Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11652
2026-08-27
Bestuursrecht
HAA 25/5097
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
N-O bezwaar. Vakantie, eiseres verantwoordelijk voor goede postafhandeling. Materiële gevolgen spelen geen rol. Het college heeft op goede gronden aangenomen dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CBB:2024:476 College van Beroep voor het bedrijfsleven 16-07-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:3592 Raad van State 30-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.058 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5097
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres]
, uit Oostzaan, eiseres
(gemachtigde: mr. P.E. Stam),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan
(gemachtigden: J. Boogaard en mr. E.C. Ruppert).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres. Eiseres is van mening dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 11 maart 2025 is aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd om de stacaravan op haar achtererf te verwijderen en verwijderd te houden en de verhuur van de gehele woning aan de [adres] voor vakantieverhuur en short-stay te staken en gestaakt te houden. Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 30 september 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij verwijst daarbij naar de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie, waarin is geoordeeld dat bestuursorganen en -rechters voortaan vaker dan voorheen dienen aan te nemen dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is. Er moet meer ruimte komen voor maatwerk.
3.1.
Eiseres voert in dat kader aan dat slechts sprake is van een zeer beperkte termijnoverschrijding, terwijl de gevolgen van de niet-ontvankelijkverklaring voor haar aanzienlijk zijn. Eiseres stelt dat zij pas op 5 april 2025 is teruggekomen van een lange reis en vervolgens op zoek is gegaan naar juridische ondersteuning, wat in eerste instantie niet is gelukt. Vanwege het doenvermogen van eiseres was het voor haar lastig om eerder in actie te komen. Ten slotte voert eiseres aan dat zij al in het buitenland was toen het voornemen aan haar werd verstuurd en dat zij in haar zienswijze heeft verzocht om te wachten met het nemen van een besluit tot zij terug was, zodat zij juridische hulp kon zoeken.
3.2.
Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen in de bezwaarprocedure zoals bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Juridisch kader
4. Niet in geschil is dat het besluit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend is gemaakt: het besluit is zowel per aangetekende post als per e-mail aan eiseres gestuurd. Ook is niet in geschil dat eiseres haar bezwaarschrift drie dagen na de bezwaartermijn heeft ingediend. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft op een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener niet in verzuim is geweest.
4.1.
In een van de door eiseres aangehaalde uitspraken overweegt het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) allereerst dat de belangen die met het materiële geschil gemoeid zijn, geen rol kunnen spelen omdat het gaat om een gebonden bevoegdheid, waarbij een belangenafweging niet mogelijk is. De enige vraag die moet worden beantwoord is of “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest”. Volgens de CBb zijn daarbij twee aspecten van belang. Eerst moet beoordeeld worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Daarnaast moet worden beoordeeld of het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
Is er sprake van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding?
5. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het college bij de beoordeling van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, anders dan eiseres bepleit, geen rekening hoefde te houden met de materiële gevolgen van het besluit voor eiseres.
5.1.
Ook het standpunt van eiseres dat zij vanwege haar reis niet op tijd bekend is geraakt met het besluit kan haar niet baten. Uit bestendige rechtspraak volgt namelijk dat bij (langdurig) verblijf buiten de eigen woning het niet zorgdragen voor een goede postafhandeling geen bijzondere omstandigheid vormt op basis waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht.
5.2.
De rechtbank overweegt verder dat op de zitting is gebleken dat eiseres tijdens haar reis al op de hoogte was van het feit dat aan haar een besluit per e-mail was gestuurd. Daarnaast heeft eiseres nadat zij thuis is gekomen van haar reis nog twee weken de tijd gehad om (pro forma) bezwaar te maken. Bovendien was eiseres al sinds januari bekend met het voornemen tot het besluit. Zij heeft hier immers op 24 januari 2025 per e-mail een reactie op gegeven. Dat eiseres op het moment dat zij het primaire besluit ontving aan de andere kant van de wereld zat en er – zoals op de zitting toegelicht – op dat moment niet mee bezig was, zijn geen omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden heeft aangenomen dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het college heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent ook dat het college heeft mogen besluiten om op grond van artikel 7:3 van de Awb af te zien van het horen in bezwaar. Overigens heeft het college eiseres in bezwaar wel in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend (en heeft eiseres van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt).
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiseres verwijst naar de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 16 juli 2024, ECLI:NL:CBB:2024:476 en van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3592.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5097
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres]
, uit Oostzaan, eiseres
(gemachtigde: mr. P.E. Stam),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan
(gemachtigden: J. Boogaard en mr. E.C. Ruppert).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres. Eiseres is van mening dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 11 maart 2025 is aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd om de stacaravan op haar achtererf te verwijderen en verwijderd te houden en de verhuur van de gehele woning aan de [adres] voor vakantieverhuur en short-stay te staken en gestaakt te houden. Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 30 september 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij verwijst daarbij naar de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie, waarin is geoordeeld dat bestuursorganen en -rechters voortaan vaker dan voorheen dienen aan te nemen dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is. Er moet meer ruimte komen voor maatwerk.
3.1.
Eiseres voert in dat kader aan dat slechts sprake is van een zeer beperkte termijnoverschrijding, terwijl de gevolgen van de niet-ontvankelijkverklaring voor haar aanzienlijk zijn. Eiseres stelt dat zij pas op 5 april 2025 is teruggekomen van een lange reis en vervolgens op zoek is gegaan naar juridische ondersteuning, wat in eerste instantie niet is gelukt. Vanwege het doenvermogen van eiseres was het voor haar lastig om eerder in actie te komen. Ten slotte voert eiseres aan dat zij al in het buitenland was toen het voornemen aan haar werd verstuurd en dat zij in haar zienswijze heeft verzocht om te wachten met het nemen van een besluit tot zij terug was, zodat zij juridische hulp kon zoeken.
3.2.
Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen in de bezwaarprocedure zoals bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Juridisch kader
4. Niet in geschil is dat het besluit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend is gemaakt: het besluit is zowel per aangetekende post als per e-mail aan eiseres gestuurd. Ook is niet in geschil dat eiseres haar bezwaarschrift drie dagen na de bezwaartermijn heeft ingediend. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft op een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener niet in verzuim is geweest.
4.1.
In een van de door eiseres aangehaalde uitspraken overweegt het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) allereerst dat de belangen die met het materiële geschil gemoeid zijn, geen rol kunnen spelen omdat het gaat om een gebonden bevoegdheid, waarbij een belangenafweging niet mogelijk is. De enige vraag die moet worden beantwoord is of “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest”. Volgens de CBb zijn daarbij twee aspecten van belang. Eerst moet beoordeeld worden of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Daarnaast moet worden beoordeeld of het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
Is er sprake van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding?
5. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het college bij de beoordeling van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, anders dan eiseres bepleit, geen rekening hoefde te houden met de materiële gevolgen van het besluit voor eiseres.
5.1.
Ook het standpunt van eiseres dat zij vanwege haar reis niet op tijd bekend is geraakt met het besluit kan haar niet baten. Uit bestendige rechtspraak volgt namelijk dat bij (langdurig) verblijf buiten de eigen woning het niet zorgdragen voor een goede postafhandeling geen bijzondere omstandigheid vormt op basis waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht.
5.2.
De rechtbank overweegt verder dat op de zitting is gebleken dat eiseres tijdens haar reis al op de hoogte was van het feit dat aan haar een besluit per e-mail was gestuurd. Daarnaast heeft eiseres nadat zij thuis is gekomen van haar reis nog twee weken de tijd gehad om (pro forma) bezwaar te maken. Bovendien was eiseres al sinds januari bekend met het voornemen tot het besluit. Zij heeft hier immers op 24 januari 2025 per e-mail een reactie op gegeven. Dat eiseres op het moment dat zij het primaire besluit ontving aan de andere kant van de wereld zat en er – zoals op de zitting toegelicht – op dat moment niet mee bezig was, zijn geen omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden heeft aangenomen dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het college heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent ook dat het college heeft mogen besluiten om op grond van artikel 7:3 van de Awb af te zien van het horen in bezwaar. Overigens heeft het college eiseres in bezwaar wel in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend (en heeft eiseres van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt).
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiseres verwijst naar de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 16 juli 2024, ECLI:NL:CBB:2024:476 en van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
ECLI:NL:CBB:2024:31.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3592.