Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11707

2026-08-12 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12133554 \ CV EXPL 26-1607
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12133554 \ CV EXPL 26-1607
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

{eiser} vordert (door)betaling van een door een derde betaald voorschot op de koopprijs van een chalet, met verrekening van enkele vorderingen van HLDR, waaronder vijf uur aan meerwerk. HLDR erkent de vordering gedeeltelijk. Zij stelt echter dat zij tien uur aan meerwerk heeft verricht en dat dit nog verrekend moet worden met de vordering. {eiser} heeft dit gemotiveerd betwist. Daarom heeft HLDR onvoldoende onderbouwd dat het noodzakelijk was om tien uur aan deze werkzaamheden te besteden en dat deze niet in vijf uur uitgevoerd konden worden. De vordering van {eiser} wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.587 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: 12133554 \ CV EXPL 26-1607




Vonnis van 12 augustus 2026




in de zaak van





[eiser]


te [plaats 1]
eisende partij
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. M.H. Horst



tegen




HLDR Makelaars & Taxateurs B.V.

te Haarlem
gedaagde partij
hierna te noemen: HLDR
procederend bij monde van [gemachtigde] (directeur)





De zaak in het kort

[eiser] vordert (door)betaling van een door een derde betaald voorschot op de koopprijs van een chalet, met verrekening van enkele vorderingen van HLDR, waaronder vijf uur aan meerwerk. HLDR erkent de vordering gedeeltelijk. Zij stelt echter dat zij tien uur aan meerwerk heeft verricht en dat dit nog verrekend moet worden met de vordering. [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. Daarom heeft HLDR onvoldoende onderbouwd dat het noodzakelijk was om tien uur aan deze werkzaamheden te besteden en dat deze niet in vijf uur uitgevoerd konden worden. De vordering van [eiser] wordt toegewezen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en het bijbehorend bericht met producties van [eiser];- de conclusie van antwoord en het bijbehorend bericht met producties van HLDR;- het tussenvonnis waarin mondelinge behandeling is bepaald;- het bericht met aanvullende producties van HLDR van 9 juni 2026;- het bericht met aanvullende producties van HLDR van 6 juli 2026;
- de akte vermeerdering van eis van 6 juli 2026;
- de antwoordakte van HLDR van 7 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.


1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen hebben op 8 mei 2025 een overeenkomst gesloten. Hierin gaf [eiser] HLDR de opdracht om haar te assisteren bij de verkoop van een chalet in [plaats 2].


2.2.
In de overeenkomst is onder meer een courtage van € 2.500,- voor HLDR afgesproken. [eiser] heeft € 1.250,- vooraf betaald.



2.3.

[eiser] heeft het chalet verkocht aan [betrokkene]. [betrokkene] heeft een voorschot betaald van € 10.600,-. Dit bedrag is door HLDR in bewaring gehouden.



2.4.

[betrokkene] heeft de koopovereenkomst op een later moment ontbonden. HLDR heeft het voorschot behouden.



2.5.

[eiser] heeft HLDR vervolgens aanvullend de opdracht gegeven om werkzaamheden te verrichten om schadevergoeding van [betrokkene] te verkrijgen. HLDR heeft ter uitvoering hiervan onder meer een ingebrekestelling aan [betrokkene] gestuurd.



2.6.

[eiser] heeft op een later moment gekozen om de vordering tot schadevergoeding op [betrokkene] niet via HLDR voort te zetten.



2.7.
HLDR heeft daarop een nota van afrekening opgesteld. Deze hield in dat HLDR het ontvangen aan [eiser] uit zou betalen, onder verrekening van het restant van de courtage van HLDR en een vergoeding van € 1.028,50 voor meerwerk van HLDR. [eiser] heeft de nota van afrekening onder protest getekend.



2.8.
HLDR heeft niet uitbetaald.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert – samengevat en na wijziging van eis – veroordeling van HLDR tot betaling van € 8.835,75, vermeerderd met rente en kosten.



3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat HLDR het ontvangen voorschot ten onrechte nog niet aan haar heeft uitbetaald. Daarmee schiet HLDR tekort in de uitvoering van haar verplichtingen uit de overeenkomst.



3.3.
HLDR voert verweer. Op haar verweer zal worden ingegaan bij de beoordeling van het geschil.





4De beoordeling


4.1.
Pas in het tweede bericht met aanvullende producties van 6 juli 2026 heeft HLDR een beroep gedaan op opschorting van de betaling van het voorschot. Zij stelt dat zij door de vernietiging van de koopovereenkomst door [betrokkene] twijfelt aan wie zij het voorschot moet betalen.



4.2.
Zij heeft echter niet toegelicht waarom zij dit standpunt pas in het tweede bericht met aanvullende producties naar voren heeft gebracht en ook niet dat ze dit niet al in de conclusie van antwoord naar voren had kunnen brengen. In tegendeel: in de conclusie van antwoord heeft zij de verschuldigdheid van het bedrag aan [eiser] juist erkend (onder verrekening van de hierna te behandelen posten), hetgeen dit standpunt tegen lijkt te spreken. HLDR was wettelijk verplicht om alle verweren tegelijk en dus bij antwoord naar voren te brengen. [eiser] heeft niet goed op dit verweer kunnen reageren en haar gemachtigde heeft hier ook bezwaar tegen gemaakt op grond van de goede procesorde. Al met al is dit verweer daarmee te laat naar voren gebracht. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer voorbijgaan.



4.3.
Daarmee staat vast dat het door [betrokkene] betaalde voorschot van € 10.600,- aan [eiser] toekomt, behalve dat het resterende gedeelte van de courtage van HLDR van € 1.250,- daar nog mee verrekend moet worden. Eveneens staat vast dat HLDR nog een bedrag mag verrekenen voor de aanvullende werkzaamheden voor het aanschrijven van [betrokkene] voor schadevergoeding. Tussen partijen is alleen de hoogte van die laatste vergoeding in geschil.



4.4.
Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de hoogte van de vergoeding voor deze werkzaamheden. HLDR stelt dat [eiser] haar daarom een redelijk loon moet betalen. Zij stelt dat zij tien uur aan de werkzaamheden heeft besteed en rekent een uurtarief van € 85,- exclusief btw. Daarom mag zij nog een bedrag van € 1.028,50 aan meerwerk met de vordering van [eiser] verrekenen. Ter onderbouwing heeft zij een urenspecificatie in het geding gebracht.



4.5.

[eiser] betwist dit. Zij voert aan dat de door HLDR in dit kader verrichte werkzaamheden slechts bestonden uit het voeren van correspondentie met [betrokkene]. Dit had maximaal vijf uur in beslag mogen nemen. Daarom erkent zij het beroep op verrekening tot een hoogte van vijf keer € 85,- (exclusief btw) en betwist zij het overige gedeelte daarvan.



4.6.
Het verweer van HLDR slaagt niet. Vanwege de gemotiveerde betwisting door [eiser] heeft zij onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het noodzakelijk was om tien uur aan de werkzaamheden voor het aanschrijven van [betrokkene] te besteden. Daarbij neemt de kantonrechter met name in overweging dat zij het betoog van [eiser] op de mondelinge behandeling op dit punt in het geheel niet heeft weersproken. Het had dan ook op haar weg gelegen om per gedeclareerde post nader toe te lichten waar deze werkzaamheden precies uit bestonden en waarom het door de opdracht van [eiser] noodzakelijk was daarvoor dit aantal uren te maken. Omdat zij dit heeft nagelaten, slaagt haar beroep op verrekening niet, voor zover dit ziet op de vijf uur die [eiser] heeft betwist.



4.7.
Dit betekent dat HLDR [eiser] het voorschot moet terugbetalen, met verrekening van het gedeelte van de courtage van € 1.250,- en het onbetwiste gedeelte van het meerwerk van € 514,25 (inclusief BTW). Dit komt uit op een bedrag van € 8.835,75. De gewijzigde vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen.


4.8.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 791,08 worden toegewezen.



4.9.
HLDR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


155,02







- griffierecht


€


265,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.284,02











4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt HLDR om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.835,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt HLDR om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 791,08 aan buitengerechtelijke kosten,



5.3.
veroordeelt HLDR in de proceskosten van € 1.284,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als HLDR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
veroordeelt HLDR tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,







5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.






Zoals bedoeld in artikel 6:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 128 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).


Artikel 7:405 lid 2 BW.