Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11600

2026-08-12 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11939134 \ CV EXPL 25-7281
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-09-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11939134 \ CV EXPL 25-7281
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Premies en overige zorgkosten. Geen algemene voorwaarden overgelegd, terwijl wel algemene voorwaarden van toepassing zijn.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.232 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: 11939134 \ CV EXPL 25-7281




Vonnis van 12 augustus 2026




in de zaak van




de naamloze vennootschap

VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek
- de akte van VGZ.


1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[gedaagde] is bij VGZ verzekerd tegen ziektekosten in de zin van de Zorgverzekeringswet.



2.2.

[gedaagde] heeft premies en declaraties onbetaald gelaten.



2.3.

[gedaagde] is door VGZ eerder gedagvaard voor de onbetaalde premies en declaraties. VGZ had toen haar vordering beperkt tot € 500,00, met de uitdrukkelijke reservering van haar rechten op het meerdere. In het vonnis staat daarover: “5.4. (…) Uit het tweede overzicht blijkt wel dat [gedaagde] in totaal € 14.649,24 is verschuldigd aan VGZ en dat zij € 8.061,81 heeft betaald, zodat een vordering van € 6.587,53 resteert. De kantonrechter zal er daarom van uitgaan dat [gedaagde] nog € 6.587,43 verschuldigd is over de periode 1 januari 2006 tot en met 18 januari 2021 na aftrek van de bedragen die zij al betaald heeft. Dat bedrag is toewijsbaar. Zoals hiervoor in 5.3 is overwogen dient daarop een bedrag van € 350,00 in mindering te worden gebracht. (…) 5.7. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter een bedrag van € 6.237,43 (€ 6.587,43 – € 350,00) toewijsbaar. VGZ heeft haar vordering om haar moverende reden willen beperken tot een bedrag van € 500,00. Dat bedrag is als het minder van € 6.237,43 toewijsbaar. Nu VGZ haar vordering heeft beperkt tot een bedrag van € 500,00, zal [gedaagde] worden veroordeeld tot dit bedrag, te vermeerderen met rente, aan VGZ te betalen.”



2.4.
VGZ vordert in deze procedure het restant.





3Het geschil


3.1.
VGZ vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.893,63, vermeerderd met rente en kosten.



3.2.
VGZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst gehouden is de maandelijkse premie bij vooruitbetaling te voldoen. Overige vorderingen van VGZ zijn door [gedaagde] verschuldigd zoals op de factuur is bepaald. [gedaagde] heeft niet alle premies en overige zorgkosten volledig betaald. Op dit moment zijn er twee lopende dossiers, te weten dossier 18523805N en dossier 19606887. De onderhavige vordering heeft betrekking op dossier 18523805N. [gedaagde] is al eerder (in 2021) in rechte betrokken voor deze achterstand. Toen was slechts een bedrag van € 500,00 gevorderd onder uitdrukkelijke reservering van het meerdere. Het meerdere wordt in deze procedure gevorderd, welke vordering betrekking heeft op de periode januari 2008 tot januari 2019.



3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij betoogt dat VGZ ten onrechte uitgaat van een hoofdsom van € 7.450,17. In de eerdere procedure tussen partijen is € 6.237,43 aan hoofdsom toegewezen. Van dit bedrag moet VGZ dan ook uitgaan. [gedaagde] voert verder aan dat zij inmiddels een bedrag van € 4.450,00 heeft afbetaald en dat het voor haar onduidelijk is op welke dossier(s) dit bedrag is afgeboekt. Voor het restant wil [gedaagde] graag een betalingsregeling treffen.





4De beoordeling



Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden




4.1.
In zaken tussen een handelaar en een consument is de kantonrechter verplicht ambtshalve te beoordelen of in de algemene voorwaarden geen bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument, in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Over ieder onderdeel van de vordering moet de kantonrechter beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen.



4.2.
Uit het polisblad blijkt dat op de onderhavige verzekeringsovereenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn. VGZ had deze algemene voorwaarden dan ook moeten overleggen. Omdat VGZ deze algemene voorwaarden niet bij de dagvaarding heeft gevoegd, kan de kantonrechter niet beoordelen of in de algemene voorwaarden een rentebeding is opgenomen die oneerlijk is ten opzichte van de consument. Gelet hierop wordt de gevorderde rente afgewezen.



Premies en overige zorgkosten





4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] premies en andere zorgkosten onbetaald heeft gelaten, maar wat de hoogte is van de achterstand.



4.4.
Vast staat dat VGZ [gedaagde] eerder, in 2021, in rechte heeft betrokken voor de achterstand. De kantonrechter heeft toen de hoofdsom in volle omvang beoordeeld, ook al was door VGZ de hoofdsom beperkt tot € 500,00. Er is dus al een beslissing genomen over de hoogte van de hoofdsom. Tegen dit vonnis staat geen rechtsmiddel meer open, zodat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Dit heeft tot gevolg dat dat vonnis voor wat betreft het in onderhavige procedure aan de orde zijnde geschilpunt tussen partijen bindende kracht heeft en aan het vonnis gezag van gewijsde toekomt. Dat betekent dat in rechte als vaststaand moet worden aangenomen dat de hoofdsom € 6.237,43 bedraagt en niet zoals VGZ stelt € 7.450,17. Dit verweer van [gedaagde] slaagt.



4.5.


[gedaagde] heeft verder betoogd dat bij het vorige vonnis (slechts) een bedrag van
€ 500,00 is toegewezen, maar dat er wel proceskosten (ter hoogte van € 1.011,35 dan wel van € 1.027,00) in rekening zijn gebracht. Zij meent dat de hoofdsom (althans zo begrijpt de kantonrechter) hierdoor moet worden verlaagd. Dit betoog slaagt niet. Bij vonnis van 21 augustus 2021 is een bedrag van € 500,00 aan hoofdsom toegewezen. Omdat [gedaagde] in die procedure in het ongelijk is gesteld moest zij de proceskosten betalen. Die kosten is [gedaagde] dan ook verschuldigd en komen dus boven op het bedrag van € 500,00. De gemachtigde van VGZ heeft gesteld dat het verschil tussen € 1.011,35 en € 1.027,00 is te verklaren doordat er rente over de proceskosten is berekend en in rekening is gebracht. Voor (verdere) vragen over de hoogte van die proceskosten dient [gedaagde] contact op te nemen met de gemachtigde van VGZ.




4.6.

Vooropgesteld wordt dat uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat [gedaagde] een bedrag van € 4.450,00 heeft betaald en niet zoals zij in dupliek betoogt een bedrag van
€ 4.550,00. De kantonrechter leidt verder uit de stukken af dat [gedaagde] ten aanzien van het onderhavige dossier (dossier 18523805N) inmiddels een bedrag van € 4.013,53 heeft betaald (zie pagina 4 van de dagvaarding en punt 8 van repliek). De overige door [gedaagde] betaalde bedragen zijn afgeboekt op het andere dossier (dossier 19606887). Gelet op de hoofdsom van € 6.237,43 staat er op dit moment (in dossier 18523805N) nog een bedrag van € 2.223,90 (€ 6.237,43 - € 4.013,53) open. Dit bedrag is toewijsbaar.




Proceskosten





4.7.

[gedaagde] heeft tot slot betoogd dat de onderhavige procedure voorkomen had kunnen worden als VGZ haar, zoals ze heeft gevraagd een nieuwe betaallink had gestuurd. Voor zover zij meent dat zij rauwelijks is gedagvaard en om die reden de proceskosten niet is verschuldigd gaat dit niet op. Uit de door haar overgelegde e-mails blijkt dat de gemachtigde van VGZ op 20 september 2025 een e-mail heeft gestuurd met een betaallink met als uiterste betaaldatum 24 september 2025. Pas op 8 oktober 2025 heeft [gedaagde] gevraagd om een nieuwe betaallink. Het had op haar weg gelegen – gezien de overeengekomen regeling – om eerder contact op te nemen met VGZ dan wel haar gemachtigde. VGZ heeft gelet daarop tot dagvaarden kunnen overgegaan.



4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er echter wel aanleiding om tot compensatie van kosten over te gaan, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dienen te dragen. Bij dit oordeel is van belang dat [gedaagde] er terecht op heeft gewezen dat zij langdurig de gemaakte betalingsafspraken is nagekomen en dat het tegen die achtergrond wrang is dat zij na een eerste gemiste betaling in lange tijd door het uitbrengen van een dagvaarding weer direct met hoge kosten wordt geconfronteerd. VGZ kan en mag ervoor kiezen haar vordering aanvankelijk te beperken tot € 500,00 en daarover te procederen. Die keuze heeft, in combinatie met haar keuze om in de onderhavige zaak voor het restant van de vordering snel tot dagvaarding over te gaan wel tot gevolg dat zij ter zake van één vordering tweemaal aanspraak maakt op een proceskostenveroordeling. Omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen voorts volgt dat de gevorderde rente zal worden afgewezen en [gedaagde] op één punt in het gelijk wordt gesteld, ziet de kantonrechter in het een en ander aanleiding om tot compensatie van de kosten van de procedure over te gaan.



Regeling





4.8.

[gedaagde] verzoekt om een regeling. De kantonrechter kan hierover geen beslissing nemen en de kantonrechter kan partijen ook niet verplichten om een regeling met elkaar te treffen. Als [gedaagde] afspraken met VGZ wil maken, dan moet zij contact opnemen met VGZ. VGZ heeft verklaard dat zij bereid is om (wederom) een betalingsregeling te treffen.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 2.223,90,



5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,





5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
















































Rechtbank Noord-Holland 11 augustus 2021, zaaknr./rolnr.: 9012463 \ CV EXPL 21-786.


Bij vonnis van 11 augustus 2021, zaaknr./rolnr.: 9012463 \ CV EXPL 21-786.


Artikel 236 Rv.