Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:11193

2026-08-04 Civiel recht; Arbeidsrecht K/4102/12205431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
K/4102/12205431
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

In deze zaak verzoekt de werknemer om hem (op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onderdeel b BW) een billijke vergoeding toe te kennen na opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever wegens bedrijfseconomische redenen (met toestemming van het UWV). De billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat de werkgever niet heeft opgezegd in strijd met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 onderdeel a BW. Evenmin is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Wel wordt de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon wegens een inflatiecorrectie die ten onrechte achterwege is gebleven. Dit is een verworven arbeidsvoorwaarde. In verband daarmee moet de werkgever ook een bedrag aan te weinig betaalde transitievergoeding nabetalen. De door de werknemer verzochte gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet onregelmatig heeft opgezegd. Het verzoek van de werknemer om het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding te vernietigen wordt toegewezen, omdat de werknemer in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever door dat beding onbillijk wordt benadeeld.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (42.775 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer / rekestnummer: 12205431 \ AO VERZ 26-43 (HB)




Beschikking van 4 augustus 2026




in de zaak van





[verzoeker]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,



tegen



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NRG PALLAS B.V.,
te Petten,
verwerende partij,
hierna te noemen: NRG PALLAS,
gemachtigden: mr. D. Beljon en mr. L.A.C. van Veen.




De zaak in het kort




In deze zaak verzoekt de werknemer om hem (op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onderdeel b BW) een billijke vergoeding toe te kennen na opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever wegens bedrijfseconomische redenen (met toestemming van het UWV). De billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat de werkgever niet heeft opgezegd in strijd met artikel 7:669 lid 1 en lid 3 onderdeel a BW. Evenmin is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Wel wordt de werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig loon wegens een inflatiecorrectie die ten onrechte achterwege is gebleven. Die inflatiecorrectie is een verworven arbeidsvoorwaarde geworden. In verband daarmee moet de werkgever ook een bedrag aan te weinig betaalde transtievergoeding nabetalen.
De door de werknemer verzochte gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet onregelmatig heeft opgezegd.
Het verzoek van de werknemer om het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding te vernietigen wordt toegewezen, omdat de werknemer in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever door dat beding onbillijk wordt benadeeld.








1De procedure


1.1.

[verzoeker] heeft op 27 april 2026 een verzoekschrift (met producties) ingediend. NRG PALLAS heeft daarop gereageerd bij verweerschrift (met producties). Bij brief van 1 juli 2026 heeft [verzoeker] nog nadere producties met een toelichting daarop toegezonden.



1.2.
Op 7 juli 2026 heeft, in de rechtbank te Haarlem, de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.





2Feiten


2.1.
NRG PALLAS is een (nucleair) onderzoeksinstituut en adviesbureau. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: ministerie van VWS) is enig aandeelhouder van NRG PALLAS.



2.2.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1972, is op 16 mei 2022 in dienst getreden van de Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor (hierna: PALLAS). PALLAS is op 1 januari 2025 gefuseerd met Stichting NRG tot Stichting NRG PALLAS. Die stichting is op 1 mei 2025 omgezet in een besloten vennootschap: NRG PALLAS.



2.3.

[verzoeker] was werkzaam in de functie van Hoofd Programmabureau/Head of Programme Office (hierna: Head of PSO). In die functie gaf hij leiding aan het Programmabureau (het Programme Support Office (PSO)). [verzoeker] was ook lid van het Directieteam PALLAS Programma.



2.4.
Het loon van [verzoeker] bedroeg laatstelijk (per 1 januari 2025) € 12.890,65 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Gedurende zijn dienstverband heeft [verzoeker] jaarlijks een inflatiecorrectie op zijn loon ontvangen, behalve per 1 januari 2026.



2.5.

De arbeidsovereenkomst van [verzoeker] bevat een concurrentiebeding, een
relatiebeding en een geheimhoudingsbeding.




2.6.
Na de bovengenoemde fusie is een reorganisatie ingezet onder de naam ‘ONE Company’ ter integratie van de twee fuserende entiteiten.



2.7.
In een gesprek op 17 oktober 2025 heeft NRG PALLAS [verzoeker] geïnformeerd dat zijn functie bij die reorganisatie per 1 december 2025 zou vervallen door het opheffen van zijn afdeling PSO. Tijdens dit gesprek is een (nog te creëren) andere functie op het gebied van audits en reviews genoemd als mogelijk passende functie. Bij e-mail van 22 oktober 2026 heeft [verzoeker] zijn interesse in die functie en andere gelijkwaardige of passende functies binnen NRG PALLAS bevestigd.



2.8.
Op 24 oktober 2025 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden en is een vaststellingsovereenkomst aan [verzoeker] toegezonden. [verzoeker] heeft in dat gesprek aangegeven dat hij wil dat eerst de mogelijkheden voor herplaatsing worden onderzocht. Ook heeft hij in dat gesprek vragen gesteld over een aantal functies waar zijn interesse naar uitging.


2.9.
Op 29 oktober 2025 heeft NRG PALLAS enige functies met [verzoeker] besproken.



2.10.
Bij e-mail van 30 oktober 2025 heeft NRG PALLAS aan [verzoeker] meegedeeld dat herplaatsing in een andere passende functie niet mogelijk is.



2.11.
Bij e-mail van 3 november 2025 heeft [verzoeker] meegedeeld dat hij nog steeds geïnteresseerd is in herplaatsing binnen de onderneming, heeft hij een aantal functies genoemd die hij in het herplaatsingsonderzoek wil betrekken en heeft hij verzocht om een functiebeschrijving en functieweging van de eerder besproken functie op het gebied van audits en reviews.



2.12.
Vervolgens heeft NRG PALLAS bij e-mail van 5 november 2025 aan [verzoeker] meegedeeld dat hij per 1 december 2026 boventallig is, dat hij tot 1 december 2025 zijn werkzaamheden moet overdragen aan collega’s, dat hij per 1 december 2025 is vrijgesteld van werk en dat hij kan solliciteren op openstaande vacatures.



2.13.
Op 5 november 2025 heeft NRG PALLAS het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verzocht toestemming te verlenen voor het ontslag van [verzoeker] op grond van bedrijfseconomische redenen.



2.14.
Op 6 november 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.



2.15.
Op 11 december 2025 heeft NRG PALLAS [verzoeker] een ‘eenmalig, niet onderhandelbaar verbeterd voorstel’ voor een vaststellingsovereenkomst gedaan. Dat voorstel is niet door [verzoeker] geaccepteerd.



2.16.
Op 9 januari 2026 heeft de bedrijfsarts geoordeeld: ‘Het is de situatie is die maakt dat dhr ( [verzoeker] ) niet kan werken, niet door een ziekte of gebrek. De klachten en beperkingen tgv van de situatie zijn nog aanwezig. (…) De situatie maakt dat dhr niet in staat is om zijn eigen of aangepast werk meer op te pakken bij huidige werkgeer. Ik ga er van uit dat dhr al is of zal worden vrijgesteld voor arbeid tijdens de lopende UWV procedure.’



2.17.
Bij e-mail van 12 januari 2026 heeft NRG PALLAS aan [verzoeker] bevestigd dat hij op grond van het advies van de bedrijfsarts hersteld is gemeld en met ingang van die dag is vrijgesteld van werk.



2.18.
Na een procedure bij het UWV, waarin [verzoeker] , die toen werd bijgestaan door een advocaat, uitgebreid verweer heeft gevoerd, heeft het UWV op 30 januari 2026 de gevraagde toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen verleend. Het UWV heeft – kort samengevat - geoordeeld dat er een deugdelijk medezeggenschapstraject heeft plaatsgevonden, dat NRG PALLAS voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bedrijfsorganisatorische redenen waardoor de functie en arbeidsplaats van [verzoeker] zijn komen te vervallen, dat er geen reden is om aan te nemen dat NRG PALLAS een onjuiste ontslagvolgorde heeft gehanteerd en dat herplaatsing in een andere passende functie binnen een redelijke herplaatsingstermijn (van één maand, ingaand op de datum van de beslissing van het UWV op de ontslagaanvraag) niet mogelijk is: de door [verzoeker] aangedragen functies zijn niet passend voor hem, waarbij het UWV bij zeven van die functies uitvoerig heeft gemotiveerd waarom deze niet passend waren.



2.19.
Vervolgens heeft NRG PALLAS de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 1 maart 2026. Dit heeft zij op verschillende manieren gedaan:
- bij schrijven gericht aan [verzoeker] dat is verzonden bij (aangetekende) e-mail van vrijdag 30 januari 2026 17.49 uur aan mr. De Jong (de gemachtigde van [verzoeker] in de UWV-procedure),
- bij e-mail van vrijdag 30 januari 2026 18.22 uur aan het zakelijke e-mailadres van [verzoeker] ( [e-mailadres] ) en
- bij e-mail van 1 februari 2026 18.50 uur aan het privé e-mailadres van [verzoeker] .





3Het verzoek


3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om NRG PALLAS te veroordelen tot betaling van:
a. een billijke vergoeding van € 163.980,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente,
b. een bedrag van € 980,- bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,
c. een gefixeerde schadevergoeding van € 14.308,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente,
d. een bedrag van € 885,- bruto aan te weinig betaalde transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.
Ook verzoekt [verzoeker] om het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding en concurrentiebeding te vernietigen en om NRG PALLAS in de proceskosten te veroordelen.



3.3.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag – kort weergegeven – dat NRG PALLAS hem op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onderdeel b BW een billijke vergoeding verschuldigd is, omdat NRG PALLAS heeft opgezegd in strijd met artikel 7:669 (lid 1 en 3 onderdeel a) BW en herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van NRG PALLAS. Verder heeft [verzoeker] ten onrechte per 1 januari 2026 geen inflatiecorrectie op zijn loon ontvangen. Bovendien heeft NRG PALLAS de arbeidsovereenkomst onregelmatig opgezegd, zodat [verzoeker] recht heeft op de gefixeerde schadevergoeding. Als gevolg van die onregelmatige opzegging en het uitblijven van de indexering van zijn loon heeft [verzoeker] ook een te lage transitievergoeding ontvangen.



3.4.
Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding en relatiebeding moeten worden vernietigd, omdat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van NRG PALLAS en omdat [verzoeker] door de werking van die bedingen onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van NRG PALLAS.



3.5.
Op het standpunt van [verzoeker] zal – zo nodig – hierna onder ‘beoordeling’ verder worden ingegaan.







4Het verweer


4.1.
NRG PALLAS voert verweer. Zij verzoekt primair om de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen en subsidiair om deze slechts gedeeltelijk toe te wijzen of te matigen. Ook verzoekt zij om [verzoeker] in de proceskosten en nakosten te veroordelen (te vermeerderen met de wettelijke rente).



4.2.
NRG PALLAS voert hiertoe aan – kort samengevat – dat zij het ontslag van [verzoeker] op zorgvuldige wijze heeft voorbereid en uitgevoerd en niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. [verzoeker] maakt dus ten onrechte aanspraak op een billijke vergoeding. Ook heeft NRG PALLAS de arbeidsovereenkomst tijdig en rechtmatig opgezegd, zodat zij geen gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is. [verzoeker] heeft geen recht op de inflatiecorrectie per 1 januari 2026. Er is dus geen sprake van achterstallig loon en de transitievergoeding is correct uitbetaald.



4.3.
NRG PALLAS is bereid het concurrentiebeding te laten vervallen, maar het relatiebeding moet in stand blijven. NRG PALLAS heeft daarbij een gerechtvaardigd belang en [verzoeker] wordt door dat beding niet onbillijk benadeeld.



4.4.
Op het standpunt van NRG PALLAS zal – zo nodig – hierna onder ‘beoordeling’ verder worden ingegaan.





5De beoordeling



Billijke vergoeding




5.1.
Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen gelet op het navolgende.



i. wettelijk kader





5.2.
Vaststaat dat NRG PALLAS de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met toestemming van het UWV heeft opgezegd omdat zijn arbeidsplaats is komen te vervallen als gevolg van bedrijfseconomische redenen.



5.3.
Op grond van artikel 7:682 BW lid 1 aanhef en onderdeel b BW kan de kantonrechter in zo’n geval op verzoek van de werknemer aan hem een billijke vergoeding toekennen als de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 of lid 3 onderdeel a BW en herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Er gelden dus meerdere voorwaarden voor toekenning van een billijke vergoeding en aan alle voorwaarden moet zijn voldaan.



5.4.
In artikel 7:669 lid 1 is bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die redelijke termijn is gelijk aan de wettelijke opzegtermijn (zie artikel 10 lid 1 Ontslagregeling). Het noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van een reorganisatie wegens bedrijfseconomische omstandigheden is een redelijke grond voor ontslag (zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW).



ii. herplaatsing





5.5.

[verzoeker] heeft niet betwist dat zijn functie van Head of PSO bij de reorganisatie is komen te vervallen door het opheffen van de afdeling PSO. Hij heeft op zichzelf ook niet betwist dat zijn werkzaamheden deels zijn vervallen en deels zijn overgenomen door andere afdelingen. [verzoeker] is echter van mening dat NRG PALLAS zich onvoldoende heeft ingespannen om hem te herplaatsen in de nieuwe organisatie. In dat verband heeft hij een aantal functies benoemd die volgens hem passend voor hem zijn. Daarbij heeft hij er ook op gewezen dat contracten met externen, van wie hij de werkzaamheden zou kunnen overnemen, ten onrechte zijn verlengd.



5.6.

In artikel 9 lid 3 van de Ontslagregeling is bepaald, dat van een passende functie sprake is wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer.
In het geval van [verzoeker] zijn in deze en in de UWV-procedure enkele alternatieve functies aan de orde gekomen, die door NRG PALLAS en door het UWV geen van alle als passend voor [verzoeker] zijn aangemerkt. Het betreft de functies: Director IBS, IM/Director, Director Safety & Legal, Coördinator Integraal Verbeterprogramma, Coördinator Externe Reviews, een consultancy rol bij NES/C&S, Interim Advisor Programme Office en Programme Integration manager. Naar door NRG PALLAS is beargumenteerd en door het UWV is onderschreven en uitgebreid is gemotiveerd, waren dit functies van een wezenlijk lager functie- (en daarmee ook salaris-)niveau of miste [verzoeker] de voor die functies benodigde kennis en ervaring. Deels betrof het functies die niet binnen de redelijke herplaatsingstermijn van (in het geval van [verzoeker] ) een maand beschikbaar zouden komen, zodat deze niet in het herplaatsingsonderzoek hoefden te worden betrokken of betrof het een functie (Interim Advisor Programme Office) die slechts tijdelijk werd ingevuld door een externe. De kantonrechter is het eens met de argumentatie van NRG PALLAS en het UWV en sluit zich daar bij aan. [verzoeker] heeft in deze procedure voornamelijk verwezen naar hetgeen hij in de UWV procedure al had aangevoerd. Daarmee heeft hij, mede in het licht van hetgeen NRG PALLAS had en heeft aangevoerd en hetgeen het UWV heeft overwogen en beslist, onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de betreffende functies wel passend waren. Welke contracten met externen verder nog ten onrechte zouden zijn verlengd heeft [verzoeker] onvoldoende toegelicht, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat.




5.7.

In deze procedure heeft [verzoeker] met betrekking tot de functie van Director IBS (die is ingevuld door de heer [betrokkene] , voorheen Manager Procurement & Contract Management) nader aangevoerd dat van die functie geen beschrijving bestond, zodat de beoordeling van zijn geschiktheid voor die functie nooit op basis van objectieve criteria kan hebben plaatsgevonden. [verzoeker] heeft een door hemzelf opgestelde, gereconstrueerde functie-inhoud van die functie in het geding gebracht.
Grote delen van [verzoeker] ’ voormalige functie komen naar [verzoeker] stelt in de functie van Director IBS terug, zodat op grond van paragraaf 3.1.5 van de Uitvoeringsregels van het UWV sprake is van een zogenoemde ‘stoelendans’. NRG PALLAS had dan ook zorgvuldig moeten bepalen en onderbouwen of [betrokkene] en [verzoeker] geschikt waren voor deze nieuwe functie. Dat is niet gebeurd. [verzoeker] is niet geïnformeerd over deze functie of in de gelegenheid gesteld hiervoor in aanmerking te komen. [verzoeker] meent dat hij wel degelijk geschikt is voor deze functie.




5.8.
NRG PALLAS heeft de door [verzoeker] opgestelde functie-inhoud van de functie van Director IBS betwist en heeft ook betwist dat de voormalige functie van [verzoeker] uitwisselbaar is met die functie. Bovendien is [verzoeker] voor die functie (anders dan [betrokkene] ) ongeschikt, aldus NRG PALLAS.



5.9.
In artikel 3.1.5 (‘stoelendans’) van de Uitvoeringsregels van het UWV is bepaald dat als een functie geheel vervalt en delen van die functie terugkomen in een nieuwe functie, de werkgever die functie moet aanbieden aan de werknemer die geschikt is op basis van de omgekeerde afspiegelingsvolgorde. Zelfs als er vanuit zou worden gegaan dat grote delen van de functie van [verzoeker] terugkomen in de functie van Director IBS (wat door NRG PALLAS wordt betwist), dan laat dat onverlet dat (onbetwist) ook grote delen van de voormalige functie van de heer [betrokkene] in die functie terugkomen en dat [betrokkene] (onbetwist) ook een geschikte kandidaat voor deze functie is. Volgens NRG PALLAS is die functie zelfs een uitbreiding en aanpassing van de voormalige functie van de heer [betrokkene] . Als onbetwist staat verder vast dat [betrokkene] langer dan [verzoeker] bij (de rechtsvoorganger van) NRG PALLAS in dienst is, namelijk al tien jaar. Voor zover er al sprake zou zijn van een stoelendans, is [betrokkene] dus op grond van zijn hogere anciënniteit terecht in de functie van Director IBS benoemd. Er kan dus niet worden gezegd dat NRG PALLAS die functie aan [verzoeker] had moeten aanbieden.



5.10.

[verzoeker] heeft nog naar voren gebracht dat hem ten onrechte nooit is gevraagd of hij bereid zou zijn een functie met een lager salaris te accepteren. Zoals gezegd, moeten op grond van artikel 9 lid 3 van de Ontslagregeling functies in het herplaatsingsonderzoek worden betrokken die aansluiten bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Een lager salarisniveau is al een indicatie dat het een lagere (en dus voor [verzoeker] niet passende) functie betreft. Anders dan in geval van bijvoorbeeld disfunctioneren (wat bij [verzoeker] niet aan de orde is) hoefden lagere functies dus niet in het herplaatsingsonderzoek te worden betrokken. NRG PALLAS was dus niet verplicht om aan [verzoeker] te vragen of hij een lager betaalde functie wilde aanvaarden. Bovendien heeft [verzoeker] ter zitting erkend dat hij ook zelf nooit om een lager betaalde functie heeft gevraagd. Overigens is [verzoeker] door NRG PALLAS in de gelegenheid gesteld te solliciteren op openstaande vacatures (ook voor lager betaalde functies), maar [verzoeker] heeft dat (door zijn ziekmelding) niet gedaan.



5.11.

[verzoeker] heeft er nog op gewezen dat NRG PALLAS al heel snel (binnen enkele werkdagen na het gesprek op 29 oktober 2026) heeft geconcludeerd dat herplaatsing niet mogelijk was. Het is goed voorstelbaar dat [verzoeker] dit als overdonderend heeft ervaren. NRG PALLAS heeft er echter terecht op gewezen dat [verzoeker] een goed betaalde functie op hoog niveau (‘boven cao’) bekleedde, waardoor de poule van passende alternatieve functies heel klein was. Hierom kan uit de omstandigheid dat het herplaatsingsonderzoek snel is uitgevoerd niet worden geconcludeerd dat dit onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.



5.12.
Gelet op het bovenstaande kan niet worden gezegd dat NRG PALLAS zich onvoldoende heeft ingespannen om [verzoeker] te herplaatsen in een andere passende functie. Het is spijtig dat het niet is gelukt om een andere functie voor [verzoeker] te vinden, maar NRG PALLAS kan daarvan geen verwijt worden gemaakt.



iii. Geen opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 of lid 3 onderdeel a BW (en dus geen billijke vergoeding)





5.13.
Uit bovenstaande volgt dat er een redelijke (bedrijfseconomische) grond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is en dat herplaatsing van [verzoeker] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. Daarom kan niet worden gezegd dat NRG PALLAS de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:669 lid 1 of lid 3 onderdeel a BW. Alleen hierom al kan aan [verzoeker] geen billijke vergoeding worden toegekend. Of er verder nog sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door NRG PALLAS is dus in dit verband niet meer relevant.



5.14.
De conclusie is dat de door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen.



iv. Ten overvloede: ook overigens geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten





5.15.
Ten overvloede merkt de kantonrechter over het door [verzoeker] verder gestelde ernstig verwijtbare handelen van NRG PALLAS nog het volgende op (ook omdat dit wel van belang is voor de vraag of NRG PALLAS rechten kan ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen relatiebeding, zie hierna onder 5.42.).



5.16.
Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever is slechts sprake in uitzonderlijke gevallen. Die hoge lat wordt in dit geval niet gehaald.



5.17.

[verzoeker] heeft gesteld dat NRG PALLAS ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten omdat zij hem niet heeft geïnformeerd over de gevolgen voor zijn ontslag voor zijn pensioenopbouw en over pensioenschade en evenmin over het nieuwe arbeidsvoorwaardenpakket per 1 januari 2026. Voor zover dit juist is, levert dat echter geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van NRG PALLAS op, omdat de lat daarvoor hoger ligt. Hetzelfde geldt voor de afsluiting van [verzoeker] van het Citrix account, mede omdat hij vanaf 9 januari 2026 was vrijgesteld van werkzaamheden. Dat [verzoeker] van zijn e-mail was afgesloten is door NRG PALLAS betwist en die toegang is in ieder geval (naar [verzoeker] zelf heeft aangegeven) per 25 februari 2026 hersteld. Ook op dit punt geldt dat als al sprake is van verwijtbaar handelen, dit niet kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen.



5.18.
Ook heeft [verzoeker] er nog op gewezen dat andere werknemers een beter aanbod voor een vaststellingsovereenkomst hebben gekregen dan hetgeen hem werd geboden. Dit betreft echter werknemers in andere functies en andere omstandigheden (omdat zij, anders dan [verzoeker] , bijvoorbeeld wel onder de cao vielen), die met [verzoeker] niet vergelijkbaar zijn. Ook op dit punt is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] dus geen sprake.



5.19.
Verder stelt [verzoeker] dat het NRG PALLAS ernstig moet worden verweten dat zij de organisatiewijziging niet ter goedkeuring aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft voorgelegd, maar – als daartoe een verplichting bestaat - is dat arbeidsrechtelijk in ieder geval niet relevant.



5.20.
Van een toonzetting, druk en escalatie die niet past bij goed werkgeverschap zoals door [verzoeker] gesteld en daarom ernstig verwijtbaar handelen oplevert, is de kantonrechter ook niet, althans onvoldoende gebleken.



Achterstallig loon (met wettelijke verhoging en wettelijke rente)





5.21.

[verzoeker] maakt aanspraak op betaling van achterstallig loon over de maanden januari en februari 2026 (in totaal € 980,- bruto inclusief vakantiebijslag en uitbetaling verlofuren), omdat hij - anders dan in de voorgaande jaren sinds zijn indiensttreding - per 1 januari 2026 geen inflatiecorrectie over zijn loon heeft ontvangen. Daarbij heeft hij er op gewezen dat andere werknemers die correctie wel hebben ontvangen. Volgens [verzoeker] is sprake van een verworven arbeidsvoorwaarde.



5.22.
NRG PALLAS heeft als verweer aangevoerd dat toekenning van de inflatiecorrectie een discretionaire bevoegdheid van het bestuur van NRG PALLAS is. Van een verworven arbeidsvoorwaarde is volgens NRG PALLAS geen sprake. Daarbij is onder meer van belang dat [verzoeker] een hoge management functie vervulde met een zeer hoog salaris en daarmee – in tegenstelling tot andere werknemers - als ‘boven cao’ kwalificeert.



5.23.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] ook per 1 januari 2026 aanspraak heeft op de inflatiecorrectie, omdat dit een verworven arbeidsvoorwaarde is geworden, gelet op het navolgende.



5.24.

De Hoge Raad heeft in 2018 gezichtspunten geformuleerd om de vraag te
beantwoorden wanneer uit een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een
bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een tussen partijen geldende
(de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde. Het komt volgens de Hoge Raad aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. Daarbij komt betekenis toe aan gezichtspunten als: (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.




5.25.
Getoetst aan deze gezichtspunten is de kantonrechter van oordeel dat het toekennen van de - op een discretionaire bevoegdheid berustende - inflatiecorrectie een (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde van [verzoeker] is geworden. Immers, hoewel [verzoeker] een hoge, goed betaalde functie ‘boven cao’ vervulde, heeft NRG PALLAS deze inflatiecorrectie sinds de aanvang van het dienstverband jaarlijks (tot en met januari 2025) aan [verzoeker] toegekend. Er is geen (inhoudelijke) reden om die inflatiecorrectie in 2026 niet toe te kennen. Daarbij komt dat de gevolgen van het ook per 1 januari 2026 toepassen van deze correctie voor NRG PALLAS beperkt zijn, omdat [verzoeker] al per 1 maart 2026 uit dienst is getreden. (Zie wat betreft die uitdiensttredingsdatum ook wat hierna onder 5.29. e.v. wordt overwogen).



5.26.
Hierom zal het verzochte achterstallige salaris van € 980,- bruto worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid.



Afwijzing van de gefixeerde schadevergoeding





5.27.

[verzoeker] stelt dat NRG PALLAS hem de verzochte gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is, omdat NRG PALLAS de arbeidsovereenkomst niet met inachtneming van de geldende opzegtermijn van een maand heeft opgezegd. De opzegging (tegen 1 maart 2026) heeft [verzoeker] namelijk pas op 1 februari 2026 - op zijn privé e-mailadres - bereikt. [verzoeker] heeft geen kennis kunnen nemen van de opzegbrief die op 30 januari 2026 naar zijn zakelijke e-mailadres is gestuurd, omdat hij van 23 december 2025 tot 25 februari 2026 geen toegang had tot zijn zakelijke e-mailaccount. Van de opzegbrief die op 30 januari 2026 (na kantoortijd) per e-mail aan mr. De Jong is toegestuurd heeft mr. De Jong pas op 2 februari 2026 kennisgenomen, waarna mr. De Jong dat bericht op diezelfde datum aan [verzoeker] heeft doorgestuurd. Bovendien was mr. De Jong slechts procesvertegenwoordiger van [verzoeker] tijdens de UWV-procedure en was hij niet door [verzoeker] gevolmachtigd om een opzegging in ontvangst te nemen, aldus [verzoeker] .



5.28.
Volgens NRG PALLAS heeft zij de arbeidsovereenkomst wel tijdig opgezegd tegen 1 maart 2026. Zij voert hiertoe aan dat [verzoeker] op 30 januari 2026 wel degelijk toegang had tot zijn zakelijke e-mailaccount. Bovendien heeft de ontvangst van de opzegbrief door mr. De Jong op 30 januari 2026 volgens NRG PALLAS te gelden als een tijdige ontvangst.



5.29.
Partijen twisten over het antwoord op de vraag of [verzoeker] op 30 januari 2026 toegang had tot zijn zakelijke e-mail account. Het antwoord op die vraag kan in het midden blijven, omdat de opzegging gericht aan het e-mailadres van mr. De Jong als een rechtsgeldige en tijdige opzegging (tegen 1 maart 2026) heeft te gelden.



5.30.
In de eerste plaats kan mr. De Jong als gevolmachtigde van [verzoeker] worden aangemerkt, omdat hij [verzoeker] gedurende de hele UWV-procedure heeft vertegenwoordigd en omdat [verzoeker] en mr. De Jong bij e-mails van (respectievelijk) 13 november 2025 en 15 december 2025 zelf uitdrukkelijk hebben verzocht de correspondentie via mr. De Jong te laten verlopen. Bovendien heeft mr. De Jong ook bij e-mail van 3 februari 2026 (productie 20 van [verzoeker] ) nog over de opzegging gecorrespondeerd.



5.31.
Verder heeft [verzoeker] niet betwist dat mr. De Jong die opzegging, die is verstuurd op 30 januari 2026 om 17.49 uur, op diezelfde datum om 17.51 uur heeft ontvangen. Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Niet nodig is dat de ontvanger daadwerkelijk van de verklaring heeft kennisgenomen. De omstandigheid dat de e-mail op 30 januari 2026 pas na kantoortijd is ontvangen en pas op 2 februari 2026 door mr. De Jong is gelezen en doorgestuurd aan [verzoeker] is dus niet van belang.



5.32.
De verzochte gefixeerde schadevergoeding wordt daarom afgewezen.



De aanvullende transitievergoeding (met wettelijke rente)





5.33.
Vaststaat dat NRG PALLAS aan [verzoeker] een transitievergoeding heeft uitgekeerd van € 17.606,- bruto, gebaseerd op het per 1 januari 2026 niet geïndexeerde loon van € 13.921,90 bruto inclusief vakantietoeslag en beëindigingsdatum 1 maart 2026.



5.34.
Hiervoor (onder 5.23. e.v.) heeft de kantonrechter geoordeeld dat ten onrechte per 1 januari 2026 geen inflatiecorrectie op het loon van [verzoeker] is toegepast. Dit betekent dat de transitievergoeding had moeten worden berekend op basis van het per 1 januari 2026 wel geïndexeerde salaris van € 14.308,34 bruto inclusief vakantietoeslag (overeenkomstig de op zichzelf niet door NRG PALLAS betwiste berekening van [verzoeker] ).



5.35.
Onder 5.29. e.v. heeft de kantonrechter geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tegen 1 maart 2026 is opgezegd. Op dit punt hoeft er dus geen correctie op de transitievergoeding plaats te vinden.



5.36.
Uit het voorgaande volgt dat de transitievergoeding (€ 14.308,34 bruto x 3,794 dienstjaren x 1/3 =) € 18.095,28 bruto in plaats van € 17.606,- bruto had moeten bedragen. Het verschil van € 489,28 bruto zal aan [verzoeker] worden toegewezen.



5.37.
De wettelijke rente over dat bedrag is toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf een maand na 1 maart 2026.



Het concurrentiebeding en het relatiebeding





5.38.

[verzoeker] verzoekt het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding en relatiebeding te vernietigen, omdat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van NRG PALLAS en omdat [verzoeker] door die bedingen onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van NRG PALLAS.



i. Het concurrentiebeding





5.39.
NRG PALLAS heeft in het verweerschrift en ter zitting verklaard dat zij het concurrentiebeding (uit coulance) heeft laten vervallen. Over het concurrentiebeding hoeft de kantonrechter dus niet meer te beslissen.



ii. Het relatiebeding





5.40.

Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding luidt als volgt:

‘Relation / non-solicitation clause


The employee is forbidden for a period of one year after the termination of the contract of


employment to approach and/or maintain business contact in any way, directly or indirectly, with any legal entities or persons with which the employer has had business contact in any way in the previous two years before the end of the contract of employment, and/or to engage in work activities whether or not in employment of those said entities or persons, with or without any payment, without the express and written permission of the employer. Reference is explicitly made to business contacts involving the financing and project management of nuclear installations in the same markets as NRG and PALLAS, being nuclear installations aimed at production of radioisotopes, radiochemicals and radiotherapeuticals. Prior to the termination of the contract of employment, Employer will draft a list of individuals and companies.’





5.41.
In artikel 7:653 lid 1 BW is bepaald, dat een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de (arbeids)overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn slechts geldig is indien a. de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en b. de werkgever dit beding schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer. Aan die voorwaarden is in dit geval voldaan.



5.42.
In het vierde lid van dat artikel is bepaald, dat de werkgever geen rechten aan een beding zoals bedoeld in lid 1 kan ontlenen, indien het eindigen of niet voorzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Zoals is overwogen, is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van NRG PALLAS echter geen sprake.



5.43.
In het derde lid aanhef en onderdeel b van artikel 7:653 BW is bepaald dat de rechter een beding zoals bedoeld in lid 1 geheel of gedeeltelijk kan vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld.



5.44.

[verzoeker] heeft gesteld dat van een zodanige onbillijke benadeling sprake is. In dit verband heeft hij naar voren gebracht dat hij er - gelet op zijn leeftijd van 54 jaar, zijn salarisniveau (zeker in verhouding tot zijn WW-uitkering) en zijn specifieke kennis op het vlak van publiek-private samenwerkingen - groot belang bij heeft om in zijn zoektocht naar ander werk niet beperkt te worden door het in zijn ogen buitenproportionele relatiebeding. Daarbij heeft hij er op gewezen dat hij de in de laatste zin van het beding bedoelde ‘list of individuals and companies’ niet heeft ontvangen.



5.45.
NRG PALLAS stelt dat het relatiebeding in stand moet blijven. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [verzoeker] in zijn functie als Head of PSO intensieve relaties heeft opgebouwd met externe stakeholders, overheden, ministeries en leveranciers van NRG PALLAS. Gelet op de vertrouwelijkheid van de informatie die [verzoeker] heeft verworven (nucleaire veiligheid, VWS-relatie, programmafinanciering) heeft NRG PALLAS een zwaarwegend en gerechtvaardigd belang bij handhaving van het relatiebeding. Bovendien beperkt het beding [verzoeker] niet in zijn kansen op de arbeidsmarkt, maar beschermt het slechts de zakelijke relaties van NRG PALLAS, die tot stand zijn gekomen op kosten en naam van NRG PALLAS. [verzoeker] wordt dus niet onbillijk benadeeld door dat beding.



5.46.
De kantonrechter is (anders dan NRG PALLAS) van oordeel dat [verzoeker] door het - ruim geformuleerde - relatiebeding wel degelijk aanzienlijk in zijn kansen op de arbeidsmarkt wordt beperkt. Daarbij is in het bijzonder van belang dat NRG PALLAS voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet de in dat beding genoemde lijst van individuen of bedrijven heeft verstrekt waarmee [verzoeker] geen contact mag hebben. Die lijst is ook naar aanleiding van het door [verzoeker] in deze procedure gevoerde verweer niet overgelegd. Als NRG PALLAS daadwerkelijk groot belang heeft bij handhaving van het beding, had dat wel op haar weg gelegen. Mede in dat licht bezien heeft NRG PALLAS haar belang bij handhaving van het beding onvoldoende geconcretiseerd.



5.47.
Daar tegenover staat dat [verzoeker] ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij voorafgaand aan zijn indiensttreding bij NRG PALLAS al meer dan zestien jaar ‘in Den Haag’ in de publieke sector heeft gewerkt en dat hij daar graag weer werkzaam wil zijn. Met zijn specifieke kennis op het gebied van publiek-private samenwerking ligt het ook voor de hand dat hij juist daar het snelst een andere passende functie vindt. Ook is van belang dat [verzoeker] ter zitting heeft toegezegd dat hij zich aan het eveneens in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding zal houden, waarmee de vertrouwelijke informatie voldoende wordt beschermd.



5.48.
Dit alles tegen elkaar afwegend is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] in verhouding tot het te beschermen belang van NRG PALLAS door het beding onbillijk wordt benadeeld. Hierom zal de kantonrechter dat beding vernietigen.



Proceskosten





5.49.
Omdat partijen ieder deels in het (on)gelijk zijn gesteld zal iedere partij de eigen proceskosten (inclusief eventuele nakosten) moeten dragen.





6De beslissing


De kantonrechter



6.1.
veroordeelt NRG PALLAS om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen:
- een bedrag aan achterstallig loon van € 980,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente vanaf de dag van de opeisbaarheid tot de dag van de betaling;
- een bedrag van € 489,28 bruto aan te weinig betaalde transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een maand na 1 maart 2026 tot de dag van de betaling;


6.2.
vernietigt het in de arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding;



6.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten (inclusief eventuele nakosten) draagt;



6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



6.5.
wijst af wat meer of anders is verzocht.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.



De griffier, De kantonrechter,







Op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onderdeel b BW


Op grond van artikel 7:625 BW.


Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW.


Van artikel 7:672 lid 2 en lid 3 BW.


Over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien.


Zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW.


Zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW.


Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34.


In het arrest van 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer).


Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW.


Zie artikel 3:37 lid 3 BW en Kluwer Tekst en Commentaar bij dat artikellid aantekening 4a en zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 r.o. 3.3.2. en Hoge Raad 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178, r.o. 3.1.4.


Zie artikel 7:686a lid 1 BW.