Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11082
2026-09-07
Civiel recht; Arbeidsrecht
K/4102/12247140
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het gaat in deze zaak om een vrachtwagenchauffeur die stelt een loonvordering op zijn werkgever te hebben. Om zijn vordering kracht bij te zetten, heeft de werknemer zich op een retentierecht beroepen. De werknemer is vervolgens op staande voet ontslagen. De kantonrechter wijst de verzoeken van de werknemer tot toekenning van de gevraagde ontslagvergoedingen toe, omdat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. Ook de loonvordering wordt toegewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2022:860 Hoge Raad 10-06-2022
- ECLI:NL:HR:2017:1187 Hoge Raad 30-06-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.255 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12247140 \ AO VERZ 26-51
Beschikking van 7 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. L.S.A. Koning,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder] TRANSPORT B.V.,
te [plaats 2],
verwerende partij,hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. F.M.F. van Opstal en mr. S. Scheltinga.
De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om een vrachtwagenchauffeur die stelt een loonvordering op zijn werkgever te hebben. Om zijn vordering kracht bij te zetten, heeft de werknemer zich op een retentierecht beroepen. De werknemer is vervolgens op staande voet ontslagen. De kantonrechter wijst de verzoeken van de werknemer tot toekenning van de gevraagde ontslagvergoedingen toe, omdat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. Ook de loonvordering wordt toegewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- het verweerschrift met producties;
- de mondelinge behandeling van 10 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [verzoeker];
- de spreekaantekeningen van [verweerder].
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2Feiten
2.1.
[verzoeker] is op 22 juni 2025 bij de rechtsvoorganger van [verweerder] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 21 januari 2026).
2.2.
De functie van [verzoeker] is (internationaal) vrachtwagenchauffeur CE met een loon van € 3.532,68 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag en emolumenten.
2.3.
Met ingang van 1 januari 2026 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] van haar rechtsvoorganger overgenomen. In de overeenkomst tot contractsoverneming staat (onder meer):
“1. [verweerder] Transport neemt per 1 januari 2026 de rechtsverhouding van [verweerder] Automotive ten opzichte van werknemer – zoals die bestaat ingevolge eerder genoemde arbeidsovereenkomst – van [verweerder] Automotive over, welk contractsoverneming werknemer bij deze onvoorwaardelijk, volledig en onherroepelijk aanvaardt.
2. Alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde regelingen tussen [verweerder] Automotive en werknemer gaan derhalve met ingang van 1 januari 2026 over op [verweerder] Transport en zullen vanaf die datum gelden tussen [verweerder] Transport en werknemer.”
2.4.
[verweerder] heeft [verzoeker] in januari 2026 een tweede schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden. [verzoeker] heeft zijn werkzaamheden bij [verweerder] na 1 januari 2026 ongewijzigd voortgezet zonder de aangeboden arbeidsovereenkomst te ondertekenen.
2.5.
In februari en maart 2026 is tussen partijen discussie ontstaan over de nog openstaande loon- en vergoedingscomponenten over het jaar 2025.
2.6.
Op vrijdag 20 maart 2026 heeft [verzoeker] in opdracht van [verweerder] documenten opgehaald bij Grandprix in Italië.
2.7.
Op maandag 23 maart 2026 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
2.8.
Op donderdag 26 maart 2026 heeft [verweerder] aan [verzoeker] gevraagd of hij de papieren toevallig nog had opgehaald.
2.9.
Op vrijdag 27 maart 2026 heeft [verweerder] aan [verzoeker] geschreven:
“Hii [verzoeker] goedenavond, hoe voel je je?
Je hebt getekend voor deze papieren die eigendom van ons zijn. Deze papieren heb je niet afgegeven bij de CMR’s. Wij hebben de papieren nodig en komen deze dus bij ophalen. Dit kan dit weekend.”
2.10.
Op zaterdag 28 maart 2026 heeft [verzoeker] aan [verweerder] geschreven:
“Goedemorgen [betrokkene 1],
[betrokkene 2] zei afgelopen maandag dat hij mij niet ging betalen. Heb geen geld ontvangen, dus periode 3, eindafrekening 2025, periode 1 en 2 wat te kort kom en natuurlijk Logboek Marokko, €450,- Als deze netjes betaald worden.
Papieren Liggen in een kluis netjes opgeborgen.”
2.11.
[verweerder] heeft daarop, met daartussen berichten van [verzoeker] als volgt gereageerd:
“Ik vind het heel jammer dat dit op deze manier zo gaat. Het gene wat je doet is onrechtmatig handelen [verzoeker]. Ik denk dat het verstandig is dat je de papieren heel snel bij ons inlevert, om deze situatie snel tot een einde te brengen. Ik hoop echt dat je het juiste doet want dit mag echt niet en kan ons serieus geld en klanten kosten.”
“Dit is mijn bedrijf [verzoeker] en ik vind dit echt heel vervelend. Ik heb de papieren nodig. Deze mogen absoluut niet achter gehouden worden door een werknemer.”
“Je brengt mijn bedrijf ernstige schade toe [verzoeker]. Ik ben de eigenaar van het bedrijf en ik heb nooit gezegd dat ik niet ga betalen. Ik vind het heel jammer dat jij deze houding aanneemt. Als ik de papieren niet voor maandag 12:00 ontvangen heb fysiek. Moet ik juridische stappen ondernemen [verzoeker]. Dit is helaas niet wat ik wil.”
2.12.
Op zondag 29 en maandag 30 maart 2026 heeft [verweerder] opnieuw aan [verzoeker] gevraagd om de papieren aan haar over te dragen. [verzoeker] heeft daarop als volgt gereageerd:
“(…) Het is heel simpel. [betrokkene 2] heeft gezegd dat ik geen loon krijg. --> is ook gebeurd
[betrokkene 3] zeer nonchalant met de loon --> periode 3 klopt ook niet net zoals 1 en 2.
[betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] geen reactie eindafrekening 2025 overuren, vakantiegeld en de niet vrije dagen tegoed.
Heel simpel communiceren daar zijn jullie op kantoor sterk in NOT!!!!”
2.13.
Op 30 maart 2026 is [verzoeker] op non-actief gesteld.
2.14.
Op 1 april 2026 om 14:42 uur heeft (de gemachtigde van) [verweerder] [verzoeker] gesommeerd om de documenten uiterlijk op 2 april 2026 om 09:00 uur ter beschikking van [verweerder] te stellen. In deze e-mail is vermeld dat [verweerder] zich vanwege het achterhouden van de documenten genoodzaakt ziet om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen.
2.15.
[verzoeker] heeft diezelfde dag om 15:15 uur aan de gemachtigde van [verweerder] laten weten dat hij een loonvordering op [verweerder] heeft met betrekking tot het jaar 2025 en 2026, die door [verweerder] wordt genegeerd. Voor verdere correspondentie heeft hij verwezen naar zijn gemachtigde.
2.16.
Op 1 april 2026 om 18:25 uur heeft de gemachtigde van [verweerder] de sommatie (ook) naar de gemachtigde van [verzoeker] gestuurd, waarbij de termijn voor het afgeven van de stukken met één uur is verlengd (tot de volgende ochtend 10:00 uur). Daarbij heeft de gemachtigde van [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat dit niet de manier is om een loonvordering (voor zover daarvan sprake is) bespreekbaar te maken.
2.17.
Op 2 april 2026 om 09:47 uur heeft de gemachtigde van [verzoeker] aan de gemachtigde van [verweerder] laten weten dat de stukken (om verdere escalatie te voorkomen) nog dezelfde dag naar [verweerder] zouden worden verstuurd, maar dat de daarvoor door [verweerder] gestelde termijn niet reëel is.
2.18.
Op 2 april 2026 heeft de gemachtigde van [verzoeker] [verweerder] en haar rechtsvoorganger gesommeerd om tot betaling van de achterstallige loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026 over te gaan.
2.19.
Op 2 april 2026 om 14:59 uur is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat:
“Uw gemachtigde heeft inmiddels laten weten, via onze advocaat, dat de documenten vandaag zullen worden verzonden. Daarmee moeten wij opnieuw afwachten wanneer wij de documenten daadwerkelijk ontvangen. U heeft hiermee niet voldaan aan de door ons gestelde laatste termijn en de documenten zijn niet tijdig aan ons ter beschikking gesteld. U wist ook dat de termijn van vandaag de allerlaatste mogelijkheid was.
Wij stellen vast dat u, ondanks herhaalde verzoeken, bewust eigendommen van ons onder u heeft gehouden zonder enige rechtvaardiging. Ook na uw op non-actiefstelling en onze sommatie van gisteren van onze advocaat heeft u nagelaten de stukken onverwijld te retourneren. Iedere vorm van zelfreflectie ontbreekt daarbij. Het betreft essentiële documenten die van belang zijn voor onze bedrijfsvoering.
Kwalijk vinden wij dat u er bewust voor heeft gekozen deze documenten op de betreffende dag niet (correct) over te dragen, en dus om ons hiermee onder druk te zetten.
Voor zover sprake is van een loonvordering, geldt dat deze op gebruikelijke wijze bespreekbaar kan worden gemaakt en desnoods legt u het voor aan de rechter. Wij laten ons echter niet chanteren en/of onder druk zetten; zo ervaren wij uw handelwijze.
Gezien het vorenstaande zoals het bewust achterhouden van documenten, de weigerachtige houding om deze ondanks herhaalde verzoeken af te geven, de wijze waarop u zich uitlaat over cliënte en betrokkenen, en het ontbreken van enig besef van uw verplichtingen, leveren zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang een dringende reden op. (…) Gelet op het voorgaande delen wij u hierbij mede dat wij de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen wegens een of meerdere dringende redenen (= ontslag op staande voet). (…)”
2.20.
Op 2 april 2026 om 17:19 uur heeft [verzoeker] de papieren met de post aan [verweerder] verstuurd. Deze zijn op 3 april 2026 om 10:04 uur bij haar afgeleverd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Daarnaast maakt hij – samengevat – aanspraak op achterstallig loon en vergoedingen over 2025 en 2026 (te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging), deugdelijke salarisspecificaties en een verklaring voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding. Dit alles (voor zover mogelijk) te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat de dringende reden(en) ontbreekt/ontbreken. Hij voert aan dat hij een aanzienlijke loonvordering op [verweerder] heeft en dat hij zich daarom rechtsgeldig op zijn opschortings- en retentierecht heeft beroepen. Bovendien heeft zijn gemachtigde nog binnen de gestelde termijn laten weten dat de documenten onderweg waren. Voor zover hij zich negatief heeft uitgelaten over zijn werkgever dient de context, dat deze nimmer reageerde op zijn aanzienlijke loonvordering daarbij te worden betrokken. Het was begrijpelijk dat hij boos was. Van het ontbreken van besef van zijn verplichtingen is geen sprake.
3.3.
[verweerder] voert aan dat er geen grond is voor vernietiging van het aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft essentiële documenten die van belang zijn voor de bedrijfsvoering van [verweerder] onder zich gehouden en geweigerd om deze (tijdig) aan [verweerder] af te geven. Daarmee heeft hij bedrijfseigendommen van [verweerder] gebruikt als pressiemiddel om zijn eigen financiële belangen kracht bij te zetten. Voor een dergelijke vorm van eigenrichting is in het arbeidsrecht geen plaats. Bovendien staat de door [verzoeker] gestelde loonvordering los van de bedrijfsdocumenten die hij onder zich heeft gehouden.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Bij de beoordeling daarvan is in de eerste plaats van belang of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
Het ontslag op staande voet
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang. Daarbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden(en). Verder zijn onder meer van belang de aard en de duur van de dienstbetrekking, het functioneren van de werknemer, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet heeft.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] de documenten (autopapieren) die hij op 20 maart 2026 bij een opdrachtgever van [verweerder] (Grandprix) in Italië heeft opgehaald onder zich heeft gehouden en (ondanks herhaalde verzoeken) heeft geweigerd om deze binnen de gestelde termijn aan [verweerder] af te geven. De vraag die allereerst voorligt is of [verzoeker] daartoe gerechtigd was en zo niet, of dit handelen een dringende reden oplevert. De kantonrechter zal daarom eerst het beroep van [verzoeker] op het retentierecht beoordelen.
Het retentierecht
4.4.
Het retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan. Het is een verschijningsvorm van het algemene opschortingsrecht.
4.5.
Een noodzakelijk vereiste voor het rechtsgeldig inroepen van een retentierecht, betreft het bestaan van een opeisbare vordering van de schuldeiser ([verzoeker]) op de schuldenaar ([verweerder]). [verweerder] betoogt dat die opeisbare vordering van [verzoeker] er niet is, omdat een groot deel van de loonvorderingen die [verzoeker] heeft ingesteld betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 januari 2026. Volgens [verweerder] is zij daarvoor niet aansprakelijk, omdat deze vorderingen zien op een periode waarin een andere partij de werkgever van [verzoeker] was.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. In de wet is bepaald dat bij een contractovername alle rechten en verplichtingen overgaan op de derde (in dit geval [verweerder]), voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald. In artikel 2 van de akte van contractovername is bepaald dat met ingang van 1 januari 2026 alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde regelingen overgaan op [verweerder] en vanaf die datum tussen [verweerder] als werkgever en [verzoeker] als werknemer gelden. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt voor aanspraken die vóór 1 januari 2026 zijn ontstaan. [verweerder] kan zich ten aanzien van de loon- en nevenvorderingen over de periode tot 1 januari 2026 dan ook niet met succes verschuilen achter de contractovername.
4.7.
[verweerder] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het gevorderde loon en de vergoedingen over 2025 en 2026. Wel heeft zij de kantonrechter verzocht om, indien zij aansprakelijk wordt gehouden voor de vorderingen die vóór 1 januari 2026 zijn ontstaan, een extra schriftelijke ronde toe te staan zodat zij de juistheid van die vorderingen alsnog kan controleren. De kantonrechter wijst dit verzoek af. [verweerder] heeft daartoe in de aanloop naar de zitting ruim voldoende de gelegenheid gehad. [verzoeker] heeft zijn vorderingen meerdere malen kenbaar gemaakt, zonder daarop een reactie van [verweerder] te ontvangen. Omdat deze vorderingen zelfs in onderhavige procedure niet concreet worden betwist, moet de conclusie dan ook zijn dat voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] op 20 maart 2026 een opeisbare vordering op [verweerder] had.
4.8.
[verweerder] heeft verder betoogd dat niet voldaan is aan het ‘voldoende samenhang’-criterium. Dat ‘voldoende samenhang’-criterium is opgebouwd uit (i) de wederzijdse samenhang van de verbintenissen (de connexiteit) en (ii) de omvang van de opschorting (de proportionaliteit).
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van voldoende connexiteit tussen de verbintenissen over en weer. De op [verweerder] rustende verbintenis tot betaling van loon en vergoedingen vloeit rechtstreeks voort uit de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde regelingen. De op [verzoeker] rustende verbintenis die hem verplicht tot teruggave van de door hem uit het buitenland opgehaalde documenten aan [verweerder] vloeit ook voort uit de arbeidsovereenkomst. Ter zitting is duidelijk geworden dat het ophalen en afgeven van (auto)papieren uit het buitenland (mede) tot zijn takenpakket behoort.
4.10.
Ten aanzien van de proportionaliteit heeft [verweerder] aangevoerd dat de vordering van [verzoeker] een veel lagere waarde vertegenwoordigt dan de schade die [verweerder] door het handelen van [verzoeker] heeft geleden. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verweerder] nader toegelicht dat de documenten die [verzoeker] onder zich hield betrekking hadden op acht geïmporteerde auto’s met een inkoopwaarde van circa € 20.000,- per stuk, die zonder papieren niet in Nederland konden worden (door)verkocht. [verweerder] verkoopt de geïmporteerde auto’s normaliter binnen een week na de import door aan dealers in Nederland. Van de opbrengst koopt zij vrijwel direct nieuwe auto’s uit het buitenland in. [verzoeker] heeft dus door deze papieren onder zich te houden in feite een werkkapitaal van € 160.000,- onder zich gehouden.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat de op de mondelinge behandeling toegelichte disproportionaliteit tussen de omvang van de vordering(en) van [verzoeker] en de omvang van de mogelijke schade van [verweerder] in de onderhavige situatie niet aan de rechtsgeldige uitoefening van het retentierecht door [verzoeker] in de weg staat. Niet is namelijk gebleken dat [verzoeker] zich van deze disproportionaliteit bewust was of dat hij daarop door [verweerder] (voldoende) is gewezen. Dat [verzoeker] wist dat de papieren nodig waren voor de bedrijfsactiviteiten van [verweerder] en dat hij door [verweerder] is gewaarschuwd dat zijn handelen haar bedrijf klanten en inkomsten kon kosten en (dus) ernstige schade kon veroorzaken, is in dit verband onvoldoende. Daaruit volgt namelijk nog niet dat [verzoeker] wist hoe groot de schade kon zijn, die het ontbreken van de documenten op korte termijn voor [verweerder] kon veroorzaken. Daarbij weegt ook mee dat de kantonrechter het niet onbegrijpelijk vindt dat [verzoeker] ervoor heeft gekozen om een retentierecht als pressiemiddel in te roepen, in plaats van zijn werkzaamheden neer te leggen, zoals [verweerder] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft geopperd. Het lopende loon werd immers nog betaald. Bovendien is [verzoeker] op 30 maart 2026 door [verweerder] op non-actief gesteld. Onder deze omstandigheden gaat van het neerleggen van werk geen druk uit. De aanleiding tot het uitoefenen van en volharden in het retentierecht was erin gelegen dat [verzoeker] in het geheel geen reactie kreeg op de door hem gestelde vorderingen. Het is nauwelijks voorstelbaar dat voor [verzoeker] andere zaken voorhanden waren waarop hij een retentierecht zou kunnen uitoefenen. Vanuit proportionaliteitsoogpunt was het voor [verzoeker] daarom lastig om een keuze te maken die minder belastend was voor [verweerder].
4.12.
De conclusie is dat [verzoeker] het retentierecht rechtsgeldig heeft ingeroepen. Een terechte uitoefening van het retentierecht levert in beginsel geen dringende reden voor ontslag op staande voet op. Bovendien heeft [verweerder] het ontslag op staande voet aangezegd, nadat zij had aangekondigd vanwege het achterhouden van de documenten een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te zullen beginnen en nadat zij via de gemachtigde van [verzoeker] had vernomen dat de documenten naar haar onderweg waren. Onder deze omstandigheden kan het niet voldoen aan de door [verweerder] gestelde termijn voor het teruggeven van de documenten niet zelfstandig of in samenhang als een dringende reden gelden. Over de overige aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen (de wijze waarop [verzoeker] zich over [verweerder] heeft uitgelaten en/of het ontbreken van besef van zijn verplichtingen) hebben partijen zich nauwelijks uitgelaten. [verweerder] heeft niet toegelicht welke uitlatingen van [verzoeker] daarbij volgens haar relevant zijn. Ook heeft zij niet gereageerd op het verzoek van [verzoeker] om de context van de gedane uitlatingen in aanmerking te nemen, namelijk dat niet werd gereageerd op zijn loonvordering. Omdat deze context naar het oordeel van de kantonrechter van belang is bij de beoordeling van de dringende reden, kan in enige aan de kantonrechter aan de hand van het dossier bekend geworden uitlating van [verzoeker] noch zelfstandig, noch in samenhang met de andere omstandigheden een dringende reden zijn gelegen. Omdat hiervoor is overwogen en geoordeeld dat [verzoeker] het retentierecht rechtsgeldig heeft uitgeoefend is naar het oordeel van de kantonrechter ook geen sprake van het ontbreken van besef van zijn verplichtingen, zodat ook daarin zelfstandig of in samenhang met de andere omstandigheden geen dringende reden kan zijn gelegen. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.
Billijke vergoeding
4.13.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
4.14.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.15.
De kantonrechter zal bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding om te beginnen rekening houden met de te verwachten inkomensschade van [verzoeker] als gevolg van het ontslag (soms ook aangeduid als ‘de waarde van de arbeidsovereenkomst’). Daarbij moet ook worden bezien hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd, als het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] achterwege was gebleken, na afweging van goede en kwade kansen.
4.16.
[verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat hij gedurende ‘een relevante periode’ bij [verweerder] in dienst had kunnen blijven, als het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] achterwege was gebleven. Aangezien [verzoeker] een bedrag gelijk aan drie maandsalarissen heeft verzocht, houdt de kantonrechter het ervoor dat [verzoeker] met ‘een relevante periode’ drie maanden heeft bedoeld. De kantonrechter kan dat standpunt volgen. [verzoeker] heeft zijn inkomensschade over die periode berekend op een brutobedrag van € 11.481,21 bruto. Het is echter niet aannemelijk dat [verzoeker] deze inkomensschade ook daadwerkelijk zal leiden. Gelet op de huidige arbeidsmarkt, de ervaring van [verzoeker] en zijn bereidheid om ook naar het buitenland te rijden is aannemelijk dat hij binnen korte tijd in staat zal zijn om een andere (vergelijkbare) baan te vinden. Dat het tot op heden nog niet is gelukt om een andere baan te vinden, is volgens [verzoeker] te wijten aan het feit dat veel werkgevers niet voldoende betalen. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat [verzoeker] in ieder geval 80% van zijn huidige salaris elders zal kunnen verdienen.
4.17.
Verder weegt de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding mee dat met de billijke vergoeding mede kan worden tegengegaan dat [verweerder] ervoor kiest een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Daar staat tegenover dat [verweerder] vermoedelijk aanzienlijke schade heeft geleden door het handelen van [verzoeker].
4.18.
Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat de kantonrechter aan [verzoeker] een billijke vergoeding toekent van € 3.000,00 bruto. Daarmee wordt [verzoeker] voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder]. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Gefixeerde schadevergoeding
4.19.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.
4.20.
[verzoeker] had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Tussen partijen is niet in geschil dat in de eerste (schriftelijke) arbeidsovereenkomst een tussentijds opzegbeding is opgenomen, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst door ieder van partijen kan worden opgezegd tegen de laatste dag van de maand en waarbij rekening moet worden gehouden met de wettelijke opzegtermijn. [verweerder] heeft [verzoeker] in januari 2026 een aanbod tot een tweede schriftelijke arbeidsovereenkomst gedaan. [verzoeker] heeft dit aanbod niet aanvaard, omdat partijen het niet eens werden over de inhoud daarvan. Hij heeft zijn werkzaamheden voor [verweerder] ongewijzigd voortgezet. Daarmee is een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Deze voortzetting wordt geacht te zijn gedaan op de vroegere voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat dit tot gevolg heeft dat ook het tussentijdse opzegbeding onverkort van kracht is. Het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:677 lid 3 BW staat daaraan niet in de weg. Daaraan is immers in januari 2025 voldaan. Dat betekent dat bij het bepalen van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding rekening moet worden gehouden met het tussentijdse opzegbeding en de opzegtermijn.
4.21.
Het voorgaande in overweging nemende had de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging behoren voort te duren tot en met 31 mei 2026. Tussen partijen is niet in geschil dat het maandloon van [verzoeker] € 4.133,24 (inclusief vakantiegeld) bedraagt. Dat komt over de opzegtermijn (2 april tot en met 31 mei 2026) neer op een bedrag van € 8.133,14 bruto. [verweerder] zal daarom tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst feitelijk is geëindigd, dus vanaf 2 april 2026.
De transitievergoeding
4.22.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [verweerder] wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 1.072,00 bruto. Dit is het bedrag dat door [verzoeker] is verzocht en waartegen [verweerder] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.
De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 mei 2026.
Loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026
4.23.
Zoals hiervoor is overwogen en geoordeeld, heeft [verweerder] geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026 en zij zal daartoe ook niet meer in de gelegenheid worden gesteld. [verweerder] heeft nog wel een beroep op verrekening gedaan. Dit beroep slaagt niet, omdat het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dit betekent dat [verzoeker] niet schadeplichtig is jegens [verweerder] en dat [verweerder] (dus) geen recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding (en daarmee ook niet kan verrekenen). De op dit punt door [verzoeker] gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
4.24.
De conclusie is dat de gevorderde loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026 als niet (althans onvoldoende gemotiveerd) weersproken toewijsbaar zijn.
4.25.
[verzoeker] heeft verder verzocht de maximale wettelijke verhoging toe te wijzen. De kantonrechter overweegt in dat verband (mogelijk ten overvloede) dat de wettelijke verhoging ‘slechts’ kan worden toegewezen over het loon. Onder loon dienen alle vergoedingen voor in loondienst verrichte werkzaamheden te worden verstaan. De reiskosten, verblijfskosten en andere onkosten betreffen geen vergoeding voor verrichte werkzaamheden, zodat daarover geen wettelijke verhoging verschuldigd is. De wettelijke verhoging zal daarom worden toegewezen over het achterstallige loon (de zaterdaguren en de overuren), de opgebouwde vakantietoeslag en de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging over deze looncomponenten te matigen tot 25%.
4.26.
De wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift omdat [verzoeker] geen ingangsdatum heeft gevorderd en niet heeft toegelicht vanaf welke eerdere datum hij aanspraak kan maken op wettelijke rente.
Salarisspecificaties
4.27.
[verweerder] zal worden veroordeeld om na betaling van de hiervoor toegewezen bedragen deugdelijke specificaties van deze betalingen en aangepaste loonstroken over de perioden 1, 2 en 3 van 2026 aan [verzoeker] te verstrekken (voor zover de hiervoor toegewezen bedragen op die perioden betrekking hebben).
Proceskosten
4.28.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 8.133,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.072,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een bedrag van € 846,81 netto en € 112,80 bruto te betalen ter zake van nog niet correct verwerkte reis-, verblijfs- en onkosten en/of daarmee samenhangende vergoedingen over 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, en onder verstrekking van een deugdelijke specificatie van deze betaling,
5.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een bedrag van € 322,91 bruto ter zake van nog niet verwerkte zaterdaguren over periode 2/2026 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, en onder verstrekking van een deugdelijke specificatie van deze betaling,
5.6.
veroordeelt [verweerder] om aangepaste loonstroken over de perioden 1, 2 en 3 van 2026 aan [verzoeker] te verstrekken, voor zover de hiervoor toegewezen bedragen op die perioden betrekking hebben,
5.7.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een bedrag van € 9.524,43 aan achterstallige vakantietoeslag, niet-opgenomen vrije dagen en overuren over 2025 (in totaal € 12.333,55 bruto), verminderd met de in natura ontvangen compensatie (€ 2.809,12), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.8.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% over de onder 5.5. en 5.7. toegewezen bedragen,
5.9.
verklaart voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding en dus ook niet bevoegd is om enige aanspraak daarmee te verrekenen,
5.10.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.11.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.12.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.13.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7:677 lid 1 BW.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2022:860 (Divi Phoenix).
Artikel 3:290 BW.
Artikel 6:52 BW.
Artikel 6:159 lid 2 BW.
Artikel 6:52 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).
In lijn met artikel 6:105 lid 1 BW.
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:668 lid 4 BW.
Artikel 7:673 lid 1 BW.
Artikel 7:625 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12247140 \ AO VERZ 26-51
Beschikking van 7 september 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. L.S.A. Koning,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder] TRANSPORT B.V.,
te [plaats 2],
verwerende partij,hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. F.M.F. van Opstal en mr. S. Scheltinga.
De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om een vrachtwagenchauffeur die stelt een loonvordering op zijn werkgever te hebben. Om zijn vordering kracht bij te zetten, heeft de werknemer zich op een retentierecht beroepen. De werknemer is vervolgens op staande voet ontslagen. De kantonrechter wijst de verzoeken van de werknemer tot toekenning van de gevraagde ontslagvergoedingen toe, omdat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven. Ook de loonvordering wordt toegewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- het verweerschrift met producties;
- de mondelinge behandeling van 10 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [verzoeker];
- de spreekaantekeningen van [verweerder].
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2Feiten
2.1.
[verzoeker] is op 22 juni 2025 bij de rechtsvoorganger van [verweerder] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 21 januari 2026).
2.2.
De functie van [verzoeker] is (internationaal) vrachtwagenchauffeur CE met een loon van € 3.532,68 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag en emolumenten.
2.3.
Met ingang van 1 januari 2026 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] van haar rechtsvoorganger overgenomen. In de overeenkomst tot contractsoverneming staat (onder meer):
“1. [verweerder] Transport neemt per 1 januari 2026 de rechtsverhouding van [verweerder] Automotive ten opzichte van werknemer – zoals die bestaat ingevolge eerder genoemde arbeidsovereenkomst – van [verweerder] Automotive over, welk contractsoverneming werknemer bij deze onvoorwaardelijk, volledig en onherroepelijk aanvaardt.
2. Alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde regelingen tussen [verweerder] Automotive en werknemer gaan derhalve met ingang van 1 januari 2026 over op [verweerder] Transport en zullen vanaf die datum gelden tussen [verweerder] Transport en werknemer.”
2.4.
[verweerder] heeft [verzoeker] in januari 2026 een tweede schriftelijke arbeidsovereenkomst aangeboden. [verzoeker] heeft zijn werkzaamheden bij [verweerder] na 1 januari 2026 ongewijzigd voortgezet zonder de aangeboden arbeidsovereenkomst te ondertekenen.
2.5.
In februari en maart 2026 is tussen partijen discussie ontstaan over de nog openstaande loon- en vergoedingscomponenten over het jaar 2025.
2.6.
Op vrijdag 20 maart 2026 heeft [verzoeker] in opdracht van [verweerder] documenten opgehaald bij Grandprix in Italië.
2.7.
Op maandag 23 maart 2026 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
2.8.
Op donderdag 26 maart 2026 heeft [verweerder] aan [verzoeker] gevraagd of hij de papieren toevallig nog had opgehaald.
2.9.
Op vrijdag 27 maart 2026 heeft [verweerder] aan [verzoeker] geschreven:
“Hii [verzoeker] goedenavond, hoe voel je je?
Je hebt getekend voor deze papieren die eigendom van ons zijn. Deze papieren heb je niet afgegeven bij de CMR’s. Wij hebben de papieren nodig en komen deze dus bij ophalen. Dit kan dit weekend.”
2.10.
Op zaterdag 28 maart 2026 heeft [verzoeker] aan [verweerder] geschreven:
“Goedemorgen [betrokkene 1],
[betrokkene 2] zei afgelopen maandag dat hij mij niet ging betalen. Heb geen geld ontvangen, dus periode 3, eindafrekening 2025, periode 1 en 2 wat te kort kom en natuurlijk Logboek Marokko, €450,- Als deze netjes betaald worden.
Papieren Liggen in een kluis netjes opgeborgen.”
2.11.
[verweerder] heeft daarop, met daartussen berichten van [verzoeker] als volgt gereageerd:
“Ik vind het heel jammer dat dit op deze manier zo gaat. Het gene wat je doet is onrechtmatig handelen [verzoeker]. Ik denk dat het verstandig is dat je de papieren heel snel bij ons inlevert, om deze situatie snel tot een einde te brengen. Ik hoop echt dat je het juiste doet want dit mag echt niet en kan ons serieus geld en klanten kosten.”
“Dit is mijn bedrijf [verzoeker] en ik vind dit echt heel vervelend. Ik heb de papieren nodig. Deze mogen absoluut niet achter gehouden worden door een werknemer.”
“Je brengt mijn bedrijf ernstige schade toe [verzoeker]. Ik ben de eigenaar van het bedrijf en ik heb nooit gezegd dat ik niet ga betalen. Ik vind het heel jammer dat jij deze houding aanneemt. Als ik de papieren niet voor maandag 12:00 ontvangen heb fysiek. Moet ik juridische stappen ondernemen [verzoeker]. Dit is helaas niet wat ik wil.”
2.12.
Op zondag 29 en maandag 30 maart 2026 heeft [verweerder] opnieuw aan [verzoeker] gevraagd om de papieren aan haar over te dragen. [verzoeker] heeft daarop als volgt gereageerd:
“(…) Het is heel simpel. [betrokkene 2] heeft gezegd dat ik geen loon krijg. --> is ook gebeurd
[betrokkene 3] zeer nonchalant met de loon --> periode 3 klopt ook niet net zoals 1 en 2.
[betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] geen reactie eindafrekening 2025 overuren, vakantiegeld en de niet vrije dagen tegoed.
Heel simpel communiceren daar zijn jullie op kantoor sterk in NOT!!!!”
2.13.
Op 30 maart 2026 is [verzoeker] op non-actief gesteld.
2.14.
Op 1 april 2026 om 14:42 uur heeft (de gemachtigde van) [verweerder] [verzoeker] gesommeerd om de documenten uiterlijk op 2 april 2026 om 09:00 uur ter beschikking van [verweerder] te stellen. In deze e-mail is vermeld dat [verweerder] zich vanwege het achterhouden van de documenten genoodzaakt ziet om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen.
2.15.
[verzoeker] heeft diezelfde dag om 15:15 uur aan de gemachtigde van [verweerder] laten weten dat hij een loonvordering op [verweerder] heeft met betrekking tot het jaar 2025 en 2026, die door [verweerder] wordt genegeerd. Voor verdere correspondentie heeft hij verwezen naar zijn gemachtigde.
2.16.
Op 1 april 2026 om 18:25 uur heeft de gemachtigde van [verweerder] de sommatie (ook) naar de gemachtigde van [verzoeker] gestuurd, waarbij de termijn voor het afgeven van de stukken met één uur is verlengd (tot de volgende ochtend 10:00 uur). Daarbij heeft de gemachtigde van [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat dit niet de manier is om een loonvordering (voor zover daarvan sprake is) bespreekbaar te maken.
2.17.
Op 2 april 2026 om 09:47 uur heeft de gemachtigde van [verzoeker] aan de gemachtigde van [verweerder] laten weten dat de stukken (om verdere escalatie te voorkomen) nog dezelfde dag naar [verweerder] zouden worden verstuurd, maar dat de daarvoor door [verweerder] gestelde termijn niet reëel is.
2.18.
Op 2 april 2026 heeft de gemachtigde van [verzoeker] [verweerder] en haar rechtsvoorganger gesommeerd om tot betaling van de achterstallige loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026 over te gaan.
2.19.
Op 2 april 2026 om 14:59 uur is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat:
“Uw gemachtigde heeft inmiddels laten weten, via onze advocaat, dat de documenten vandaag zullen worden verzonden. Daarmee moeten wij opnieuw afwachten wanneer wij de documenten daadwerkelijk ontvangen. U heeft hiermee niet voldaan aan de door ons gestelde laatste termijn en de documenten zijn niet tijdig aan ons ter beschikking gesteld. U wist ook dat de termijn van vandaag de allerlaatste mogelijkheid was.
Wij stellen vast dat u, ondanks herhaalde verzoeken, bewust eigendommen van ons onder u heeft gehouden zonder enige rechtvaardiging. Ook na uw op non-actiefstelling en onze sommatie van gisteren van onze advocaat heeft u nagelaten de stukken onverwijld te retourneren. Iedere vorm van zelfreflectie ontbreekt daarbij. Het betreft essentiële documenten die van belang zijn voor onze bedrijfsvoering.
Kwalijk vinden wij dat u er bewust voor heeft gekozen deze documenten op de betreffende dag niet (correct) over te dragen, en dus om ons hiermee onder druk te zetten.
Voor zover sprake is van een loonvordering, geldt dat deze op gebruikelijke wijze bespreekbaar kan worden gemaakt en desnoods legt u het voor aan de rechter. Wij laten ons echter niet chanteren en/of onder druk zetten; zo ervaren wij uw handelwijze.
Gezien het vorenstaande zoals het bewust achterhouden van documenten, de weigerachtige houding om deze ondanks herhaalde verzoeken af te geven, de wijze waarop u zich uitlaat over cliënte en betrokkenen, en het ontbreken van enig besef van uw verplichtingen, leveren zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang een dringende reden op. (…) Gelet op het voorgaande delen wij u hierbij mede dat wij de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen wegens een of meerdere dringende redenen (= ontslag op staande voet). (…)”
2.20.
Op 2 april 2026 om 17:19 uur heeft [verzoeker] de papieren met de post aan [verweerder] verstuurd. Deze zijn op 3 april 2026 om 10:04 uur bij haar afgeleverd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Daarnaast maakt hij – samengevat – aanspraak op achterstallig loon en vergoedingen over 2025 en 2026 (te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging), deugdelijke salarisspecificaties en een verklaring voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding. Dit alles (voor zover mogelijk) te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat de dringende reden(en) ontbreekt/ontbreken. Hij voert aan dat hij een aanzienlijke loonvordering op [verweerder] heeft en dat hij zich daarom rechtsgeldig op zijn opschortings- en retentierecht heeft beroepen. Bovendien heeft zijn gemachtigde nog binnen de gestelde termijn laten weten dat de documenten onderweg waren. Voor zover hij zich negatief heeft uitgelaten over zijn werkgever dient de context, dat deze nimmer reageerde op zijn aanzienlijke loonvordering daarbij te worden betrokken. Het was begrijpelijk dat hij boos was. Van het ontbreken van besef van zijn verplichtingen is geen sprake.
3.3.
[verweerder] voert aan dat er geen grond is voor vernietiging van het aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft essentiële documenten die van belang zijn voor de bedrijfsvoering van [verweerder] onder zich gehouden en geweigerd om deze (tijdig) aan [verweerder] af te geven. Daarmee heeft hij bedrijfseigendommen van [verweerder] gebruikt als pressiemiddel om zijn eigen financiële belangen kracht bij te zetten. Voor een dergelijke vorm van eigenrichting is in het arbeidsrecht geen plaats. Bovendien staat de door [verzoeker] gestelde loonvordering los van de bedrijfsdocumenten die hij onder zich heeft gehouden.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Bij de beoordeling daarvan is in de eerste plaats van belang of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
Het ontslag op staande voet
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang. Daarbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden(en). Verder zijn onder meer van belang de aard en de duur van de dienstbetrekking, het functioneren van de werknemer, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet heeft.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] de documenten (autopapieren) die hij op 20 maart 2026 bij een opdrachtgever van [verweerder] (Grandprix) in Italië heeft opgehaald onder zich heeft gehouden en (ondanks herhaalde verzoeken) heeft geweigerd om deze binnen de gestelde termijn aan [verweerder] af te geven. De vraag die allereerst voorligt is of [verzoeker] daartoe gerechtigd was en zo niet, of dit handelen een dringende reden oplevert. De kantonrechter zal daarom eerst het beroep van [verzoeker] op het retentierecht beoordelen.
Het retentierecht
4.4.
Het retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan. Het is een verschijningsvorm van het algemene opschortingsrecht.
4.5.
Een noodzakelijk vereiste voor het rechtsgeldig inroepen van een retentierecht, betreft het bestaan van een opeisbare vordering van de schuldeiser ([verzoeker]) op de schuldenaar ([verweerder]). [verweerder] betoogt dat die opeisbare vordering van [verzoeker] er niet is, omdat een groot deel van de loonvorderingen die [verzoeker] heeft ingesteld betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 januari 2026. Volgens [verweerder] is zij daarvoor niet aansprakelijk, omdat deze vorderingen zien op een periode waarin een andere partij de werkgever van [verzoeker] was.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. In de wet is bepaald dat bij een contractovername alle rechten en verplichtingen overgaan op de derde (in dit geval [verweerder]), voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald. In artikel 2 van de akte van contractovername is bepaald dat met ingang van 1 januari 2026 alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde regelingen overgaan op [verweerder] en vanaf die datum tussen [verweerder] als werkgever en [verzoeker] als werknemer gelden. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt voor aanspraken die vóór 1 januari 2026 zijn ontstaan. [verweerder] kan zich ten aanzien van de loon- en nevenvorderingen over de periode tot 1 januari 2026 dan ook niet met succes verschuilen achter de contractovername.
4.7.
[verweerder] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het gevorderde loon en de vergoedingen over 2025 en 2026. Wel heeft zij de kantonrechter verzocht om, indien zij aansprakelijk wordt gehouden voor de vorderingen die vóór 1 januari 2026 zijn ontstaan, een extra schriftelijke ronde toe te staan zodat zij de juistheid van die vorderingen alsnog kan controleren. De kantonrechter wijst dit verzoek af. [verweerder] heeft daartoe in de aanloop naar de zitting ruim voldoende de gelegenheid gehad. [verzoeker] heeft zijn vorderingen meerdere malen kenbaar gemaakt, zonder daarop een reactie van [verweerder] te ontvangen. Omdat deze vorderingen zelfs in onderhavige procedure niet concreet worden betwist, moet de conclusie dan ook zijn dat voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] op 20 maart 2026 een opeisbare vordering op [verweerder] had.
4.8.
[verweerder] heeft verder betoogd dat niet voldaan is aan het ‘voldoende samenhang’-criterium. Dat ‘voldoende samenhang’-criterium is opgebouwd uit (i) de wederzijdse samenhang van de verbintenissen (de connexiteit) en (ii) de omvang van de opschorting (de proportionaliteit).
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van voldoende connexiteit tussen de verbintenissen over en weer. De op [verweerder] rustende verbintenis tot betaling van loon en vergoedingen vloeit rechtstreeks voort uit de arbeidsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde regelingen. De op [verzoeker] rustende verbintenis die hem verplicht tot teruggave van de door hem uit het buitenland opgehaalde documenten aan [verweerder] vloeit ook voort uit de arbeidsovereenkomst. Ter zitting is duidelijk geworden dat het ophalen en afgeven van (auto)papieren uit het buitenland (mede) tot zijn takenpakket behoort.
4.10.
Ten aanzien van de proportionaliteit heeft [verweerder] aangevoerd dat de vordering van [verzoeker] een veel lagere waarde vertegenwoordigt dan de schade die [verweerder] door het handelen van [verzoeker] heeft geleden. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verweerder] nader toegelicht dat de documenten die [verzoeker] onder zich hield betrekking hadden op acht geïmporteerde auto’s met een inkoopwaarde van circa € 20.000,- per stuk, die zonder papieren niet in Nederland konden worden (door)verkocht. [verweerder] verkoopt de geïmporteerde auto’s normaliter binnen een week na de import door aan dealers in Nederland. Van de opbrengst koopt zij vrijwel direct nieuwe auto’s uit het buitenland in. [verzoeker] heeft dus door deze papieren onder zich te houden in feite een werkkapitaal van € 160.000,- onder zich gehouden.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat de op de mondelinge behandeling toegelichte disproportionaliteit tussen de omvang van de vordering(en) van [verzoeker] en de omvang van de mogelijke schade van [verweerder] in de onderhavige situatie niet aan de rechtsgeldige uitoefening van het retentierecht door [verzoeker] in de weg staat. Niet is namelijk gebleken dat [verzoeker] zich van deze disproportionaliteit bewust was of dat hij daarop door [verweerder] (voldoende) is gewezen. Dat [verzoeker] wist dat de papieren nodig waren voor de bedrijfsactiviteiten van [verweerder] en dat hij door [verweerder] is gewaarschuwd dat zijn handelen haar bedrijf klanten en inkomsten kon kosten en (dus) ernstige schade kon veroorzaken, is in dit verband onvoldoende. Daaruit volgt namelijk nog niet dat [verzoeker] wist hoe groot de schade kon zijn, die het ontbreken van de documenten op korte termijn voor [verweerder] kon veroorzaken. Daarbij weegt ook mee dat de kantonrechter het niet onbegrijpelijk vindt dat [verzoeker] ervoor heeft gekozen om een retentierecht als pressiemiddel in te roepen, in plaats van zijn werkzaamheden neer te leggen, zoals [verweerder] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft geopperd. Het lopende loon werd immers nog betaald. Bovendien is [verzoeker] op 30 maart 2026 door [verweerder] op non-actief gesteld. Onder deze omstandigheden gaat van het neerleggen van werk geen druk uit. De aanleiding tot het uitoefenen van en volharden in het retentierecht was erin gelegen dat [verzoeker] in het geheel geen reactie kreeg op de door hem gestelde vorderingen. Het is nauwelijks voorstelbaar dat voor [verzoeker] andere zaken voorhanden waren waarop hij een retentierecht zou kunnen uitoefenen. Vanuit proportionaliteitsoogpunt was het voor [verzoeker] daarom lastig om een keuze te maken die minder belastend was voor [verweerder].
4.12.
De conclusie is dat [verzoeker] het retentierecht rechtsgeldig heeft ingeroepen. Een terechte uitoefening van het retentierecht levert in beginsel geen dringende reden voor ontslag op staande voet op. Bovendien heeft [verweerder] het ontslag op staande voet aangezegd, nadat zij had aangekondigd vanwege het achterhouden van de documenten een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te zullen beginnen en nadat zij via de gemachtigde van [verzoeker] had vernomen dat de documenten naar haar onderweg waren. Onder deze omstandigheden kan het niet voldoen aan de door [verweerder] gestelde termijn voor het teruggeven van de documenten niet zelfstandig of in samenhang als een dringende reden gelden. Over de overige aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen (de wijze waarop [verzoeker] zich over [verweerder] heeft uitgelaten en/of het ontbreken van besef van zijn verplichtingen) hebben partijen zich nauwelijks uitgelaten. [verweerder] heeft niet toegelicht welke uitlatingen van [verzoeker] daarbij volgens haar relevant zijn. Ook heeft zij niet gereageerd op het verzoek van [verzoeker] om de context van de gedane uitlatingen in aanmerking te nemen, namelijk dat niet werd gereageerd op zijn loonvordering. Omdat deze context naar het oordeel van de kantonrechter van belang is bij de beoordeling van de dringende reden, kan in enige aan de kantonrechter aan de hand van het dossier bekend geworden uitlating van [verzoeker] noch zelfstandig, noch in samenhang met de andere omstandigheden een dringende reden zijn gelegen. Omdat hiervoor is overwogen en geoordeeld dat [verzoeker] het retentierecht rechtsgeldig heeft uitgeoefend is naar het oordeel van de kantonrechter ook geen sprake van het ontbreken van besef van zijn verplichtingen, zodat ook daarin zelfstandig of in samenhang met de andere omstandigheden geen dringende reden kan zijn gelegen. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.
Billijke vergoeding
4.13.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
4.14.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.15.
De kantonrechter zal bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding om te beginnen rekening houden met de te verwachten inkomensschade van [verzoeker] als gevolg van het ontslag (soms ook aangeduid als ‘de waarde van de arbeidsovereenkomst’). Daarbij moet ook worden bezien hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd, als het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] achterwege was gebleken, na afweging van goede en kwade kansen.
4.16.
[verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat hij gedurende ‘een relevante periode’ bij [verweerder] in dienst had kunnen blijven, als het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] achterwege was gebleven. Aangezien [verzoeker] een bedrag gelijk aan drie maandsalarissen heeft verzocht, houdt de kantonrechter het ervoor dat [verzoeker] met ‘een relevante periode’ drie maanden heeft bedoeld. De kantonrechter kan dat standpunt volgen. [verzoeker] heeft zijn inkomensschade over die periode berekend op een brutobedrag van € 11.481,21 bruto. Het is echter niet aannemelijk dat [verzoeker] deze inkomensschade ook daadwerkelijk zal leiden. Gelet op de huidige arbeidsmarkt, de ervaring van [verzoeker] en zijn bereidheid om ook naar het buitenland te rijden is aannemelijk dat hij binnen korte tijd in staat zal zijn om een andere (vergelijkbare) baan te vinden. Dat het tot op heden nog niet is gelukt om een andere baan te vinden, is volgens [verzoeker] te wijten aan het feit dat veel werkgevers niet voldoende betalen. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat [verzoeker] in ieder geval 80% van zijn huidige salaris elders zal kunnen verdienen.
4.17.
Verder weegt de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding mee dat met de billijke vergoeding mede kan worden tegengegaan dat [verweerder] ervoor kiest een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Daar staat tegenover dat [verweerder] vermoedelijk aanzienlijke schade heeft geleden door het handelen van [verzoeker].
4.18.
Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat de kantonrechter aan [verzoeker] een billijke vergoeding toekent van € 3.000,00 bruto. Daarmee wordt [verzoeker] voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder]. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Gefixeerde schadevergoeding
4.19.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.
4.20.
[verzoeker] had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Tussen partijen is niet in geschil dat in de eerste (schriftelijke) arbeidsovereenkomst een tussentijds opzegbeding is opgenomen, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst door ieder van partijen kan worden opgezegd tegen de laatste dag van de maand en waarbij rekening moet worden gehouden met de wettelijke opzegtermijn. [verweerder] heeft [verzoeker] in januari 2026 een aanbod tot een tweede schriftelijke arbeidsovereenkomst gedaan. [verzoeker] heeft dit aanbod niet aanvaard, omdat partijen het niet eens werden over de inhoud daarvan. Hij heeft zijn werkzaamheden voor [verweerder] ongewijzigd voortgezet. Daarmee is een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Deze voortzetting wordt geacht te zijn gedaan op de vroegere voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat dit tot gevolg heeft dat ook het tussentijdse opzegbeding onverkort van kracht is. Het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:677 lid 3 BW staat daaraan niet in de weg. Daaraan is immers in januari 2025 voldaan. Dat betekent dat bij het bepalen van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding rekening moet worden gehouden met het tussentijdse opzegbeding en de opzegtermijn.
4.21.
Het voorgaande in overweging nemende had de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging behoren voort te duren tot en met 31 mei 2026. Tussen partijen is niet in geschil dat het maandloon van [verzoeker] € 4.133,24 (inclusief vakantiegeld) bedraagt. Dat komt over de opzegtermijn (2 april tot en met 31 mei 2026) neer op een bedrag van € 8.133,14 bruto. [verweerder] zal daarom tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst feitelijk is geëindigd, dus vanaf 2 april 2026.
De transitievergoeding
4.22.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [verweerder] wordt daarom veroordeeld tot betaling van € 1.072,00 bruto. Dit is het bedrag dat door [verzoeker] is verzocht en waartegen [verweerder] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.
De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 mei 2026.
Loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026
4.23.
Zoals hiervoor is overwogen en geoordeeld, heeft [verweerder] geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026 en zij zal daartoe ook niet meer in de gelegenheid worden gesteld. [verweerder] heeft nog wel een beroep op verrekening gedaan. Dit beroep slaagt niet, omdat het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dit betekent dat [verzoeker] niet schadeplichtig is jegens [verweerder] en dat [verweerder] (dus) geen recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding (en daarmee ook niet kan verrekenen). De op dit punt door [verzoeker] gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
4.24.
De conclusie is dat de gevorderde loon- en vergoedingscomponenten over 2025 en 2026 als niet (althans onvoldoende gemotiveerd) weersproken toewijsbaar zijn.
4.25.
[verzoeker] heeft verder verzocht de maximale wettelijke verhoging toe te wijzen. De kantonrechter overweegt in dat verband (mogelijk ten overvloede) dat de wettelijke verhoging ‘slechts’ kan worden toegewezen over het loon. Onder loon dienen alle vergoedingen voor in loondienst verrichte werkzaamheden te worden verstaan. De reiskosten, verblijfskosten en andere onkosten betreffen geen vergoeding voor verrichte werkzaamheden, zodat daarover geen wettelijke verhoging verschuldigd is. De wettelijke verhoging zal daarom worden toegewezen over het achterstallige loon (de zaterdaguren en de overuren), de opgebouwde vakantietoeslag en de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging over deze looncomponenten te matigen tot 25%.
4.26.
De wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift omdat [verzoeker] geen ingangsdatum heeft gevorderd en niet heeft toegelicht vanaf welke eerdere datum hij aanspraak kan maken op wettelijke rente.
Salarisspecificaties
4.27.
[verweerder] zal worden veroordeeld om na betaling van de hiervoor toegewezen bedragen deugdelijke specificaties van deze betalingen en aangepaste loonstroken over de perioden 1, 2 en 3 van 2026 aan [verzoeker] te verstrekken (voor zover de hiervoor toegewezen bedragen op die perioden betrekking hebben).
Proceskosten
4.28.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 8.133,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.072,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een bedrag van € 846,81 netto en € 112,80 bruto te betalen ter zake van nog niet correct verwerkte reis-, verblijfs- en onkosten en/of daarmee samenhangende vergoedingen over 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, en onder verstrekking van een deugdelijke specificatie van deze betaling,
5.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een bedrag van € 322,91 bruto ter zake van nog niet verwerkte zaterdaguren over periode 2/2026 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, en onder verstrekking van een deugdelijke specificatie van deze betaling,
5.6.
veroordeelt [verweerder] om aangepaste loonstroken over de perioden 1, 2 en 3 van 2026 aan [verzoeker] te verstrekken, voor zover de hiervoor toegewezen bedragen op die perioden betrekking hebben,
5.7.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een bedrag van € 9.524,43 aan achterstallige vakantietoeslag, niet-opgenomen vrije dagen en overuren over 2025 (in totaal € 12.333,55 bruto), verminderd met de in natura ontvangen compensatie (€ 2.809,12), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.8.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% over de onder 5.5. en 5.7. toegewezen bedragen,
5.9.
verklaart voor recht dat [verweerder] geen recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding en dus ook niet bevoegd is om enige aanspraak daarmee te verrekenen,
5.10.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.11.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.12.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.13.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 7:677 lid 1 BW.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2022:860 (Divi Phoenix).
Artikel 3:290 BW.
Artikel 6:52 BW.
Artikel 6:159 lid 2 BW.
Artikel 6:52 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).
In lijn met artikel 6:105 lid 1 BW.
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:668 lid 4 BW.
Artikel 7:673 lid 1 BW.
Artikel 7:625 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.