Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11325
2026-08-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12046837 CV EXPL 26-107
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dexia. Effectenlease. Verboden advisering tussenpersoon.
Citeert (24)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:2548 Rechtbank Overijssel 22-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2019:8462 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7910 Rechtbank Amsterdam 25-11-2021
- ECLI:NL:HR:2017:164 Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:HR:2008:BC2837 Hoge Raad 28-03-2008
- ECLI:NL:HR:2009:BH
- ECLI:NL:HR:2011:BP4003 Hoge Raad 29-04-2011
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 Gerechtshof Amsterdam 01-04-2014
- ECLI:NL:GHARL:2020:8992 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 Gerechtshof Amsterdam 25-05-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2023:23 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4177 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2025:684 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:686 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:687 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:688 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:689 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:379 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2025
- ECLI:NL:HR:2023:882 Hoge Raad 09-06-2023
- ECLI:NL:HR:2016:2012 Hoge Raad 02-09-2016
- ECLI:NL:HR:2018:1935 Hoge Raad 12-10-2018
- ECLI:NL:HR:2022:862 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.589 tekens)
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12046837 CV EXPL 26-107
vonnis van de kantonrechter van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats], gemeente [gemeente],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.
1Kern van de zaak
1.1.
[eiser] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [eiser] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [eiser] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 december 2025;
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
akte vermeerdering eis tevens de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De producties waarnaar in de laatste conclusie wordt verwezen, zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
3
3. De feiten
3.1.
[eiser] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
23500526
30-10-2001
10 = 20 Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
23-02-2010
- € 45,03
Nee
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 4.492,62 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] geen bedrag aan dividenden ontvangen en geen fiscaal voordeel genoten.
4De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
4.1.
[eiser] vordert thans, na vermeerdering van eis, (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
voor recht zal verklaren dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
Dexia zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het Bureau kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,
Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser], met rente,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een incidenteel verzoek waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
[eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
[eiser] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van € 15,01, vermeerderd met wettelijke rente,
voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
[eiser] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
algemeen
5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser].
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
e Lange-Kuijper heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[eiser] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf] (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“[eiser] werd door [bedrijf] telefonisch benaderd voor een vrijblijvend financieel
doorlichtingsgesprek. De medewerker van [bedrijf] stelde voor om een afspraak te maken
voor een huisbezoek met een financieel adviseur van [bedrijf]. De hypothecaire lening van
[eiser] liep af en zij had interesse in advies over een verlenging dan wel een ver
nieuwing van de hypothecaire lening. [eiser] stemde deswege in met een afspraak
voor een huisbezoek. Er hebben uiteindelijk meerdere huisbezoeken plaatsgevonden. De echtgenoot van [eiser], de heer [betrokkene 1] (hierna te noemen: ‘[betrokkene 1]’), was ook bij deze huisbezoeken aanwezig.
Ten overvloede merkt [eiser] op dat [betrokkene 1] ook een 10 = 20 Effect overeenkomst
van Bank Labouchere heeft afgesloten. Deze overeenkomst is niet in het geding, maar is wel
onderdeel van het advies van de financieel adviseur van [bedrijf] aan het echtpaar [betrokkene 1]
en [eiser]. Om deze reden zal ook de overeenkomst van [betrokkene 1] worden besproken.
(…)
Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van [bedrijf], de heer [betrokkene 2] (hierna:
‘adviseur’) zijn visitekaartje overhandigd (
productie D
) en geïnformeerd naar de financiële situatie en de wensen van [eiser] en [betrokkene 1]. Zo is met de adviseur gesproken over
het werk, het inkomen, de woonsituatie en het pensioen van [eiser] en [betrokkene 1]. [eiser]
en [betrokkene 1] beschikten over een koopwoning en de hypothecaire lening van deze
woning was aflopend. Zoals hierboven reeds vermeld ontvingen [eiser] en [betrokkene 1]
graag advies over de aflopende hypothecaire lening. Daarnaast is met de adviseur gesproken
over de wens van [eiser] en [betrokkene 1] om een financiële reserve op te bouwen voor
de toekomst en om (eventueel) eerder te kunnen stoppen met werken. De adviseur gaf aan dat
hij [eiser] en [betrokkene 1] advies kon geven inzake de aflopende hypothecaire lening
en tegelijkertijd ook een geschikte constructie wist om hun wens te realiseren.
De adviseur adviseerde [eiser] en [betrokkene 1] om een nieuwe hypothecaire lening af
te sluiten in combinatie met een levensverzekering van Levob en twee 10 = 20 Effect overeen
komsten van Bank Labouchere — waarvan één voor [betrokkene 1] en één voor [eiser] bom de wens van beiden te realiseren. Concreet adviseerde de adviseur — op basis van de financiële bestedingsruimte van [eiser] en [betrokkene 1] — [eiser] om een 10 = 20
Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van NLG
100,- en [betrokkene 1] om eenzelfde overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van
NLG 150,-. Volgens de adviseur zouden [eiser] en [betrokkene 1] met de combinatie van
de levensverzekering en de 10 = 20 Effect overeenkomsten aanzienlijk vermogen opbouwen,
waardoor zij eerder zouden kunnen stoppen met werken. De adviseur onderbouwde zijn advies
aan de hand van rekenvoorbeelden. Deze heeft de adviseur na het huisbezoek weer mee genomen, waardoor [eiser] deze niet kan overleggen.
Tijdens het gesprek hebben [eiser] en [betrokkene 1] expliciet aangegeven aan de adviseur dat zij niet wilden beleggen in aandelen, maar wilden sparen. De adviseur verzekerde [eiser] en [betrokkene 1] dat het enkel ging om sparen en dat zij het als spaarpot moesten
zien.
De adviseur heeft [eiser] en [betrokkene 1] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s.
Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de 10 = 20 Effect overeenkomst werd belegd met geleend
geld, dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en er boven
dien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser] en [betrokkene 1] op de risico’s gewezen waren, hadden zij de 10 = 20 Effect overeenkomst nooit afgesloten.
[eiser] en [betrokkene 1] hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe
financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en
zijn advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseur opgevolgd en de
10 = 20 Effect overeenkomst met een maandelijkse inleg van NLG 100,- van Bank Labouchere
afgesloten en [betrokkene 1] eenzelfde overeenkomst met een maandelijkse inleg van NLG 150,-.
De aanvraag voor de 10 = 20 Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de
uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. De hypotheek en de levensverzekering zijn eveneens door de adviseur in orde gemaakt. De overeenkomst van [betrokkene 1]
wordt overgelegd als
productie E.
5.8.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 30 oktober 2001 met contractnummer 23500526, voorzien van de tekst “Adviseur: ATP00170-[bedrijf] B.V.”,
- een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van de tussenpersoon, waarop vermeld staat: “[betrokkene 2], Accountmanager (…)”,
- een kopie van de overeenkomst van de heer [betrokkene 1] van 30 oktober 2001 met contractnummer 23500527, voorzien van de tekst “Adviseur: ATP00170-[bedrijf] B.V.”
5.9.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
5.10.
[eiser] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon [bedrijf] een op de persoon van [eiser] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser], had zij behoren te weten dat [eiser] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia
5.11. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser]
5.12. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.
5.13.
Die door [eiser] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [eiser] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 4.492,62. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.14.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.15.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
BKR-registratie
5.16.
Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een codering aan het BKR heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te verzoeken de codering van [eiser] ongedaan te maken. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.
het verzoek van Dexia
5.17.
Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.18.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.19.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 82,00.
vorderingen Dexia
5.20.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.21.
Omdat [eiser] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 957,47.
5.22.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6Beslissing
De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek van Dexia af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5.
verklaart voor recht dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
6.6.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.492,62, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.13.,
6.7.
veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een codering aan het BKR heeft doorgegeven - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te verzoeken de codering ongedaan te maken op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00,
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 957,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vordering ten aanzien van overeenkomst met nummer 39285724 af,
6.13.
wijst de vorderingen ten aanzien van overeenkomsten met nummers 21682055 en 21682054 toe.
6.14.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12046837 CV EXPL 26-107
vonnis van de kantonrechter van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats], gemeente [gemeente],
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.
1Kern van de zaak
1.1.
[eiser] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [eiser] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [eiser] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 december 2025;
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
akte vermeerdering eis tevens de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De producties waarnaar in de laatste conclusie wordt verwezen, zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
3
3. De feiten
3.1.
[eiser] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
23500526
30-10-2001
10 = 20 Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
23-02-2010
- € 45,03
Nee
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 4.492,62 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] geen bedrag aan dividenden ontvangen en geen fiscaal voordeel genoten.
4De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
4.1.
[eiser] vordert thans, na vermeerdering van eis, (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
voor recht zal verklaren dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
Dexia zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het Bureau kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,
Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser], met rente,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een incidenteel verzoek waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
[eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
[eiser] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van € 15,01, vermeerderd met wettelijke rente,
voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
[eiser] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
algemeen
5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser].
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
e Lange-Kuijper heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[eiser] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf] (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“[eiser] werd door [bedrijf] telefonisch benaderd voor een vrijblijvend financieel
doorlichtingsgesprek. De medewerker van [bedrijf] stelde voor om een afspraak te maken
voor een huisbezoek met een financieel adviseur van [bedrijf]. De hypothecaire lening van
[eiser] liep af en zij had interesse in advies over een verlenging dan wel een ver
nieuwing van de hypothecaire lening. [eiser] stemde deswege in met een afspraak
voor een huisbezoek. Er hebben uiteindelijk meerdere huisbezoeken plaatsgevonden. De echtgenoot van [eiser], de heer [betrokkene 1] (hierna te noemen: ‘[betrokkene 1]’), was ook bij deze huisbezoeken aanwezig.
Ten overvloede merkt [eiser] op dat [betrokkene 1] ook een 10 = 20 Effect overeenkomst
van Bank Labouchere heeft afgesloten. Deze overeenkomst is niet in het geding, maar is wel
onderdeel van het advies van de financieel adviseur van [bedrijf] aan het echtpaar [betrokkene 1]
en [eiser]. Om deze reden zal ook de overeenkomst van [betrokkene 1] worden besproken.
(…)
Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van [bedrijf], de heer [betrokkene 2] (hierna:
‘adviseur’) zijn visitekaartje overhandigd (
productie D
) en geïnformeerd naar de financiële situatie en de wensen van [eiser] en [betrokkene 1]. Zo is met de adviseur gesproken over
het werk, het inkomen, de woonsituatie en het pensioen van [eiser] en [betrokkene 1]. [eiser]
en [betrokkene 1] beschikten over een koopwoning en de hypothecaire lening van deze
woning was aflopend. Zoals hierboven reeds vermeld ontvingen [eiser] en [betrokkene 1]
graag advies over de aflopende hypothecaire lening. Daarnaast is met de adviseur gesproken
over de wens van [eiser] en [betrokkene 1] om een financiële reserve op te bouwen voor
de toekomst en om (eventueel) eerder te kunnen stoppen met werken. De adviseur gaf aan dat
hij [eiser] en [betrokkene 1] advies kon geven inzake de aflopende hypothecaire lening
en tegelijkertijd ook een geschikte constructie wist om hun wens te realiseren.
De adviseur adviseerde [eiser] en [betrokkene 1] om een nieuwe hypothecaire lening af
te sluiten in combinatie met een levensverzekering van Levob en twee 10 = 20 Effect overeen
komsten van Bank Labouchere — waarvan één voor [betrokkene 1] en één voor [eiser] bom de wens van beiden te realiseren. Concreet adviseerde de adviseur — op basis van de financiële bestedingsruimte van [eiser] en [betrokkene 1] — [eiser] om een 10 = 20
Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van NLG
100,- en [betrokkene 1] om eenzelfde overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van
NLG 150,-. Volgens de adviseur zouden [eiser] en [betrokkene 1] met de combinatie van
de levensverzekering en de 10 = 20 Effect overeenkomsten aanzienlijk vermogen opbouwen,
waardoor zij eerder zouden kunnen stoppen met werken. De adviseur onderbouwde zijn advies
aan de hand van rekenvoorbeelden. Deze heeft de adviseur na het huisbezoek weer mee genomen, waardoor [eiser] deze niet kan overleggen.
Tijdens het gesprek hebben [eiser] en [betrokkene 1] expliciet aangegeven aan de adviseur dat zij niet wilden beleggen in aandelen, maar wilden sparen. De adviseur verzekerde [eiser] en [betrokkene 1] dat het enkel ging om sparen en dat zij het als spaarpot moesten
zien.
De adviseur heeft [eiser] en [betrokkene 1] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s.
Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de 10 = 20 Effect overeenkomst werd belegd met geleend
geld, dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en er boven
dien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser] en [betrokkene 1] op de risico’s gewezen waren, hadden zij de 10 = 20 Effect overeenkomst nooit afgesloten.
[eiser] en [betrokkene 1] hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe
financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en
zijn advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseur opgevolgd en de
10 = 20 Effect overeenkomst met een maandelijkse inleg van NLG 100,- van Bank Labouchere
afgesloten en [betrokkene 1] eenzelfde overeenkomst met een maandelijkse inleg van NLG 150,-.
De aanvraag voor de 10 = 20 Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt en de
uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. De hypotheek en de levensverzekering zijn eveneens door de adviseur in orde gemaakt. De overeenkomst van [betrokkene 1]
wordt overgelegd als
productie E.
5.8.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 30 oktober 2001 met contractnummer 23500526, voorzien van de tekst “Adviseur: ATP00170-[bedrijf] B.V.”,
- een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van de tussenpersoon, waarop vermeld staat: “[betrokkene 2], Accountmanager (…)”,
- een kopie van de overeenkomst van de heer [betrokkene 1] van 30 oktober 2001 met contractnummer 23500527, voorzien van de tekst “Adviseur: ATP00170-[bedrijf] B.V.”
5.9.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
5.10.
[eiser] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon [bedrijf] een op de persoon van [eiser] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser], had zij behoren te weten dat [eiser] door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid Dexia
5.11. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser]
5.12. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.
5.13.
Die door [eiser] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [eiser] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 4.492,62. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.14.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.15.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
BKR-registratie
5.16.
Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een codering aan het BKR heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te verzoeken de codering van [eiser] ongedaan te maken. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.
het verzoek van Dexia
5.17.
Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.18.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.19.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 82,00.
vorderingen Dexia
5.20.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.21.
Omdat [eiser] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 957,47.
5.22.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6Beslissing
De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek van Dexia af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5.
verklaart voor recht dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
6.6.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.492,62, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.13.,
6.7.
veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een codering aan het BKR heeft doorgegeven - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te verzoeken de codering ongedaan te maken op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00,
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 957,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vordering ten aanzien van overeenkomst met nummer 39285724 af,
6.13.
wijst de vorderingen ten aanzien van overeenkomsten met nummers 21682055 en 21682054 toe.
6.14.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23.
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.