Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:11012
2026-06-11
Strafrecht
15/044807-22 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.458 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/044807-22 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 11 juni 2026
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van
20 april 2026 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Turkije),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
feitelijk verblijvende te: [adres 2] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1De vordering
De officier heeft bij vordering van 20 april 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 233.769,55 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op andere strafbare feiten die op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2026. Op deze datum heeft het onderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 11 juni 2026.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 227.399,55. Volgens de officier van justitie moet het bedrag van € 13.470,- voor de verkoop van de gouden sieraden in mindering worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van € 240.869,55, omdat er aanwijzingen in het dossier te vinden zijn dat het goud daadwerkelijk is verkocht.
De officier van justitie heeft gevorderd de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen aan de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] (medeveroordeelde).
4Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een gedeelte van de verbouwingskosten contant door de veroordeelde zijn betaald zonder dat daarover belasting is afgedragen, waardoor de veroordeelde op een aantal verbouwingskosten korting heeft gekregen. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht om dertig, dan wel twintig procent af te halen van het bedrag dat is berekend als contante uitgave aan verbouwingskosten (€ 64.749,89).
De raadsman heeft verder bepleit dat het bedrag dat de veroordeelde en de medeveroordeelde aan contant geld hebben gekregen voor hun huwelijk (€ 17.500,-) en het bedrag dat zij hebben ontvangen voor de verkoop van de gouden sieraden uit de bruidsschat (€ 15.400,-) in mindering moeten worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen contante geldbedrag van € 30.000,- dat vatbaar is voor verbeurdverklaring, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag vanwege het beslag dat erop rust in mindering moet worden gebracht op de betalingsverplichting.
De raadsman heeft de rechtbank tot slot verzocht het door de veroordeelde en de medeveroordeelde gezamenlijk genoten voordeel pondspondsgewijs toe te rekenen en niet – zoals door de officier van justitie is gevorderd - de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen.
5. Het oordeel van de rechtbank
5.1
De grondslag van de vordering
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 11 juni 2026 is de veroordeelde onder meer veroordeeld ter zake van gewoontewitwassen en het medeplegen van oplichting. Dit zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr.
5.2
De ontnemingsrapportage
Op 30 december 2024 is door de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar), een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier van de onderliggende strafzaak. De rechtbank heeft ook de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
5.3
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk is dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de ontnemingsrapportage. Dit betreft een berekening op basis van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2017 tot en met 18 juli 2022. Bij deze methode worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Indien meer contante uitgaven zijn gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbare legale contante gelden, dan is sprake van onverklaarbaar vermogen dat wordt verondersteld van criminele herkomst afkomstig en aldus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De berekening volgens de ontnemingsrapportage is als volgt:
Beginsaldo contant geld € 200,00
Legale contante ontvangsten € 8.108,51
Eindsaldo contant geld (20 februari 2022) € 30.155,00
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € -21.846,49
Werkelijke contante uitgaven
- Contante stortingen € 154.273,17
- Contante uitgaven € 64.749,89
Totaal contante uitgaven € 219.023,06
Wederrechtelijk verkregen voordeel € -240.869,55
De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van gegevens die de KMar heeft ontleend aan het onderzoek, in beginsel deugdelijk en betrouwbaar.
Verbouwingskosten
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het bedrag dat is berekend als contante uitgave aan verbouwingskosten lager moet worden vastgesteld, omdat de veroordeelde korting zou hebben gekregen bij verbouwingskosten die hij contant betaalde. Uit chatgesprekken tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde blijkt dat € 51.500,- is betaald voor de verbouwing van het huis en uit chatgesprekken tussen de veroordeelde en de tuinman volgt dat een bedrag van € 13.249,89 voor de tuinwerkzaamheden is betaald (tezamen een bedrag van € 64.749,89). Dat zijn dus de bedragen die zijn betaald. Van een korting op deze bedragen is uit het dossier niet gebleken en de veroordeelde heeft geen concrete feiten en omstandigheden genoemd waaruit (de hoogte van) die korting aannemelijk is.
De bruidsschat
De rechtbank volgt de raadsman ook niet in zijn verweer dat het contante geldbedrag van € 17.500,- in mindering moet worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit blijkens de schriftelijke verklaring van medeveroordeelde, gedateerd op 1 maart 2022, afkomstig is uit hun bruidsschat. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring ongeloofwaardig. De veroordeelde heeft ter terechtzitting immers zelf verklaard dat deze schriftelijke verklaring enkel bedoeld was om zijn gokwinsten te verhullen en dus niet op waarheid berust.
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het bedrag van € 13.470,- voor de verkoop van de gouden sieraden uit de bruidsschat wel in mindering worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier in de strafzaak niet met de vereiste mate van zekerheid worden uitgesloten dat de veroordeelde en de medeveroordeelde deze gouden sieraden daadwerkelijk hebben verkocht.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de rechtbank daarom berekend op
€ 227.399,55 (€ 240.869,55 minus € 13.470,-).
Verdeling
Uit het dossier volgt enkel dat de medeveroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de verbouwing van de woning en de tuin. Bij gebreke van aanknopingspunten voor een andere verdeling zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs verdelen over de veroordeelde en de medeveroordeelde. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde € 195.024,61 is (€ 227.399,55 minus € 32.374,95 (50% van € 64.749,89 = € 32.374,95)).
6Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Financiële draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Verbeurd verklaarde geldbedrag
In het gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde wordt een gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten een bedrag van € 30.000,-, verbeurdverklaard. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting.
Vordering hoofdelijke aansprakelijkheid
De officier van justitie heeft gevorderd de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen. Op grond van vaste rechtspraak is hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 36e, zevende lid, Sr slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Het dossier bevat geen duidelijke aanwijzingen dat, laat staan in hoeverre, de veroordeelde en de medeveroordeelde beiden over de gehele opbrengst konden beschikken.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 165.024,61 (€ 195.024,61 minus € 30.000,-).
Gijzeling
De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten hoogste kan worden gevorderd op drie jaren.
7Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
8Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 195.024,61 (honderdvijfennegentigduizend vierentwintig euro en eenenzestig eurocent).
legt aan [veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 165.024,61 (honderdvijfenzestigduizend vierentwintig euro en eenenzestig eurocent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel;
wijst de vordering voor het overige af; en
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op drie jaren.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. P.E.A. Chao, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.
De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 30 december 2024 (los processtuk).
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/044807-22 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 11 juni 2026
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van
20 april 2026 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] (Turkije),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
feitelijk verblijvende te: [adres 2] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1De vordering
De officier heeft bij vordering van 20 april 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 233.769,55 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op andere strafbare feiten die op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2026. Op deze datum heeft het onderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 11 juni 2026.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 227.399,55. Volgens de officier van justitie moet het bedrag van € 13.470,- voor de verkoop van de gouden sieraden in mindering worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van € 240.869,55, omdat er aanwijzingen in het dossier te vinden zijn dat het goud daadwerkelijk is verkocht.
De officier van justitie heeft gevorderd de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen aan de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] (medeveroordeelde).
4Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een gedeelte van de verbouwingskosten contant door de veroordeelde zijn betaald zonder dat daarover belasting is afgedragen, waardoor de veroordeelde op een aantal verbouwingskosten korting heeft gekregen. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht om dertig, dan wel twintig procent af te halen van het bedrag dat is berekend als contante uitgave aan verbouwingskosten (€ 64.749,89).
De raadsman heeft verder bepleit dat het bedrag dat de veroordeelde en de medeveroordeelde aan contant geld hebben gekregen voor hun huwelijk (€ 17.500,-) en het bedrag dat zij hebben ontvangen voor de verkoop van de gouden sieraden uit de bruidsschat (€ 15.400,-) in mindering moeten worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen contante geldbedrag van € 30.000,- dat vatbaar is voor verbeurdverklaring, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag vanwege het beslag dat erop rust in mindering moet worden gebracht op de betalingsverplichting.
De raadsman heeft de rechtbank tot slot verzocht het door de veroordeelde en de medeveroordeelde gezamenlijk genoten voordeel pondspondsgewijs toe te rekenen en niet – zoals door de officier van justitie is gevorderd - de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen.
5. Het oordeel van de rechtbank
5.1
De grondslag van de vordering
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 11 juni 2026 is de veroordeelde onder meer veroordeeld ter zake van gewoontewitwassen en het medeplegen van oplichting. Dit zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr.
5.2
De ontnemingsrapportage
Op 30 december 2024 is door de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar), een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier van de onderliggende strafzaak. De rechtbank heeft ook de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
5.3
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk is dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de ontnemingsrapportage. Dit betreft een berekening op basis van een eenvoudige kasopstelling over de periode van 1 januari 2017 tot en met 18 juli 2022. Bij deze methode worden de beschikbare legale contante gelden vergeleken met de totale contante uitgaven. Indien meer contante uitgaven zijn gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbare legale contante gelden, dan is sprake van onverklaarbaar vermogen dat wordt verondersteld van criminele herkomst afkomstig en aldus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De berekening volgens de ontnemingsrapportage is als volgt:
Beginsaldo contant geld € 200,00
Legale contante ontvangsten € 8.108,51
Eindsaldo contant geld (20 februari 2022) € 30.155,00
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € -21.846,49
Werkelijke contante uitgaven
- Contante stortingen € 154.273,17
- Contante uitgaven € 64.749,89
Totaal contante uitgaven € 219.023,06
Wederrechtelijk verkregen voordeel € -240.869,55
De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van gegevens die de KMar heeft ontleend aan het onderzoek, in beginsel deugdelijk en betrouwbaar.
Verbouwingskosten
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het bedrag dat is berekend als contante uitgave aan verbouwingskosten lager moet worden vastgesteld, omdat de veroordeelde korting zou hebben gekregen bij verbouwingskosten die hij contant betaalde. Uit chatgesprekken tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde blijkt dat € 51.500,- is betaald voor de verbouwing van het huis en uit chatgesprekken tussen de veroordeelde en de tuinman volgt dat een bedrag van € 13.249,89 voor de tuinwerkzaamheden is betaald (tezamen een bedrag van € 64.749,89). Dat zijn dus de bedragen die zijn betaald. Van een korting op deze bedragen is uit het dossier niet gebleken en de veroordeelde heeft geen concrete feiten en omstandigheden genoemd waaruit (de hoogte van) die korting aannemelijk is.
De bruidsschat
De rechtbank volgt de raadsman ook niet in zijn verweer dat het contante geldbedrag van € 17.500,- in mindering moet worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit blijkens de schriftelijke verklaring van medeveroordeelde, gedateerd op 1 maart 2022, afkomstig is uit hun bruidsschat. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring ongeloofwaardig. De veroordeelde heeft ter terechtzitting immers zelf verklaard dat deze schriftelijke verklaring enkel bedoeld was om zijn gokwinsten te verhullen en dus niet op waarheid berust.
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het bedrag van € 13.470,- voor de verkoop van de gouden sieraden uit de bruidsschat wel in mindering worden gebracht op het totaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier in de strafzaak niet met de vereiste mate van zekerheid worden uitgesloten dat de veroordeelde en de medeveroordeelde deze gouden sieraden daadwerkelijk hebben verkocht.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de rechtbank daarom berekend op
€ 227.399,55 (€ 240.869,55 minus € 13.470,-).
Verdeling
Uit het dossier volgt enkel dat de medeveroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de verbouwing van de woning en de tuin. Bij gebreke van aanknopingspunten voor een andere verdeling zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs verdelen over de veroordeelde en de medeveroordeelde. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde € 195.024,61 is (€ 227.399,55 minus € 32.374,95 (50% van € 64.749,89 = € 32.374,95)).
6Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
Financiële draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Verbeurd verklaarde geldbedrag
In het gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde wordt een gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten een bedrag van € 30.000,-, verbeurdverklaard. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting.
Vordering hoofdelijke aansprakelijkheid
De officier van justitie heeft gevorderd de betalingsverplichting hoofdelijk op te leggen. Op grond van vaste rechtspraak is hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 36e, zevende lid, Sr slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Het dossier bevat geen duidelijke aanwijzingen dat, laat staan in hoeverre, de veroordeelde en de medeveroordeelde beiden over de gehele opbrengst konden beschikken.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 165.024,61 (€ 195.024,61 minus € 30.000,-).
Gijzeling
De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten hoogste kan worden gevorderd op drie jaren.
7Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
8Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 195.024,61 (honderdvijfennegentigduizend vierentwintig euro en eenenzestig eurocent).
legt aan [veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 165.024,61 (honderdvijfenzestigduizend vierentwintig euro en eenenzestig eurocent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel;
wijst de vordering voor het overige af; en
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op drie jaren.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. P.E.A. Chao, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.
De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 30 december 2024 (los processtuk).