodig om niet uit zijn woning gezet te worden. De rechter is verplicht om de nationale bepalingen waarin de richtlijn is omgezet, ambtshalve toe te passen. Dat wil zeggen dat die bepalingen ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet.



Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten





2.3.
De kredietverstrekker moet geruime tijd vóór het sluiten van de overeenkomst de op grond van de wet vereiste informatie aan de consument hebben verstrekt (artikel 7:60 BW). Aan de consument moet met name de precontractuele informatie uit de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn consumentenkrediet worden verstrekt. In artikel 5 van de Richtlijn consumentenkrediet is voorgeschreven dat de kredietgever ter uitvoering van deze informatieverplichting de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (ESIC) verstrekt. Dit ESIC-formulier is als bijlage II bij de Richtlijn consumentenkrediet gevoegd.



2.4.
De eisende partij heeft niet gesteld dat zij tegenover de gedaagde partij heeft voldaan aan de hierboven bedoelde precontractuele informatieplicht en evenmin dat hij de gedaagde partij een ESIC-formulier heeft verstrekt. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke toelichting in eventuele vervolgzaken kan leiden tot afwijzing van de vordering.



2.5.
In dit geval en bij wijze van uitzondering krijgt de eisende partij eenmalig de gelegenheid om toe te lichten hoe zij tegenover de gedaagde partij heeft voldaan aan de hierboven bedoelde precontractuele informatieplicht.



2.6.
Voor het geval de eisende partij dit niet of onvoldoende onderbouwt, geldt dat de overeenkomst vernietigbaar is omdat het niet in acht nemen van artikel 7:60 BW een oneerlijke handelspraktijk oplevert als gevolg waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter zal de overeenkomst in dat geval vernietigen. Omdat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, betekent dit dat de eisende partij in dat geval een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op de gedaagde partij heeft. In dat geval is alleen het aan krediet aan de gedaagde partij verstrekte bedrag (van € 5.000,-) toewijsbaar. De gevorderde rente en kosten zijn gegrond op de overeenkomst en komen in geval van een vernietiging van de overeenkomst niet voor vergoeding in aanmerking.



Kredietwaardigheidstoets





2.7.
Op grond van artikel 4:34 lid 1 Wet op het financieel toezicht (Wft) dient een kredietverstrekker eveneens vóór de totstandkoming van een kredietovereenkomst in het belang van de consument informatie in te winnen over diens financiële positie en te beoordelen, ter voorkoming van overkreditering, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.



2.8.
De eisende partij heeft niet gesteld dat zij voor het tot stand komen van de overeenkomst de kredietwaardigheid van de gedaagde partij heeft getoetst. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke toelichting in eventuele vervolgzaken eveneens kan leiden tot afwijzing van de vordering.



2.9.
In dit geval en bij wijze van uitzondering krijgt de eisende partij eenmalig de gelegenheid om toe te lichten of en hoe zij voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst de kredietwaardigheid van de gedaagde partij heeft getoetst.



2.10.
Als de eisende partij dit niet of onvoldoende onderbouwt, geldt dat de overeenkomst vernietigbaar is. Het niet voldoen aan de verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te toetsen, levert immers ook een oneerlijke handelspraktijk op en maakt eveneens dat de overeenkomst vernietigbaar is. Ook in dat geval is alleen het aan krediet aan de gedaagde partij verstrekte bedrag toewijsbaar. De gevorderde rente en kosten zijn gegrond op de overeenkomst en komen in geval van een vernietiging van de overeenkomst niet voor vergoeding in aanmerking.



Strijd met dwingende recht





2.11.
Op grond van artikel 3 onder g Richtlijn consumentenkrediet vallen onder het begrip kredietvergoeding alle beloningen en vergoedingen in welke vorm ook, die de kredietgever bedingt, in rekening brengt of aanvaardt. Partijen zijn een kredietvergoeding van (omgerekend) 60% overeengekomen. Daarmee heeft de eisende partij de op grond van artikel 11 Besluit Kredietvergoeding maximaal toegestane kredietvergoeding overschreden. Dat betekent dat de overeenkomst op grond van artikel 3:40 BW nietig dan wel vernietigbaar is met als gevolg – net als overwogen in 2.6 en 2.10 – dat alleen de hoofdsom (het verleende krediet) toewijsbaar is en de gevorderde rente en kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De eisende partij krijgt de gelegenheid zich ook hierover uit te laten.



Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden





2.12.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).


2.13.
De overeenkomst bevat de volgende bedingen:‘- Jij leent van mij € 5.000,- met ingang van heden- Looptijd van de leningsovereenkomst 10 maanden- Per maand rente en aflossing: 800 (10 maanden dus)(…)Als je te laat betaalt, geldt er een boete van € 500,- per keer en € 50,- per dag dat de overtreding voortduurt.- Indien er te laat wordt betaald komen deze afspraken direct te vervallen en is de lening ineens opeisbaar, waarbij alle daadwerkelijk gemaakte (incasso)kosten van mijn zijde worden vergoed.’


2.14.
De bedingen die de hoogte van het krediet en de kredietvergoeding (rente) bepalen zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid. Dit laat de toetsing als vermeld onder 2.11 echter onverlet.


2.15.
In het boete- en incassokostenbeding wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten (en de boete) verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de consument te laat betaalt, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd.


2.16.

De kantonrechter is dan ook voornemens om dit beding te vernietigen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over dit voornemen.

Conclusie




2.17.
De eisende partij krijgt de gelegenheid om in een akte toe te lichten hoe zij tegenover de gedaagde partij heeft voldaan aan de hierboven bedoelde precontractuele informatieplichten en of en hoe zij voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst de kredietwaardigheid van de gedaagde partij heeft getoetst. In deze akte kan zij zich ook uitlaten over het voorlopige oordeel over (de gevolgen van) de strijdigheid met dwingend recht en de oneerlijkheid van het boete- en incassobeding.



2.18.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.



2.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 7 oktober 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen om de onder 2.17 bedoelde toelichting te geven;



3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.



De griffier De kantonrechter





Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 oktober 2026.


Op grond van artikel 7:60 lid 3 BW jo artikel 6:193j lid 3 en 6:193b BW.


Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 oktober 2026.


Artikel 6:193j lid 3 BW; vgl. concl. P-G M.H. Wissink 10 oktober 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1093.


Amvb o.g.v. artikel 7:76 lid 2 BW


HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).


Vgl. o.m. Hof Amsterdam 16 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3658, ro. 4.10.