Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11983
2026-09-09
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4102/12048710
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De kantonrechter is voornemens om terug te komen op haar eerdere oordeel over de bevoegdheid, en de zaak alsnog te verwijzen naar de handelskamer van deze rechtbank. Daartoe is redengevend dat de rechtskeuze om toekomstige geschillen aan de kantonrechter voor te leggen, buiten de grenzen van artikel 96 Rv vaslt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.280 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12048710 \ CV EXPL 26-160
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. J. 't Hart.
1Het verdere procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 25 maart 2026;- de conclusie van antwoord.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
2Voornemen terugkomen op eerdere beslissing
2.1.
De kantonrechter heeft in het incidenteel vonnis van 25 maart 2026 geoordeeld dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, omdat partijen in het samenlevingscontract hebben afgesproken dat de kantonrechter (absoluut) bevoegd is om van geschillen over de uitleg van dat contract kennis te nemen. De vraag is echter of een dergelijke vorm van prorogatie is toegestaan.
2.2.
Vóór 1 januari 2002 was de kwestie geregeld in artikel 43 Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Aangenomen werd dat slechts een eenmaal gerezen geschil met wederzijds goedvinden aan de kantonrechter kon worden voorgelegd. In de huidige wetgeving zijn geen aanknopingspunten te vinden die aanleiding geven tot een ruimere invulling van de mogelijkheid tot prorogatie. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter (voorlopig) van oordeel dat moet worden aangenomen dat een vooraf overeengekomen keuze om toekomstige geschillen aan de kantonrechter voor te leggen, buiten de grenzen van artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt. Dat betekent dat artikel 11 van het samenlevingscontract in strijd met de wet (en dus nietig) is. De kantonrechter moet vervolgens opnieuw beoordelen of zij absoluut bevoegd is. Dat is niet het geval. Uit de dagvaarding blijkt immers dat de gedaagde partij ([gedaagde]) zich in zijn verweer op het standpunt heeft gesteld dat hij recht heeft op € 200.000,- in verband met het verlaten van de woning. In de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie heeft [gedaagde] dit verweer gehandhaafd en gesteld dat hij recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning, hetgeen volgens zijn schatting zo’n € 150.000,- bedraagt. De zaak betreft dan ook (ook in conventie) een vordering van meer dan € 25.000,-, althans hiervoor zijn duidelijke aanwijzingen. Daardoor komt de kantonrechter niet toe aan toepassing van artikel 97 lid 1 Rv. De kantonrechter is daarom voornemens om terug te komen op haar eerdere oordeel over de bevoegdheid, en de zaak alsnog te verwijzen naar de handelskamer van deze rechtbank.
2.3.
Voordat de kantonrechter beslist of de zaak moet worden verwezen, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter.
2.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 oktober 2026 voor het nemen van een akte door [eiser] over het voornemen van de kantonrechter om terug te komen op haar eerdere oordeel en de zaak alsnog naar de handelskamer van deze rechtbank te verwijzen;
3.2.
bepaalt dat [gedaagde] twee weken na de genomen akte een antwoordakte mag nemen,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
De griffier De kantonrechter
Artikel 93 lid a en b Rv
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12048710 \ CV EXPL 26-160
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. J. 't Hart.
1Het verdere procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 25 maart 2026;- de conclusie van antwoord.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.
2Voornemen terugkomen op eerdere beslissing
2.1.
De kantonrechter heeft in het incidenteel vonnis van 25 maart 2026 geoordeeld dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, omdat partijen in het samenlevingscontract hebben afgesproken dat de kantonrechter (absoluut) bevoegd is om van geschillen over de uitleg van dat contract kennis te nemen. De vraag is echter of een dergelijke vorm van prorogatie is toegestaan.
2.2.
Vóór 1 januari 2002 was de kwestie geregeld in artikel 43 Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Aangenomen werd dat slechts een eenmaal gerezen geschil met wederzijds goedvinden aan de kantonrechter kon worden voorgelegd. In de huidige wetgeving zijn geen aanknopingspunten te vinden die aanleiding geven tot een ruimere invulling van de mogelijkheid tot prorogatie. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter (voorlopig) van oordeel dat moet worden aangenomen dat een vooraf overeengekomen keuze om toekomstige geschillen aan de kantonrechter voor te leggen, buiten de grenzen van artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt. Dat betekent dat artikel 11 van het samenlevingscontract in strijd met de wet (en dus nietig) is. De kantonrechter moet vervolgens opnieuw beoordelen of zij absoluut bevoegd is. Dat is niet het geval. Uit de dagvaarding blijkt immers dat de gedaagde partij ([gedaagde]) zich in zijn verweer op het standpunt heeft gesteld dat hij recht heeft op € 200.000,- in verband met het verlaten van de woning. In de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie heeft [gedaagde] dit verweer gehandhaafd en gesteld dat hij recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning, hetgeen volgens zijn schatting zo’n € 150.000,- bedraagt. De zaak betreft dan ook (ook in conventie) een vordering van meer dan € 25.000,-, althans hiervoor zijn duidelijke aanwijzingen. Daardoor komt de kantonrechter niet toe aan toepassing van artikel 97 lid 1 Rv. De kantonrechter is daarom voornemens om terug te komen op haar eerdere oordeel over de bevoegdheid, en de zaak alsnog te verwijzen naar de handelskamer van deze rechtbank.
2.3.
Voordat de kantonrechter beslist of de zaak moet worden verwezen, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter.
2.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 oktober 2026 voor het nemen van een akte door [eiser] over het voornemen van de kantonrechter om terug te komen op haar eerdere oordeel en de zaak alsnog naar de handelskamer van deze rechtbank te verwijzen;
3.2.
bepaalt dat [gedaagde] twee weken na de genomen akte een antwoordakte mag nemen,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
De griffier De kantonrechter
Artikel 93 lid a en b Rv