Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:10677

2026-08-11 Strafrecht 15/027275-24 en 15/070110-22 (gev ttz)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
15/027275-24 en 15/070110-22 (gev ttz)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne en heroïne, het witwassen van meerdere geldbedragen, goederen en een auto, en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen. Vrijspraak voor de handel in cocaïne en heroïne. Gevangenisstraf voor de duur van 174 dagen met aftrek. Constatering overschrijding redelijke termijn. Beslagbeslissingen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (51.022 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer


Parketnummers: 15/027275-24 en 15/070110-22 (gev ttz) (P)
Uitspraakdatum: 11 augustus 2026
Tegenspraak



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026 in de zaak tegen:





[verdachte]

,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Irak),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Sobering en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.





1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen met de parketnummers 15/027275-24 en 15/070110-22 is omschreven. De rechtbank heeft de voeging bevolen van deze bij afzonderlijke dagvaardingen aangebrachte zaken en heeft de in deze dagvaardingen opgenomen feiten ten behoeve van de leesbaarheid van doorlopende nummers voorzien.


Aan de verdachte is (na wijziging van de tenlastelegging van feit 4), verkort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:



(Parketnummer 15/027275-24)

Feit 1

de handel in cocaïne en heroïne in de periode van 8 juni 2023 tot en met 15 maart 2024 te Beverwijk;




Feit 2

het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en heroïne op 15 maart 2024 te Beverwijk;




Feit 3

het witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 9.760,00, horloges, een tas van Louis Vuitton en een portemonnee van Louis Vuitton op 15 maart 2024 te Beverwijk;




(Parketnummer 15/070110-22)


Feit 4


primair

het witwassen van een [personenauto] met kenteken [kentekennummer] in de periode van 22 juli 2021 tot en met 17 maart 2022 te Alkmaar, althans in Nederland;




subsidiair

het eenvoudig witwassen van een [personenauto] met kenteken [kentekennummer] in de periode van 22 juli 2021 tot en met 17 maart 2022 te Alkmaar, althans in Nederland;




Feit 5

het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een leenovereenkomst tussen [bedrijfsnaam] B.V. en hemzelf, op 28 april 2022 te Beverwijk, althans in Nederland.



De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.





2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.




3Beoordeling van het bewijs

3.1


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het witwassen van de horloges.




3.2


Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De verweren zullen verder, voor zover relevant, bij de beoordeling van het bewijs besproken worden.




3.3

Oordeel van de rechtbank


3.3.1

Vrijspraak feit 1
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.



Inleiding

Het opsporingsonderzoek is gestart naar aanleiding van informatie die op 8 juni 2023 via een anoniem gebleven wijkbewoner bij de wijkagent van het basisteam IJmond is binnengekomen. De informatie die de wijkbewoner met de wijkagent deelde, was dat een man genaamd "[voornaam van verdachte]" de grote baas zou zijn van een dealergroep in Beverwijk en Heemskerk. Deze dealergroep zou harddrugs op straat in de wijk verkopen. Deze "[voornaam van verdachte]" zou rijden in een lichtgrijze [personenauto X] en een witte [personenauto Y]. Er zou onder andere worden gedeald vanaf een parkeerterrein van het Kennemer Theater in Beverwijk. Op deze plaats is door de politie vervolgens een camera geplaatst waarna in de maanden van december 2023 tot en met maart 2024 observaties zijn gedaan. Hierbij is de verdachte meerdere keren lopend of in een [personenauto Y] met kenteken [kenteken Y] (hierna: [personenauto Y]) waargenomen. Waargenomen is dat de verdachte korte contactmomenten heeft gehad met inzittenden van andere auto’s waarbij er “iets” werd overhandigd. Op 15 maart 2024 is de verdachte samen met de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) aangehouden in de auto van de medeverdachte, een [personenauto Z] met kenteken [kenteken Z] (hierna: [personenauto Z]). In de [personenauto Z], is cocaïne en heroïne aangetroffen. Later die dag is op het politiebureau de [personenauto Y] doorzocht en daarin wordt ook cocaïne en heroïne aangetroffen. Verder vindt er op diezelfde dag een doorzoeking van de woning van de verdachte plaats. Daarbij is in de buddy van een [merk Scooter] scooter met kenteken [kenteken scooter] (hierna: scooter) cocaïne en heroïne aangetroffen. De verdachte is eerder rijdend op de scooter waargenomen. De scooter stond op naam van de broer van de verdachte.




De verklaring van de anoniem gebleven wijkbewoner

De verdediging heeft aangevoerd dat zij het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet effectief heeft kunnen uitoefenen, waardoor niet gesproken kan worden van een eerlijk proces. De verdediging heeft niet een effectieve mogelijkheid gehad om de anoniem gebleven getuige te (doen) horen over zijn/haar voor de verdachte belastende verklaring. Ten aanzien van dat verweer overweegt de rechtbank het volgende.



Op 13 december 2024 is de anoniem gebleven wijkbewoner als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Onder meer de raadsman van de verdachte is bij dit verhoor aanwezig geweest. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor de rechter-commissaris een gegronde reden om te besluiten dat de getuige op voet van het bepaalde in artikel 190, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, beperkt anoniem werd gehoord. In dat kader overweegt de rechtbank dat de rechter-commissaris in haar proces-verbaal van 13 december 2024 die beslissing voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd door erop te wijzen dat de verdenking jegens de verdachte (grootschalige) drugshandel betreft en het aannemelijk is dat door bekendmaking van de identiteit van de getuige overlast voor hem/haar valt te vrezen. Het verhoor heeft vervolgens plaatsgehad waarbij de raadsman van de verdachte in de gelegenheid is gesteld om de getuige vragen te stellen. Meerdere vragen die de raadsman aan de getuige wilde stellen, zijn door de rechter-commissaris echter belet omdat het beantwoorden van die vragen eventueel tot de identiteit van de getuige kon leiden. De raadsman heeft telkens bezwaar gemaakt tegen het beletten van de vragen waarbij hij heeft aangegeven dat alle vragen waarop het antwoord is belet, zijn gericht op toetsing van de betrouwbaarheid van de getuige.



Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om de anonieme getuige effectief te (doen) ondervragen over zijn/haar voor de verdachte belastende verklaring.




Juridisch kader

In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.



In verband met de hiervoor als (ii) genoemde beoordelingsfactor overweegt de rechtbank het volgende. Voor de beantwoording van de daaraan verbonden vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.




Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte onder feit 1 wordt verweten dat hij in de periode van 8 juni 2023 (zijnde de datum waarop de anonieme getuige de melding bij de wijkagent heeft gedaan) tot en met 15 maart 2024 (zijnde de datum van aanhouding van de verdachte) heeft gehandeld in cocaïne en heroïne. De verklaring van de anonieme getuige houdt in dat een man genaamd "[voornaam van verdachte]" de grote baas van een dealergroep zou zijn. Hoewel bij de daarop volgende waarnemingen vanaf 29 december 2023 is gezien dat de verdachte kortstondige contactmomenten met inzittenden van auto’s had, is er bij die waarnemingen niet vastgesteld dat de verdachte op die momenten verdovende middelen overhandigde. Op 15 maart 2024 is de verdachte aangehouden. Op dat moment is er in zijn auto en scooter cocaïne en heroïne aangetroffen. Gelet op deze vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat het bewijs dat de verdachte in de periode van 8 juni 2023 tot aan de eerste waarnemingen door de politie op 29 december 2023 cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd uitsluitend (‘sole’) gebaseerd op de verklaring van de anonieme getuige. Voor die periode bevat het dossier immers geen andere bevindingen die aan een bewezenverklaring kunnen bijdragen. Het bewijs dat de verdachte in de periode van 29 december 2023 tot aan zijn aanhouding op 15 maart 2024 cocaïne en heroïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd is naar het oordeel van de rechtbank in beslissende mate (‘decisive’) op de verklaring van de anonieme getuige gebaseerd. Hoewel de waarnemingen door de politie waarbij is gezien dat de verdachte “iets” aan inzittenden van een auto overhandigde, vragen oproepen, zijn die bevindingen – ook in onderling verband bezien met de op 15 maart 2024 onder de verdachte aangetroffen verdovende middelen – ten opzichte van de verklaring van de anonieme getuige van aanzienlijk ondergeschikte waarde om de handel in verdovende middelen bewezen te achten.



De rechtbank is daarom van oordeel dat het gebruik van de verklaring van de anonieme getuige in strijd is met artikel 6 EVRM en dat de procedure in haar geheel niet zou voldoen aan het in die bepaling gewaarborgde recht op een eerlijk proces als de rechtbank die verklaring tot het bewijs zou gebruiken. De rechtbank zal daarom die verklaring niet voor het bewijs gebruiken.



De rechtbank moet dan de vraag beantwoorden of de overige bevindingen uit het dossier voldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank stelt vast dat niet is komen vast te staan wat de verdachte aan de inzittende van meerdere auto’s heeft overhandigd. Hoewel onder de verdachte op 15 maart 2024 verdovende middelen zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende zijn om te oordelen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode heeft gehandeld in cocaïne en heroïne. Gelet daarop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.




3.3.2


Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.




3.3.3


Bewijsoverweging feit 2

Naar aanleiding van de aanhouding van de verdachte zijn op 15 maart 2024 onder andere de [personenauto Y] en de scooter doorzocht. In de [personenauto Y] en de scooter worden verschillende plastic zakken aangetroffen met daarin ponypacks en kleinere plastic zakjes. De substanties in deze ponypacks en zakjes zijn onderzocht en vastgesteld is dat het om 165,74 gram cocaïne en om 12,57 gram heroïne ging.



De verdachte heeft niks willen verklaren over de aangetroffen verdovende middelen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden gezegd dat de verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over alle aangetroffen verdovende middelen.



De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wetenschap en de beschikkingsmacht heeft gehad over de cocaïne en heroïne aangetroffen in de [personenauto Y] en de scooter en overweegt daartoe als volgt.



Uit het dossier volgt dat de verdachte tijdens de observaties meerdere keren is gezien in de [personenauto Y]. De verdachte heeft ook ter terechtzitting verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van de [personenauto Y]. Daarnaast parkeerde de verdachte op 15 maart 2024 de [personenauto Y] in de buurt van de plek waar de auto van de medeverdachte stond, waar hij, na geparkeerd te hebben, naar toe is gelopen en is ingestapt. Dit was vlak voor zijn aanhouding en de doorzoeking van de [personenauto Y]. Mede gelet op de plek in de [personenauto Y] waar de verdovende middelen zijn aangetroffen, namelijk in de portier aan de bestuurderskant van de auto, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de [personenauto Y] en dat hij daar de beschikkingsmacht over heeft gehad.



Verder is er naar de aangetroffen plastic zakjes (als ‘boterhamzakjes’ aangeduid) DNA-onderzoek gedaan. Ten aanzien van de zakjes in de [personenauto Y] heeft het DNA-onderzoek geen resultaten opgeleverd. Uit de bemonsteringen van twee zakjes uit de scooter (AARR0041NL en AARR0043NL) is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit profiel. Het DNA-profiel uit bemonstering AAR0041NL is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – de verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. Het DNA-profiel uit bemonstering AARR0043NL is ongeveer 1 miljoen keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – de verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte de donor is van het celmateriaal op de bemonsteringen AARR0041NL en AARR0043NL. Verder is in de [personenauto Y] de sleutel van de scooter aangetroffen en in de portemonnee van de verdachte het kentekenbewijs van de scooter. Gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van deze verdovende middelen in de scooter, en dat hij daar de beschikkingsmacht over heeft gehad.



Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad de verdovende middelen die zijn aangetroffen in de [personenauto Y] en de scooter. De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde feit bewezen is.




Medeplegen en de verdovende middelen aangetroffen in de [personenauto Z]

Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen. In de eerste plaats zijn in de telefoon van de verdachte geen gesprekken tussen hem en de medeverdachte aangetroffen. Verder wil het enkele feit dat de verdachte samen met de medeverdachte in de [personenauto Z] is aangetroffen, niet zeggen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier volgen verder ook geen andere aanwijzingen die duiden op een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het medeplegen. In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aangetroffen verdovende middelen in de [personenauto Z]. Uit het dossier volgt namelijk dat de verdovende middelen onder de bestuurdersstoel lagen, terwijl de verdachte op de bijrijdersstoel zat, en verder niets anders heeft geduid op de wetenschap van de verdachte over deze verdovende middelen.




3.3.4


Bewijsoverweging feit 3

De verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij geldbedragen, horloges, een Louis Vuitton tas en een Louis Vuitton portemonnee heeft witgewassen. Ten aanzien van de horloges overweegt de rechtbank dat de horloges zijn onderzocht door de douane en dat deze nep zijn gebleken. Deze nephorloges zijn daarom geen onderwerp van witwassen en de verdachte zal hiervan partieel worden vrijgesproken.




Wettelijk kader

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de door de verdachte geldbedragen en goederen middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.



Het onderzoek heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen, tas en portemonnee.



Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp 'uit enig misdrijf' afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het uit enig misdrijf afkomstig is. Indien uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs, feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die voorwerpen. Vervolgens ligt het dan op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst.




Vermoeden van witwassen

De rechtbank stelt vast dat onder de verdachte een aanzienlijk geldbedrag in beslag is genomen, namelijk ongeveer € 9.760,-. Daarnaast zijn een Louis Vuitton tas en een Louis Vuitton portemonnee in beslag genomen. De douane heeft de tas en portemonnee onderzocht en deze zijn aan te merken als originelen. Verder heeft de verdachte op 15 maart 2024 opzettelijk cocaïne en heroïne aanwezig gehad. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen een vermoeden van witwassen. In dat geval mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de legale herkomst van de geldbedragen, de tas en de portemonnee.




Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting is de verdachte met een verklaring gekomen over de herkomst van het geld en de Louis Vuitton spullen. Hij heeft verklaard dat hij het geld heeft gewonnen door middel van TOTO sportweddenschappen en Oudejaarsloten. Zijn raadsman heeft daartoe aan de rechtbank verschillende afbeeldingen overlegd, waarop bewijzen van uitbetaling van TOTO, meerdere (halve) oudejaarsloten en bewijzen van contante opnames zijn te zien. Ook heeft de verdediging een afschrift van de ING bankrekening van de verdachte overgelegd alsmede enkele screenshots waarop banktransacties van een ING bankrekening zijn te zien. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte nu heeft afgelegd en die met een aantal afbeeldingen van documenten is onderbouwd, concreet is en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De verklaring is echter niet verifieerbaar. Daarvoor geldt in de eerste plaats dat de verdachte deze verklaring in een heel laat stadium van deze zaak, namelijk voor het eerst ter terechtzitting, heeft afgelegd. Nader onderzoek naar deze documenten zou daarom een zeer forse vertraging van de afdoening van deze strafzaak tot gevolg hebben. Daarbij geldt dat de oudejaarsloten niet tot de verdachte zijn te herleiden en dat daaruit niet valt af te leiden of, en zo ja, hoeveel geld de verdachte daarmee heeft weten te winnen. Ook de screenshots van de ING bankrekening zijn niet integraal tot de verdachte te herleiden. Ten aanzien van de bewijzen van contante opnames en het bankafschrift van de ING bankrekening heeft te gelden dat deze documenten geen bewijs vormen dat de verdachte in bezit is gekomen van geld uit een legale bron. De enkele omstandigheid dat hij contant geld van zijn rekening heeft opgenomen, is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat de verklaring van de verdachte niet kan worden gebruikt om het witwasvermoeden weg te nemen. Daarom is geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde geldbedragen en Louis Vuitton spullen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren en dat de verdachte dit wist.




Conclusie

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de ten laste gelegde geldbedragen, de Louis Vuitton tas en de Louis Vuitton portemonnee.




3.3.5


Bewijsoverweging feit 4 en feit 5

De verdachte wordt onder feit 4 verweten dat hij een personenauto, een [personenauto] met kenteken [kentekennummer] (hierna: [personenauto]) heeft witgewassen en onder feit 5 wordt hem verweten dat hij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, te weten een leenovereenkomst.




Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.



Op 22 juli 2021 is door de verdachte bij een autobedrijf een [personenauto X] ingeruild en € 25.795,- contant betaald voor de aankoop van de [personenauto]. Het autobedrijf heeft de contante betaling gemeld bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Naar de inkomsten van de verdachte is toen onderzoek gedaan en de verdachte is meerdere keren verhoord. Tijdens zijn verhoor op 25 april 2022 heeft de verdachte een leenovereenkomst tussen hemzelf en een bedrijf van een vriend van hem, [bedrijfsnaam] B.V., overlegd. De verdachte zou van deze vriend een contant geldbedrag van € 30.000,- hebben geleend om hiermee de [personenauto] (gedeeltelijk) te kunnen betalen. Vervolgens is door het Openbaar Ministerie onderzoek gedaan naar deze leenovereenkomst.



De raadsman heeft bepleit dat het onder 4 primair ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden verklaard, omdat er geen concrete, zelfstandige onderbouwing is dat de [personenauto] middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was. Ook het subsidiaire eenvoudige witwassen kan niet worden bewezen, omdat niet concreet is vastgesteld uit welk eigen misdrijf van de verdachte de [personenauto] onmiddellijk afkomstig zou zijn. Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman bepleit dat het bewijs ontbreekt.



De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of het onder 5 ten laste gelegde feit kan worden bewezen, alvorens naar het bewijs van het onder feit 4 ten laste gelegde feit zal worden gekeken.




Ten aanzien van feit 5

De verklaring van de verdachte en de verweren van de raadsman vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de leenovereenkomst vals is opgemaakt en dat de verdachte hier opzettelijk gebruik van heeft gemaakt. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.




Ten aanzien van feit 4

Het hierboven onder 3.3.4 geschetste wettelijke kader geldt voor het onder 4 ten laste gelegde feit ook. Het onderzoek heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van de [personenauto].




Vermoeden van witwassen

Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat onder de verdachte een [personenauto] in beslag is genomen. De verdachte heeft deze auto betaald door een [personenauto X] in te ruilen en een contante betaling van € 25.795,- te doen. Het bedrag van € 25.795,- is in kleine coupures van € 20,- en € 50,- betaald. Daarnaast heeft de verdachte in 2021 een bruto jaarsalaris genoten van € 36.294,-. De kleine coupures, in combinatie met het grote geldbedrag en het bruto jaarsalaris van de verdachte, rechtvaardigen het vermoeden van witwassen. In dat geval mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van auto.




Verklaring van de verdachte

Gelet op de bewezenverklaring van feit 5, zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte onvoldoende is om het witwasvermoeden te weerleggen. Daarom is geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde auto onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dit wist.




Conclusie ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de [personenauto], zoals onder 4 primair ten laste is gelegd.





3.4.


Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat




Feit 2
hij op 15 maart 2024 te Beverwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne;




Feit 3
hij op 15 maart 2024, te Beverwijk voorwerpen, te weten:- een contant geldbedrag van ongeveer EUR 9.760,00 en- een tas en een portemonnee, merk Louis Vuittonheeft voorhanden gehad terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;


Feit 4
hij in de periode van 22 juli 2021 tot en met 17 maart 2022 te Alkmaar, althans in Nederland (van) een [personenauto] voorzien van kenteken [kentekennummer] heeft verworven, voorhanden heeft gehad of gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;




Feit 5
hij op 28 april 2022 te Beverwijk, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een leenovereenkomst tussen [bedrijfsnaam] B.V. en hemzelf, als ware het echt en onvervalst, door deze te gebruiken als een document dat deels een verklaring voor de herkomst van zijn vermogen moest bieden.



Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.






4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op:



feit 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;




feit 3 en feit 4 primair

telkens: witwassen;




feit 5

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.



Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.





5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.




6Motivering van de sanctie

6.1


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft gezeten.




6.2


Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn vaste dienstbetrekking. Gelet hierop en het tijdsverloop heeft de raadsman verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die niet langer is dan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf.




6.3


Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.




Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 165,74 gram cocaïne en 12,57 gram heroïne. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormt en in veel gevallen tot verslaving aan het gebruik daarvan leidt. Gezien de hoeveelheid harddrugs die de verdachte in zijn bezit heeft gehad moet dat bedoeld zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de drugshandel die gepaard gaat met vele andere vormen van (ondermijnende) criminaliteit, waaronder ernstige geweld- en levensdelicten.



Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen, een Louis Vuitton tas, een Louis Vuitton portemonnee en een [personenauto]. Door zijn handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van de overheid worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Het vormt een aantasting en ondermijning van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.



Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het gebruikmaken van een valse leenovereenkomst, om te proberen het vermoeden van witwassen van de [personenauto] weg te nemen. Het belang, dat met het strafbaar stellen van het gebruikmaken van valse geschriften wordt beschermd, is het vertrouwen dat burgers en instellingen in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moet kunnen stellen. De verdachte heeft dit publieke vertrouwen geschaad en de rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geprobeerd heeft het witwasvermoeden op deze manier weg te nemen.




Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 18 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.



De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte geen hulpvragen heeft aan de reclassering. Daarnaast heeft de reclassering, vanwege de ontkennende houding, geen delict analyse en gedegen risico-inschatting kunnen maken. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden om met interventies het gedrag van de verdachte te veranderen of de risico’s te beperken. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.




Op te leggen straf

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het aanwezig hebben van tussen de 150 gram en 200 gram harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken als oriëntatiepunt geformuleerd. Voor fraude, waaronder witwassen, tussen de € 10.000,- en € 70.000,- is een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden als oriëntatiepunt geformuleerd. De verdachte heeft 174 dagen in voorarrest gezeten, wat neerkomt op ongeveer zes maanden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden is.




Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn die ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM in acht moet worden genomen. Als redelijke termijn geldt een periode vanaf het moment dat een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging wordt ingesteld.



Ten aanzien van parketnummer 15/027275-24 is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 15 maart 2024. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. Daarmee is de redelijke termijn met vijf maanden overschreden.



Ten aanzien van parketnummer 15/070110-22 is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met het uitbrengen van de memo van de officier van justitie op 17 juni 2024 ten behoeve van de rol MK. Hierin is aangekondigd dat de zaak gelijktijdig zou worden aangebracht met het parketnummer 15/027275-24. De verdachte kon aan deze memo in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. Daarmee is de redelijke termijn met twee maanden overschreden.



Gelet op de beperkte mate van overschrijding volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt zij aan deze overschrijding geen gevolgen.






7Beslag
Onder de verdachte zijn – samengevat – de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
- twee geldbedragen (items 1 en 2 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24);
- twee voertuigen (een personenauto van het merk [personenauto Y] en een bromfiets) (items 3 en 4 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24);
- twee telefoontoestellen (items 5 en 6 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24);
- verdovende middelen (items 7 tot en met 16 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24);
- een tas en een portemonnee (items 17 en 18 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24);
- drie horloges (items 19 tot en met 21 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24);
- een personenauto van het merk [personenauto] (item 1 op de beslaglijst in parketnummer 15/070110-22).


7.1


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de geldbedragen (items 1 en 2 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24), de drie voertuigen (items 3 en 4 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24 en item 1 op de beslaglijst in parketnummer 15/070110-22), een telefoontoestel (item 6 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24), de tas en de portemonnee (items 17 en 18 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24).



Ten aanzien van de verdovende middelen (items 7 tot en met 16 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24) heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.



Ten aanzien van het andere telefoontoestel (item 5 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24) heeft de officier van justitie gevorderd dat deze terug kan naar de verdachte.



De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen horloges.




7.2


Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldbedragen, de goederen en de voertuigen moeten worden teruggegeven aan de verdachte, gelet op de bepleite vrijspraak.




7.3

Oordeel van de rechtbank


7.3.1


Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de geldbedragen (items 1 en 2 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24), de tas en de portemonnee (items 17 en 18 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24) en de personenauto van het merk [personenauto] (item 1 op de beslaglijst in parketnummer 15/070110-22) verbeurd moeten worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, zijn begaan.




7.3.2


Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de verdovende middelen (items 7 tot en met 16 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24) moeten worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan en/of het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.




7.3.3


Teruggave aan de verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de twee telefoontoestellen (items 5 en 6 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24) en de drie horloges (items 19 tot en met 21 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24), moeten worden teruggegeven aan de verdachte. De bewezen verklaarde feiten zijn niet met betrekking tot die voorwerpen begaan.




7.3.4


Teruggave aan de rechthebbenden

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de personenauto van het merk [personenauto Y] (item 3 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24), dient te worden teruggegeven aan [beslagene], aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.



De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de bromfiets (item 4 op de beslaglijst in parketnummer 15/027275-24), dient te worden teruggegeven aan H. Moustafa, aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.







8Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33, 33a, 36b, 36c, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.





9Beslissing
De rechtbank:


Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.



Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.



Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.



Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.



Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 174 (honderdvierenzeventig) dagen.



Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Beslag

Verklaart verbeurd:



7990 EUR (Omschrijving: PL-1100-2024055720-1585014 IBG 15-03-2024);


1775 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1100-2023265934-1584990 IBG 15-03-2024);


1 STK Tas (Omschrijving: PL1100-2024055720-1584985);


1 STK Portemonnee (Omschrijving: PL1100-2024055720-1584983);


1 STK Personenauto (Kleur: Grijs, Merk: [personenauto], Omschrijving: NHRDC20010-712265).




Onttrekt aan het verkeer:



1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586909);


1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586910);


Boterhammenzakjes (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586934);


1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586905);


1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586908);


Boterhammenzakjes (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586933);


103 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586905);


48 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1587330);


330 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586909);


47 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586910).




Gelast de teruggave aan de verdachte van:



1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586567);


1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1100-2023265934-1586569);


1 STK Horloge (Omschrijving: PL1100-2024055720-1584979)


1 STK Horloge (Omschrijving: PL1100-2024055720-1584980)


1 STK Horloge (Omschrijving: PL1100-2024055720-1584982)




Gelast de teruggave aan [beslagene] van:

1 STK Personenauto (Kleur: Wit, Merk: [personenauto Y], Omschrijving: PL1100-2023265934-1544887 Kenteken: [kenteken Y]).


Gelast de teruggave aan H. Moustafa van:

1 STK Bromfiets (Omschrijving: PL1100-2023265934-904418).



Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.





Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. D.J. Straathof en mr. M. van Doesburg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.





Bijlage I





De tenlastelegging


Feit 1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 8 juni 2023 tot en met 15 maart 2024 te Beverwijk, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2
hij op of omstreeks 15 maart 2024 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer een grote (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;




Feit 3
hij op of omstreeks 15 maart 2024, te Beverwijk een of meer voorwerpen, te weten:- een contant geldbedrag van (ongeveer) EUR 9.760,00 en/of- een horloge, merk Audemars Piquet en/of- een horloge, merk Palek Phillipe en/of- een horloge, merk Rolex en/of- een toilettas en/of een portemonnee, merk Louis Vuittonheeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/die voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;


Feit 4

primair
hij, in of omstreeks de periode van 22 juli 2021 tot en met 17 maart 2022 te Alkmaar, althans in Nederland (van) een [personenauto] voorzien van kenteken [kentekennummer], althans een voorwerp, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, of gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;




subsidiair
hij, in of omstreeks de periode van 22 juli 2021 tot en met 17 maart 2022, te Alkmaar, althans in Nederland, (van) een [personenauto] voorzien van kenteken [kentekennummer], althans een voorwerp heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;




Feit 5
hij, op of omstreeks 28 april 2022 te Beverwijk, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een leenovereenkomst tussen [bedrijfsnaam] B.V. en hemzelf, als ware het echt en onvervalst, door deze te gebruiken als zijnde een document dat (deels) een verklaring voor (de herkomst van) zijn vermogen moest bieden.

Bijlage II





De bewijsmiddelen




(…)



HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418