Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:10649
2026-08-05
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12124058 \ CV EXPL 26-1390
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De huurder heeft de Huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs te toetsen. De Huurcommissie heeft uitspraak gedaan en die is op 9 oktober 2025 verzonden. De verhuurder is het niet eens met deze uitspraak en zij heeft zich daarom tot de kantonrechter gewend en (onder meer) gevorderd dat die de uitspraak vernietigt en een verklaring voor recht geeft over de huurprijs.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2022:633 Hoge Raad 22-04-2022
- ECLI:NL:HR:2023:1005 Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1005 Hoge Raad 30-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.298 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12124058 \ CV EXPL 26-1390
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G.C.M. Schipper,
tegen
1
[gedaagde 1],
te [plaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2],
te [plaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 2]
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna gezamenlijk samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. Misha Andriessen.
De zaak in het kort
[gedaagden] huren van [eiser] de woonruimte gelegen aan het adres [adres] te [plaats 2]. [gedaagde 1] heeft de Huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs te toetsen. De Huurcommissie heeft uitspraak gedaan en die is op 9 oktober 2025 verzonden. [eiser] is het niet eens met deze uitspraak en zij heeft zich daarom tot de kantonrechter gewend en (onder meer) gevorderd dat die de uitspraak vernietigt en een verklaring voor recht geeft over de huurprijs. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] ontvankelijk is in haar vordering en dat de woningwaardering uitkomt op 212 punten. Bij dat puntenaantal hoorde in november 2024 een maximale huurprijs van € 1.326,25 per maand. Deze huurprijs ligt boven de toen geldende huurliberalisatiegrens. Op grond van de wet is de overeengekomen kale huurprijs van € 2.500,00 daarom redelijk. Om die reden zijn de gevorderde verklaringen voor recht toewijsbaar. De overige vorderingen zijn niet toewijsbaar. Dit geldt ook voor de tegenvordering.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 20 januari 2026, met producties;
- conclusie van antwoord van 4 maart 2026 en een eis in reconventie, met producties;
- het tussenvonnis van 18 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagden] huren sinds 15 november 2024 van [eiser] de zelfstandige woning gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 2]. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
De kale huurprijs bedroeg bij aanvang van de huurovereenkomst € 2.500,00 per maand. De servicekosten bedroegen € 600,00 per jaar. [gedaagden] hebben de borg en de huur over de periode 1 januari 2025 tot en met 14 november 2026 in november dan wel in december 2024 geheel voldaan, een totaalbedrag van € 62.450,00.
2.3.
In de huurovereenkomst staat:
“(…)
De ondergetekenden:
[eiser] B.V., vertegenwoordigd door haar directeur, de heer [betrokkene].
E-mailadres: [e-mailadres]
Hierna te noemen ‘verhuurder’,
(…)
1.1.
Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de zelfstandige gestoffeerde woonruimte met inbegrip van de tuin. (…)
1.4.
Huurder heeft bij het aangaan van de huurovereenkomst geen kopie van het Energielabel als bedoeld in het Besluit energieprestatie gebouwen of een kopie van de Energie-Index ten aanzien van het gehuurde ontvangen.
(…)
Beheerder
9.1.
Totdat verhuurder anders meedeelt, treedt als beheerder op: de heer [betrokkene]
9.2.
Tenzij schriftelijk anders overeengekomen, dient huurder voor wat betreft de inhoud en alle verdere aangelegenheden betreffende deze huurovereenkomst met de beheerder contact op te nemen. (…)
2.4.
Per e-mail van 17 april 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagden] aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) een e-mail gestuurd. De e-mail is gericht aan [e-mailadres] en luidt als volgt: “Graag hoor ik vóór 2 mei 2025 of u akkoord gaat met de voorgestelde huurverlaging, of vragen heeft over dit voorstel.
Mocht u niet akkoord gaan zonder inhoudelijke reactie met ons te delen of een reactie in zijn geheel uitblijven, dan zal ik de Huurcommissie vragen een uitspraak te doen over de redelijkheid van de voorgestelde huurprijs. (…)”
2.5.
[betrokkene] heeft als volgt op 15 juni 2025 gereageerd: “Hierbij het antwoord op jouw schrijven over de berekening van de huur van de woning [adres] die je van mij hebt gehuurd voor de periode 15 november 2024 tot 15 november 2026. (…)
4. Vervolg
Wij blijven uiteraard bereid tot overleg over de huurrelatie in bredere zin, maar wijzen het formele voorstel tot huurverlaging en terugbetaling af. Mocht u desondanks een verzoek willen indien bij de Huurcommissie, dan zien wij dat met vertrouwen tegemoet. Wij zullen onze standpunten daar onderbouwen met de huurprijscheck, het energielabel en aanvullende documentatie.”
2.6.
Op 8 mei 2025 is het energielabel (energielabel C) van de woning vastgesteld.
2.7.
Op 30 april 2025 heeft [gedaagde 1] de Huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs te toetsen. Op 28 mei 2025 heeft de Huurcommissie een brief naar [gedaagde 1] gestuurd met de volgende inhoud: “Adresgegevens verhuurder
In het verzoekschrift is [eiser] B.V. als bedrijf opgenomen als verhuurder. Dit komt ook overeen met de huurovereenkomst. Er is dus geen twijfel aan de rechtspersoon of natuurlijk persoon en de Huurcommissie houdt daarom het verzoekschrift aan met betrekking tot de tenaamstelling van de wederpartij.
Echter, de aangeleverde adresgegevens komen niet overeen. Uit het Handelsregister (KVK) blijkt dat de adresgegevens van de wederpartij verschillen van de door u aangeleverde adresgegevens. Het is momenteel onduidelijk wat de juiste adresgegevens zijn van de verhuurder. Wij hebben deze nodig in verband met een eerlijk verloop van de procedure. (…) Stuur ons daarom uiterlijk op 7 juni 2025 bewijsdocumenten waaruit blijkt wat de NAW-gegevens van de wederpartij zijn. U kunt deze informatie ook opvragen bij de wederpartij. Als u geen reactie geeft op dit verzoek, dan kunnen wij uw zaak niet verder benadelen.”
2.8.
In het rapport van onderzoek van de Huurcommissie staat: “Energieprestatie
Uit controle op de van overheidswege ingerichte website ep-online.nl blijkt dat voor deze woning een energielabel C is geregistreerd op 8 mei 2025. Gedurende het onderzoek heeft de huurder verklaard dat er iemand langs is geweest om het energielabel op te meten.
Omdat dit label geregistreerd is na peildatum (ingangsdatum huurovereenkomst) 15 november 2024 wordt er voor de waardering van de energieprestatie van de woonruimte teruggevallen op het bouwjaar. Het oorspronkelijke bouwjaar van het appartementengebouw is in Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) vastgesteld op 1901.”
2.9.
De Huurcommissie heeft bij uitspraak van 9 oktober 2025 (zaaknummer 2503698) geoordeeld dat de tussen partijen overeengekomen huurprijs niet redelijk is. De Huurcommissie acht een huurprijs van € 970,25 per maand (157 punten) met ingang van 15 november 2024 redelijk. In de uitspraak staat: “Adresgegevens verhuurder
De commissie merkt op dat er meerdere poststukken van verhuurder retour zijn gekomen. Op de enveloppen van de retourstukken staat “geweigerd” en “niet meer gevestigd op dit adres”. Huurder heeft een uitdraai van het Kadaster overgelegd, waarop de adresgegevens van verhuurder zichtbaar zijn. Deze gegevens komen overeen met de informatie op de website van de Kamer van Koophandel. Verhuurder heeft er voor gekozen om zijn adresgegevens niet in de huurovereenkomst op te nemen.
De commissie vindt dat huurder voldoende medewerking heeft verleend om het juiste adres van de verhuurder aan te leveren. Daarnaast oordeelt de commissie dat het niet aannemelijk is dat verhuurder een ander adres heeft dan in de registers is opgenomen”.
(…)
Beslissing
Het puntenaantal van de woonruimte bedraagt 157 punten.
De met ingang van 15 november 2024 overeengekomen huurprijs van € 2.500,00 per maand is op basis van het puntenaantal niet redelijk.
Een huurprijs van € 970,25 per maand vanaf 15 november 2024 is redelijk.”
2.10.
De gemachtigde van [gedaagden] heeft per e-mail van 5 december 2025 aanspraak gemaakt op de teveel betaalde huur.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat –:
Primair:
te verklaren voor recht dat de woning op goede gronden als geliberaliseerd is verhuurd aan [gedaagden];
te verklaren voor recht dat de (aanvangs)huurprijs van de woning rechtsgeldig
€ 2.500,00 per maand bedraagt;
3. te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] geen rechten kan ontlenen aan de (voorzitters)uitspraak van de Huurcommissie en gehouden is aan de overeengekomen aanvangshuurprijs en overige bijkomende verplichtingen te voldoen;
4. indien en zover [gedaagden] niet uiterlijk binnen 30 dagen na de dag van betekening van dit exploot hebben voldaan aan de in de dagvaarding vermelde verboden ingebruikgeving, [gedaagden] daartoe hoofdelijk te veroordelen, op straffe van een dwangsom.
Subsidiair:
het onder IV toe te wijzen;
te verklaren voor recht dat sprake is van schending door [gedaagden] van het contractuele verbod het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een of meer derden in gebruik te geven;
veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de contractuele boete.
Primair en subsidiair:
hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag: i) dat zij – nu zij een geslaagd beroep kan doen op verschoonbare termijnoverschrijding – ontvankelijk is in deze procedure en ii) dat de Huurcommissie de huurprijs onjuist heeft vastgesteld. Zo zijn er ten onrechte geen punten toegekend voor het afgegeven energielabel C en moeten de binnen- en buitenruimtes anders worden gewaardeerd. Er is – anders dan de Huurcommissie meent – sprake van huur in het hoogsegment. Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat sprake is van verboden ingebruikgeving. Dit dienen [gedaagden] te staken en ook zijn zij een boete verschuldigd.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] vorderen veroordeling van [eiser] tot betaling van € 39.773,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
[gedaagden] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De Huurcommissie heeft de huurprijs vastgesteld op € 970,25 per maand vanaf 15 november 2024. Omdat de huur vooruit is betaald (een bedrag van € 62.450,00 ineens) dient [eiser] de teveel betaalde huur terug te betalen. Dit heeft zij niet gedaan.
3.7.
[eiser] voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Verschoonbare termijnoverschrijding?
4.2.
De wet bepaalt dat een rechtsmiddel tegen de uitspraak van de Huurcommissie binnen 8 weken na het verzenden van die uitspraak ingesteld moet worden. Dit is in beginsel een fatale termijn van openbare orde en moet door de rechter ambtshalve worden toegepast. De achtergrond hiervan is dat voor een goede rechtspleging en de rechtszekerheid duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan die termijnen strikt de hand wordt gehouden. Op dit uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt.
4.3.
[eiser] heeft betoogd dat zij de brieven van de Huurcommissie nooit ontvangen heeft en dat zij daarom niet tijdig heeft kunnen reageren. Voor het eerst is zij pas op 5 december 2025 op de hoogte geraakt van de uitspraak. Hierbij heeft zij toegelicht dat Huurcommissie uit is gegaan van [eiser] B.V. als verhuurder. Deze vennootschap heeft echter niets te doen met de verhuur van de onderhavige woonruimte. De brieven hadden gestuurd moeten worden naar [eiser] dan wel naar de beheerder [betrokkene]. Deze informatie was bij [gedaagden] bekend. [gedaagden] hebben betwist dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat het betoog van [eiser] opgaat als een bijzondere omstandigheid om de termijn van 8 weken te passeren. Daartoe is het volgende redengevend. Niet in geschil is dat de Huurcommissie op 28 mei 2025 aan [gedaagde 1] om nadere informatie (over de verhuurder) heeft gevraagd (zie r.o. 2.6). Ook is niet in het geschil dat de gemachtigde van [gedaagden] als reactie hierop (enkel) een uitdraai van het Kadaster heeft overgelegd. Daar kon in dit geval niet mee worden volstaan, omdat in de huurovereenkomst uitdrukkelijk is opgenomen dat de huurders ([gedaagden]) voor wat betreft de inhoud en alle verdere aangelegenheden betreffende deze huurovereenkomst met de beheerder contact op moe(s)t nemen (zie rechtsoverweging 2.3). Een procedure bij de Huurcommissie tot vaststelling van de aanvangshuurprijs is zo’n aangelegenheid. Onder deze omstandigheden had het op weg van de [gedaagden] gelegen om deze informatie (lees: de contact- en adresgegevens van de beheerder) (ook) aan de Huurcommissie te verstrekken, zodat de Huurcommissie hier verder op kon acteren. Dit klemt temeer nu [gedaagden] op 17 april 2025 – dus voorafgaand aan de procedure bij de Huurcommissie op 30 april 2025 – contact hebben gezocht met [betrokkene] (zie r.o. 2.4) over de huurprijs. Het is aannemelijk dat [betrokkene] – gezien zijn reactie op 15 juni 2025 – bij de procedure van de Huurcommissie was verschenen. [gedaagden] hadden bovendien op de e-mail van 15 juni 2025 kunnen reageren dat reeds een procedure bij de Huurcommissie aanhangig was. Dit zou geen noemenswaardige inspanning zijn geweest en zou wel het (eerlijk) verloop van de procedure ten goede zijn gekomen. Gesteld noch gebleken dat zij dit hebben gedaan. Deze discussie had daarmee voorkomen kunnen worden.
4.5.
Dat [eiser] dan wel [betrokkene] bekend was met de procedure bij de Huurcommissie, is niet gebleken. Dit blijkt niet uit de e-mail van 17 april 2025 en is ook anderszins niet gebleken. Gelet op voorgaande acht de kantonrechter de termijnoverschrijding van [eiser] verschoonbaar. Zij is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
Vaststelling van de huurprijs
4.6.
De kantonrechter moet beoordelen en vaststellen wat de hoogte van de aanvangshuurprijs is, omdat dat het punt is waarover de Huurcommissie om een uitspraak was verzocht en diens uitspraak (dat een huurprijs van € 970,25 per maand per 15 november 2024 redelijk is) met het instellen van de onderhavige procedure is komen te vervallen. De kantonrechter toetst de redelijkheid van de huurprijs aan dezelfde regels als de Huurcommissie. Het rapport van de Huurcommissie wordt hier als uitgangspunt genomen.
4.7.
De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 2] geen rechten kan ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie is met inachtneming van het voorgaande niet toewijsbaar. Zoals gezegd is de uitspraak van de Huurcommissie met deze procedure komen te vervallen.
Energielabel C
4.8.
[eiser] meent dat de Huurcommissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het afgegeven energielabel C. [gedaagden] hebben het voorgaande betwist, maar niet dat energielabel C feitelijk juist is.
4.9.
Niet ter discussie staat het energielabel C na aanvang van de huurovereenkomst is geregistreerd. Ook staat niet ter discussie dat de toestand van de woning niet is gewijzigd tussen het moment van aangaan van de huurovereenkomst en de opname voor het energielabel.
4.10.
Met de invoering van de Wet Betaalbare Huur per 1 juli 2024 is een groot aantal wetten en besluiten gewijzigd. Ook is de Toelichting op het woningwaarderingsstelsel voor zelfstandige woonruimte bij rubriek 4, per 1 juli 2024 gewijzigd. Sinds die datum staat daarin vermeld dat er (voor toekenning van punten aan een energielabel) sprake moet zijn van “de voor een woning geldig vastgesteld energielabel”, alsmede dat daar waar een geldig energielabel ontbreekt de waardering van de energieprestatie wordt bepaald op basis van het bouwjaar van de woning. Nu echter in deze nota niet wordt gesproken over hoe dit zich verhoudt tot artikel 11 lid 5 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte – waarin is bepaald dat de Huurcommissie de kwaliteit van de woonruimte en de redelijkheid van de huurprijs beoordeelt naar de toestand op de datum van ingang van de huurovereenkomst – en de Hoge Raad in zijn uitspraak van 30 juni 2023 uitdrukkelijk heeft bepaald dat de feitelijke toestand van het gehuurde op de ingangsdatum van de huurovereenkomst bepalend wordt geacht, ziet de kantonrechter geen aanleiding zich aan te sluiten bij de nota van toelichting op het woningwaarderingsstelsel dat er bij aanvang van de huurovereenkomst sprake moet zijn van een officieel vastgesteld energielabel. Het energielabel mag daarom toch worden meegenomen in de berekening van het puntenaantal.
4.11.
Het is ook niet redelijk om in dit geval het na aanvang van de huurovereenkomst in EP-online geregistreerde energielabel te negeren bij het toetsen van de redelijkheid van de aanvangshuurprijs. Het doel van het Besluit huurprijzen woonruimte (Bhw) (waarin het woningwaarderingsstelsel is opgenomen) is de waardering van de kwaliteit van een woning en de vaststelling van de redelijkheid van de huurprijs en de wijziging daarvan. De achtergrond van het meewegen van de energieprestatie in het woningwaarderingsstelsel is dat de verhuurder zijn investeringen in energiebesparende maatregelen moet kunnen terugverdienen. Daarbij past niet om op het enkele ontbreken van een energieprestatie-indicator voor het gehuurde op de datum aanvang huurovereenkomst een sanctie toe te passen, die er in dit geval op neerkomt dat het gehuurde lager wordt gewaardeerd dan dat het gehuurde feitelijk waard is.
4.12.
Energielabel C levert 22 punten op, terwijl de Huurcommissie op dit punt een aftrek van 15 punten had toegepast. Het puntenaantal komt hierdoor uit op 194 punten. Alleen al hierdoor komt de huurprijs boven de toen geldende huurliberalisatiegrens van € 879,66 per maand.
Buiten- en binnenruimtes
4.13.
[eiser] heeft verder gesteld dat ten onrechte maar 15 punten zijn toegekend voor de buitenruimtes. Dit betoogt slaagt niet. Uit het beleidsboek van de Huurcommissie volgt dat voor buitenruimtes maximaal 15 punten kunnen worden toegekend. Voor een carport kan maximaal nog twee punten extra worden toegekend, maar gesteld noch gebleken is dat het gehuurde een carport heeft.
4.14.
Tot slot heeft [eiser] betoogd dat voor de binnenruimtes uit moet worden gegaan van 139,75 punten en niet van 122 punten. Zij heeft ter onderbouwing een Huurprijscheck overgelegd. [gedaagden] hebben dit niet betwist, zodat de kantonrechter van dit puntenaantal uitgaat.
Woningwaardering komt uit op 212 punten
4.15.
Met inachtneming van het voorgaande komt de woningwaardering afgerond uit op 212 punten. Niet in geschil is dat bij de aanvang van de huurovereenkomst (15 november 2024) bij 212 punten een maximale huurprijs van € 1.326,25 per maand hoorde. Deze huurprijs ligt boven de toen geldende huurliberalisatiegrens van € 879,66 per maand. Op grond van de wet is de overeengekomen kale huurprijs van € 2.500,00 daarom redelijk en is de kantonrechter niet bevoegd om die huurprijs te wijzigen. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zijn gelet hierop toewijsbaar.
4.16.
Het voorgaande brengt ook mee dat [gedaagden] geen aanspraak kunnen maken op de teveel betaalde huur. Hun vordering is daarom niet toewijsbaar.
Verboden ingebruikgeving
4.17.
Ter discussie staat verder of sprake is van verboden ingebruikgeving. [eiser] heeft gesteld dat sinds 30 november 2024 op het adres van het gehuurde de besloten vennootschap [gedaagde 1] Keukenmontage Groep B.V. staat ingeschreven, met als bezoekadres het adres van de woning. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar een uitdraai van het Handelsregister.
4.18.
[gedaagden] erkennen weliswaar dat voornoemd bedrijf staat ingeschreven, maar betogen dat het gebruik van het gehuurde hierdoor niet is veranderd. [gedaagde 1] installeert en monteert keukens bij klanten thuis. Het gehuurde wordt daar uitdrukkelijk niet voor gebruikt. Ook worden in het gehuurde geen materialen opgeslagen en wordt het gehuurde niet gebruikt als werkplaats. Het woonruimte-oppervlak is met andere woorden niet veranderd.
4.19.
Hoewel in strikte zin sprake is van verboden ingebruikgeving zal de kantonrechter daar verder geen consequenties aan verbinden nu [gedaagden] als onbetwist hebben gesteld dat het woonruimte-oppervlak door de inschrijving van het bedrijf op het adres niet is gewijzigd. In het gehuurde vinden geen bedrijfsactiviteiten (zoals het installeren van keukens en opslag van materialen en goederen) plaats. Dat de gemeente hier handhavend tegen gaat optreden dan wel heeft opgetreden is niet gebleken. De hier tegen gerichte vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.20.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. In verband met de samenhang met de vordering in conventie worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,35
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
626,35
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.22.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat het gehuurde op goede gronden als geliberaliseerd is verhuurd aan [gedaagden];
5.2.
verklaart voor recht dat de (aanvangs)huurprijs voor het gehuurde € 2.500,00 per maand bedraagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 626,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op
5 augustus 2026.
Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 25 juli 2024.
Overeenkomstig artikel 7:249 BW.
Artikel 7:262 BW.
Artikel 7:262 BW.
Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:633, r.o. 3.1.2
Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1005.
Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1005 en Rechtbank Amsterdam 12 mei 2026, ECLI:RBAMS:2026:4590
Artikel 11 lid 4 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12124058 \ CV EXPL 26-1390
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G.C.M. Schipper,
tegen
1
[gedaagde 1],
te [plaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2],
te [plaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 2]
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna gezamenlijk samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. Misha Andriessen.
De zaak in het kort
[gedaagden] huren van [eiser] de woonruimte gelegen aan het adres [adres] te [plaats 2]. [gedaagde 1] heeft de Huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs te toetsen. De Huurcommissie heeft uitspraak gedaan en die is op 9 oktober 2025 verzonden. [eiser] is het niet eens met deze uitspraak en zij heeft zich daarom tot de kantonrechter gewend en (onder meer) gevorderd dat die de uitspraak vernietigt en een verklaring voor recht geeft over de huurprijs. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] ontvankelijk is in haar vordering en dat de woningwaardering uitkomt op 212 punten. Bij dat puntenaantal hoorde in november 2024 een maximale huurprijs van € 1.326,25 per maand. Deze huurprijs ligt boven de toen geldende huurliberalisatiegrens. Op grond van de wet is de overeengekomen kale huurprijs van € 2.500,00 daarom redelijk. Om die reden zijn de gevorderde verklaringen voor recht toewijsbaar. De overige vorderingen zijn niet toewijsbaar. Dit geldt ook voor de tegenvordering.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 20 januari 2026, met producties;
- conclusie van antwoord van 4 maart 2026 en een eis in reconventie, met producties;
- het tussenvonnis van 18 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagden] huren sinds 15 november 2024 van [eiser] de zelfstandige woning gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 2]. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
De kale huurprijs bedroeg bij aanvang van de huurovereenkomst € 2.500,00 per maand. De servicekosten bedroegen € 600,00 per jaar. [gedaagden] hebben de borg en de huur over de periode 1 januari 2025 tot en met 14 november 2026 in november dan wel in december 2024 geheel voldaan, een totaalbedrag van € 62.450,00.
2.3.
In de huurovereenkomst staat:
“(…)
De ondergetekenden:
[eiser] B.V., vertegenwoordigd door haar directeur, de heer [betrokkene].
E-mailadres: [e-mailadres]
Hierna te noemen ‘verhuurder’,
(…)
1.1.
Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de zelfstandige gestoffeerde woonruimte met inbegrip van de tuin. (…)
1.4.
Huurder heeft bij het aangaan van de huurovereenkomst geen kopie van het Energielabel als bedoeld in het Besluit energieprestatie gebouwen of een kopie van de Energie-Index ten aanzien van het gehuurde ontvangen.
(…)
Beheerder
9.1.
Totdat verhuurder anders meedeelt, treedt als beheerder op: de heer [betrokkene]
9.2.
Tenzij schriftelijk anders overeengekomen, dient huurder voor wat betreft de inhoud en alle verdere aangelegenheden betreffende deze huurovereenkomst met de beheerder contact op te nemen. (…)
2.4.
Per e-mail van 17 april 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagden] aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) een e-mail gestuurd. De e-mail is gericht aan [e-mailadres] en luidt als volgt: “Graag hoor ik vóór 2 mei 2025 of u akkoord gaat met de voorgestelde huurverlaging, of vragen heeft over dit voorstel.
Mocht u niet akkoord gaan zonder inhoudelijke reactie met ons te delen of een reactie in zijn geheel uitblijven, dan zal ik de Huurcommissie vragen een uitspraak te doen over de redelijkheid van de voorgestelde huurprijs. (…)”
2.5.
[betrokkene] heeft als volgt op 15 juni 2025 gereageerd: “Hierbij het antwoord op jouw schrijven over de berekening van de huur van de woning [adres] die je van mij hebt gehuurd voor de periode 15 november 2024 tot 15 november 2026. (…)
4. Vervolg
Wij blijven uiteraard bereid tot overleg over de huurrelatie in bredere zin, maar wijzen het formele voorstel tot huurverlaging en terugbetaling af. Mocht u desondanks een verzoek willen indien bij de Huurcommissie, dan zien wij dat met vertrouwen tegemoet. Wij zullen onze standpunten daar onderbouwen met de huurprijscheck, het energielabel en aanvullende documentatie.”
2.6.
Op 8 mei 2025 is het energielabel (energielabel C) van de woning vastgesteld.
2.7.
Op 30 april 2025 heeft [gedaagde 1] de Huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs te toetsen. Op 28 mei 2025 heeft de Huurcommissie een brief naar [gedaagde 1] gestuurd met de volgende inhoud: “Adresgegevens verhuurder
In het verzoekschrift is [eiser] B.V. als bedrijf opgenomen als verhuurder. Dit komt ook overeen met de huurovereenkomst. Er is dus geen twijfel aan de rechtspersoon of natuurlijk persoon en de Huurcommissie houdt daarom het verzoekschrift aan met betrekking tot de tenaamstelling van de wederpartij.
Echter, de aangeleverde adresgegevens komen niet overeen. Uit het Handelsregister (KVK) blijkt dat de adresgegevens van de wederpartij verschillen van de door u aangeleverde adresgegevens. Het is momenteel onduidelijk wat de juiste adresgegevens zijn van de verhuurder. Wij hebben deze nodig in verband met een eerlijk verloop van de procedure. (…) Stuur ons daarom uiterlijk op 7 juni 2025 bewijsdocumenten waaruit blijkt wat de NAW-gegevens van de wederpartij zijn. U kunt deze informatie ook opvragen bij de wederpartij. Als u geen reactie geeft op dit verzoek, dan kunnen wij uw zaak niet verder benadelen.”
2.8.
In het rapport van onderzoek van de Huurcommissie staat: “Energieprestatie
Uit controle op de van overheidswege ingerichte website ep-online.nl blijkt dat voor deze woning een energielabel C is geregistreerd op 8 mei 2025. Gedurende het onderzoek heeft de huurder verklaard dat er iemand langs is geweest om het energielabel op te meten.
Omdat dit label geregistreerd is na peildatum (ingangsdatum huurovereenkomst) 15 november 2024 wordt er voor de waardering van de energieprestatie van de woonruimte teruggevallen op het bouwjaar. Het oorspronkelijke bouwjaar van het appartementengebouw is in Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) vastgesteld op 1901.”
2.9.
De Huurcommissie heeft bij uitspraak van 9 oktober 2025 (zaaknummer 2503698) geoordeeld dat de tussen partijen overeengekomen huurprijs niet redelijk is. De Huurcommissie acht een huurprijs van € 970,25 per maand (157 punten) met ingang van 15 november 2024 redelijk. In de uitspraak staat: “Adresgegevens verhuurder
De commissie merkt op dat er meerdere poststukken van verhuurder retour zijn gekomen. Op de enveloppen van de retourstukken staat “geweigerd” en “niet meer gevestigd op dit adres”. Huurder heeft een uitdraai van het Kadaster overgelegd, waarop de adresgegevens van verhuurder zichtbaar zijn. Deze gegevens komen overeen met de informatie op de website van de Kamer van Koophandel. Verhuurder heeft er voor gekozen om zijn adresgegevens niet in de huurovereenkomst op te nemen.
De commissie vindt dat huurder voldoende medewerking heeft verleend om het juiste adres van de verhuurder aan te leveren. Daarnaast oordeelt de commissie dat het niet aannemelijk is dat verhuurder een ander adres heeft dan in de registers is opgenomen”.
(…)
Beslissing
Het puntenaantal van de woonruimte bedraagt 157 punten.
De met ingang van 15 november 2024 overeengekomen huurprijs van € 2.500,00 per maand is op basis van het puntenaantal niet redelijk.
Een huurprijs van € 970,25 per maand vanaf 15 november 2024 is redelijk.”
2.10.
De gemachtigde van [gedaagden] heeft per e-mail van 5 december 2025 aanspraak gemaakt op de teveel betaalde huur.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat –:
Primair:
te verklaren voor recht dat de woning op goede gronden als geliberaliseerd is verhuurd aan [gedaagden];
te verklaren voor recht dat de (aanvangs)huurprijs van de woning rechtsgeldig
€ 2.500,00 per maand bedraagt;
3. te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] geen rechten kan ontlenen aan de (voorzitters)uitspraak van de Huurcommissie en gehouden is aan de overeengekomen aanvangshuurprijs en overige bijkomende verplichtingen te voldoen;
4. indien en zover [gedaagden] niet uiterlijk binnen 30 dagen na de dag van betekening van dit exploot hebben voldaan aan de in de dagvaarding vermelde verboden ingebruikgeving, [gedaagden] daartoe hoofdelijk te veroordelen, op straffe van een dwangsom.
Subsidiair:
het onder IV toe te wijzen;
te verklaren voor recht dat sprake is van schending door [gedaagden] van het contractuele verbod het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan een of meer derden in gebruik te geven;
veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de contractuele boete.
Primair en subsidiair:
hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag: i) dat zij – nu zij een geslaagd beroep kan doen op verschoonbare termijnoverschrijding – ontvankelijk is in deze procedure en ii) dat de Huurcommissie de huurprijs onjuist heeft vastgesteld. Zo zijn er ten onrechte geen punten toegekend voor het afgegeven energielabel C en moeten de binnen- en buitenruimtes anders worden gewaardeerd. Er is – anders dan de Huurcommissie meent – sprake van huur in het hoogsegment. Verder stelt [eiser] zich op het standpunt dat sprake is van verboden ingebruikgeving. Dit dienen [gedaagden] te staken en ook zijn zij een boete verschuldigd.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] vorderen veroordeling van [eiser] tot betaling van € 39.773,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
[gedaagden] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De Huurcommissie heeft de huurprijs vastgesteld op € 970,25 per maand vanaf 15 november 2024. Omdat de huur vooruit is betaald (een bedrag van € 62.450,00 ineens) dient [eiser] de teveel betaalde huur terug te betalen. Dit heeft zij niet gedaan.
3.7.
[eiser] voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Verschoonbare termijnoverschrijding?
4.2.
De wet bepaalt dat een rechtsmiddel tegen de uitspraak van de Huurcommissie binnen 8 weken na het verzenden van die uitspraak ingesteld moet worden. Dit is in beginsel een fatale termijn van openbare orde en moet door de rechter ambtshalve worden toegepast. De achtergrond hiervan is dat voor een goede rechtspleging en de rechtszekerheid duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan die termijnen strikt de hand wordt gehouden. Op dit uitgangspunt kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt.
4.3.
[eiser] heeft betoogd dat zij de brieven van de Huurcommissie nooit ontvangen heeft en dat zij daarom niet tijdig heeft kunnen reageren. Voor het eerst is zij pas op 5 december 2025 op de hoogte geraakt van de uitspraak. Hierbij heeft zij toegelicht dat Huurcommissie uit is gegaan van [eiser] B.V. als verhuurder. Deze vennootschap heeft echter niets te doen met de verhuur van de onderhavige woonruimte. De brieven hadden gestuurd moeten worden naar [eiser] dan wel naar de beheerder [betrokkene]. Deze informatie was bij [gedaagden] bekend. [gedaagden] hebben betwist dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat het betoog van [eiser] opgaat als een bijzondere omstandigheid om de termijn van 8 weken te passeren. Daartoe is het volgende redengevend. Niet in geschil is dat de Huurcommissie op 28 mei 2025 aan [gedaagde 1] om nadere informatie (over de verhuurder) heeft gevraagd (zie r.o. 2.6). Ook is niet in het geschil dat de gemachtigde van [gedaagden] als reactie hierop (enkel) een uitdraai van het Kadaster heeft overgelegd. Daar kon in dit geval niet mee worden volstaan, omdat in de huurovereenkomst uitdrukkelijk is opgenomen dat de huurders ([gedaagden]) voor wat betreft de inhoud en alle verdere aangelegenheden betreffende deze huurovereenkomst met de beheerder contact op moe(s)t nemen (zie rechtsoverweging 2.3). Een procedure bij de Huurcommissie tot vaststelling van de aanvangshuurprijs is zo’n aangelegenheid. Onder deze omstandigheden had het op weg van de [gedaagden] gelegen om deze informatie (lees: de contact- en adresgegevens van de beheerder) (ook) aan de Huurcommissie te verstrekken, zodat de Huurcommissie hier verder op kon acteren. Dit klemt temeer nu [gedaagden] op 17 april 2025 – dus voorafgaand aan de procedure bij de Huurcommissie op 30 april 2025 – contact hebben gezocht met [betrokkene] (zie r.o. 2.4) over de huurprijs. Het is aannemelijk dat [betrokkene] – gezien zijn reactie op 15 juni 2025 – bij de procedure van de Huurcommissie was verschenen. [gedaagden] hadden bovendien op de e-mail van 15 juni 2025 kunnen reageren dat reeds een procedure bij de Huurcommissie aanhangig was. Dit zou geen noemenswaardige inspanning zijn geweest en zou wel het (eerlijk) verloop van de procedure ten goede zijn gekomen. Gesteld noch gebleken dat zij dit hebben gedaan. Deze discussie had daarmee voorkomen kunnen worden.
4.5.
Dat [eiser] dan wel [betrokkene] bekend was met de procedure bij de Huurcommissie, is niet gebleken. Dit blijkt niet uit de e-mail van 17 april 2025 en is ook anderszins niet gebleken. Gelet op voorgaande acht de kantonrechter de termijnoverschrijding van [eiser] verschoonbaar. Zij is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
Vaststelling van de huurprijs
4.6.
De kantonrechter moet beoordelen en vaststellen wat de hoogte van de aanvangshuurprijs is, omdat dat het punt is waarover de Huurcommissie om een uitspraak was verzocht en diens uitspraak (dat een huurprijs van € 970,25 per maand per 15 november 2024 redelijk is) met het instellen van de onderhavige procedure is komen te vervallen. De kantonrechter toetst de redelijkheid van de huurprijs aan dezelfde regels als de Huurcommissie. Het rapport van de Huurcommissie wordt hier als uitgangspunt genomen.
4.7.
De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 2] geen rechten kan ontlenen aan de uitspraak van de Huurcommissie is met inachtneming van het voorgaande niet toewijsbaar. Zoals gezegd is de uitspraak van de Huurcommissie met deze procedure komen te vervallen.
Energielabel C
4.8.
[eiser] meent dat de Huurcommissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het afgegeven energielabel C. [gedaagden] hebben het voorgaande betwist, maar niet dat energielabel C feitelijk juist is.
4.9.
Niet ter discussie staat het energielabel C na aanvang van de huurovereenkomst is geregistreerd. Ook staat niet ter discussie dat de toestand van de woning niet is gewijzigd tussen het moment van aangaan van de huurovereenkomst en de opname voor het energielabel.
4.10.
Met de invoering van de Wet Betaalbare Huur per 1 juli 2024 is een groot aantal wetten en besluiten gewijzigd. Ook is de Toelichting op het woningwaarderingsstelsel voor zelfstandige woonruimte bij rubriek 4, per 1 juli 2024 gewijzigd. Sinds die datum staat daarin vermeld dat er (voor toekenning van punten aan een energielabel) sprake moet zijn van “de voor een woning geldig vastgesteld energielabel”, alsmede dat daar waar een geldig energielabel ontbreekt de waardering van de energieprestatie wordt bepaald op basis van het bouwjaar van de woning. Nu echter in deze nota niet wordt gesproken over hoe dit zich verhoudt tot artikel 11 lid 5 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte – waarin is bepaald dat de Huurcommissie de kwaliteit van de woonruimte en de redelijkheid van de huurprijs beoordeelt naar de toestand op de datum van ingang van de huurovereenkomst – en de Hoge Raad in zijn uitspraak van 30 juni 2023 uitdrukkelijk heeft bepaald dat de feitelijke toestand van het gehuurde op de ingangsdatum van de huurovereenkomst bepalend wordt geacht, ziet de kantonrechter geen aanleiding zich aan te sluiten bij de nota van toelichting op het woningwaarderingsstelsel dat er bij aanvang van de huurovereenkomst sprake moet zijn van een officieel vastgesteld energielabel. Het energielabel mag daarom toch worden meegenomen in de berekening van het puntenaantal.
4.11.
Het is ook niet redelijk om in dit geval het na aanvang van de huurovereenkomst in EP-online geregistreerde energielabel te negeren bij het toetsen van de redelijkheid van de aanvangshuurprijs. Het doel van het Besluit huurprijzen woonruimte (Bhw) (waarin het woningwaarderingsstelsel is opgenomen) is de waardering van de kwaliteit van een woning en de vaststelling van de redelijkheid van de huurprijs en de wijziging daarvan. De achtergrond van het meewegen van de energieprestatie in het woningwaarderingsstelsel is dat de verhuurder zijn investeringen in energiebesparende maatregelen moet kunnen terugverdienen. Daarbij past niet om op het enkele ontbreken van een energieprestatie-indicator voor het gehuurde op de datum aanvang huurovereenkomst een sanctie toe te passen, die er in dit geval op neerkomt dat het gehuurde lager wordt gewaardeerd dan dat het gehuurde feitelijk waard is.
4.12.
Energielabel C levert 22 punten op, terwijl de Huurcommissie op dit punt een aftrek van 15 punten had toegepast. Het puntenaantal komt hierdoor uit op 194 punten. Alleen al hierdoor komt de huurprijs boven de toen geldende huurliberalisatiegrens van € 879,66 per maand.
Buiten- en binnenruimtes
4.13.
[eiser] heeft verder gesteld dat ten onrechte maar 15 punten zijn toegekend voor de buitenruimtes. Dit betoogt slaagt niet. Uit het beleidsboek van de Huurcommissie volgt dat voor buitenruimtes maximaal 15 punten kunnen worden toegekend. Voor een carport kan maximaal nog twee punten extra worden toegekend, maar gesteld noch gebleken is dat het gehuurde een carport heeft.
4.14.
Tot slot heeft [eiser] betoogd dat voor de binnenruimtes uit moet worden gegaan van 139,75 punten en niet van 122 punten. Zij heeft ter onderbouwing een Huurprijscheck overgelegd. [gedaagden] hebben dit niet betwist, zodat de kantonrechter van dit puntenaantal uitgaat.
Woningwaardering komt uit op 212 punten
4.15.
Met inachtneming van het voorgaande komt de woningwaardering afgerond uit op 212 punten. Niet in geschil is dat bij de aanvang van de huurovereenkomst (15 november 2024) bij 212 punten een maximale huurprijs van € 1.326,25 per maand hoorde. Deze huurprijs ligt boven de toen geldende huurliberalisatiegrens van € 879,66 per maand. Op grond van de wet is de overeengekomen kale huurprijs van € 2.500,00 daarom redelijk en is de kantonrechter niet bevoegd om die huurprijs te wijzigen. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zijn gelet hierop toewijsbaar.
4.16.
Het voorgaande brengt ook mee dat [gedaagden] geen aanspraak kunnen maken op de teveel betaalde huur. Hun vordering is daarom niet toewijsbaar.
Verboden ingebruikgeving
4.17.
Ter discussie staat verder of sprake is van verboden ingebruikgeving. [eiser] heeft gesteld dat sinds 30 november 2024 op het adres van het gehuurde de besloten vennootschap [gedaagde 1] Keukenmontage Groep B.V. staat ingeschreven, met als bezoekadres het adres van de woning. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar een uitdraai van het Handelsregister.
4.18.
[gedaagden] erkennen weliswaar dat voornoemd bedrijf staat ingeschreven, maar betogen dat het gebruik van het gehuurde hierdoor niet is veranderd. [gedaagde 1] installeert en monteert keukens bij klanten thuis. Het gehuurde wordt daar uitdrukkelijk niet voor gebruikt. Ook worden in het gehuurde geen materialen opgeslagen en wordt het gehuurde niet gebruikt als werkplaats. Het woonruimte-oppervlak is met andere woorden niet veranderd.
4.19.
Hoewel in strikte zin sprake is van verboden ingebruikgeving zal de kantonrechter daar verder geen consequenties aan verbinden nu [gedaagden] als onbetwist hebben gesteld dat het woonruimte-oppervlak door de inschrijving van het bedrijf op het adres niet is gewijzigd. In het gehuurde vinden geen bedrijfsactiviteiten (zoals het installeren van keukens en opslag van materialen en goederen) plaats. Dat de gemeente hier handhavend tegen gaat optreden dan wel heeft opgetreden is niet gebleken. De hier tegen gerichte vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.20.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. In verband met de samenhang met de vordering in conventie worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,35
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
626,35
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.22.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat het gehuurde op goede gronden als geliberaliseerd is verhuurd aan [gedaagden];
5.2.
verklaart voor recht dat de (aanvangs)huurprijs voor het gehuurde € 2.500,00 per maand bedraagt;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 626,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op
5 augustus 2026.
Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 25 juli 2024.
Overeenkomstig artikel 7:249 BW.
Artikel 7:262 BW.
Artikel 7:262 BW.
Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:633, r.o. 3.1.2
Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1005.
Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1005 en Rechtbank Amsterdam 12 mei 2026, ECLI:RBAMS:2026:4590
Artikel 11 lid 4 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.