Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11331

2026-08-27 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 25/3690
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 25/3690
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het college hoefde eisers geen zienswijzemogelijkheid te bieden. Daarnaast had het college in het kader van de aanvraag niet hoeven toetsen of het gebruik van het pand als coffeeshop in strijd is met het omgevingsplan. Het beroep is ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.883 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/3690

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen



Merck Sharp & Dohme B.V., het Waterlaboratorium N.V. en de Vereniging Industriekring Haarlem, allen uit Haarlem, eisers
(gemachtigden: mr. W.J. Bosma en mr. P. Ligtenberg),



en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem
(gemachtigden: B. Kooij en mr. A. Verhoek).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vergunninghouder] uit Haarlem (vergunninghouder)
(gemachtigden: mr. S.T. Blom en mr. G.J.S. Pannekoek).



Samenvatting


1.1
Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning aan vergunninghouder te verlenen voor het renoveren van het bestaande gebouw op het perceel [adres] in [plaats] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.



1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college aan eisers geen zienswijzemogelijkheid hoefde te bieden. Daarnaast had het college in het kader van de aanvraag niet hoeven toetsen of het gebruik van het pand als coffeeshop in strijd is met het omgevingsplan. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.3
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Had het college aan eisers een zienswijzemogelijkheid moeten bieden? Had het college moeten toetsen of het gebruik van het pand als coffeeshop in strijd is met het omgevingsplan? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop


2.1
Met het bestreden besluit van 9 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij het besluit gebleven om een omgevingsvergunning aan vergunninghouder te verlenen voor het renoveren van het bestaande gebouw op het perceel [adres] in [plaats] .



2.2

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.




2.3
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Namens eisers [naam 1] en [naam 2] , mr. P. Ligtenberg als gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en mr. G.J.S. Pannekoek als gemachtigde van vergunninghouder.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit



3.1
Eisers zijn gevestigd in de directe omgeving van het perceel. Merck Sharp & Dohme B.V. is gevestigd aan de Waarderweg 39 in Haarlem en het Waterlaboratorium N.V. is gevestigd aan de J.W. Lucasweg 2. De Vereniging Industriekring Haarlem is gevestigd aan de Waarderweg 50 en is een belangenvereniging die opkomt voor de belangen van ondernemingen in de Waarderpolder.



3.2
Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het renoveren van het bestaande gebouw op het perceel [adres] in [plaats] (hierna: het pand). Voor het pand geldt het Omgevingsplan gemeente Haarlem (hierna: het omgevingsplan). Het bestemmingsplan Bedrijventerrein Waarderpolder (hierna: het bestemmingsplan) is onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Groen’ met de functieaanduiding ‘horeca’. De aanvraag ziet op het vervangen van kozijnen, het vernieuwen van het dak en het aanbrengen van pleisterstucwerk op de gevel. Het betreft een aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit bouwen en voor een (technische) bouwactiviteit.



3.3
Met primaire besluit heeft het college de omgevingsvergunning voor beide activiteiten verleend. Met het bestreden besluit heeft het college de verleende omgevingsvergunning onder andere in stand gelaten omdat de aanvraag niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan. Het verlenen van de omgevingsvergunning is daarmee een gebonden beschikking.



3.4
Vergunninghouder heeft daarnaast op 22 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning en een gedoogbeschikking voor het vestigen van een coffeeshop in hetzelfde pand. Beide zijn op 13 juni 2025 door de burgemeester verleend. Eiser hebben hiertegen ook bezwaar gemaakt.



Had het college aan eisers een zienswijzemogelijkheid moeten bieden?




4.1
Eisers voeren aan dat het college een zienswijzemogelijkheid had moeten bieden op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Er stond vast dat eisers, en ook andere partijen, bezwaren hadden tegen het gebruik van de locatie als coffeeshop. Eisers kunnen de stelling van het college niet volgen dat sprake is van een gebonden beschikking. Het college had daarom wel om een zienswijze moeten vragen.



4.2
De rechtbank is van oordeel dat het college geen zienswijzemogelijkheid hoefde te bieden aan eisers op grond van artikel 4:8 van de Awb. Niet alle belanghebbenden die als derden het recht hebben rechtsmiddelen aan te wenden tegen een besluit, moeten vooraf in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijzen kenbaar te maken. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 4:8 van de Awb blijkt namelijk dat de bepaling alleen waarborgt dat een verificatie van gegevens plaatsvindt. De bepaling heeft de strekking een zorgvuldige voorbereiding van de beschikking te bevorderen en niet zozeer het bieden van rechtsbescherming. Omdat het besluit niet steunt op gegevens over feiten en belangen die eisers betreffen en die niet door eisers zijn verstrekt, hoefde het college hen niet vooraf te horen. De beroepsgrond slaagt niet.



Had het college moeten toetsen of het gebruik van het pand als coffeeshop in strijd is met het omgevingsplan?




5.1
Eisers voeren aan dat het college had moeten toetsen of de activiteit in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het gebruik van het bouwwerk. Dit volgt uit artikel 22.26 van het omgevingsplan in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan. Eisers kunnen het standpunt van het college niet volgen dat de aanvraag niet ziet op het exploiteren van een coffeeshop. Eisers stellen dat het college eraan voorbijgaat dat een bepaald gebruik moet worden meegenomen als redelijkerwijs is aan te nemen dat een bouwwerk anders zal worden gebruikt, ook als dit niet volgt uit de aanvraag. Eisers verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020. Er zijn in dit geval voldoende omstandigheden waardoor kan worden aangenomen dat is beoogd de locatie te gebruiken als coffeeshop. De belangrijkste omstandigheid is dat op 22 mei 2024, voor het besluit van 16 januari 2025, een exploitatievergunning en een gedoogbesluit is aangevraagd voor de verkoop van softdrugs. Op 12 juni 2025 heeft de burgemeester besloten om de exploitatievergunning te verlenen en de verkoop van softdrugs te gedogen. Nu het gebruik van het gebouw als coffeeshop aannemelijk is, had het college dit gebruik moeten toetsen. Het feit dat in de aanvraag in aangegeven dat het gebouw op dit moment wordt gebruikt volgens de functieaanduiding horeca en nergens anders voor gebruikt gaat worden, doet daaraan niet af. Niet toetsen of het gebruik als coffeeshop in strijd is met het omgevingsplan, is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.



5.2
De rechtbank overweegt dat het college moet beslissen op aanvraag die is ingediend. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser alleen ziet op de renovatie van het pand. Vergunninghouder wil het bestaande gebouw renoveren en daarbij de kozijnen vervangen, het dak vernieuwen en pleisterstucwerk aanbrengen op de gevel. Het volume van het gebouw blijft daarbij hetzelfde. In de aanvraag staat dat het bouwwerk momenteel wordt gebruikt voor horeca en dat dit gebruik niet veranderd.



5.3
Gelet op de gegevens uit de aanvraag, heeft het college mogen concluderen dat de bouwactiviteit (de renovatie) - conform artikel 22.29 van ‘de bruidsschat’ (nu artikel 3.14 van het omgevingsplan) - niet in strijd is met de in het omgevingsplan daarvoor gestelde regels. Dit artikel is namelijk een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, sub c en d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het gaat dus om de vraag of de aangevraagde activiteit, in dit geval dus de renovatie, in strijd is met het omgevingsplan.



5.4
Anders dan eisers aanvoeren, gaat de vraag of het gebruik van het pand als coffeeshop in overeenstemming is met het planologisch toegestane gebruik de omvang van deze procedure te buiten. De aanvraag van eiser ziet namelijk enkel op de renovatie van het pand (een omgevingsplanactiviteit bouwen en een (technische) bouwactiviteit). De aangevraagde renovatie hangt niet onlosmakelijk samen met een bepaald gebruik. Eiser heeft daarnaast een exploitatievergunning en een gedoogbeschikking aangevraagd voor de exploitatie van het pand als coffeeshop. Partijen discussiëren in het kader van de lopende bezwaarprocedure tegen die vergunningen (ook) over de vraag of het gebruik van het pand als coffeeshop in overeenstemming is met het planologisch toegestane gebruik. De beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



De uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3831.



ECLI:NL:RVS:2020:1006 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)



De uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3066.