Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11374

2026-01-28 Bestuursrecht HAA 25/1187
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-01-28
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 25/1187
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het weigeren van toestemming aan eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Eiser is het hier niet mee eens. Artikel 7, vierde lid, Wpbr. Motiveringsgebrek. Evenredigheid.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.604 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/1187


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),


en


de korpschef van de politie
(gemachtigde: mr. J.B. van der Els).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het weigeren van toestemming aan eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit om de aangevraagde toestemming te onthouden.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden mocht weigeren, maar dat in bestreden besluit is miskent dat een evenredigheidstoets (artikel 4:84 van de Awb) plaats had moeten vinden. In zoverre is het beroep gegrond. Voor zover er door eiser in het kader van de evenredigheid concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd, is de korpschef daar wel op ingegaan in het bestreden besluit. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Voor het overige is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.




Procesverloop


2.1.
De korpschef heeft met het besluit van 4 juli 2024 de voor eiser gevraagde toestemming geweigerd. Met de beslissing op bezwaar van 21 januari 2025 is de korpschef bij dat besluit gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3 .
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde en de gemachtigde van de korpschef.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




3. Op 9 februari 2024 heeft DSV Dienst Service en Veiligheid voor eiser bij de korpschef om toestemming verzocht om voor DSV werkzaamheden te verrichten als horecaportier.



3.1.
De korpschef heeft in het primaire besluit van 4 juli 2024 de toestemming onthouden, omdat eiser volgens de korpschef niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten beveiligingswerk. De korpschef heeft aan dit besluit onder andere ten grondslag gelegd dat aan eiser:


op 23 april 2023 een strafbeschikking is opgelegd van 250 euro, vanwege het overtreden van artikel 3 aanhef en onder c van de Opiumwet (bezit softdrugs);


op 10 november 2021 een strafbeschikking is opgelegd van 400 euro, vanwege het overtreden van artikel 7 lid 1 aanhef en onder a en b van de Wegenverkeerswet 1994 (verlaten plaats ongeval);


op 24 oktober 2023 een strafbeschikking is opgelegd van 420 euro voor het overtreden van artikel 49, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens heeft overtreden (het niet voor laten gaan bij een oversteekplaats van een gehandicaptenvoertuig);


tot slot zijn er een aantal registraties aangetroffen in de politiesystemen waaruit het vermoeden ontstaat dat eiser omgaat met personen die actief zijn in het criminele circuit. Eiser wordt regelmatig gecontroleerd in het bijzijn van hen. Dit komt eisers betrouwbaarheid niet ten goede volgens de korpschef.





3.2.
In het bestreden besluit van 21 januari 2025 wordt het bezwaar ten dele gegrond verklaard en het primaire besluit ten dele herroepen en de gevraagde toestemming geweigerd.



Hoe beoordeelt de rechtbank dit beroep?





4.1.
Om beveiligingswerkzaamheden te mogen uitvoeren is toestemming van de korpschef nodig. Dat volgt uit artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (de Wpbr), waarin staat dat een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid geen personen te werk stelt die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Ingevolge het vierde lid wordt deze toestemming onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.



4.2.
De korpschef heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling of iemand voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren, dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn.



4.3.

In paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (de beleidsregels) staat dat de toestemming wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van: a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.




4.4.

In de beleidsregels staat dat de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
I) binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,
II) binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd.
Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijkgesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak. De korpschef kan van de hiervoor onder I en II bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.




4.5.

Daarnaast staat in de beleidsregels dat de toestemming ook kan worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.
Van “andere omtrent de aanvrager bekende feiten” is volgens de beleidsregels met name – maar niet uitsluitend – sprake als een betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder b is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter – behoudens uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de acht jaar als hiervoor genoemd.






Bespreken van de beroepsgronden





Artikel 7 lid 4 van de Wpbr: onverbindend, dan wel buiten toepassing laten?




5.1.
Eiser voert aan dat artikel 7 lid 4 van de Wpbr onverbindend moet worden verklaard, dan wel buiten toepassing moet worden gelaten omdat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (discriminatieverbod), artikel 1 protocol 12 van het EVRM (discriminatieverbod) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod). Eiser voert aan dat hij aan een strenger toetsingskader wordt onderworpen dan iemand in een soortgelijke situatie die wel toestemming heeft gekregen, maar van wie de toestemming vervolgens wordt ingetrokken op basis van een belangenafweging. De wetgever heeft daar onvoldoende bij stil gestaan.



5.2.
De Wpbr is een wet in formele zin. Op grond van artikel 120 van de Grondwet mag de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten in formele zin treden. Uit de Grondwet, in het bijzonder uit artikel 94, vloeit voort dat de Nederlandse rechter bepalingen uit een wet in formele zin slechts buiten toepassing mag laten indien deze toepassing niet verenigbaar is met eenieder verbindende bepalingen van een of meer verdragen die discriminatie verbieden. Eiser heeft zich op dergelijke verdragen beroepen.



5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de toepassing van lid 4 van artikel 7 van de Wpbr geen sprake van onverenigbaarheid met het door eiser genoemde gelijkheidsbeginsel of discriminatieverbod, omdat de korpschef bij het intrekken van een eerder gegeven toestemming op grond van lid 5 van artikel 7 van de Wpbr beoordelingsvrijheid heeft. De rechtbank volgt de korpschef in het standpunt dat het verlenen van toestemming op grond van de Wpbr (artikel 7 lid 4) niet gelijk kan worden gesteld aan de intrekking daarvan (artikel 7 lid 5). Het intrekken van een verkregen recht betreft een andere feitelijke en juridische situatie dan het verlenen van een recht. Van gelijke gevallen is dus geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.



Paragraaf 3.3 onder b van de beleidsregels: onverbindend, dan wel buiten toepassing laten?




6.1.
Eiser voert aan dat de beleidsregels onverbindend zijn, dan wel dat paragraaf 3.3, onder b, van de beleidsregels buiten toepassing moet blijven omdat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid aan mutaties een rol wordt toebedeeld die in strijd is met de onschuldpresumptie uit artikel 6, tweede lid van het EVRM. De weigering van het geven van toestemming kan op grond van de beleidsregels worden gebaseerd op een gedraging die enkel is vastgelegd in een proces-verbaal, ook als er geen veroordeling heeft plaatsgevonden of het feit geseponeerd is, aldus eiser.



6.2.
De onschuldpresumptie is in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, neergelegd en houdt in dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.



6.3.
Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr wordt de toestemming onthouden indien de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. De invulling die in paragraaf 3.3., aanhef en onder b, van de beleidsregels aan de term ‘betrouwbaarheid’ is gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de onschuldpresumptie. De korpschef baseert zijn besluit weliswaar op strafrechtelijke stukken, maar niet op een strafrechtelijke procedure. Door omtrent de aanvraag bekende feiten als bedoeld in paragraaf 3.3, aanhef en onder b, van de beleidsregels te betrekken wordt een afweging gemaakt van de betrouwbaarheid van een betrokkene voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie. Daarmee wordt geen oordeel gegeven over de schuld van de betrokkene aan een strafbaar feit en er is dus geen sprake van strijd met de onschuldpresumptie. Voor onverbindendheid van de beleidsregels of het buiten toepassing laten van paragraaf 3.3 daarvan bestaat dan ook geen grond. De beroepsgrond slaagt niet.



Motiveringsgebrek?


a-grond (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)




7.1.
Eiser merkt op dat het verlaten van de plaats van het ongeval ruime tijd geleden heeft plaatsgevonden. Bij overtreding van de Opiumwet was, gelet op de hoogte van de boete, sprake van een gering feit. Het ging om meer dan 5 gram hasj, maar bij 5 gram of minder had hij in het geheel geen strafbeschikking. Eiser is slechts eenmaal veroordeeld voor de Opiumwet. Volgens eiser moet de terugkijktermijn hoe dan ook worden teruggebracht tot minder dan vier jaar.



7.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het beleid volgt dat de toestemming wordt geweigerd als binnen vier jaar voorafgaand aan het moment van de toetsing sprake is van een veroordeling wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd. Daar is in dit geval sprake van. Dat het verlaten van de plaats van een ongeval een tijd geleden is, maakt niet dat de korpschef dit niet mocht betrekken bij de beoordeling. Uit de beleidsregels volgt dat moet worden gekeken naar het moment van veroordeling. Eiser is voor het verlaten van de plaats van een ongeval op 10 november 2021 veroordeeld en dat valt binnen de terugkijktermijn. Ook voor het Opiumdelict geldt dat eiser hiervoor is veroordeeld binnen de terugkijktermijn. De korpschef mocht daarom ook deze veroordeling, los van de hoeveelheid drugs waar het om ging, bij de beoordeling betrekken.



7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de korpschef in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiser geen aanleiding was om gebruik te maken van de bevoegdheid om af te wijken van de terugkijktermijn. Aangezien eiser niet in beroep is gegaan tegen de strafbeschikking voor het verlaten van de plaats van een ongeval is de enkele stelling dat eiser niets zou hebben gemerkt van de aanrijding daarvoor onvoldoende. Daarnaast geeft de korpschef aan ervan uit te gaan dat eiser van de verschillende zaken heeft geleerd en zich ervan bewust is dat het plegen van strafbare feiten gevolgen heeft. Dit maakt echter niet dat de recidivekans gering is, gezien de beperkte tijd die er is verstreken sinds aan eiser de strafbeschikking voor het opiumdelict is opgelegd (23 april 2023) ten opzichte van de terugkijktermijn van vier jaar. Daarnaast heeft de korpschef gemotiveerd dat het bij het opiumdelict ging om 24 gram, hetgeen beduidend hoger is dan een gebruikshoeveelheid van 5 gram (en duidt op een handelsvoorraad). Een (horeca)beveiliger dient zich ervan bewust te zijn dat het bezit van deze hoeveelheid drugs niet is toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.



b-grond (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)




8.1.
Eiser voert aan dat hij extreem vaak staande wordt gehouden en daarbij nog nooit iets strafbaars is geconstateerd. De mutaties gaan slechts over speculaties en geen feiten. Eiser voert aan dat juist omdat hij vaak is gecontroleerd zonder constateringen en er slechts sprake is van enkele mutaties waarbij bovendien geen concrete aanwijzingen zijn voor een strafbaar feit, dit juist tot de conclusie had moeten leiden dat geen sprake is van gedrag dat afbreuk zou kunnen doen aan de betrouwbaarheid van eiser. Door de korpschef is onvoldoende ingegaan op de terugkijktermijn. Eiser weet daarom niet waar hij aan toe is. Het besluit is niet zorgvuldig en niet goed gemotiveerd, aldus eiser.



8.2.
De korpschef neemt ook de registraties, zoals bedoeld in paragraaf 3.3, onder b, van de beleidsregels in aanmerking. Gelet op het gebruik van de auto van eiser bij criminele jongeren en groepjes en gelet op zijn herhaalde omgang met NN1, houdt de korpschef er ernstige rekening mee dat eiser in criminele kringen (drugshandel) verkeert en dat hij daarbij ook zelf mogelijk betrokken is. Eiser is daarmee niet boven alle twijfels verheven. Bij de beoordeling van zijn betrouwbaarheid dient er daarom rekening mee te worden gehouden dat hij onder druk kan worden gezet om als beveiliger actief dan wel passief medewerking te verlenen aan activiteiten die niet verenigbaar zouden kunnen zijn met hetgeen van een betrouwbare beveiliger mag worden verlangd. Ook dat maakt dat zijn betrouwbaarheid niet boven alle twijfel verheven is, wat tot gevolg heeft dat de korpschef geen aanleiding ziet om af te wijken van de geldende (wacht)termijnen.



8.3.
De rechtbank overweegt dat de korpschef zich in lijn is met de beleidsregel heeft mogen baseren op de mutaties. Bovendien onthoudt de korpschef de toestemming niet alleen op basis van de mutaties (de b-grond), maar ook vanwege de strafbeschikkingen (de a-grond). In de beleidsregels staat dat de periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van de b-grond afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter nooit langer zijn dan acht jaar. Door eiser zijn geen (zwaarwegende) omstandigheden aangevoerd die maken dat de korpschef een (veel) kortere periode had moeten aanhouden dan hij heeft gedaan in zijn besluit. De beroepsgrond slaagt niet.



Evenredigheid




9.1.
Eiser voert aan dat door de korpschef eigenlijk wordt gesteld dat nooit van het beleid wordt afgeweken. Dat is in strijd met artikelen 3:4 Awb, artikel 4:84 Awb en artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr. De bevoegdheid uit artikel 7 vierde lid van de Wpbr is dwingendrechtelijk geformuleerd. Dit betekent volgens eiser echter niet dat niet aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden.



9.2.

De korpschef stelt dat artikel 3:4, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een belangenafweging voorschrijft “voor zover niet uit een wettelijk voorschrift (..) een beperking voort vloeit”. De formulering uit artikel 7 lid 4 van de Wpbr is heel
duidelijk: de gevraagde toestemming moet worden geweigerd bij een niet bekwame of niet betrouwbare persoon. In de wetsgeschiedenis met betrekking tot de Wpbr zijn geen aanwijzingen te vinden waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de consequenties van deze dwingend omschreven wettelijke bepaling, aldus de korpschef.




9.3.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder andere in de uitspraak van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2024:4841, heeft artikel 7, vierde lid, van de Wpbr een dwingendrechtelijk karakter. Dat houdt in dat als de korpschef met toepassing van de beleidsregels tot de conclusie komt dat de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk, hij de toestemming moet onthouden. Voor een belangenafweging is in dat geval geen plaats. Dat neemt echter niet weg dat de korpschef bij de beoordeling of de betrokkene bekwaam of betrouwbaar is gebruik maakt van de beleidsregels en artikel 4:84 van de Awb moet toepassen. Daarbij mag hij alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor het oordeel of de betrokkene al dan niet bekwaam of betrouwbaar is. De reikwijdte van artikel 4:84 van de Awb wordt dus begrensd door de ruimte die artikel 7, vierde lid, van de Wpbr laat.



9.4.
Uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak volgt dat in het kader van de beleidsregels een belangenafweging had moeten plaatsvinden. Dat is door de korpschef miskent in het bestreden besluit. Op dat punt is dus sprake van een motiveringsgebrek. Ten aanzien van de evenredigheid is door eiser op de zitting gewezen op het feit dat eiser zonder de gevraagde toestemming geen beveiligingswerk kan doen. Dat is echter inherent aan het besluit en geen bijzondere omstandigheid. Daarnaast heeft eiser op de zitting enkel in zijn algemeenheid verwezen naar de aangevoerde punten over de strafbeschikkingen en mutaties. Op deze punten is de korpschef echter (uitgebreid) ingegaan in het bestreden besluit. Eiser heeft geen (andere) bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb aangevoerd die maken dat sprake is van een onevenredig besluit. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat in het bestreden besluit een expliciete motivering ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel uit artikel 4:84 van de Awb ontbreekt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin staat dat niet wordt toegekomen aan een evenredigheidstoets. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand. Voor zover er door eiser in het kader van de evenredigheid concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd, zijn deze namelijk wel besproken in het bestreden besluit. Dat betekent dat eiser door het motiveringsgebrek niet wordt benadeeld.

11. Omdat het beroep gegrond is moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De korpschef moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.







Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 januari 2025 voor zover daarin staat dat niet wordt toegekomen aan een evenredigheidstoets;
- stelt deze uitspraak in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vgl. ECLI:NL:RVS:2022:564.


Vgl. ECLI:NL:RVS:2019:355.